(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



BIJDRAGEN 

\ 



TOT DE 



TAAL- LAND- EN VOLKENKUNDE 



VAN 



NEDERLANDSCH-iNDIË 



UITGEGEVEN DOOR HET 



Roninklqk Instituut yoor de Taal-, Land- en Volkenkunde 

van Nederlandseh-IndiS. 



vijfde volörbeks —zevende deel. 
(deel xli der geueele reeks.) 

KEB8TE AFLE%^BI!V«. 



'SGRAVEiraAGE, 

MABTINUS NIJHOPF. 
18 92. 



INHOUD. 



Bladztjde. 

De lijkbezorging der Emoy-Chiueezen. Door Dr. J. J. 

M. de Groot 1 

Opmerkingen over 't Galelareesch naar aanleiding der 
beknopte spraakkunst van M. J. van Baarda. (Ver- 
volg van Dl. XL blz. 539). Door Dr. H. Kern . 115 

Levensbericlit van Dr. G. A. Wilken. (Met Portret). 

Door .Mr. T. JH. der Kinderen 189 



BIJDRAGEN 



TOT Dl 



TAAL- LAND- EN VOLKENKUNDE 



VAN 



NEDERLANDSCH-INDIE. 



BIJDRAGEN 



TOT DE 



TAAL- LAND- EN VOLKENKUNDE 



VAN 



NEDERLANDSCH INDIE 



UITGEGEVEN DOOR HET 



Koninklijk Instituut voor de Taal- , Land- en Volkenkunde 

van Nederlandseh-Indië. 



VÜFDE VOLGREEKS. — ZEVENDE DEEL. 



(deel ZLI DEB GEHSELE REEKB.) 



'8 GRAVBNHAGE, 

MARTINU8 NIJHOPF. 
18 9 2. 



T^'VtL :ia.^.\ 



•> 









V ^ ^-^"l 




e. 



f 



-<-«-A.CJL- -L^^l- 




OKOKUKT BU U L SIUT8. 



DE LIJKBEZORGING DER EMOY-CHINEKZEN, 



DOOB 

J. J. 11 DB GBOOT. 



De volgende bladzijden hebben ten doel een overzicht te geven 
van de wijze waarop in Emoy , de welbekende haven , die door 
alle eenwen heen bijna nitslnitend het station van vertrek voor de naar 
Java emigreerende Chineezen is geweest, fatsoenlijke lieden sterven, 
gekleed , gekist en begraven worden. Langs dien weg hopen wij een 
meer volledig compendinm te leveren van wat men daaromtrent op 
Java en in menig deel der Bnitenbezittingen ziet gebeuren, dan ooit 
opgebouwd zou kunnen worden uit waarnemingen, op enkele plaatsen 
in onze Koloniën gedaan. Immers , het moge een onomstootelijke 
waarheid zijn, dat de Chineezen over het algemeen vrij getrouw de 
zeden en gebruiken van hun vaderla^^ onder onze vlag hebben 
overgeplant, toch valt het niet te ontkennen dat hier het eene, 
daar het andere onderdeel er van in onbruik geraakt is. 
Wil men dus met eenige kans op volledigheid een onderdeel van 
het kader der zeden en gebruiken der in onze koloniën gevestigde 
Chineezen bewerken, dan is en blijft het aangewezen middel de 
toevlucht te nemen tot de hoofdbron: hnn vaderland. 

Daar in China de hoogere standen de zeden en gewoonten in meer 
uitgewerkten vorm plegen na te leven dan de lagere klassen, wier 
middelen te bekrompen zijn om zich al de daaraan verbonden uitgaven 
te veroorloven, nemen wij bij onze beschrijving de notabele families 
tot uitgangspunt. Het zal dan voor den lezer niet moeielijk wezen in de 
meeste gevallen zelf te beslissen, welke gebruiken door de minder 
welgestelden achterwege worden gelaten als liggende buiten het 
bereik van beurs, rang of stand. 

De oorspronkelijke schrijfwijzen der Chineesche uitdrukkingen , 
welke in dit opstel voorkomen, worden op een afzonderlijk blad 
aan het slot weergegeven. 



5« Volgr. Vn. 



HOOFDSTUK I. 



DE DOOD. 



Niet minder dan in het Westen wordt het in China door de 
naaste verwanten als een heilige plicht beschouwd tegenwoordig te 
zijn bij het afsterven van een bemind of geëerd bloedverwant. Zoons, 
dochters^ kleinkinderen, broeders, zusters en echtgenoot mogen niet 
bij het sterfbed ontbreken. Ook moeten de vrouwen van mannelijke 
nakomelingen er zoo mogelijk verschijnen ; want krachtens een maat- 
schappelijke wet gaan bij het huwelijk van iedere vrouw de rechten 
van haar vader en moeder op haar schoonouders over, zoodat 
zij dezen denzelfden eerbied betoonen moet als waren zij haar eigen 
ouders. 

Opdat de naastbestaanden bijtijds tegenwoordig zullen zijn, worden 
zij^ als het noodlottig oogenblik nadert, zoo dikwijls mogelijk om- 
trent den toestand van den zieke ingelicht. Velen zien niet op tegen 
een moeilijke en lastige reis om met den geliefde een woord tot 
a&cheid te wisselen en zijn laatsten wil en bevelen te vernemen. 
Slechts langs mondelingen weg pleegt het maken vau een uiterste 
wilsbeschikking of, zooals het in Emoy heet ^ hoan-hoè h5-soë(l), 
ffhei geven van bevelen omtrent de dingen die komen zullen//, 
te geschieden; geschreven testamenten behooren tot de uitzonde- 
ringen. Mitsdien is de tegenwoordigheid van de geheele ÜEimilie als 
getuige een zaak van groot gewicht. 

Is de stervende op het punt den laatsten adem uit te blazen, 
dan mag hij niet te bed blijven , maar wordt hij gelegd op een 
legerstede van drie planken, naast elkander op twee schragen 
geplaatst en met e^n mat bedekt. Meestal neemt men de mat, 
waarop hij op zijn ziekbed lag, ook wel eens een nieuwe, als men 
die bij de hand heeft. Dit doodsbed wordt tsoéi tshng (2), 
^i'waterbed^ , geheeten, omdat de stervende er^op gewasschen wordt. 
Zeer dikwijls, vooral bij de rijken, onttrekt men het aan het oog 



DE LUKBEZORGIKO DBB £MOY-OHINSBZEl^. 3 

door een wit laken , dat er bij wijze van gordijn vóór gehangen 
wordt. 

In den regel wordt het «'waierbed/y in het hoofdvertrek der woning 
opgeslagen, d. i. in de zoogenaamde thia^^g (3), de zaai achter den 
hoofdingang, al dan niet hiervan door een open voorhof gescheiden. 
Zij dient om gasten te ontvangen en vooral om ofiers op te dragen 
aan de huisgoden en &milieschimmen , die, respectievelijk door 
beelden en zielbordjes voorgesteld, op den achtergrond recht tegen- 
over den ingang op een altaar geplaatst zijn. Gemakshalve zullen 
wij haar in het vervolg '/zaal«^ noemen. Zij vertegenwoordigt vrij 
wel het atrium der oude Eomeinen, dat ook het lararium of altaar 
met de huisgoden bevatte. 

Alvorens den stervende naar die zaal te brengen, plaatst men 
het altaar met de goden en zielbordjes in een ander vertrek , omdat het 
indruischt tegen den eerbied , aan onzichtbare beschermers der familie 
verschuldigd, hen getuigen te doen zijn van het weinig aan- 
trekkelijke schouwspel des doods. Bevat het huis echter geen 
tot dat doel geschikte nevenkamer, dan bepaalt men er zich toe het 
geheele altaar met een wit laken te bedekken; wit, of juister gezegd 
kleurloosheid, is nl. in China het zinnebeeld van rouw. Is de stervende 
de voornaamste van een familie, bijv. een ouderloos vader of moeder, 
een oudere broeder als ouders en grootouders dood zijn , een bijzit , 
die het leven geschonken heeft aan een zoon welke door een ge- 
wichtige ambtenaarsloopbaan zijn familie op de maatschappelijke 
ladder eenige sporten heeft doen omhoog klimmen, enz. , dan wordt 
het lichaam langs den muur gelegd waar het altaar stond , dewijl dit 
de voornaamste plaats is van het geheele huis. Men legt den stervende 
dan zóó , dat voor iemand, die met den rug naar dien muur gekeerd 
is , het hoofd zich links bevindt. Kinderen of andere &milieleden van 
minderen rang worden langs een der zijmuren uitgestrekt met de 
voeten naar de deur , want daar zijn , volgens Ghineesche opvatting , 
de lagere plaatsen. En wat slaven , kinderlooze bijwijven , bedienden 
en soortgelijke lieden betreft, die worden in het geheel niet in de 
zaal geduld, maar in een nevenvertrek gebracht, om daar den laatsten 
adem uit te blazen. 

Is de stervende op het waterbed gelegd, dan wordt hij door een 
schoondochter , zijn echtgenoote of een ander familielid over het gansche 
lichaam flink afgeveegd met een doek gedoopt in warm water^ waaria 
soms bladeren van een baniaan (waringin) of perzik afgekookt zijn. 
Men scheert hem verder hoofd en gelaat^ maakt den haarstaart op 



4 D£ LtJKBE^O&GINa DtR EkOT-OÖINÏEEZEi^ 

en trekt hem schoon goed aan, opdat zijn ziel zindelijk en netjes 
in de wereld der schimmen moge belanden. Ten slotte spreidt men 
een laken over het lichaam en laat het stil liggen, tot de tijd van 
kisten aanbreekt. Welgestelde lieden laten bij voorkeur een barbier 
komen om het hoofd en gelaat te behandelen. Die verdient daaraan 
meer dan wanneer hij een springlevende onder handen neemt; hoe 
voornamer en rijker de familie, hoe meer hij krijgt. De etiquette 
eischt, dat hem -zijn geld in een rood papiertje gewikkeld overhan- 
digd wordt , want rood is het zinnebeeld van geluk en neutraliseert 
bijgevolg noodlottige invloeden, ook die welke door aanraking met 
den dood veroorzaakt worden. Laten de middelen het toe, dan wordt 
het haar eener vrouwelijke doode steeds met de grootste zorg door 
de vrouwen opgemaakt en met allerhande bloemen, edelgesteenten, 
zilveren haarnaalden enz. versierd. 

Tn het vaak voorkomende geval, dat de grafkleéren van den 
stervende reeds gereed zijUy. worden zij nu netjes op het waterbed 
geschikt. De laarzen zet men aan het voeteneind , de jassen , toga's 
en broeken legt men langs hem uit, en den hoed plaatst men bij 
zijn hoofd. Dus kan de oude man zich nog in zijn laatste oogen- 
blikken verlustigen in de zekerheid, dat hij er netjes uit zal zien 
aan gene zijde van het graf en onder de voorvaderen een goed 
figuur zal maken. Hij betuigt dan ook, als hij niet te ver buiten 
kennis is, in den regel zijn warmen dank aan hen, die zich voor 
de verzekering zijner positie in het hiernamaals zooveel moeite geven. 

Dat men op een waterbed den adem moet uitblazen is echter 
geen wet van Meden en Perzen. Het overbrengen derwaarts vóór het 
leven uitgedoofd is geschiedt alleen als de patiënt zóó verzwakt, 
of door langdurige ziekte zóó uitgeput is, dat de &milie alle hoop 
op herstel heeft opgegeven; zoolang echter nc^ eenig uitzicht be- 
staat dat hij er van zal opkomen, laat men hem rustig op zijn 
ziekbed liggen. Bijgevolg worden tal van menschen pas naar het 
waterbed overgebracht en gewasschen als zij werkelijk den geest ge- 
geven hebben. 

Zooals wij reeds aanstipten , bestaat het waterbed met of zonder 
reden uit drie planken. Op grond daarvan nu zal menig Emoy- 
Chinees hardnekkig weigeren te slapen op een bed. dat uit drie 
planken samengesteld is: het zou zijn dood vervroegen, in elk geval 
hem een groot ongeluk op den hals kannen halen. Het geldt ook 
voor zeer onbeleefd , ja schandelijk , een gast een zitplaats of bed van 
drie planken aan te bieden. Toen ik op een reis door de provincie 



BE LUKBEZOROINO 1)£E EMOY-OHINSIZEN. 5 

Foehkiën eens gedwongeu was den nacht door te brengen in een kleine 
boot^ daar aan* den wal geen logies te krijgen was, weigerde mijn 
lijfbediende hardnekkig op den vloer van de roef te slapen , omdat 
er in de richting van de lengte twee naden door liepen ; hij verkoos 
in den garen Novembemacht zich neer te leggen op den open 
voorsteven, de eenige ligplaats ,die het schuitje nog aanbood. 



HOOFDSTUK IL 



OBBBUIKEN TÜSSOHEN DEN DOOD EN HET KLEEDEN VAN HET LUK. 

Zoolang de laatste adem nog niet is uitgeblazen , geven de familie- 
leden slechts door onderdrukte snikken en tranen lucht aan hun 
smart. Doch nauwelijks is de dood ingetreden, of allen barsten in 
luide en hartstochtelijke jammertonen uit. De stemmen der vrou- 
wen vooral hoort men boven de andere uit; zij liggen op den 
grond geknield en houden het gelaat met een witten lap bedekt. 
Het klaaggezang, dat een zoon aanheft, zal luiden: Ood pê eh, 
H tsal thang ts5 11 khl, p^ng go& üm tsi&>^g ld.ng (4), 
>/Yader, hoe kunt gij van mij heengaan en mij verlaten vóór ik 
tot een man opgegroeid benP^y; dat van een echtgenoot: Go^ ke- 
khaó eh, 11 tsal thang ts5 11 kh), ikm toë lat hai 11 (5), 
^Man, hoe kunt gij over u verkrijgen heen te gaan? De donkere 
gewesten zullen u kwaad doen>/ — enz. enz. 

Dat luidruchtig beweenen van een doode is geenszins een uiting 
van groote zielesmart of bitter verdriet. Veeleer is het een door de 
gewoontewet voorgeschreven ritus, een zedelijke plicht, door de 
naaste bloedverwanten tegenover den overledene in acht te nemen. 
Waarschijnlijk heeft men er een overblijfsel uit onbeschaafdere tijden 
in te zien , want het is overbekend , dat wilden in het algemeen 
bij ster^evallen op uiterst luidruchtige wijze aan hunne aandoeningen 
lucht geven. Er ligt echter in dat huilen en kermen nog iets anders 
opgesloten: het is een protest tegen de ziel dat zij heengaat, een 
poging om haar over te halen terug te keeren en het lijk weer te 
bezielen. Het wordt dan ook begrijpelijkerwijze op verschillende tijd- 
stippen herhaald. Dat terugroepen van de ziel was in het China 
van vóór 3000 jaar reeds een plechtige ceremonie geworden: men 
beklom het dak van de woning en trok door de naburige straten , 
ja zelfs door de omstreken der stad, steeds den doode toeroepende 
terug te keeren. Het zou ons te ver voeren daarover uit te weiden *. 

^ Eenige bladsijden werden reeds vroeger door ons aau dit onderwerp gewijd 
in een werk getiteld: Jaarlijksohe Feesten en Gebruiken van de Emoy-ChineeEen , 
bil. 498 en ylg. 



J)I LUXBIEOBOINQ DER SMOT-OHnCSBZBN. 



7 



Wij willen slechts aanteekenen , dat de Ghineezen lang niet de 
eenigen zijn , die de ziel trachten te overreden in het lijk terag te 
keeren. Spencer bv. schrijft in zijn Principles of Sociologj, § 83 . . . 

4^This introdaces ns to the widelj-prevalent practioe of 

'«rtalking to the corpse: primarily with the view of indacing the 
iTwandering dnplicate to retarn, bnt' otherwise for purposes of 
irpropitiation. The Fijian thinks that calling sometimes brings back the 
/^other-self at déath; and we read that the Moondes^ or Hos, even 
tfcaW back the spirit of a corpse that has been bumt. Gruickshank 
i^says that the Fantees addressed the corpse sometimes in accents 
0o{ reproach for Icaving them; at others beseeching his spirit to 
/grwatch over and protect them from evil. Daring their lamentations, 
.«rthe Caribs asked the deceased to declare the caose of his departare 
^from the world. In Loango, a dead man^s relatives question 
/fhim for two or three hours why he died; and on the Gold Goast 
Hhe dead person is himself interrogated as to the cause of his 
/irdeath: a statement of Beecham confirmed by Winterbottomis'. 

Sluiten de oogen van het lijk zich niet vanzelf, dan trekt men 
daaruit het gevolg , dat er iets is , waarover de ziel zich niet op haar 
gemak gevoelt. Een zoon, de echtgenoot of een ander naastbestaande 
van den doode tracht dezen dan op fleemenden toon gerust te stellen 
met de verzekering dat voor zijn lichaam de grootst mogelijke zorg 
zal gedragen en spijs, drank en geld aan zijn ziel zullen geofferd 
worden , terwijl men Boedhistische zielmissen voor hem zal doen 
lezen en zijn laatsten wil trouw zal uitvoeren. Dan drukt men 
oogen en mond zachtjes toe. 

In 1886 deed het volgend verhaal in Emoy de ronde Een aan- 
zienlijk ingezetene kreeg, toen hij bewusteloos op zijn sterfbed was 
neergezegen, plotseling een neusbloeding. Zijn zoon, algemeen bekend 
als een jongeling van slecht gedrag, hield dit dadelijk voor een 
bewijs dat de stervende te zijnen aanzien ongerust was en ontstelde 
zóó zeer, dat hij op de knieën viel onder plechtige gelofte zijn 
leven te zullen beteren. Natuurlijk hield de bloeding toen onmid- 
dellijk op. 

Is de doode een jongmensch , of iemand in de kracht des levens, 
dan wordt dadelijk een dakvenster opengezet om den kwaden invloeden, 
welke den dood veroorzaakten, gelegenheid te geven uit het huis 
te trekken. Maar bij het overlijden van een ouden man of bejaarde 
vrouw geeft men zich die moeite niet, daar de dood dan aan den 
natuurlijken loop van zaken , geenszins aan ongewone invloeden 



8 Dl LimBEZOBGING D^K SMOY-OUINSSZEM . 

van buitenaf wordt toegeschreven. Sterft een melaatsche, dan zal 
men deze voorzorg nooit verzuimen, dewijl het toch tegenover de 
meest gevreesde ziekte, die men in China kent, in de allereerste 
plaats van overwegend belang is die invloeden niet op andere huis- 
genooten te doen overgaan, m. a. w. niet besmet te worden. 

Yele Ghineezen zijn van meening , dat het openen van het venster 
ook geschiedt om de ziel van den doode vrij het huis te doen uit- 
en ingaan. 

Indien het huis voor winkelnering ingericht is en komende en 
gaande koopers het schouwspel van de lijkbezorging , of wat daarmee 
^menhangt, in het oog zouden kunnen krijgen, dan worden de 
winkelluiken gesloten en verkoopt men niet. Trouwens, in het be- 
staande geval zouden er toch geen klanten komen, daar iedereen 
aanraking met lijkplechtigheden bij voorkeur vermijdt. Is het huis 
echter groot genoeg om den gaanden en komenden man op ^enigen 
afstand van de lijkbezorging te bedienen, dan laat men iu den 
regel de nering ongestoord haar gang gaan en zet een of ander 
familielid, vriend of kennis zoolang als bezoldigd of onbezoldigd 
zaakwaarnemer achter de toonbank. 

Een der eerste zorgen van de vrouw en de kinderen van den 
doode -is, zich zware rouwkleeren aan te schaffen. Deze zijn gemaakt 
uit vuilgeel , ruw hennepweefsel , dat overigens alleen voor het makeu 
van de grofste soort zakken dienst doet — in één .woord uit de 
gemeenste stof, die men in China kent. Yeelal worden zij gehuurd 
in zoogenaamde 4^ winkels van trommen en blaasinstrumenten^ kó 
tsjhee tièm (6), waar ook alles te huur is wat voor een bruilofts- 
of begrafenisstoet noodig is, de muziek incluis. Slechts meer 
welgestelde &milies laten de hennepkleeren opzettelijk voor zich 
maken. Nooit houdt men ze in zijn woning in gereedheid , daar zij 
dan, volgens de onder alle standen heerschende overtuiging, wel 
eens ontijdige sterfgevallen konden veroorzaken. Die kleéren nu wor- 
den door de voornaamste rouwers telkens aangetrokken , als er een 
ceremonie van gewicht te verrichten valt. De mannelijke nakome- 
lingen moeten alsdan bovendien hun haarstaart ontvlechten en er 
de zijden draden uit verwijderen, zoodat de lange, zwarte haren 
los op den rug hangen; de vrouwen echter maken de vlecht niet 
los, maar doen er de bloemen en naalden zorgvuldig uit. 

Zoo uitgedost gaan al de zoons, de kleinste, die nog nauwelijks 
loopen kan, niet uitgezonderd, in zwijgenden optocht naar een 
naburigen put. De oudste draagt een emmer in de hand en allen 



BS LUKB£ZOROINQ BEA £llOy-GHIKS£ZEN. 9 

laten mistroostig het hoofd hangen, zonder een oogenblik op te zien. 
Bij den put gekomen, werpt de oudste er een paar koperstakjes in 
als offer aan den watergeest, vnlt zijn emmer en keert, door de 
overigen gevolgd, naar huis terug. Op dien terugweg hefien zij 
hetzelfde rouwgezang aan, waarvan wij reeds vroeger spraken, en 
zoodra de thaisgebleven vronwen hen hooren naderen, beginnen zij 
eveneens te huilen. Niet zelden ziet men zulk een ouderlievenden 
waterdrager op straat voor den vorm ondersteund worden door een 
of twee vrienden; want de zedenwet wil dat de oudste zoon of 
kleinzoon zóó onder het sterfgeval gebukt gaat, dat hij niet in 
staat is zonder hulp te loopen. 

Het gehaalde water is bestemd voor de lijkwassching. Deze wordt 
gewoonlijk door de vrouwelijke huisgenooten verricht; doch kunnen 
of durven die het werk niet aan , dan nemen zij een bejaarde vrouw 
uit de &milie , dic^ met meer ster%evallen te doen heeft gehad en 
dus minder beschroomd uitgevallen is. Zonder het lijk te ontkleeden^ 
brengt zij de hand onder de kleeren en veegt het met een natten 
doek schoon. Indien een afzichtelijke of besmettelijke ziekte oorzaak 
van den dood is geweest, of als de overledene zich erg heeft be- 
vuild, of ook als de gansche &milie zulk een afschuw van den 
dood heeft, dat niemand de lijkwassching wil verrichten, dan laat 
men dat werk wel eens over aan een paar mannelijke huurlingen , 
die uit het kleeden en kisten van dooden een bijbaantje maken , 
dat nogal flink betaald wordt. 

De naam, waaronder het beschreven plechtstatige waterhalen in 
Emoy bekend staat, luidt khit tsoel (7), ^water afbedelen«^. 
Bouwers uit de gegoede standen, voor wie alles wat op handen- 
arbeid gelijkt vernederend is , laten zich fatsoenshal ve op dien tocht 
vergezellen door een bediende of koelie, die den emmer draagt en 
ook het water put; doch ter wille van den schijn slaat de oudste 
zoon dan zelf de teedere vingers eventjes aan het touw van den 
putemmer. Is de eerstgeboren zoon nog een heel jong kind , dan 
wordt het evengoed als de volwassenen in rouwkleederen gestoken en 
door iemand naar den put gedragen; men geeft het daar een paar 
koperstakjes in het handje en breekt dit over den put open , zoodat 
het geld in het water valt. Een der naaste fsimilieleden schept dan 
het water en draagt het naar huis. 

Waren de grafkleeren van den doode reeds bij zijn leven in 
gereedheid gebracht, hetgeen onder voornamere &milies vaak voor- 
komt, dan worden die onmiddellijk na de wassching aangetrokken. 



10 DE LUKBSZOBOma DEE EIIOY-GHINSSZSN. 

In het tegengestelde geval laat men die, welke bij aan heeft, on- 
aangeroerd , of verwisselt ze voor schoone. In elk geval dekt men 
het lijk met een wit laken toe en legt daarover een wat kleineren 
lap van roode klenr, om kwade invloeden af te wenden. 

J^oolang het lijk op het waterbed ligt uitgestrekt, plaatst men 
daarnevens op een stoel of bankje een braTidende vetkaars in een 
gewonen kandelaar gestoken en kha hé tsik (8), ^^kaars voor het 
voeteneind//, geheeten. De Chinees beschoawt nl. de wereld aan gene 
zijde van het graf als een volkomen donker oord , waarin niemand 
zonder baken den weg kan vinden; of, zooals hij het nitdrukt, alles 
wat betrekking heeft op den dood behoort tot Yin (9), het groote 
beginsel der duisternis^ dat de heerschappij in het heelal deelt met 
het beginsel van licht en leven, Yang (10). Om dus de ziel, die 
men door het besproken lijkgezang telkens sommeert wederom in 
het lichaam te trekken en dit in het leven te doen wederkeeren, 
-de terugkomst gemakkelijk te maken, wordt gezegde kaars ontstoken ; 
doch buitendien heeft deze nog een doel. De ziel als bron van leven 
bestaat uit Y a n g-materie en wordt dus door het kaarslicht versterkt 
en gesteund en voor vervluchtiging behoed. Men ziet uit dit alles , 
dat de Chinees zich de ziel voorstelt als vertoevende in de nabijheid 
van het lijk. Op dit denkbeeld zijn een groot deel der gebruiken 
gebaseerd, die in de volgende bladzijden zullen behandeld worden. 

Arme lieden bezigen dikwijls een olielamp in plaats van een 
voeteneind-kaars. Zij vullen een rond schoteltje van gegoten ijzer 
met olie, leggen daarin voor pit een eindje merg van waterriet en 
zetten het bakje in een schotel met zand naast het lijk. Zeer 
ongaarne komt men met zulk een lamp in aanraking; want zoo 
iemand, die niet tot de &milie behoort, het ongeluk had ze uit te 
dooven, dan zonden groote rampen hem treffen. Hetzelfde lot wacht 
ook ieder, die met olie uit de lamp besmeerd wordt, en het onge- 
lukkige slachtoöer van zulk een wreede daad zou dan ook stellig 
niet rusten vóór het geducht wraak genomen had. Die vreemdsoortige 
volksdenkbeelden zijn gemakkelijk te verklaren. Het licht toch moet 
dienen om de ziel den weg te wijzen door den donkeren Tartarus 
en haar met levendmakende kracht te ondersteunen; dooft dus 
iemand het uit , dan zal zij verdwalen , haar lichaam , zoo zij daarin 
mocht willen terugkeeren, niet kunnen vinden en bijgevolg aan ver- 
vluchtiging, verdamping worden prijs gegeven. Qeen wonder dat zij 
haar wrekende hand geducht zal doen neerkomen op het individu , 
hetwelk de bewerker is van zulk een ellendig lot. Ook hij die een deel 



Dl LUKBSZOROING DER EMOT-OHINEBZEN. 11 

van den onmisbaren lichtgevenden ïnhoud der lamp aan zijne kleéren 
meeneemt y moet die wraakoefening deelen. Familieleden echter, die 
door den doode bemind werden en hem wederkeerig lief hadden, heb- 
ben natnurlijk minder te vreezen. 

Deze ylijkolie*' of tsjhl ioê (11), zooals de Emoj-Chinees haar 
noemt, speelt een belangrijke rol in deChineesche zwarte kunst. Vrouwen 
schrijven er de buitengewone kracht aan toe twist te zaaien tnsschen 
echtgenooten , en vaak gebeurt het dat de huisvrouw , die jaloersch 
is op een bijwijf dat in hoogere gunst staat bij den gemcenschap- 
pelijken echtgenoot, lijkolie op de kleéren van haar mededingster 
smeert , om langs dien weg aan de goede verstandhouding , die haar 
een doom in het oog is , een eiode te maken Men zegt zelfs, dat 
menige vrouw met dit doel altijd wat lijkolie in voorraad houdt. 
Wij gelooven dat eene verklaring van dit alles gezocht moet worden 
in het feit, dat de doodenlamp het zinnebeeld is van scheiding, 
en eene vrouw , met olie uit deze besmeerd , dns ook alle kans loopt 
van den persoon, die haar het naaste staat, afgesneden en doorhem 
doodverklaard te worden. 

Nevens de besproken kaars of lamp plaatst men aan het voeteneind 
van het waterbed twee papieren poppen , de eene een man , de 
andere een vrouw voorstellende. Zij worden kha-bé k&n (12) of 
>yvoeteneindslaven>y genoemd en zijn bestemd om met het lijk in de 
kist te worden geplaatst, d. i. als dienaren van den doode met dezen 
de andere wereld in te gaan Doch reeds nu ^ van het eerste oogen- 
blik af, heeten zij de ziel diensten te verleeneu ter veraangenaming 
van haar zwak en broos bestaan in het onbekende schimmenverblijf. 

Wanneer al deze belangrijke eerste bezigheden behoorlijk zijn 
verricht, gaan de hoofdrouwers wat men noemt >9rom asch bedelen >i^, 
k h i t h é-h o e (18). Na zich in de grove rouwkleederen gehuld en een 
rouwkap van dezelfde stof opgezet te hebben ^ nemen de zoons een mand 
met een omgekeerde houten rijstmaat er in, en gaan daarmee langzaam 
en plechtig naar het huis van den naasten buurman, om er voor de 
deur neder te knielen, nederig het hoofd te buigen en zwijgend te 
wachten tot de bewoner wat asch uit de keuken gehaald en op den 
naar boven gekeerden bodem van de maat gelegd heeft. Als bewijs 
van dankbaarheid reikt de oudste zoon hem dan, zonder een woord 
te spreken, een paar kaarsen toe, bestemd om op zijn huisaltaar 
gebrand te worden. Dezelfde vreemdsoortige bedelarij wordt nu aan 
de huizen van nog eenige buren herhaald. Nu eens heffen de rouwers 
daarbij hun klaaggehuil aan , dan weer nemen zij het diepste stil- 



13 DS LUKBEZOAGING D£R EMOY-GHINEEZEN. 

zwijgen in acht , alnaar zij denkeu dat het het best met de omstan- 
digheden strookt. 

Laat de overledene geen eigen of aangenomen zoon na, dan gaat 
zijn vronw om asch uit, of wel dedochters, schoondochters of klein- 
kinderen kwijten zich van dien plicht, aangezien zij allen ten op- 
zichte van den eerbied , welken zij den doode verschuldigd zijn , op 
dezelfde lijn staan als de zoons. De verzamelde asch is bestemd om 
op den bodem van de kist uitgestrooid te worden v66r men het lijk 
er in legt; wij zullen er dus later op terugkomen. 

Eene verklaring van die zonderlinge //aschbedelarij// is slechts te 
geven, wanneer men ze beschouwt in verband met de beginselen, 
die in China aan den doodenrouw in het algemeen ten grondslag 
liggen. Uit de geschriften des rijks is met zekerheid te bewijzen , 
dat aldaar de rouw oudtijds bestond in het verzaken van alle goede 
dingen dezer aarde, en wel als gevolg van het groote beginsel, 
hetwelk nog zelfs op den dag van heden den oppermachtigen schepter 
zwaait, dat alles, wat het kind bezit, den vader toebehoort, zelfs 
na diens dood. Dat deze opvatting weer nauw samenhing met het 
gebruik om allerhande goederen en kostbaarheden in het graf te 
plaatsen of op het graf te vernielen , ja den doode zijn vrouwen , 
slaven en slavinnen mee te geven, lijdt geen twijfel. Al deze ge- 
woonten speelden inderdaad in het oude China een groote rol en 
doen zulks tot op zekere hoogte of in gewijzigden vorm nog: de 
zooeven besproken >yvoeteneindslaven>9' zijn bv. een schaduw van dat 
oude Suttisme. De rouwers behielden^ om zich te kleedeu, niets dan 
het grofste weefsel dat men kende en hetwelk niet eens geschikt 
was voor kleedij^ nl. hetzelfde waardelooze zakkengoed, waarin zij 
zich , zooals wij reeds hebben aangetoond, nog heden ten dage steken. 
Zelfis bleven zij niet in de woning slapen , maar betrokken afzonder- 
lijke rouwhutjes van biezen en k]ei^ zonder eenig huisraad: ook 
thans nog ontdoen zij de zaal van alle meubels en slapen er op 
stroo , een gebruik , waarop wij straks terugkomen. Daar zij , alweer 
volgens de oude boeken , op grond van dezelfde beginselen niets dan 
waterige rijstepap aten en bijna geen spijs of drank tot zich namen, 
werd er niet gekookt en moest men zich dus wel bij de buren vervoegen 
om de^voor het kisten benoodigde asch te krijgen, ^uishet wel waar, 
dat het vasten in den rouwtijd tegenwoordig in onbruik is ; maar de 
aschbedelarij , waaraan* het eenmaal het aanzijn gaf, is blijven bestaan. 

Evenals in vele deelen van onze beschaafde wereld, bestaat 
ook in Emoy de gewoonte bij goede vrienden en bloedverwanten 



ht lilKBlZOKOING DP.E EHOY-ÖHINEEZEN. 13 

ronwbezoeken af te leggen. Men noemt zulks bai song (H), 
>romtrent het overlijden navraag doen//. 

Zoodra een bezoeker de zaal binnengetreden is, Averpt hij zich 

vlak voor het scherm , waarachter het lijk geplaatst is , op de 

knieën , baigt het hoofd tot op den grond en brengt in deze houding 

een paar oogenblikken met huilen en weeklagen door. De huisge- 

nooten, in een aangrenzend vertrek teruggetrokken, huilen met hem 

mede. Dan treedt de voornaamste rouwer te voorschijn, werpt zich 

aan de voeten des bezoekers, buigt het voorhoofd ter aarde en betuigt 

op deze wijze stilzwijgend dank voor de deelneming in zijn verdriet. 

De bezoeker spreekt daarop een paar troostwoorden en ontvangt, in 

ruil voor een groote hoeveelheid vertinde papiertjes , door zijn bediende 

binnengebracht, een streng roode zijde, benevens een rooden en een 

witten lap, met een rood koordje tot een bundeltje saamgebonden. 

Deze lappen, waarvan de familie met het oog op zulke visites een 

grooten voorraad ingeslagen heeft, moet de bezoeker bij wijze van 

roüwkap om het hoofd winden, wanneer hij later den doode naar 

het graf uitgeleide doet ; de streng roode draden echter bevestigt hij 

dadelijk op de borst, omdat rood den invloed des kwaads in het 

algemeen neutraliseert en dus ook in het bijzonder dien , welken het 

sterfgeval over hem zou kunnen uitstorten. 

Het papier, dat de rouwbezoekers aanbieden, heet koan-thaü 
tso&(15), //lijkkistpapier//. Nauwkeurig wordt door de familie 
opgeschreven hoeveel elk zendt en van welke hoedanigheid het is, 
daar men, na de begrafenis, zooveel van de aan de ziel geofferde 
artikelen als tegengeschenk moet geven als met de waarde des papiers 
ongeveer overeenstemt. Eigenlijk is dit bestemd om met het lijk in 
de kist gelegd te worden. Daar deze echter slechts een beperkte 
hoeveelheid kan bevatten, verbrandt men het gewoonlijk in een 
ijzeren of steenen fomnisje, dat opzettelijk voor het doodsbed ge- 
plaatst is om doorloopend zulke oifers in rook te doen opgaan; de 
asch wordt dan later tot papieren bundeltjes bijeengepakt en met 
den doode in de kist geplaatst. Mocht een bediende, met een be- 
zending vooruitgestuurd door zijn meester, die van plan is te gaan 
condoleeren, onderweg vernemen, dat het lijk reeds gekist is, dan 
mag hij het thans onnutte offer noch gaan aanbieden, noch het terug- 
brengen, daar een discipel van Confucins eens gezegd heeft, dat in 
de lijkgebroiken steeds van vooruitgang , nimmer van teruggang , 
sprake mag wezen ' . Hij kiest mitsdien een middenweg om zich uit 

> &e de Li ki, heL 10. 



14 DS LUKBEZOBOING DER BMOY-GHINSEZEN. 

het dilemma te redden en werpt de bezending als terslniks over 
den mnur van het sterf hnis ; op deze wijze wordt zij niet aangeboden, 
en ook niet teruggevoerd langs den weg dien zij gekomen is, en .... 
de leer van den wijze komt volkomen tot haar recht. Zijn heer legt 
daarna zijn bezoek op de gewone wijze af. 

Vrienden of familieleden, die te ver wonen om in persoon een 
rouwbezoek te brengen, zenden eenvoudig een knecht of koelie om 
het doodkistpapier af te geven en de doeken voor de begrafeniskap 
voor zijn lastgever in ontvangst te nemen. Daar het hier een attentie 
tegenover de treurende familie geldt, betaalt deze den man tevens 
het loon uit , dat hem voor het verrichten van de boodschap toekomt ; 
zij mag het, dat eischt de burgerlijke wellevendheid, niet ten laste 
van den gever van het papier doen komen. Treedt er een bezoeker 
binnen , die in de familie-hiërarchie hooger staat dan de rouwers , 
bijv. een oom of oudoom van vaderszijde , dan gaan de afstammelingen 
van den doode hem allen gezamenlijk tegemoet, om zich huilende 
voor hem ter aarde te werpen. Vrouwelijke bloedverwanten, wier 
eigen huishoudelijke bezigheden het toelaten, blijven, als zij ter 
condoleantie komen , wel eens achter , om bij de toebereidselen tot de 
begrafenis een handje te helpen. 

Zwangere vrouwen vermijden zoo mogelijk het afleggen van rouw- 
bezoeken, daar zulks haar, zooals het heet, een miskraam kan be- 
zorgen. Aanraking met invloeden des doods toch kan, zoo redeneert 
men, op het leven, dat zij in zich dragen, neutraliseerend werken. 
Niet onwaarschijnlijk wordt dit geloof in de hand gewerkt door de 
ondervinding, dat het zien van zaken, die onaangenaam aandoen, 
wel eens nadeeligen invloed op het embryo in utero oefent. 

De meeste Chineezen zijn overtuigd , dat men zich bezoedelt door 
een sterfhuis binnen te treden, en men daar bepaald besmetting kan 
oploopen als de dood door ziekte veroorzaakt werd. Menigeen, die 
een bezoek van rouwbeklag aflegt, verbergt daarom onder zijne 
kleéren een paar uien, om die op straat weg te werpen zoodra hij 
het huis verlaten heeft, terwijl anderen zich bij hun thuiskomst 
reinigen door even over een schotel of test met brandend wierook- 
poeder te gaan staan. Rechtgeaarde geloovigen vinden het uiterst 
ongepast in de eerste dagen na een rouwbezoek voor den Heer des 
Hemels Thi^ Kong (16) te verschijnen, tenzij zij zulk een reini- 
ging hebben ondergaan , en laten dan ook den gewonen avonddienst 
ter eere van deze hoogste godheid van het pantheon , nl. het plaatsen 
van smeulende wierookstokjes buiten in de huisdeur en van kaarsjes 



BE LUKBSZORQING DER EMOY-CHINEBZEN. l5 

in de «'Hemel-lantaarn/^ ofthiën ting (17), die bij iedere fetsoen- 
lijke. woning opgehangen is , aan onbezoedelde huisgenooten over. 

Als bewijs van trouw en toewijding, zooals het heet, ontzeggen 
echtgenooten , kinderen , schoondochters en oudste kleinzoon zich , 
zoolang het lijk ongekist boven aarde staat, de weelde van hun 
bed en leggen zich ^s nachts op den vloer van de zaal te slapen op 
een mat, of op stroo. Sommigen noemen zulks tsioé si (18), //het 
lijk bewaken^^. Gewone Chineezen^ niet doorkneed in de oude ge- 
schriften van hun rijk, beweren gewoonlijk, dat het gegrond is op 
de in hun oog uiterst natuurlijke opvatting, dat het niet aangaat 
dat vrouw en kind de genoegens smaken van een gemakkelijk bed , 
terwijl de overledene gedompeld is in al de ellende^ die het verblijf 
in de donkere onderwereld met zich brengt. Naar het ons voorkomt , 
dient echter de gansche zaak te worden teruggebracht tot de op 
bl. 12 besproken overoude tijden , toen den dooden alles naar de andere 
wereld werd meegegeven en de overgeblevenen niets voor zichzelf 
behielden, zelfs geen bruikbaar bed. 

Hetzelfde moet gezegd worden van het algemeen gehuldigd ge- 
bruik de zaal, waarin de doode ligt, van alle huisraad te ontdoen. 
Niet alleen verwijdert men het altaar met de huisgoden en de ziel- 
bordjes der vooronders (zie bl. 3), maar ook den wi«rookbrander 
en de beide lantarens, die in ieder fatsoenlijk huis van den zolder 
neerhangen ter eere van de bestuurders der krachten van hemel, 
aarde en water (19) ; verder draagt men de lantaren van den Hemelgod, 
welke tusschen die der genoemde godheden hangt, mitsgaders 
alle andere voorwerpen met den huiselijken eeredienst in betrekking 
staande , uit de zaal. Ook de papierrollen met spreuken beschreven ; de 
lappen rood doek , die over de deuren zijn gespannen om verderfelijke 
invloeden af te weren ; de tafels, stoelen en banken, met uitzondering 
van een paar welke men zoo beleefd is ten behoeve van gasten te laten 
staan — alles in één woord , wordt uit de zaal verwijderd. Het waterbed 
met toebehooren is dus ongeveer het eenige, wat er te zien is. Soms echter 
staat er ook een draagbaar vuarbaardje van gebakken klei , k im 16 (20), 
//fornuis om goud te verbranden//, geheeten. Verscheidene keeren 
daags verslindt het van het zilverpapier, hetwelk ter condoleantie 
komende vrienden ten geschenke geven. Intnsschen komt ^ het ook 
dikwijls voor, dat men dit papier zoo maar op den grond verbrandt. 
Vooraf wordt ieder velletje zoodanig door de vrouwelijke huis- 
genooten opgevouwen, dat het den vorm van een holle zilverstaaf 
vertoont; de waarde van het offer wordt daardoor in de andere 



( 

16 DE LUKBEZOBOINO DEB EMOT-OHINEEZEN. 

wereld, waar men geen verschil tussclien hol en massief schijnt te 
kennen, zeer verhoogd. Zelfs zijn sommige families zoo verstandig, 
vóór het vonwen elk vel met het sap van een zekere bloemsoort 
geel te verven en dus in goud te veranderen. Een gedeelte van de 
aldus verkregen kim khb (21) of >y goudstaven «^ bestemt men stil- 
zwijgend voor den God van de Aarde, den beschermer en gids van 
den doode, met wien de lezer straks nader kennis zal maken. 

De zaal van het sterfhuis herinnert dus sterk aan de wilde, 
overoude tijden, waarin al de bezittingen van den doode geworpen 
werden in een vuur, in de nabijheid van zijn lijk ontstoken. Treedt 
men van de straat het huis binnen, dan ziet men, dat de loode 
papieren met opschriften, die aan weerszijden van en boven den 
hoofdingang prijken , zoowel als de letters en teekeningen op de deur* 
vleugels , door overplakking met een zwarte onbeschreven strook geheel 
of gedeeltelijk aan het oog onttrokken zijn. Afwezigheid van kleuren 
toch duidt op rouw, zooals wij op bl. S zeiden. 

Niets echter doet sterker in het oog vallen, dat een bewoner 
van het huis het tijdelijke met het eeuwige verwisseld heeft, dan 
een palank ijn van bamboespaanders en papier, buiten de voordeur 
neergezet. Men noemt hem kè soa^ kiö (22) of vpalankijn voor 
het overtrekken der bergen /r. Vaak is hij niet veel hooger dan 
een paar voet, menigmaal echter ook van de afmetingen van een 
wezenlijken draagstoel , wanneer de familie geld genoeg heeft zulk 
een grooten te bekostigen. Ook plaatst men er dragers naast in 
den vorm van twee of vier poppetjes, eveneens uit papier en 
bamboe samengesteld. Daar zij de ziel op haar zwerftochten door 
het rijk der duisternis op hun schouders te torsen en dus voor 
vermoeienis te vrijwaren hebben, is het een zaak van meer dan 
gewoon gewicht hen door goede behandeling te vriend te houden. 
Men zet hun daarom telkens een paar schoteltjes met rijst en 
gebak voor en hangt hun bovendien wat blaadjes vertind papier 
om hals en armen om onder weg als zakgeld gebruikt te worden, 
nog ongerekend dat men hen van tijd tot tijd met brandende wie- 
rookstokjes en buigingen uitnoodigt zich toch doorloopend naar de 
wenschen van de ziel te voegen, zooals palankijndragers , die hun 
plicht begrijpen, betaamt. Wanneer het lijk gekist is, worden zij 
met den draagstoel verbrand, onder toevoeging van aanzienlijke 
hoeveelheden papieren geld ten behoeve van den doode. 

Het spreekt bijna vanzelf dat de Chinees, die zijnen dooden zoo 
ijverig geld, draagstoel en andere dingen schenkt, ook niet nalaat 



DE LUKBEZORGTNG DER EMOY-CHTNEEZEN. 17 

hen van voedsel te voorzien. Eiken morgen gaan dan ook de weduwe 
en de kinderen, v66r zij zich aan het ontbijt zetten, naar het lijk 
met een schaal gekookte rijst, soms met een schotel groente, erwten- 
kaas of andere lekkernij er bij , en plaatsen die op een t<afeltje nabij 
het hoofdeneinde van het waterbed. Ook leggen zij er een paar van 
de welbekende stokjes naast , waarmee de Chineezen gewoon zijn 
ban voedsel naar den mond te brengen. Een paar brandende wierook- 
staaQes tnsschen de vingers genomen hebbende, knielen zij neer om 
een korte poos op de gewone manier te huilen en te klagen, en 
werpen tevens wat vertind papier op het fornuisje, om den doode 
met zilveren munt te verrijken. Wanneer zij denken dat deze tijd 
genoeg gehad heefb om zijn honger te stillen , nemen zij de schotels 
weg en gaan zelf eten, waarbij zij ook het voedsel, dat zooeven 
geofferd werd, verorberen. Er zijn echter ook families, die dit aan 
de straatbedelaars schenken, ten einde zich zelf geen invloeden des 
doods in het lijf te halen. 

Nog een tweede oflFer, bestaande uit een schotel rijst met een of 
andere spijs daarnevens, wordt opgedragen, en wel aan den zoo straks 
genoemden God der Aarde, Thó-Ti kong (28). Men beoogt 
er mee, dezen beschermgod van afgestorven zielen over te halen 
den geest des overledenen , telkens als deze is wezen eten , weer 
in veilige haven terug te brengen en in de onderaardsche ge- 
westen bescherming te- verleenen. Veel werk maakt men er niet 
van; de offeraar neemt eenvoudig een paar wierookstaaQes in de 
handen , vouwt deze samen- en maakt in die houding een paar 
buigingen om den god tot toetasten te noodigen. Sommigen leggen 
maar één eetstokje bij de spijzen klaar, opdat hij het voedsel niet 
te gauw opslokken, en wegloopen zal nog vóórdat de ziel klaar is 
met eten. 

Alvorens dit hoofdstuk te besluiten moeten wij nog mededeelen, 
dat de huisgenooten , zoodra iemand gestorven is , terstond alle katten 
oit de woning verwijderen of vastbinden totdat het kisten heeft 
plaats gehad. Mocht nl. zulk een dier op het wateii)ed springen 
of er overheen loopen, dan gaat, zooals het heet, de doode over- 
eind zitten en blijft zoo lang in die houding tot men hem door 
middel van een langen stok achterover duwt , of verschrikt door iets 
uit de verte naar hem toe te werpen. Als beste projectiel geldt een 
bezem, omdat het lijk den steel gemakkelijk met de handen kan 
omklemmen: in zijn woede haalt het dan het voorwerp met geweld 

tegen de borst, waardoor het achterover zinkt. Natuurlijk is het 
6« Volgr. VI. 2 



18 DE LTIKBEZOllGING DEK EMOY-CHTNEEZEN. 

zeer gevaarlijk zich zelven inplaats van den bezem te laten pakken : 
men wordt dan stellig het slachtoffer van een wreede, doodelijke 
omhelzing. 

De verklaring , ons door verschillende Chineezen van deze zondei- 
linge volksopvatting gegeven, komt op het volgende neer. Een 
tijger, zoo heet het, heeft in zijn staart een wonderdadig haar, 
waarmede hij dooden of bezwijmden , d. w. z. lieden waarnit voorgoed 
of tijdelijk de ziel is heengegaan , weer levend kan maken. Het 
heet bij het volk hoê.n hoen müng (24), //haar , dat de ziel terug 
doet keeren^. Heeft het monster iemand gegrepen en in het gebergte 
gesleept, dan kwispelt het met den staart aan alle kanten zoolang 
over zijn slachtoffer heen, tot dit weer tot zich zelven komt en 
zich in zijn doodsangst de kleêren van het lijf scheurt; een tijger 
toch eet bij voorkeur iemand in Adamscostuum , omdat de kleêren 
hem dan niet tusschen de tanden gaan zitten en dus bij den maaltijd 
hinderen. 

Nu weten de Chineezen zeer goed , dat de kat eigenlijk een tijger 
is in miniatuur en dus ook een doodenopwekkend haar in den staart 
hebben kan. Wijze voorzichtigheid eischt derhalve gebiedend , haar 
op behoorlijken afstand van het waterbed te houden. Men ducht 
vooral haar noodlottigen invloed op de zoogenaamde //tijgerdagen//, 
daar deze meer dan andere met tijgerachtige invloeden door- 
trokken zijn *. 

Vermelding verdienen ook nog eenige merkwaardige volksgebruiken 
ten aanzien van gestorven meladtschen. In een straat of wijk, waar 
zich zulk een lijk bevindt, wordt, zoolang het niet gekist is, vol- 
strekt niet gekookt; want de besmetting, die uit het lichaam op- 
^^ijgt » werkt zich door ieders deuren , vensters en schoorsteenen heen , 
en zou zelfs in het voedsel kunnen dringen tot vergiftiging der ver- 
bruikers. Men gaat. daarom zijne maaltijden elders toebereiden ; 
ja , op het platteland rondom Emoj is het zelfs geen zeldzaamheid 
de geheele bevolking van een dorp naar een naburige plaats 
te zien trekken, om daar de maag te geven wat haar toekomt. Het 
ligt derhalve voor de hand , dat het gevaarlijke lijk zonder uitstel 
wordt gekist. Vele bewoners der buurt steken een tak van den 
baniaan (waringin) in hun huisdeur , in het denkbeeld, dat de 



^ Ter opheldering diene, dat de ChmeeBen den tijd in regelmatig terogkeerende 
perioden, elk van twaalf dagen, verdeelen en eiken dag noemen naar één van de 
twaalf dieren uit hun zodiao. De üjger is een van dit twaalftal. 



DE LUKBSZORGTNO DER BMOY-CHTNEEZEN. 19 

altijd groene bladeren van dien |boom de doodende uitwasemingen 
van het lijk tot op zekere hoogte onschadelijk maken. 

Ten slotte zij nog vermeld, dat de donder geacht wordt lijken 
zoodanig te doen opzwellen , dat het moeielijk , ja zelfs onmogelijk is 
ze in de kist te krijgen. Men legt daarom, zoodra er een bui aan 
de lucht komt, een metalen spiegel op den doode, vast overtuigd 
dat de onaangename werking van het onweer door de drukking 
zal worden afgewend. Soms bezigt men tot dat doel ook wel een unster- 
gewicht, of een ander zwaar huishoudelijk voorwerp van niet al 
te groote afmetingen. 



HOOFDSTUK III. 



HET KLEEDEN VAN HET LIJK. 

Nauwelijks is de laatste adem uitgeblazen, of de familie schaft 
zich alles aan wat noodig is om het lijk voor het graf gereed te 
maken. Zonder tijd te verliezen wordt een kist gekocht of 
besteld; men slaat stof voor doodskleêreu in en roept, zoo noodig, 
de hulp van oude vrouwen en buren in om de treurende familie in 
het knippen en naaien van het lijkgewaad ter zijde te staan. 

In de wijze waarop dit vervaardigd wordt valt eenerzijds de grootste 
zorgvuldigheid , anderzijds de uiterste achteloosheid op te merken. 
Het gevestigd gebruik wil liefst, dat de overledene in splinternieuw 
ondergoed gestoken wordt , behoudens enkele stukken , die men nog 
zoogoed als nieuw klaar heeft liggen^ of waarop de doode bij zijn 
leven bijzonder gesteld was. Daar nu de familie er op uit is het 
lijk zoo spoedig mogelijk , ja onmiddellijk na het wasschen te kleeden , 
is het natuurlijk gevolg, dat de vrouwen zich geen tijd genoeg 
kunnen gunnen om het lijkgewaad netjes te naaien. Zij flansen dit 
dus zoo ruw mogelijk met groote steken samen, of plakken de zoomen 
eenvoudigweg met lijm of stijfsel. 

Het eerste kleed, dat de doode aan het lijf krijgt, draagt den 
naam van tik bah hioê(25), ^gevoerd kleed dat het vleesch bedekt 4^. 
Het is een soort van hemd met wijde mouwen, dat tot boven de 
knieën reikt en op de borst voorzien is van een breeden overslag', 
die langs de rechterzijde des lichaams vastgemaakt wordt. Men 
vervaardigt het van gewoon wit linnen of katoen; maar voor de 
voering gebruikt men een fluweelachtige, glanzige zijden stof van 
geelwitte kleur , een van de duurste soorten , die te koop zijn. Daar 
dit hemd den doode gemakkelijk moet zitten en maken moet dat 
het gansche lijkgewaad hem niet hindert, wordt de glanzige opper- 
vlakte van de voering naar binnen gekeerci, zoodat deze onmid- 
dellijk met de huid in aanraking komt. 

Bij dit hemd behooren een wijde onderbroek en een paar kousen 



DE LUKBEZORQÜ^G DER EMOY-CHINEE7EN. 21 

van dezelfde stoffen en hetzelfde maaksel. Men noemt ze respectievelijk 
t^ bah khb en t^ bah b^h (26): //broek en kousen, die het 
vleesch bedekken')'. Zoowel mannen als vrouwen krijgen zalk een 
stel kleéren aan. De duurte en kostbaarheid van de stof verhin- 
deren niet, dat de vrouwen op de bovenvermelde zorgelooze wijze 
met het ineenzetten omspringen. 

De huwelijksplechtigheden gaan in China gepaard met een soort 
van meerderjarigheidsverklaring van het paar. Deze heet tsjhioëi^S 
thao (27), ^het hoofd omhoog steken >/, en komt hierop neder, 
dat zoowel bruid als bruidegom in de respectieve ouderlijke woning 
het haar wordt opgemaakt en zij het hoofddeksel opkrijgen , dat bij 
den trouw , die nog denzelfden of den volgenden dag moet plaats hebben , 
gedragen wordt. Bij deze plechtigheid , die voor eene zaak van het 
hoogste gewicht doorgaat , is het een noodzakelijk vereischte , dat beide 
partijen gedost zijn in splinternieuw onder- en bovengewaad , geknipt 
en genaaid op een gelukkigen dag , die zorgvuldig door een waar- 
zegger gekozen is; want zij trekken bij deze gelegenheid een geheel 
nieuwen mensch aan. In plaats van die kleéren dadelijk af te 
dragen,^ is het onder de meer gegoeden gewoonte, dat bruid en 
bruidegom het geheele stel, of een gedeelte er van, behoorlijk 
gewasschen wegleggen , opdat het later als lijkgewaad dienst kan doen. 
Het wordt dan over de th bah hioê en bijbehoorende broek aan- 
getrokken. 

Wij komen nu aan stel no. 3. Het bestaat uit een gewonen kiel 
van linnen, katoen of, als de familie rijk is, zelfs van zijde, met een 
broek van dezelfde stof. De laatste wordt echter vaak vervangen 
door een paar losse broekspijpen , met banden aan den gordel beves- 
tigd en om de enkels dichtgeknoopt. Nog een tweede, zelfs een 
derde kiel van overeenkomstige stof en snit komt hierover heen , 
naar gelang van de meerdere of mindere toewijding, welke de 
familie den doode meent schuldig te zijn. Dan volgen een of meer 
jassen of pijen, zooals de levenden dragen, van allerlei grootte, 
snit en hoedanigheid, maar verschillend al naar het geslacht 
van den doode; en eindelijk komen de bovenkleêren aan de orde, 
waaraan dQ treurende familie bijna al haar aandacht wijdt en die 
wij mitsdien meer in bijzonderheden hebben te beschouwen. 

In den regel wordt daarvoor het beste pak kleéren genomen, dat 
de gestorvene bij zijn leven bezat. De lagere klassen, die zich niet 
in het bezit van een officieel tenue of ofierMeedij , zooals dat dadelijk 
zal beschreven worden , verheugen , maar toch niet geheel van aardsche 



22 BE LUKBËZOKGING DER EMOÏ-OHINEEZEN. 

goederen ontbloot zijn , doen hunne mannelijke dooden ten grave dalen 
in een zeer langen blauwen kuitendekker van linnen, katoen of zijde, 
tüng sa™ (28), ^lang kleed//, geheeten, met een kort buis, dat tot 
aan het middel reikt en als hé ko^ (29) , >ypaardenmantel at, bekend 
staat, er overheen. Dit stel vormt de gewone winterdracht der meerge- 
goeden onder de levenden, met dit verschil, dat bij hen het buis 
zwaar gewe^tteerd is ; een zeker bijgeloof eischt echter , dat voor de dooden 
de watten er uitgehaald worden. Het gewone kruiukapje, o&^ bo 
(30), lett. //schaal hoed ^ , genoemd omdat de vorm inderdaad aan een 
schaaltje of schoteltje herinnert, en een paar kousen en schoenen 
voltooien dit gewaad. Onbemiddelde werklieden krijgen den korten 
kiel en de wijde broek aan, die lieden van hun stand ook bij 
het leven dragen. 

Menschen, die het zeer goed kunnen doen, bezitten gewoonlijk 
een kostbaar zijden gewaad, voor plechtige en feestelijke gelegenheden 
bestemd. Bijna altijd wordt hun dit na den dood aangetrokken, 
omdat het het ceremoniekostuum is voor den offerdienst der overleden 
voorouders^ en dua geen beter kan worden bedacht nu zij met laatst- 
genoemden worden hereenigd om hen in het hiernamaals eerst recht 
te gaan eeren en dienen. Ziehier eene korte beschrijving ervan. 

Het bestaat uit twee zijden toga's zonder kraag. De onderste, 
lai th ö (31), d. i. >r binnen toga^, donkerblauw in den winter, geelachtig 
wit in den zomer, hangt bijna tot op de enkels; de bruinachtig 
blauwe ^buitentoga//, g o a t h b (32), is ongeveer een voet korter en wordt 
midden over de borst dichtgeknoopt. Beide toga's zijn in den winter 
gevoerd, in den zomer ongevoerd. De zeer wijde mouwen van het 
onderkleed, die wat langer zijn dan die van het andere, vallen bij 
het dragen over de handen en vertoonen den vorm van een paarden- 
hoef. Een zijden band sluit het onderkleed om het middel vast, 
terwijl een paar hooge tot de knie reikende zijden laarzen met 
dikke, wit-vilten zolen bij het kostuum gedragen worden. In den zomer 
wordt het toilet voltooid door een zoogenaamden dzo&h lóëh (33) 
of ^hoed voor het warme weder «^ , d. i. een licht, kegelvormig hoofddeksel 
van bamboe met gele zijde overtrokken en op den top met een 
vergulden knop versierd. Aan het onderste gedeelte van dien knop 
zijn een menigte afhangende draden van roode zijde bevestigd, die 
tot aan den rand van den hoed reikeu. 's Winters wordt dit hoofd- 
deksel vervangen door den zoogenaamden >/hoed met roode franjes , 
^ng iang bö (34), vervaardigd uit zwart fluweel. Hij draagt 
knop en franjes gelijk de andere; den vorm kan men zich het 



D£ LUKBËZOBOINÜ DER £MOY-GHiK£SZ£N. 23 

best voorstellen' door zich deu ouderraud van laatstgenoemden buiten- 
waaits opges^lageu te denken tot hij met den top op dezelfde 
hoogte komt. 

Wanneer de lezer nu nog weet, dat men zelfs in het heetste jaar- 
getijde de doodeu gewoonlijk in het beschreven winterpak steekt , dan zal 
hij een vrij goed denkbeeld hebben van het gewaad , waarin bijna alle 
mannelijke Emoj-Chineezen van aanzien ten grave dalen. Wij zouden 
er nog bij kunnen voegen, dat bijna ieder welgesteld burger zich 
de hoogst fatsoenlijke weelde veroorlooft een ofScieelen graad of titel 
te koopen, die het recht geeft op borst en rug van de beschreven 
kleedij een vierkanten lap te dragen , waarop als symbool der waar- 
digheid een of ander dier geborduurd is, en dat hij in het graf 
die lappen op zijn gewaad behoudt om er in de andere wereld 
voor het gansche schimmendom meé te kunnen pronken. 

In het voorbijgaan zij ook nog aangestipt, dat de betrekkingen 
den doode nimmer in het beschreven ofierkostuum zullen steken 
indien zij weten, dat hij het weleens aan een ander heeft uit- 
geleend. In zulk een geval koopen zij liever, als geldgebrek het 
hun niet belet , stof voor een nieuw offerpak en rijgen en plakken 
dit desnoods op de vermelde slordige wijze ineen. Men is gedwongen 
deze handelwijze te volgen , doordien de zeden verbieden iets bij te 
dragen in de voorvaderlijke oflers van vreemden. Wij hebben het 
leeds op biz. 12 gezegd : alles wat een kind bezit behoort aan zijn 
ouders , zelfs al zijn zij dood. Mitsdien worden ofieranden , aan de ziel 
van een onbekende opgedragen, als diefstal beschouwd, gepleegd 
ten nadeele der heiligen , die immers , zoo zij willen , zelf in de andere 
wereld iets voor zulke zielen kunnen afzonderen. Zelfs het uitleenen 
van een ofierkleed is verboden , zoodat iemand , die zich aan zulk een 
euveldaad schuldig heeft gemaakt en het wagen durft in datzelfde 
kleed in tegenwoordigheid zijner voorouders te verschijnen, gevaar 
loopt op zijn misdrijf betrapt en streng gestraft te worden. 

Personen, die zich door wezenlijke mededinging op de staats- 
examens een officieële waardigheid of een graad verworven hebben, 
dalen in het vol ornaat, daaraan verbonden, ten grave. Dit behoeft 
echter geenszins foirkeluieuw te zijn, want, evenals de lai thb en 
de goa thb,** wordt het van zulke kostbare en uitgezochte stof ver- 
vaardigd en betrekkelijk 266 zelden gedragen, dat het, hoewel 
gebruikt^ nog altijd goed genoeg is voor de andere wereld. 

Overleden vrouwen steekt men gewoonlijk in de beste kleêren, 
die haar garderobe oplevert. De rijkere prijken mitsdien bijna 



ii DE LUKfiEZORGlNG DER EMOY-OUINEEZEN. 

zonder uitzondering in de geestenwereld met schoon geborduurde 
zijden japonnen. In enkele gevallen , voornamelijk als de echtgenoot 
een vrij hooge officieële waardigheid bekleedt , krijgen zij een groenen 
rok en een rood zijden kleed met wijde mouwen aan , waarover 
weer een donkerkleurig overmanteltje zonder mouwen komt; alle 
drie die stukken zijn van kostbare zijde vervaardigd en met draken 
en andere geluk aanbrengende figuren van gouddraad en veelkleurige 
zijde bestikt. Zij vormen het tenue van een mandarijnsvronw en 
buitendien het gewone bruidsgewaad voor alle klassen, die geld 
genoeg hebben er voor de huwelijksgelegenheid zoo een te koopen 
of te huren. Daar de redactie van dit Tijdschrift ons slechts een 
beperkte ruimte voor deze verhandeling heeft toegestaan, zijn wij 
gedwongen van een nadere beschrijving van dit belangrijke trouw- 
kostuum af te zien. Wij verwijzen daarom naar hetgeen wij onlangs 
erover hebben medegedeeld in het ^Interuationales Archiv für Ethno- 
graphie^ (Bd. IV, blz. 182 vg.), welk werk ook een af beelding van 
het kostuum en zijn onderdeelen ten beste geeft. 

Wij mogen echter geenszins heenstappen over de redeneli , waarom 
men bemiddelde dames bij voorkeur in haar bruidstoilet ten grave 
doet dalen. Daardoor toch maken wij kennis met het merkwaardig 
volksbegrip, dat zaken^ die geluk, voorspoed en zege- 
ningen voorstellen, ook werkelijk geluk, voorspoed 
en zegening uitstorten over de kinderen en kinds- 
kinderen, die hun voorzaten er mede in het graf leggen. 
Dit denkbeeld hangt weer ten nauwste samen met een ander, nl. 
dat de zielen met het lichaam, waarin zij eenmaal huisden, blijven 
wonen in het graf en van hieruit zegeningen over de nakomeling- 
schap uitstorten. Het bruidskostuum nu symboliseert in zijn 
geheel den regeerenden stand, daar het, zooals wij reeds zeiden , ook 
de o£Bcieële kleedij der mandarijneegaas is; — draagt een moeder 
het dus in het graf, dan omringt het haar aldaar met invloeden^ 
die haar in staat stellen in de nakomelingschap mandarijnen te 
doen geboren worden, en zulke grootheden in de familie te hebben 
is het hoogste ideaal van elk rechtgeaard zoon van het Chineesche 
rijk. Doch behalve dat, is het bruidskleed bestikt met draken, d. w. z. 
met afbeeldsels van de godheden , die van oudsher in China gegolden 
hebben voor schenkers van bevruchtende regens en bijgevolg de 
zinnebeelden van overvloed zijn. Dan nog zijn er herten, kraan- 
vogels, schildpadden en vleermuizen op geborduurd, dieren die, om 
redenen in het zooeven aangehaald artikel in het /^Intemationales Archiv// 



I>£ LUKB£ZOftOING DEK £MüY-CHlNEËZ£N. 25 

ontvouwd en hier bij gebrek aan plaatsruimte niet herhaald, als 
zinnebeelden gelden van inkomsten uit officieële waardigheden geput , 
van voorspoed en van lang leven. Al die gelukzalighedeu , in het graf 
uitgezaaid 4 zullen dus daaruit opwassen in den vorm van werkelijk- 
heden ten gerieve der nakomelingschap. En eindelijk zal het trouw- 
kostuum bewerken, dat er onder de afstammelingen vele huwelijken 
gesloten worden, en derhalve de geslachtsboom van de doode ten 
eeuwigen dage voor afsterven behoed wezen. 

Het haar van gestorven vrouwen wordt niet slechts met de grootste 
zorg opgemaakt, maar ook met kostbare naalden, bloemen enz. 
versierd. Men doet haar ringen aan de vingers, armbanden van 
kostbaren steen of metaal om de polsen en voetringen om de enkels; 
doch de minder bevoorrechten stellen zich dikwijls met artikelen van 
nagemaakt edel metaal of van valschen steen tevreden. 

Meer bejaarde vrouwen krijgen na haar dood bijna altijd een 
zilveren naald in de haren van zulk een eigenaardigen vorm en betee- 
kenis , dat wij die niet met stilzwijgen mogen voorbijgaan. Zij is een 
miniatuurnabootsing van den staf, dien de Boeddhistische geestelijken 
bij godsdienstige plechtigheden, welke de verlossing der zielen uit 
het vagevuur ten doel hebben, in de hand houden en oorspronkelijk 
niets was dan de klopper , waarmede de bedelende asceet op de huis- 
deuren tikte (Sanskrit: Khakkhara). Men gelooft, dat dit heilige 
werktuig, hetwelk zielen kan verlossen, juist daardoor aan het 
heirleger onzichtbare duivelen, dat de wereld des lichts en die 
der duisternis verpest, weerstand biedt'; en het zal. dus niemand 
verwonderen, dat wijze, bejaarde vrouwen er afbeeldsels van in het 
hoofdhaar dragen, nog minder, dat er haar na den dood door de 
zorgzame treurende familieleden minstens één in den chignon gestoken 
wordt. Een afgestorvene toch staat in de wereld der duisternis, meer 
n(^ dan een levende in die des lichts, aan de aanvallen van 
kwade geesten bloot. Om de kracht van de nuttige haarnaald 
te verhoogen^ hangt men gewoonlijk aan den knop vier kleine, 
zilveren figuurtjes, die een hert, een schildpad, een perzik en een 
kraanvogel voorstellen. Het hert is namelijk het geliefkoosd zinne- 
beeld van een lang leven, van voorspoed en vreugde, de schildpad en 
de perzik van hoogen ouderdom, en de kraanvogel van hoogen 
ouderdom en voorspoed beide; al deze goede zaken nu zullen in 
werkelijkheid den nakomelingen van de doode, die zulk een haar- 
naald draagt, ten deel vallen. 

Nog dient opgemerkt te worden , dat haarspelden als de beschrevene 



26 DE LUKB£ZOKGiNO DEU £MOY-CUIN££Z£N. 

meestal in een schrikkeljaar vervaardigd \^orden. Daar dit eeu maand 
meer telt dan eeu gewoon jaar, neemt de macht der spelden om 
het leven te verlengen met een twaalfde toe , want aan elk voorwerp 
kleven de invloeden van uur, dag, maand en jaar, waarin het is 
ontstaan, lu elk volgend jaar van dertien maanden voegt men een 
ringetje tusschen de haarnaald en elk der vier zinnebeeldige figuren, 
zoodat deze laatste na een lang tijdsverloop aan kleine kettinkjes 
neerhangen. 

Aan de vingers van mannen en vrouwen worden na hun dood 
met kwistige hand ringen gestoken. Dikwerf bezigt men daartoe een 
stel van dertien stuks, ook al in een jaar van dertien maanden 
gemaakt en door den doode zelf, toen hij op meergevorderden leeftijd 
kwam, aangeschaft of ten geschenke ontvangen. Mochten de over- 
levenden zulk een stel niet aanwezig vinden, dan schafien zij er 
zich vaak terstond een voor den doode aan , en wel in de goudsmids- 
winkels, waar men volledige dertientallen te kust en te keur gereed 
vindt. 

Overleden kinderen worden steeds gedost in de beste kleederen 
waarover men kan beschikken. In de gegoede standen krijgen zij , 
zoo zij meer dan tien jaar oud zijn , over alles heen nog een onge- 
voerde toga van efleu blauwe zijde, die tot over de kuiten reikt en 
waarop bij wijze van kraag een witte, ongeveer acht centimeter 
breede strook is vastgenaaid, welke zich langs beide zijden van 
den voomaad over borst en buik heen verlengt. Dit kleed heeft 
geen knoopen , maar de breede overslag wordt door twee of drie 
paar bandjes onder den rechterarm vastgemaakt, zoodat de witte 
kraag dan in den vorm van een kruis over de borst ligt. De 
mouwen, die buitengewoon wijd zijn^ eindigen in een eenvoudig 
wit linnen boord, over den pols omgeslagen. Bij dit zonderling ge- 
waad, dat sing sa™ (35) of ^jongelingskleed// heet, behoort een 
even zonderlinge sing bö (36) of /rjongelingshoed'/ van zijde of 
fluweel , dikwijls met bloemen en versierselen in gouddraad geborduurd. 
Nu eens heeft hij naar links en rechts eeu uitwa», aan de einden 
omgekruld, zoodat hij aan een paar uitstaande bufielhorens doet 
denken; 'dan weer gelijkt hij op een gewone muts, doch met twee 
hellende vlakken er bovenop, die aan een huisdak herinneren; in 
dit laatste geval wordt de naam tshoè hia bö (37), //huisdakhoed^^, 
er vaak aan gegeven. 

Algemeen wordt door de bevolking aangenomen , dat de beschreven 
klecdij , althans voor zoover de pij betreft , de gewone dracht der 



D£ LUKBEZOROINO D£R £MOY-0UIN££Z£N. 27 

jongelieden van fatsoenlijken huize was onder de oude Tsjow-dynastie , 
die van de 13de tot de 3de eeuw vóór Chr. op den troon van 
China zetelde. Behalve op de planken wordt zij nooit meer ge- 
dragen; slechts de jongelingahoeden ziet men op Nieuwjaar of bij 
andere feestelijke gelegenheden nog wel eens op het hoofd van kindereu 
prijken. Merkwaardig mag het dus heeten, dat het kostum zich nog 
na zooveel eeuwen als lijkkleed handhaaft: — dit bewijst alweer hoe taai 
zeden en gebruiken kunnen worden , zoodra zij zich eenmaal aan 
religie, en wat onmiddellijk daarmede samenhangt^ hebben vastgeklampt. 

Wat wij op bl. 20 over het slordige afwerken van de lijkkleederen 
te berde brachten geldt alleen voor die, welke na het overlijden 
vervaardigd worden. Maakt men ze reeds bij het leven van het 
individu waarvoor zij bestemd zijn, dan worden ze minstens even 
netjes en sterk als de kleéren der levenden in elkander gezet. 

Men wete namelijk, dat een algemeene gewoonte in het Rijk van 
het Midden wil, dat men zich reeds bij zijn leven graf kleéren aan- 
schaft zoodra men vijftig of zestig levensjaren achter den rug heeft 
en de beurs de uitgaven toelaat. Sommigen laten een volledig pak 
maken, anderen slechts een t^ bah hioé met t^ bah kho en 
de bovenkleedij. En om te bewerken dat er zich levenverlengende 
invloeden aan vasthechten, laat men zulke tioei^S lao sti^ (88) of 
>ruitgelegde kleéren voor den ouden ds^ff , zooals zij met een geijkten 
term heeten, lie&t knippen en naaien door een jong meisje; want 
naar alle menschelijke berekening is voor zoo iemand nog menig 
levensjaar weggelegd en zal zij dus van de haar aanklevende in- 
vloeden om lang te leven iets doen afistralen over het werk, dat 
zij onder handen neemt. 

Onder de lijkkleêren , die men reeds vóór zijn dood bezit , speelt 
geen zulk een merkwaardige rol als het zoogenaamd siöe i (39) 
of «^lang-levenkleed>r. Het is een lange kuitendekker van kostbare 
donkere zijde, die midden op het voorlijf, of ook wel onder den arm, 
dichtgeknoopt wordt en bijzonder lange en wijde mouwen heeft, 
die de handen geheel aan het oog onttrekken. Achter den hals om 
loopt bij wijze van kraag een zijden strook van witte of hemels- 
blauwe kleur, die zich van voren aan beide kanten langs de split 
verlengt en tot midden op de borst doorloopt. Die strook prijkt vaak 
met geborduurde pioenrozen en feniksen, alsook met figuren die 
het Échriftteeken ^lang leven//, siöe (40), doch in grilligen, phan- 
tastischen vorm, voorstellen. Op de borst loopt de kraag uit in 
een grooten geborduurden cirkel van gouddraad, die een dergelijk 



2H DE LUKBFiZOBGING D£R EMOÏ-GHINfiËZEN. 

teekeii s i ö e omsluit eu omgeven is door geborduurde feniksen , 
mitsgaders door kraanvogels, die in China den naam hebben van 
zeer oud te worden en er daarom zinnebeelden van onsterfelijkheid 
zijn. Met dergelijke letterteekens , doch van kleinere afmeting, is 
verder het gansche kleed bestikt; vandaar dat men dit ook wel 
pik siöe i (41) noemt, d. i. ^kleed met honderdmaal het schrift- 
teeken lang leven erop^. 

Hoogst zelden slechts schaft men het zichzelf aan ; in den regel 
krijgt men het, wanneer men een zestig of zeventig jaar oud ge- 
worden is, van zijne kinderen ten geschenke. Deze leggen er dan 
uiterst veel zorg aan ten koste , . laten de stof wel uit Ganton , 
Shanghai of Suchow komen en het kleed door een bekwaam kleermaker 
knippen op een gelukkigen dag, dien men met groote zorgvuldigheid 
door een knap waarzegger heeft doen kiezen. En als het af is, wordt 
er nog een gelukkige dag, liefst zoo dicht mogelijk bij den ver- 
jaardag van den jubilaris, uitgekozen om het dezen aan te bieden. 
Nadat schotels met eetwaren en lekkernijen voor de huisgoden en 
familiedooden op het huisaltaar zijn neergezet , treden de kinderen , 
in de op bl. 22 beschreven oflerkleedij of^ bij gebrek daaraan, in 
hun beste pak gestoken, op, om bij monde van den oudsten de 
onzichtbare beschermers van het huis te danken voor de vele levens- 
jaren die het geliefd hoofd des gezins, dank hun bescherming, heeft 
genoten , en hun te bidden dat nog een lange reeks van jaren zijn 
deel moge zijn. Allen knielen daarop voor den jubilaris neder, 
brengen het hoofd zoo diep mogelijk naar den grond en reiken 
hem door tusschenkomst van den oudsten zoon het schoone kleed 
eerbiedig over, soms met nog andere onderdeelen van het lijkgewaad 
er bij. Na eenige oogen blikken reeds loopt de oude man er deftig meê 
te pronken en zich te verlustigen in de woorden van de ter felici- 
tatie komende gasten, die niet ophouden hem te vleien met zijn ge- 
lukkig lot, hetwelk hem zulk een hoogen leeftijd en zulke brave, 
ouderminnende kinderen geschonken heeft. 

Ook een bejaarde moeder wordt dikwijls met een lang-levenkleed 
van volkomen dezelfde snit en gelijk maaksel bedacht ; feitelijk wordt 
het zelfs vaker aan vrouwen dan aan mannen aangeboden, daar de 
laatsten , zooals wij reeds zeiden , er bijzonder op gesteld zijn in het 
op bl. 22 beschreven ofierkostuum in de andere wereld aan te landen. 
Al wie er een bezit trekt het gewoonlijk op al zijn volgende 
geboortedagen als feestkleed aan; immers, vooral op zulke dagen is 
het nuttig en noodig een groote hoeveelheid van de levens^ 



DE LIJKBEZOROTNG DER EMOY-CHINEEZEN. 29 

kracht, die het kleed, dank den teekens, van zich geeft ^ te absor- 
beeren , ten einde opnieuw gedurende een jaar gezond en frisch te 
blijven. Vooral draagt de jubilaris het gedurende de receptie-uren , 
wanneer vrienden, bloedverwanten en kennissen toestroomen om 
hent met loftuitingen en geluk wenschen te overladen. 

Grafkleeren vervaardigt men voor nog levenden liefst in een jaar 
van dertien maanden, met het doel het overlijden zoo ver mogelijk 
naar de toekomst te bannen; ja men kiest, waar het doenlijk 
is, de schrikkelmaand zelf voor het knippen en naaien uit. Dat 
men ook voor ernstige zieken tot het vervaardigen der grafkleeren 
overgaat zoodra er weinig hoop op herstel meer wordt gevoed , spreekt 
vanzelf. 

Nu de lijkkleéren beschreven zijn, dient nog melding gemaakt 
te worden van enkele merkwaardige opvattingen, denkbeelden en 
bijgeloovigheden , die het volk eraan vastknoopt. 

Op kleéren, die na den dood, en dus op slordige wijze in elka&r 
geregen zijn, worden altijd knoopen en knoopsgaten van linnen of 
katoen gezet. Metalen knoopen toch , zoo heet het , kunnen het door 
ontbinding week geworden lijk kwetsuren toebrengen en buitendien, 
omdat zij te goed houden en dus het opzwellen en uitzetten tegengaan , 
oorzaak worden , dat de nakomelingschap zich evenmin kan uitzetten 
en tot volle ontwikkeling komen; wel verre dus van zich te ver- 
menigvuldigen als het zand der zee , zal zij , dank dien knoopen , 
door ziekten en ontijdige sterfgevallen geteisterd worden. Ten aan- 
zien van lijkkleéren reeds bij het leven vervaardigd is men echter 
op het punt van metalen knoopen lang niet zoo schroomvallig. 
Men mist ze alsdan zelden aan de laï thb en de goa thb van 
het offerkostuum; maar toch zullen de dames er in dit geval nauw- 
lettend voor zorgen , dat de doode althans een stuk of wat kleeding- 
stukken zonder die verboden waar aan het lijf krijgt. 

Het aantal pakken , waarin de doode wordt gestoken , is voor de 
vrouwen mede een zaak van groot gewicht. Van vijf lagen — ge- 
voerde kleedingstukken tellen daarbij zoowel voor één als twee - willen 
zij in het geheel niets weten; want het woord go (42), «'vijf//, is 
gelijkluidend met een ander go (43) , dat kwaad berokkenen, in het 
ongeluk storten beteekent. Vader geruineerd , moeder in het ongeluk 
gestort, vrouw en kind met rampen overstelpt, ziedaar wat een 
lijkkostuum van vijf lagen onherroepelijk na zich sleept. Gelukkig 
dus, dat men al dadelijk over de vijf lagen komt zelfs als men 
zich beperkt tot het minimum, waaronder een fatsoenlijk gezin on- 



30 DE LUKBEZORQtNG DKR EMOY-CHINEKZEN. 

mogelijk kan gaan, iil. een t^ bah hioê, een langen kuitendekker , 
een overman tel (bé ko^) en de twee jassen van het offerkosluura. 
Lieden , die in goeden doen zijn , gaan echter tot elf en dertien 
lagen, ja nog hooger. Een even aantal is onherroepelijk verboden ; 
want de Chineesche wijsbegeerte vereenzelvigt even getallen met dat 
onderdeel der natuur hetwelk koude, duisternis, vrouwelijkheid en 
zulk soort zaken in zich sluit (nl. Tin zie blz. 10). Zij moeten 
dus den doode zoo ver mogelijk van het lijf gehouden worden , 
daar zij bv. kunnen teweegbrengen dat hij later herboren wordt in 
de gedaante van een vrouw, of dat vele meisjes in de nakomelingschap 
het levenslicht zullen zien , iets waarop in China niemand gesteld is. 

Het aantal lagen Iaat men eenigermate tred houden met den 
ouderdom en het aanzien van den overledene. Bij lieden van zeventig 
bijv. zal men het niet beneden de dertien laten ; in elk geval eischt 
plichtgevoel dat men het getal hoog opvoert, en zoo komt menig 
mingegoede er toe zijn dooden te steken in kleêren van zulk slecht 
allooi en zoo bitter weinig waarde, dat, als een levende ze aantrok, 
zij hem binnen een uur tijds aan flarden langs het lijf zouden hangen. 
Quantiteit geeft dus den doorslag en qualiteit is van totaal onder- 
geschikte beteekenis; trouwens^ als een doode in de schimmenwereld 
wel yertinde papiertjes kan gebruiken als echt geld , waarom zou dan 
zelfs de erbarmelijkste kleedij daar niet de rol spelen van prachtkostuum P 

Leder mag onder geen enkel voorwendsel deel uitmaken van de 
grafkleedij. fjeeren zolen onder de schoenen van den doode worden 
dan ook zorgvuldig weggesneden. Men wete nl. , dat vele leer- 
stellingen van het Boeddhisme bij de vrouwen ingang gevonden 
hebben en daaronder ook deze^ dat het de zwaarste doodzonde is 
een ademend wezen, welk ook, te deren. Het dragen van leer nu 
kan het dooden van dieren in de hand werken , en wanneer men 
dus een overledene met dit artikel aan het lijf de andere wereld 
inzendt, geeft men hem rechtstreeks prijs aan den toorn van Yama, 
den koning der hel, voor wiens gevreesde vierschaar elkeen ver- 
schijnen moet om van zijn wandel en gedrag rekenschap af te leggen. 
Inzonderheid zou een schim, die leder draagt, de wraak te duchten 
hebben van twee algemeen gevreesde adjudanten van Yama, die 
respectievelijk met een buffel- en een paardekop afgebeeld worden. 

Tot zoover over de lijkkleederen. Thans over de wijze waarop 
zij den doode worden aangetrokken. 

Onder het afdak van de zaal, waarin het lijk op het waterbed 



DE LURBEZOROINO DEH EMOY-CHINEEZEN. 31 

ligt, wordt een houten bank of stoel gezet en door den oudsten 
zoon, die zich, zoover de betamelijkheid toelaat, ontkleed heeft, 
bestegen. Nadat hij zich een bamboehoed met broeden rand, zooals 
de koelies dragen om tegen zon en regen beschermd te zijn, op het 
hoofd heeft gezet, doet hij de th bah hioê aan, haalt een dik, 
grof gevlochten touw door de mouwen , zoodat het er aan beide zijden 
uithangt, en trekt vervolgens met behulp van zijn moeder of zijn 
vrouw de overige hemden , jassen en toga's , die voor den doode 
bestemd zijn, in de vereischte volgorde aan. Al dien tijd houdt 
hij een bamboeataak , waaraan van boven een tak van den baniaan 
bevestigd is , in de hand , met het doel , zooals men zegt , booze 
geesten en schadelijke invloeden, die uit de lucht in de kleéren 
konden sluipen, op eerbiedigen afstand te houden. Soms ook wel 
steekt men een levende of nagemaakte bloem, die dezelfde uit- 
werking heet te hebben , op den hoed. 

Is aldus het nieuwe hoofd der familie met de lijkkleêren omhangen , 
dan worden zij, na hier en daar met groote steken op elka&r gehecht 
te zijn , alle tegelijk hem weer van het lijf genomen , waarbij het touw, 
dat door de mouwen gestoken werd , meewerkt om ze goed in elkaar 
te doen blijven zitten. Het geheele stel tegelijk wordt dan door de be- 
droefde verwanten, of door gehuurde mannelijke of vrouwelijke helpers, 
op het waterbed uitgelegd , de overledene erop geplaatst en alles hem 
tegelijk aangetrokken , waarbij allen in luide weeklachten uitbarsten. 

Het aandoen van het lijkgewaad vóórdat men het den doode zelf 
aantrekt, is altijd het werk van den oudsten zoon, zelfs al behoort 
de overledene tot het vrouwelijk geslacht. Zijn er geen zoons, 
dan rust die taak op de oudste schoondochter; want, zegt de zede- 
leer, ffeen vrouw moet haar schoonouders dienen zooals men zijne 
ouders dient/i^ *. Een vader of moeder, schoonvader of schoonmoeder 
de kleéren »tuk voof stuk aan te trekken zonder ze zelf aan het 
lijf gehad te hebben, zou schromelijk gebrek aan kinderlijke 
toewijding verraden , want het zou oorzaak wezen , dat er dan 
zonder noodzakelijkheid oneerbiedig met het lijk gesold werd. Dat 
men dien plicht nakomt staande op een bank of stoel en met een 
breedgeranden hoed op het hoofd dient, zegt men , om te voorkomen , 
dat de heilige Moeder-Aarde door aanraking met grafkleéren wordt 
bezoedeld en om den Hemel het weinig stichtelijke schouwspel des 
doods te besparen; ja, wat meer zegt, behoort hij , wiens kinderlijke 



1 Li ki, hst. 39. 



32 DE LUKBEZORarNG DRR EMOY-CHTNEEZEN. 

toewijding niet eens groot genoeg is geweest het bestaan van den 
oorspong zijns levens te verlengen, zich niet vol schaamte voor het 
aanschijn des Hemels te verbergen? 

Zoodra de zoon de hoofdrol in dit drama afgespeeld heefb, slaat 
hij met de meesten der aanwezigen haastig wat gekookte macaroni 
of vermicelli naar binnen , wijselijk overtuigd dat de lange draden 
van deze spijs een tegenwicht zullen vormen op de verkorting 
van levensduur, die hij zich misschien door het aanpassen der 
doodskleêren op den hals heeft gehaald. Daarop voegt hij zich bij 
zijn medetreurenden om hun bij de overige bezigheden , die het 
kisten voorafgaan , de behulpzame hand te bieden. 

Belasten huurlingen zich met het kleeden van een doode, dan 
brengt het gewoonterecht mede dat al de kleêren , waarin deze den 
laatsteu adem uitblies, hun als emolument worden afgestaan. Wordt 
het werk niet door vreemde hand verricht, dan schenkt men die 
kleêren eenvoudig aan den een of anderen berooiden buur of den 
eersten den besten bedelaar, die aan de deur komt. Arme menschen 
echter staan ze aan niemand af, maar gaan ze, na ze eerst in de 
wasch te hebben gedaan , zelf dragen ; of wel — en dit is de meest 
gewone manier van handelen — zij brengen ze rechtstreeks naar 
den lombard , om er ter wille van eenige koperstukjes den walgelijken 
voorraad van smerige dingen, die in den regel zulk een inrichting 
opvullen, met nog enkele te vermeerderen. 

Het kleeden wordt gevolgd door een offerande van eetwaren, die 
met den naam sï si«>g (44), //afscheid nemen van het levens, bestempeld 
wordt. Zooals deze uitdrukking aanduidt, wint thans bij de familie 
de overtuiging veld, dat alle hoop op herleving des lichaams ijdel 
is ; plichtbesef eischt dus het een afscheidsmaal aan te bieden , mede 
als bewijs , dat de kinderlijke toewijding zelfs niet door het ingrijpen 
van den Vorst der Verschrikkingen uitgedoofd is kunnen worden. 

Vlak vóór het waterbed, waarop de getooide doode rust, plaatst 
men op een tafel eenige versnaperingen in den vorm van een kom 
gekookte rijst en een paar schaaltjes groenten. Daartusschen verrijst 
een smal plankje, met het ongeveer 8 centimeter breede ondereinde 
loodrecht in een houten blokje geplant, dat als voetstuk dienst doet. 
Het is gemiddeld een halven meter hoog en loopt naar boven spits 
toe, zoodat het geheel^ van de voor- of achterzijde gezien, aan een 
kleinen obelisk doet denken. Dit voorwerp is aan alle kanten met 
glanzige witte zijde, bij de arme klassen met ongebleekt linnen 
overtrokken , waarop aan de voorzijde met zwarten inkt naam , 



DE iUKBEZOBOING BËft EMOY-OHTKBEZEN. 33 

en leeftijd van den overledene, jaar, dag en unr van zijn geboorte 
en dood, kortom, een omschrijving van zijn persoon aangebracht is; 
zulks maakt het tot een soort van plaatsvervanger van den afge- 
storvene. Dank zij de wijze voorzorg der familie, vindt de ziel, die 
thans op het punt staat voorgoed van haar aardsch omhulsel ge- 
scheiden te worden, in het bordje een hulplichaam ^ waaraan zij zich 
kan vastklemmen en dus voor vervluchtiging wordt behoed. Men 
noemt het op grond daarvan hoen péh (45), //zielelap>/. 

Zal de ziel er echter werkelijk haar intrek in nenienp Zullen de 
duivelen der daistemis, steeds er op uit zwakke schimmen te deren, 
het haar niet beletten? Zal zij wellicht niet gevangen worden ge- 
houden door de machten der hel , waarvan de Kerk van den Boeddha 
zooveel vreeselijks weet te vertellen? Al die vragen brengen er de 
familie toe de hulp van een priester dier Kerk in te roepen; want 
het redden van zielen uit de klauwen der hel heeft steeds op het 
programma van Shdkyamoeni's godsdienststelsel bovenaan gestaan, en' 
de dienaren zijner leer hebben het in het uitdenken van kunstmiddelen 
om die bevrijding tot stand te brengen verwonderlijk ver ge- 
bracht. 

Gekleed in een lange toga van zwarte of grauwe kleur of, als de 
familie hem ruim betaalt, in een rijk geborduurd zijden ceremonie- 
kleed (K&sh&ya), plaatst de priester zich voor de tafel. Hij opent 
de plechtigheid met het uitspreken van een reeks formules (Tantra's) , 
samengesteld uit Sanskriet of Pali ' woorden waarvan noch hijzelf 
noch iemand anders tittel of jota begrijpt , maar die desniettemin 
de dragers zijn van wondervoUe tooverkracht. Hierna richt hij op 
zangerigen toon de volgende aanroeping tot Të tsöng 6ng (46), 
den 'i'Koning der Aardsche Bewaarplaats// , d. i. van de hel , een 
Bodhisatwa die aldaar zetelt als hoogste verlossende macht: 

ffO, Bodhisatwa van de wereld der duisternis, uwe glorie is 
moeielijk te omschrijven! 

/y Verwezenlijk onze verwachtingen en vertoon uw waarachtig aan- 
schijn, verdeeld over alle oorden; 

/^Ddi de hellewezens, hongerige spoken (Prêta's) en dieren het 
oor leenen aan de glorierijke Wet, 

/rEn alle mogelijke wezens zich het hoofd zalven met uw genade- 
volle gunst I 

^Tiaat het licht, dat uit uw onschatbare voorhoofd sparei straalt, 
zijn weg vinden naar het pad , dat naar de hemelzalen voert , 
6« Volgr. Vn. 3 



34 DE TJJKBSZOilOING DER EKOT-CHIKSEZST*^. 

>/En UW staf de poorten der hel openslaan. 

ffHet is mijn ernstige wensch , dat de ziel van dezen overledene 
goedgunstig de oorden van geneugte worde binnengeleid, 

/^En zij al de barmhartige en eerwaarde Boeddha^s en Bodhisatwa^s 
vereeren moge op het lotusterras (d. i. het heelal)/^. 

Onder het zingen van deze hymne geeft de priester bij iedere 
lettergreep een tikje op * een hol houten voorwerp , welks vorm 
eenigszins aan een doodskop doet denken. En bij den aanvang van 
eiken nieuwen regel slaat hij op een bekervormige metalen klok, 
die een zeer helderen klank van zich geeft. Een kleinen, aan een 
steel bevestigden wierookbrander van tin in de hand genomen 
hebbende, zegt hij vervolgens met neergeslagen oogen een gebed 
van den volgenden inhoud op : 

«'Ik groet u, o hemelsche rechters, die de hoogste', middelste en 
/('laagste sferen van het heelal bewoont I Ik groet u, vorsten der 



naarde , der wateren en der menschen , met al uwe volgelingen ! 
^Gedenkt deze ziel, en helpt haar voorwaarts op den weg naar het 
//in het westen gelegen Paradijs. Eerbiedig bedenk ik, dat het 
//moeielijk is een wedergeboorte als mensch of godheid deelachtig te 
/j'worden en dat het deze ziel dus ternauwernood zal kunnen gelukken 
//herwaarts af te dalen. Doch de heilige geschriften onzer Kerk doen 
/t'roachtige woorden aan de hand om bij de oproeping van zielen 
/i'dienst te doen; laat ik die thans opzeggen//. 

Hij grijpt naar zijn handbel, die op den top van den steel een 
knop vertoont in den vorm van een Wadjra, den tooversleutel der 
Kerk , en , terwijl hij haar langzaam doet klingelen , zegt hij op 
slependen toon : 

//Met deze klingelende bel zend ik mijn oproeping naar omhoog. 

/t'Ziel van dezen doode , lig niet in wezenloosheid verzonken , maar 
hoor deze klanken en begrijp wat zij te beteekenen hebben I 

//Klem er u door de kracht der Drievuldigheid aan vast , 

^En daal heden , ja op dit oogenblik , naar omlaag om herwaarts 
te komen I// 

Een wonderdadige Tantra doet de rest. De ziel daalt werkelijk 
neder, neemt haar intrek in de /rzielelap e' en wordt dadelijk ver- 
welkomd door den oudsten zoon, die met een paar wierookstaafjes 
tusschen de saamgevouwen handen een buiging voor het bordje 



BE LUKBEZOROING DER EMOT-CHINEEZEN. 85 

maakt en de staafjes in de asch van een wierookvat steekt, hetwelk 
mede op de tafel staat. De priester zingt tegelijk een korte wierook- 
cantate en leest, na afloop daarvan, met luider stem een brief af , waarin 
aan de ziel de heugelijke tijding wordt kond gedaan, dat in het 
sterfhuis, welks geographische ligging tot in de kleinste bijzonder- 
heden wordt omschreven, de rouwenden vol liefde en toewijding een 
zielelap voor haar hebben opgericht om iu te vertoeven , en zij haar 
binnen eenige oogenblikken een overvloedigen maaltijd zullen 
opdisschen. >/DriemaaU zoo zingt de priester tot besluit, >/noodig 
>rik de ziel uit herwaarts te komen. Kom thuis , o ziel , zet u neder 
^op uw zetel en luisiier naar de woorden van het heilige boek. O, 
^yBodhisatwa's en Mahftsatwa's, die de heilige geschriften bestudeert I ^ 

Thans wordt de brief in brand gestoken en op die wijze den 
onzichtbaien geest van den doode in het luchtruim toegezonden. 
Vervolgens gaat de priester een wondervollen Canon opdreunen, 
die tot titel voert : /^Sütra die de hellen overwint// en , volgens 
eigen verklaring, de macht bezit den dooden rechtstreeks het 
Nirw&na binnen te voeren. Eenige krachtige tooverformules en aan- 
roepingen van Awalökité^wara , Amit&bha en den bovengenoemden 
hellevorst zetten de kroon op zijn verdienstelijk werk. 

Middelerwijl is de beloofde offerande op een paar extra tafels 
nabij het lijk uitgestald. Onder de twaalf schotels, waaruit zij 
meestal is samengesteld, zijn er eenige van zinnebeeldige beteekenis. 
Eén bevat bv. zoogenaamd ong lé (47), d. i. gedroogd vleesch van 
een schelpdier , dat op de kusten van Zuidelijk China menigvuldig 
wordt aangetroffen; want ong zoowel als lê hebben in de volks- 
taal synoniemen, die respectievelijk ffhloeiff (48) en /s^glorie , 
weelde>y (49) beteekenen ; de spijs zal dus den doode iu staat stellen in 
het volgend leven voorspoed en welvaart te genieten en deze ook aan 
zijne nakomelingen te schenken. Een andere schotel draagt om een 
soortgelijke reden een ananas, want deze vrucht heet ong laf (50), 
ir f eer des bloeis/y ; behalve dat, is het schrijfteeken voor peer (51) 
te splitsen in //boom'/ (52) en ^yvoordeel, winst'/ (53). Eindelijk 
merkt men nog een portie zachte, ronde koekjes van rijstemeel en 
hennepzaad op, met erwtenmeel en suiker van binnen. Zij heeten 
//hennepkoekjes//, mo& tsi (54), en worden , naar het volk verhaalt, 
om de volgende reden opgedischt: 

Eens viel een mandarijn , toen hij een rechtszitting hield , in slaap 
en verhaalde bij zijn ontwaken , dat hij in zijn droom een huis was 
binnengetreden, waar men juist bezig was een offertafel aan te 



36 DS linCBEZOHOINO dsa emot-ohïneezen. 

rechten. Onmiddellijk viel zijn oog op een schotel met hennep- 
koekjes en daar hij een groot liefhebber van dit gebak was, deed 
hij er zich terdege aan te goed. Nu zou de mandarijn stellig geen 
bijzondere aandacht aan zijn droom geschonken hebben, als niet iedereen 
in de zaal duidelijk sporen van die kleverige spijze aan zijn wangen 
en lippen had ontdekt; thans kon hij bezwaarlijk nalaten naar alle 
richtingen dienaren te zenden, om te zien of er werkelijk in den 
jomtrek een gezin bestond als dat, waarvan hij gedroomd had. 
Inderdaad kwamen er spoedig eenige terug met de boodschap, dat 
zij een woning hadden gevonden, waarin men juist bezig was hen- 
nepkoekjes en andere spijzen aan de zielen der voorouders te offeren. 
Er viel dus niet meer te twijfelen : in overeenstemming met de wet- 
ten der zielsverhuizing was een der voorouders van die lieden op- 
nieuw vleesch geworden , en wel in de hooge persoonlijkheid van 
den mandarijn, ja nog grootere zekerheid verkreeg men op dit 
punt, toen de ofieraars verklaarden met opzet hennepkoeken opge- 
discht te hebben, omdat een hunner voorvaderen daar zoo bijzonder 
veel van gehouden had. Het spreekt vanzelf dat alle verstandige 
lieden uit het gebeurde de conclusie trokken ^ dat de dooden in het 
algemeen verzot zijn op hennepkoekjes en deze dus uiterst geschikt 
zijn om te dienen als lokmiddel voor zielen, die men naar zijn 
woning wenscht te doen afdalen. 

Zoodra de offerande behoorlijk voor den doode is uitgestald , treedt 
de Boeddhistische priester ten tweeden male op. Een rond, tinnen potje 
met schoon water in de hand nemende, zingt hij met plechtige stem: 

//Het Amrta van den wilg der Bodhisatwa^s 

ffls x66 machtig , dat één drop ervan in staat is in de tien onder- 
deden des heelals 

//Vuil en smetten, door ranzig vleesch teweeggebracht, te niet 
te doen 

^En de altaren en oorden van eeredienst dus volmaakt rein te 
houden/!^. 

I Hierop doopt hij zijn vinger of een twijgje van een baniaanboom in 

I het vocht en sprenkelt eenige droppels over de ofierwaren, het lijk, 

I de omstanders en de muren der zaal. Op die wijze worden alle 

I ongeluk brengende invloeden, door het sterfgeval veroorzaakt, weg- 

I gewasschen efi de ziel van den doode in staat gesteld in een toe- 

[ stand van volmaakte zuiverheid voor de voorouders te verschijnen. 

I Vandaar dat de plechtigheid bestempeld wordt met de benaming 



BE LUKBEZOROINO DER KMOT-OHINEEZBN. 87 

tsïng sin (55)^ //zuiveriDg des lichaams//. Zij wordt onmiddellijk 
gevolgd door een tweede reinigingsproces van eenigszins anderen 
aard : een weinig wierookpoeder op zijn bovenvermeld handwierook- 
bakje uitgestrooid hebbende, beweegt de priester dit voorwerp over, 
langs en onder den doode, en bewierookt op dezelfde wijze de voor- 
werpen nabij het bed, beuevens de muren van het vertrek. 

Middelerwijl houden de rouwers zich onledig met de ziel de uit- 
gestalde offerwaren aan te bieden. De oudste zoon treedt nader , neemt 
wierookstokjes in de saamgevouwen handen, heft deze op tot het 
lijk , plaatst de stokjes in den wierookbak, en knielt driemaal achtereen 
neer om telkens het hoofd viermaal ter aarde te buigen. Het aantal 
buigingen moet namelijk even zijn, daar £ven getallen tot het element 
van dood en duisternis behooren (zie blz. 30); wordt echter een 
soortgelijk eerbewijs aan eeu god of levend wezen gebracht, dan buigt 
men zich bij eiken voetval slechts driemaal ter aarde. Na den oudsten 
zoon treedt ie tweede op om op zijn beurt hetzelfde ceremonieel te 
verrichten, en dan komen achtereenvolgens de overige zoons, de 
vrouw , de schoondochters en verdere verwanten , in de volgorde , 
die de familie-hiërarchie aangeeft. Ofl'erpapier wordt middelerwijl in 
het fornuis aan de vlammen prijsgegeven , en na een poosje neemt 
men de spijzen weg om deze , nadat men ze desnoods nog eens heeft 
opgewarmd, zelf te verorberen. 

Doorgaans profiteert de treurende familie in één moeite van de 
tegenwoordigheid des priesters om hem eeu plechtigheid te doen 
verrichten , die ten doel heeft den pas ontslapene in het Schimmenrijk 
van geld te voorzien. Teder ontwikkeld Chinees toch weet zeer goed, 
dat men zich daar zonder geld even moeielijk levensbehoeften kan 
aanschaffen als op deze wereld , en bovendien dat ieder , die op deze 
aarde herboren is geworden, voor dit voorrecht aan Yama, den Be- 
stuurder Jer Onderwereld, een zekere vergoeding heeft moeten be- 
talen. Daar nu het meerendeel der schimmen arm is, neemt bijna 
iedereen bij zijn wedergeboorte als mensch bij de rijkere het daartoe 
benoodigde geld op. Komt men dus na zijn verscheiden weer in 
dezelfde Onderwereld terug , dan zal men zich dadelijk omringd zien 
door een troep schuldeischers even onbarmhartig als die van deze 
wereld, en bij wanbetaling gekweld en mishandeld worden zonder 
eind; — is het mitsdien niet de plicht der nakomelingen de arme 
ziel in staat te stellen zich dadelijk van haar verplichtingen te kwijten? 
Vandaar de bedoelde plechtigheid. 

Beeds een poos te voren werd een groote hoeveelheid zoogenaamd 



38 )>£ LIJKBEZOB43ING DEB EMOY-CHINEEZEK. 

//scbatkamergeld^, khb tst^ (56), ingeslagen, dat wil zeggen vierkante, 
platte, geelachtige pakjes, elk met honderd velletjes wit papier 
gevuld. Ieder vel is van evenwijdig loopende , gekartelde insnijdingen 
voorzien en stelt das gansche rijen ronde koperstakjes voor, zoodat 
een kleine hoeveelheid pakjes reeda een waarde van eenige millioenen 
vertegenwoordigt. Een kofier van papier en bamboe pakt men er mee 
vol en valt buitendien nog eenige soortgelijke kisten met het tot 
staaQes gevouwen goud- en zilverpapier, dat de lezer op blz. 15 en 
16 heeft leeren kennen; eindelijk schaft men zich voor elke kist een 
paar papieren poppen aan , om haar naar de schimmen wereld te dragen. 
En om te voorkomen dat die kofiers aldaar door niet rechthebbenden 
geopend en leeggeplunderd worden , sluit men ze niet alleen met een 
papieren hangslot af, maar plakt bovendien bij wijze van verze- 
geling (;wee strooken papier, met den naam van den gestorvene be- 
schreven , kruiselings over de voorzijde. Deze reepen krijgt men van 
den priester , die de plechtigheid leidt^ en wiens zegelafdruk zij moeten 
dragen. Een papieren ^schatkamer-mandarijn//, khb koaA(57), 
wordt ook nog aangeschaft, om belast te worden met het oppertoezicht 
over de schatten op hun weg naar de Onderwereld. 

Wanneer nu alles behoorlijk bijeen is geplaatst, sommeert de 
priester , onder voortdurend rinkelen met zijn bel , den onzichtbaren 
geest, door laatstgenoemde pop voorgesteld, in deze zijn intrek te 
nemen. Dit oproepen is mogelijk doordien men weet, dat de naam 
van den geest eensluidend is met dien van het geboortejaar des over- 
ledenen. Gehuurde muzikanten doen daarbij de schrille tonen hunner 
instrumenten door de zaal weergalmen. Opdat de schatmeester 
dadelijk iets zal vinden om zich te laven, zijn eenige eetwaren voor 
de pop geplaatst. Een varkenslever ontbreekt daarbij nimmer; want 
het volk is door wijze redeneering tot het inzicht gekomen, dat 
deze spijs ^ na door den schatbewaarder verorberd te zijn ^ ontegenzeg- 
gelijk goeden invloed op diens lever moet uitoefenen , en hij bij- 
gevolg niet zoo gemakkelijk zijn plicht vergeten of verzuimen zal als 
een ander , die geen lever heeft gegeten. Men weta namelijk , dat in 
China de lever de zetel van gedachte, geheugen en toewijding is. 

Zoodra de priester verklaart dat de schatmeester gekomen is, 
treden de rouwdragers voor de ofiertafel, knielen neer en noodigen 
het onzichtbare wezen door buigingen uit, toe te tasten. Soms ook 
biedt de oudste zoon hem wijn als ofiergave aan. De priester, die 
tot nu toe niets deed dan zingen en bidden, leest daarop een ge- 
schreven stuk voor om den geest op de hoogte te stellen van de zaken , 



BE LIJKBEZOBOING DEE EKOT-OHINEEZEN. 89 

die hij ter behoorlijke uitoefening van zijn fiinotie noodzakelijk moet 
weten ; hij deelt hem daarin bijzonderheden mee over den doode , 
te wiens behoeve hij lastig gevallen wordt , over de hoeveelheid papier , 
die verbrand zal worden enz. , en doet hem ten slotte weten dat 
men van hem verwacht een eerlijke en trouwe plichts ver vulling. 

Intusschen hebben de muzikanten niet stilgezeten, maar met al 
den ijver en de geestdrift, die in hen zijn, getracht den schat- 
meester door hun spel aangenaam te stemmen. Ook de kofferdragers 
worden niet vergeten; in een kring heeft men ze op den grond 
gezet rond schotels met spijzen en bekers met wijn, en hen dringend , 
maar vriendelijk uitgenoodigd toe te tasten, opdat zij op reis niet 
door honger en dorst zullen overvallen worden. En om niets te 
vergeten , hangt men hun nog eenige aan een touwtje geregen 
blaadjes papieren geld om den hals. Men wete nl., dat ook op aarde 
geen vrachtdragers aan het werk zijn te krijgen zonder eerst voor- 
schot op hun te verdienen loon te hebben ontvangen. 

Nadat den poppen eenige oogenblikken tijd is gegund om te eten 
en te drinken, maakt men van het papier een grooten brandstapel. 
Gedeeltelijk op het fomuisje, op blz. 15 genoemd, gedeeltelijk op den 
vloer van de open binnenplaats , doet men kofiers en papierdragers met 
en benevens den schatbewaarder in vlammen opgaan. Het geknetter 
van het bamboe, het snorren van het vuur worden overstemd door 
de muziek , de handschel des priesters en de luide jammerklachten der 
&milieleden. De asch wordt na de afkoeling opgezameld en in papier 
tot pakjes gebonden , welke den doode in of naast de kist zullen 
worden medegegeven in het graf. Vandaar dat het auto da ié bekend 
staat onder den naam tai süi sin kho(58), /i^een schatkamer met 
het lijk begraven'/. 

De kofier met het ^schatkamergeld v geniet van de zijde der 
familie meer aandacht dan de andere kisten, niettegenstaande hij 
slechts pasmunt bevat Want pasmunt is juist, wat de overledene 
dringend noodig heeft om zijn schuldeischers in de Onderwereld 
dadelijk te betalen; hij behoeft dan geen tijd te verliezen met het 
wisselen van de gouden en zilveren staven^ nog ongerekend dat hij 
geen gevaar loopt afgezet te worden door laaghartige wisselaars. Want 
ook in de andere wereld ontziet men zich niet zijn medeschepselen 
te exploiteeren door misbruik te maken van den pijnlijken toestand, 
waarin ongeduldige schuldeischers hen brengen. 

Beeds voor vele eeuwen hebben wijze mannen , wier namen helaas 
niet aan de vergetelheid zijn ontrukt, met wiskunstige zekerheid 



40 D£ UJILBIZOBGINQ D£B EMOY-CHINEEZEK. 

berekend, hoeveel aan elke ziel als minimum behoort meege- 
geven te worden. De qoantiteit hangt namelijk af van het ge- 
boortejaar^ en het volk houdt angstvallig en getrouw aan de een- 
maal vastgestelde cijfers als aan heilig evangelie vast; men kan ze 
trouwens in alle winkels, waar dat papieren geld te koop is, op 
een lijst aan den muur zien hangen. Uit blz. 18 weet de lezer 
reeds , dat de Chiaeezen den tijd indeelen in regelmatige kringloopen 
van twaalf jaar, waarvan elk wordt aangeduid door den naam van 
een dier. Iemand nu, wiens geboorte viel in een jaar van de Koe, 
moet in de Onderwereld het hoogste bedrag of 320,000 geldstukken 
betalen, terwijl het laagste, 60,000 stukjes groot, noodig is voor 
hem , die in een jaar van den Aap geboren is. Die bedragen zijn 
respectievelijk vervat in twee-en-dertig en zes pakjes, elk van 
honderd blaadjes, zoodat elk blaadje een waarde van honderd geld- 
stukken vertegenwoordigt. Families in goeden doen voeren voor alle 
zekerheid de vastgestelde som vaak tot het drie- , vijf- ja zevenvoud 
op, doch wachten zich wel een even veelvoud ervan naar de Onder- 
wereld te zenden , om dezelfde reden waarom men den doode geen eveu 
aantal lagen kleedingstukken aan wil trekken (zitf blz. 30). 

Wanneer het lijk gekleed op het waterbed ligt, gereed om ge- 
kist te worden, hangt een der naastbestaauden het twee koperen 
geldstukkeu, elk aan het eind van een rooden koordje gebonden, 
om het oor. Na een paar minuten zijn zij met zielmaterie van 
den doode doortrokken en dientengevolge geschikt geworden om 
diens wil en verlangen te onthullen. Wil men daarna in een zaak, 
die den doode van nabij aangaat , diens oordeel vernemen , of ten 
aanzien van een gewichtige aangelegenheid zijn gevoelen inwinnen, 
dan legt men hem, vlak voor zijn lijkkist of zieltablet staande^ 
de zaak bloot en stelt de vragen zóó, dat een beslist ja of neen 
het antwoord kan wezen. Daarop laat men de geldstukken op den 
grond vallen; komen de twee zelfde zijden bovenop te liggen, dan 
luidt het antwoord ontkennend; in het tegenovergestelde geval is 
het bevestigend. De muntstukken worden altijd weer zorgvuldig in 
de nabijheid van het lijk neergelegd, opdat men ze steeds bij de 
hand hebbe; veelal hangt men ze aan het oor van den op tafel 
staanden wierookbrander. Zeer vaak bewaart men ze 25 of 26 
maanden lang , dat wil zeggen totdat de rouw , die de kinderen , de 
vrouw en de schoondochters te dragen hebbeu, in theorie voorbij is , 
en doet ze na de begrafenis dienen ter ondervraging van het zieltablet. 



HOOFDSTUK TV. 



HET KISTEN. 



Hetzij men de lijkkist na het overlijden heeft gekocht, hetzij 
men haar, in afwachting van het sterfgeval, korter of langer tijd 
buitenshuis beschikbaar heeft gehouden , iets wat ten aanzien van 
bejaarde lieden vaak voorkomt — in elk geval behoort zij plecht- 
statig naar het sterfhuis gevoerd te worden. Een even getal vrienden 
of verre bloedverwanten, bij rijken soms zes of acht, wordt aan- 
gezocht om op te treden als //lijkkistbeheerders//, tsidng p^n (59), 
en in deze hoedanigheid het voorwerp huiswaarts te brengen. Zij be- 
geven zich naar den winkel waar de kist gekocht werd , of naar de 
plaats waar zij opgeborgen staat, trekken er een witte rouwpij aan 
van linnen of katoen, zetten een muts op van dezelfde stof en 
nemen acht , zelfs , als men het goed doen kan of het voorwerp zeer 
zwaar is, zestien koelies aan om het gevaarte huiswaarts te dragen. 
Een troepje muzikanten opent den stoet; daarop volgt de drager 
van een rood statie-zonnescherm ; dan komen twee mannen ieder met 
een groote gong, en eindelijk nog twee of vier arme drommels, 
smerig en onoogelijk als bedelaars, die politieagenten moeten voor- 
stellen. Als zoodanig dragen zij een hoogen lictorenhoed van kegel- 
vormige gedaante, rood of zwart van kleur, en houden elk een paar 
in elkaar gevlochten rottingen in de hand, of sleepen een lang 
stuk van een gekloofden bamboestok , zooals bij het geeselen gebruikt 
wordt, achter zich aan; nu en dan roepen zij op sleependen toon: 
ioé o. 0.0.0. , //Hebt ontzag 1^ om het volk behoorlijk voor de 
processie uit den weg te doen gaan. Achter hen komen de genoemde 
tsi&ng p&n's en onmiddellijk daarop ziet men de lijkkist, met 
touwen onder eeir zwaren ronden draagbalk vastgesjord en ver- 
sierd met een lang, smal stuk rood doek, waarvan de einden los 
neerhangen. Op het deksel liggen een paar groote bloemen van 
klatergoud. 

Tntusschen maken in het sterfhuis zoowel mannen als vrouwen 
zich gereed de kist op straat in te halen. Zij steken zich in de 



42 DE LUKBEZOBGING DEB EMOY-GHINEBZEN. 

zware hennepkleedij , reeds op blz. 8 beschreven, terwijl neven, 
nichten en andere minder naverwante familieleden witte rouwkleederen 
aantrekken^ van dezelfde soort als die der tsi&ng pdn's. Zoodra 
zij den stoet in het oog krijgen , trekken allen tezamen uit en knielen 
kermend en weeklagend neer, terwijl de gerechtsdienaars hun luiden 
eerbiedwekkend ' ioê o. o. o. o. uitgalmen. Bij de knielenden gekomen, 
staan de dragers een oogenblik stil , om een familielid gelegenheid te 
geven een streng koperen muntstukjes en wat ongekookte rijst en brand- 
stof op het deksel der kist neer te leggen. Een paar lieden zijn tegelij- 
kertijd op de straat ijverig bezig een zekere hoeveelheid papieren geld 
te verbranden, want de Chineezen zijn berekenend genoeg om te 
begrijpen, dat de omzwervende spoken er dadelijk op aanvliegen 
en dus vergeten zullen het sterfhuis binnen te sluipen , om er , 
kwaadaardig als zij van nature zijn, den doode te verontrusten. 
Eenige oogenblikken later gaat de geheele optocht weer verder, en 
trekt met luide slagen op de gongs en onder het geschreeuw der 
gerechtsdienaars de woning binnen , onder begeleiding van de schrille 
tonen der muziek. 

De kist wordt met het voeteneinde vooruit de deur binnenge- 
dragen en een oogenblik neergezet. Men neemt er het deksel af, 
haalt er al de voor het kisten benoodigde ingrediënten uit, die de 
kistenkoopman er heefi; ingelegd , zooals een losse plank , pakjes on- 
gebluschte kalk ^ snippers papier enz. , tilt vervolgens den last 
weer op en zet hem met het hoofdeneinde vóór het waterbed. Om 
na het kisten het optillen gemakkelijker te maken, plaatst men 
er een paar blokken onder; in den regel neemt men daartoe twee 
der reusachtige houten hamers, die het gezin dienen om in groote 
mortieren rijst te ontbolsteren. 

De rijst en de brandstof, die buitenshuis op de kist worden gelegd , 
dienen volgens de Chineezen zelven om te bewerken, dat de dood 
van den kostwinner het tegendeel van gebrek aan middelen tot 
levensonderhoud in huis zal halen. 

Gedurende het kisten en wat daaraan voorafgaat roeren de 
muzikanten, die aan het benedeneind der zaal een plaatsje gezocht 
hebben, uit alle macht hun handen en lippen, en doen de smerige 
politieagenten bij elke handeling van beteekenis een lang gerekt 
ioê 0.0.0. weergalmen. De treurenden onthouden zich echter van 
alle klaaggeschrei ; want door teekenen van smart aan den dag te 
leggen zou men droefenis en leed met den doode in de kist sluiten 
en hem daardoor het verblijf in het graf onaangenaam maken. 



DE LUKBEZOBGINO DER EKOT-CHINEEZEN. 43 

De lieden . die op weg naar huis de kist op de schouders dragen , 
worden met de namen kioh hoe (60), ^voetmannen^ , of kang 
kioh (61), /i^werkbeenen^ , bestempeld. Bij groepjes kan men ze 
voor eiken lijkkistenwinkel heen en weer zien slenteren, in afwach- 
ting van iemand, die hen noodig heeft. Hun hoofdman speelt een 
groote rol bij het kisten. Zijn eerste werk is, de asch, die door de 
naastbestaanden bij de buren gebedeld werd (zie blz. 11), behoed- 
zaam op den bodem der kist te strooien onder het uitspreken van 
de woorden: Ia hé-hoe, hö li-ê ki&x^g-soen poè koéi-& 
toe (62), ^Ik strooi de asch uit, om te maken dat uwen kinderen 
en kleinkinderen rijkdommen bij hoopen en stapels ten deel vallen//. 
Waarop de betrekkingen bij wijze van amen onmiddellijk antwoorden : 
Hó ah, hó ah (63), //Heel goed, heel goedl^ 

Dan neemt hij een handvol ijzeren spijkertjes en strooit ze in de 
kist. Het woord ting (64), //spijker >ir, beteekent namelijk ook een 
mannelijk individu, en mitsdien zullen die voorwerpjes, in de kist 
uitgezaaid en daarmee in het graf geplant, den doode bepaald een 
talrijke mannelijke nakomelingschap verzekeren. Bij het uitstrooien 
zegt dan ook de hoofdman: Ia ting, hö 11 ê kid^g-soen 
tsjhoet ting (65), //Ik strooi spijkers, om te maken dat uw 
kinderen en kindskinderen mannelijke nakomelingen voortbrengen // , 
waarop het antwoord der aanwezigen wederom luidt: ^Heel goed, 
heel goed! ir 

Nu wordt van een mengsel hennepzaad, tarwe, erwten, gierst 
en ongebolsterde rijst een handvol i]i de kist gestrooid, vaak onder 
toevoeging van grofkorrelige roode gist, uit graan of rijst bereid, 
die de eigenschap bezit meelspijzen sterk te doen rijzen en buiten- 
dien een schoone , roode kleur te geven. Deze handeling moet maken , 
dat het nageslacht van den doode niet alleen altijd overvloed van 
levensmiddelen hebbe, maar ook zich vermenigvuldige als graan, 
op den akker uitgezaaid; buitendien zal de uitzaaiing van gist zijn 
rijkdommen gelijk fermenteerende meelspijzen in volume doen toe- 
nemen. De hoofdman der dragers zegt dan ook : /rik strooi hennep- 
zaad uit, om uw kinderen en kleinkinderen talrijk te doen worden 
als hennepkorrels; ik strooi erwten uit, opdat uw nakroost een 
groot aantal afstammelingen zal hebbent, enz. Onveranderlijk blijtt 
het antwoord der &milie bij elke phrase : irGoed , goed ! // 

Na het uitzaaien van al dat geluk , dien zegen ei^ overvloed , 
legt de man een hoeveelheid afval van plantenmerg, waarvan kunst- 
bloemen en allerlei snuisterijen vervaardigd worden en dat in Europa 



44 DE LUKBËZOEGINO DER EMOT-OHINEEZBN. 

den oneigenlijken naam van rijstpapier draagt, iu de kist. Hij 
spreekter deze woorden bij uit: Ia tshó-tshoèi, ho H-ê ki^x^g- 
soen toa koèi (66)^ //Ik strooi afval van plantenmerg , opdat uw 
kinderen en kleinkinderen tot grootheid en aanzien zullen geraken^. 
Dan volgen afval van papier in lange, smalle reepen, en eenige 
pakjes ongeblnschte kalk, alles om de stofien, die bij de ont- 
binding van het lijk zullen afgescheiden worden^ eenigszins op 
te slorpen , en eindelijk wordt alles bedekt met een losse plank , die 
op kleinen afstand van den bodem juist in de kist sluit. Ter 
voorstelling van de sterren van den Grooten Beer zijn er zeven 
cirkels op geteekend of zeven ronde gaten in geboord , en daarom heet 
ze tsj hït-tsj hing pdn(67), //zeven sterren-plank^. De armen doen 
het in den regel maar zonder^ tenzij de doode een hoogen ouderdom 
mocht hebben bereikt. Men spreidt er een roode matras over , 
waaruit het vulsel zorgvuldig verwijderd is , want ongesponnen katoen 
of kapok is, zooals op blz.' 22 reeds werd gezegd, voor een lijk 
verboden waar. Over die matras komt een soort van matje te liggen , 
samengesteld uit lange, dunne draden van het merg van waterriet 
in ééne richting naast elkander geplaatst en door roode draden , die 
er bij wijze van inslag paarsgewijze doorheen loopen, bijeen gehou- 
den. Dat merg, hetwelk zeer veel overeenkomst heeft met het hart 
van den vlier, bezit een sterk opslorpend vermogen en bewijst dus 
bij de ontbinding van het lijk gelijksoortige diensten als de kalk. 
Een gewone slaapmat wordt erover uitgespreid, benevens een hoofd 
kussen zooals door de levenden gebruikt wordt. 

En hiermee wordt de kist geacht klaar te zijn voor de ontvangst 
van het lijk. Alvorens het er in te plaatsen, steken de zoons den 
doode een handjevol koperen geldstukjes in een der mouwen , doen 
die er daarna weer uitvallen in een nap of rijstmaat, welke door 
^én hunner iu knielende positie wordt vastgehouden en verdeden 
ze ten slotte onder elkander. Op deze wijze geeft de doode vóór hij 
in de kist gaat zijn bezittingen eigenhandig aan zijn nakomelingen 
weg. Eerst na deze zinnebeeldige handeling, die piing tsjhioé-bé 
tsl» (68) heet, d. i. >j'geld laten vallen uit het ondergedeelte van 
den arm// , achten de erfgenamen zich gerechtigd den boedel als den 
hunnen te beschouwen. 

Geholpen door de naaste bloedverwanten , schuift de voornaamste 
kioh hoe nu een lange reep wit linnen of katoen onder het lijk 
door en knoopt de einden stevig op de borst vast, zoodat bij het 
opbeuren de armen niet langs het lichaam kunnen neerzakken. Dan 



f 

DE LUKBSZORGINO D£R EICOY-CHINESZEN. 45 

grijpt hij den knoop met beide handen en licht het lijk van het 
waterbed op ^ bijgestaan door de zoons , die het hoofd en de schouders 
aanvatten , en door de dochters , die de voeten omhoog tillen. Op deze 
wijze wordt de doode met vereende krachten in de kist gebracht, de 
reep losgek noopt en weggetrokken en den kioh hoe een extra-fooi 
overhandigd. Deze spant daarop uit het midden van het voeten- 
naar het midden van het hoofdeneind der kist een touwtje , met het 
doel zich te vergewissen dat het lijk wel precies in de lengteas ligt , 
en legt er eenige kleinigheden in, waarop de doode bij zijn leven 
bijzonder gesteld was , of die hem in de andere wereld van dagelijksch 
nut kunnen wezen. Mannen krijgen bijvoorbeeld een zakdoek en 
een waaier in de eene hand en, als zij gewoon waren te rooken, 
een tabakszak en pijp in de andere; geleerden worden met pen- 
seelen , inkt , papier en dergelijke dingen , vrouwen met een neus- 
doek uitgerust. Sterft een jong kind, dan zal de bedroefde moeder 
nooit vergeten het een of ander stuk speelgoed, waaraan het bijzon- 
der gehecht was^ mee te geven. Een Mandarijn of letterkundig 
gegradueerde eindelijk hangt men niet zelden een afschrift van het 
diploma zijner waardigheid , zorgvuldig in een zakje verborgen , op 
de borst, opdat iedereen in de andere wereld hem zal eeren en 
ontzien. Hier dient ecliter vermeld te worden, dat zulks ook in 
vele gevallen achterwege blijft, daar menig ultra-orthodox gezin 
onder den invloed staat der kruistochten, in de laatste jaren met 
veel ijver door de geletterde klasse op touw gezet tegen de besmet- 
ting en ontheiliging van beschreven papier. 

Tiaten de middelen het toe, dan steekt men den doode een of 
meer parelen of edelsteenen in den mond, of hecht die ergens aan 
zijn hoofddeksel of kleeren vast. Het volksgeloof wil namelijk , dat 
zulke kostbaarheden de ontbinding van het lijk vertragen en deiT 
overledene bovendien in de donkere Onderwereld als zooveel fakkels 
voorlichten. Het gewone volk echter bepaalt er zich meestal toe een 
paar koperen geldstukjes op de tong te plaatsen. 

Nadat de kist behoorlijk is voorzien van alles wat den doode 
nuttig zou kunnen zijn , wordt zij aangevuld met pakjes ongebluschte 
kalk, vertinde papiertjes en de reeds eenige malen ter sprake ge- 
brachte lange reepen papierafval, zoodat het lijk aan alle kanten 
volkomen vast ligt. De naastbestaanden helpen bij dit alles een 
handje en honden een waakzaam oog op de bewegingen van de 
koelies , ten einde te voorkomen , dat deze versierselen van waarde 
wegkapen. Dan wordt een wit laken , waarop een roode lap van 



46 DE LUKBEZOReiNG DER EKOY-GHINEEZEN. 

kleiner afmetingen vastgenaaid is, over het lijk heengelegd en 
daarop een broek van een volwassen man en een van een knaap of 
kind geplaatst ; van beide kleedingstnkken zijn de pijpen toegebonden 
en met tot staaQes gevouwen goud- en zilverpapiertjes volgestopt. 
Men heeft hier te doen met een vernuftig uitgedacht middel om 
den doode in de andere wereld en de nakomelingschap in deze, 
schatrijk te maken; want khó (69), ^/broek^^, beteekent in de taal 
van Emoj ook //schatkamer// (70), en dit feit alleen reeds is voldoende 
om de groote en de kleine broek , met papieren geld gevuld , zoowel 
in de zichtbare als de onzichtbare wereld groote en kleine schat- 
kamers, met goud- en zilverstaven opgevuld^ te doen voortbrengen. 

De twee voeteneindslaven , waarvan op blz. 11 gesproken is, worden 
nu ook nog in de kist geplaatst , met het reeds bekende doel. Men 
vergeet ook niet het lijk een glazen of metalen spiegeltje, of in 
stede daarvan een stukje blik op de borst te leggen, daar men denkt, 
dat zulk een voorwerp het lichaam en de ziel in het graf licht zal 
verschaffen; vandaar den naam van tsiö sin kiiiAg(71), /rspiegel 
om licht op het lichaam te werpen 4^. Over alles heen spreidt men 
ten slotte een goedkoop linnen laken, ongeveer half zoo lang als 
de kist, waarop met zwarten inkt in ruwe trekken een mensch ten 
voete uit is afgebeeld, en wel een man of een vrouw, al naar het 
geslacht van den doode. Zulke lakens worden kant en klaar in de 
winkels verkocht en zijn bekend onder den naam van dzia din 
hoan (72), «^vlaggen ter bedekking van het lijk/i^. Dat zij een 
andere vöVm zijn voor het afbeeldsel des doodeu, hetwelk de oude 
Egjptenaren op het deksel van de sarcophagen uitbeitelden, komt 
ons waarschijnlijk voor. 

Het behoeft ter nauwemood gezegd te worden dat men aan 
het kisten van een minderjarige of van iemand, die in den bloei 
zijns levens sterft, niet zooveel zorg besteedt als aan het lijk van 
een bejaard persoon. 

In sommige deelen van zuidelijk Foehkiën omwikkelen de 
bewoners hun dooden vaak op een wijze, die bijzondere vermelding 
waard is. Zoodra de kist voor het ontvangen van het lijk in gereed- 
heid is gebracht, plaatsen zij er het deksel onderstboven op en 
leggen er in de lengte en in de breedte een rij lange, witte 
zwachtels van linnen of katoen overheen; vervolgens brengt men 
het gekleede lijk van het waterbed op de zwachtels over, bedekt 
het met het bovenvermelde witte en roode laken en knoopt de 
reepen stijf over het ontzielde lichaam heen , zoodat zij zich voordoen 



BE LUKBEZOBGINO DER EMOY-CHINEEZEN. 47 

als een wit netwerk op rooden grond. Is men hiermede gereed, dan 
plaatst men het deksel met het lijk naast de kist en doet den doode 
naar zijn laatste rustplaats verhuizen. 

Wanneer het deksel op de kist zal worden gelegd, treden de 
omstanders^ voor zoover zij niet tot de naaste bloedverwanten be- 
hooren, eenige schreden achteruit, ja verdwijnen zelfs in de neven- 
vertrekken, daar het in China zeer gevaarlijk voor de gezondheid 
wordt geacht zijn schaduw tegelijk met een lijk in de kist te doen 
sluiten. Vrouwen , die in gezegende omstandigheden verkeeren , gaan 
veiligheidshalve nog op een stoel staan; anders zou het spook of 
kóei (73) van den doode, dat volgens de wijsbegeerte des lands 
tot de Tin behoort en na het overlijden wederkeert naar de aarde , 
waaruit het eenmaal zijn oorsprong nam, van daaruit in haar lijf 
kunnen sluipen en er de levenskiem, door het tegenovergestelde 
element Yang neergelegd, vernietigen. 

Een laatste poging wordt nu nog aangewend om den afgestorvene 
tot het leven terug te roepen. liet op blz. 32 besproken zieltablet 
den doode op de borst gelegd zijnde, knielt de oudste zoon naast de 
kist neder, roept: // Vader (moeder), verrijs!^ en zet het bordje 
wederom eerbiedig op de tafel naast de kist. Tntusschen houden een 
of meer der oudere familieleden, inzonderheid als de oogen, vroeger 
zoo zorgvuldig toegedrukt, weer opengegaan zijn, een vleiende 
troostrede tot den doode, hem verzekerende dat hij met een gerust 
hart deze wereld verlaten kan, dewijl zijn nakroost ongetwijfeld 
gelukkig zal wezen en door talrijke offers trouw zorg zal dragen 
voor het welzijn zijner ziel in het land der schaduwen. Ook ver- 
zuimen zij niet hem tegelijkertijd te smeeken zijn familie niet te 
vergeten, maar haar voortdurend met zegeningen te overladen. 

Nadat men een flinke hoeveelheid kalk , vermengd met een plant- 
aardige olie die spoedig zeer hard wordt, rondom op den rand van 
de kist en in de daarop sluitende groeve van het deksel gesmeerd 
heeft , wordt laatstgenoemd voorwerp door de voetarbeiders in positie 
gelegd en vastgenageld. Eén spijker in het midden ,van elke lange 
zijde wordt voldoende geacht; voor het overige hecht men beide 
deelen stevig aan elkander door middel van houten klampen, die 
ongeveer dezen vorm ^ hebben en met kracht worden ingedreven 
in kepen van dezelfde gedaante, weiketen getale van vier, nl. twee 
aan iedere lange zijde , buitenop de reet tusschen kist en deksel zijn 
uitgebeiteld. Bij het indrijven van eiken spijker verzekert de voet- 
arbeider de geboorte van veel mannelijke nakomelingen in de 



48 BE LIJKBSZOBOING DER EMOY-OHINEEZÜN. 

familie door te zeggen : Tiiig ting, hö 11-é kid^g-soeii tsjhoet 
ting(74), fflk sla een spijker in, om te maken dat uw kinderen 
en kleinkinderen mannelijke nakomelingen zullen voortbrengen// 
(verg. blz. 43). De aanwezigen antwoorden ook hier met het stereo- 
tiepe: >5rGoedI// 

Een doodkist te doen toespijkeren door een mandarijn of letter- 
kundig gegradueerde staat zeer voornaam en kan groot nut hebben 
voor het nageslacht. Aanzienlijke families^ die niet op buitengewone 
uitgaven behoeven te zien, noodigen derhalve gaarne zoo iemand 
met dat doel ten hunnent. Geëscorteerd door zoodanigen stoet van 
volgelingen als waarop hij krachtens zijn rang aanspraak kan maken , 
verschijnt de groote man ; de muzikanten halen hem met hun 
oorverdoovende instrumenten en de mannelijke leden der familie met 
de noodige plichtplegingen in. De hoofdman der voetarbeiders reikt 
hem vervolgens een handbijl over, waarvan de rug als hamer dienst 
moet doen. Het hecht van dit voorwerp is voor deze buitengewone 
gelegenheid met rood laken omwikkeld , opdat geen kwade invloeden 
van de kist door de bijl heen zullen doordringen tot de hand, die 
ze omkneld houdt; buitendien is er een dun, rood-zijden koord 
aan gebonden, aan welks einden een rist geldstukjes hangt. Doch 
het is geen werk voor nette en teedere handen, noch strookt het 
met de waardigheid van een groot man een vulgair voorwerp als 
een hamerbijl met kracht te omklemmen : — hij legt er slechts 
even de langgenagelde vingers op, terwijl de hoofdman twee lichte 
tikjes op elk der spijkers geeffc. Dan trekt hij zijn hand terug en 
laat het verdere inslaan aan den ander over. 

Hiermede is de belangrijke bemoeiing van den grootwaardigheid- 
bekleeder afgeloopen. De familie kan zich nu verheugen in het vooruit- 
zicht dat hare nakomelingschap, door de spijkers vertegenwoordigd , ook 
hooge officieele ambten en titels zal veroveren: zóó krachtig is de 
invloed, dien een mandarijn of gegradueerde bij het dichtspijkeren 
van een doodkist uitstraalt. Men begrijpt nu ook dat de geldstukjes , 
die van de bijl neerhangen, dienen moeten om de nakomelingen 
tevens rijkdommen te doen verwerven. De hoofdman slaat nog eens 
met zijn bijl flink langs alle kanten van de kist om het deksel 
aan te drijven, en treedt dan eenige oogenblikken op den ach- 
tergrond. 

Intusschen hebben alle mannelijke nakomelingen zich voor den 
grooten man ter aarde geworpen en hem stilzwijgend dankbare hulde voor 
zijn onschatbaren dienst gebracht door verschillende malen het hoofd 



ÜE iiUKBEZÜUGINa DER EtfOY-CHINEEZEN. 49 

tot op den vloer te buigen. Trouw aan de heerschende regelen der 
etiquette , protesteert hij tegen dat eerbewijs door den knielenden 
dringend toe te voegen op te staan. Een der naaste verwanten 
spreidt nu den rooden lap, die om de bijl gewikkeld was, over 
zijn palankijn, om hem ook op weg huiswaarts tegen de invloeden 
van het sterfgeval te vrijwaren, en allen doen hem uitgeleide naar 
zijn draagstoel, waarmede hij verdwijnt zooals hij gekomen is. 

Natuurlijk dient de waardigheidbekleeder voor zijn moeite een ver- 
goeding te hebben ; in China toch doet niemand iets voor niets. Men 
stuurt hem derhalve later een lap roode zijde met een paar ver- 
gulde bloemen thuis, of gaat hem die zaken zelf aanbieden, onder 
toevoeging van andere geschenken van meer of minder waarde. 
Nog zij aangeteekend , dat families, die niet voornaam genoeg zijn 
om voor het toespijkeren der kist de tusschenkomst van een mandarijn 
of gegradueerde in te roepen, zich in den regel vergenoegen met 
een bejaard persoon; de nakomelingen zullen dan ten minste een 
hoogen leeftijd bereiken, en ook dat is een zegen, dien geen 
Chinees versmaadt. 

Nadat de kist behoorlijk is dichtgenageld , is het eerste werk van 
de voetmanneu het waterbed af te breken. De planken , mitsgaders 
de mat waarop de doode lag, en de reepen doek waarmee het 
lijk opgelicht en naar de kist gedragen werd, alles eigenen zij 
zich toe als een emolument, dat niemand hun betwist. Mochten 
geen voetmanneu bij het kisten dienst gedaan liebben, dan werpen 
de huisgenooten al de genoemde dingen op de straat , waar zij dadelijk 
aan bedelaars te prooi vallen; vooraf echter breken zij één der 
drie planken, waaruit het waterbed bestond, in tweeën. In enkele 
behoeftige gezinnen evenwel bewaart men alles voor huishoudelijk ge- 
bruik. Ook de lamp of kaars , die op het waterbed brandde , wordt met 
zand en al op straat geworpen, misschien wel om te voorkomen, 
dat booze menschen zich de olie met de op blz. 11 vermelde afkeu- 
renswaardige bedoelingen toeëigenen. En wat den papieren draagstoel 
aangaat, welke (zie blz. 16} buiten de huisdeur stond: deze wordt 
middelerwijl , onder toevoeging van een groote hoeveelheid papieren 
geld, in brand gestoken, en dus als voertuig voor de schim des ge- 
storvenen oaar de Onderwereld gezonden. 

Nu zet men de kist op de plaats waar het waterbed stond , en 
wel zoo, dat het lijk in dezelfde richting komt waarin het zich 
bevond toen het nog op dat bed lag uitgestrekt. Steeds doet men 
ze op twee schragen rusten, die bij den kistenmaker geleend of, 

6e Volgr. Vu. 4 



50 DE LÜKBEZOBOINa DEE BMOY-CHIKESZEI^. 

ZOO men denkt dat de begrafenis lang uitgesteld zal worden, ge- 
kocht zijn. Terwijl men dus bezig is het gevaarte te versjouwen, 
heflen al de familieleden een luid gejammer en gehuil aan , dat aan- 
houdt totdat het witte laken , hetwelk voor het waterbed hing (zie 
blz. 3) doch bij het kisten gemakshalve was weggenomen, weer op 
zijn plaats gehangen is. Het onttrekken van de kist aan het oog 
gaat voor een belangrijk onderdeel van de lijkplechtigheden door, 
als zijnde een gebruik waarvan de oudste boeken reeds melding 
maken. 

Ue tafel met den zielelap wordt nu vlak voor het gordijn gezet. 
Den wierookbrander , door een paar kandelaars met brandende 
kaarsen geflankeerd, plaatst men vóór dat zielbordje en verder 
maskeert men de voorzijde der tafel door een witten doek, die van 
den bovenrand tot op den grond reikt. Is alles gereed, dan nemen 
de huisgenooten hun plaatsen voor deze offertafel in, de mannen 
links , de vrouwen rechts , en maken , luid weeklagende , diepe 
buigingen voor de ziel. Nadat een groote kom gekookte rijst op de 
kist geplaatst is , steekt men wierookstaafjes , alsmede tweemaal zoo- 
veel brandende kaarsen als het getal zoons van den overledene be- 
draagt, met een groote hoeveelheid eetstokjes in deze spijs. Die rijst 
en die wierook moeten dienen om het gehemelte en den neus der 
ziel te streelen; de kaarsen zijn een probaat middel om den doode 
er toe te brengen het ledental der familie gestadig te doen ver- 
dubbelen , zoodanig dat bij iederen maaltijd een groot aantal eetstokjes 
noodig zullen zijn. Het is namelijk een aangenomen stelling, dat 
het dankbare voorgeslacht aan de nakomelingschap ten volle terug- 
geeft hetgeen het van haar ontvangen heefi;. Met eenige buigingen , 
waarbij het hoofd den grond raakt, nemen de treurenden ten slotte 
a&cheid van den doode en verlaten gezamenlijk de zaal. 



Alvorens dit hoofdstuk te besluiten, dienen wij nog iets naders 
mede te deelen omtrent het gebruik om den doode voorwerpen in 
de kist mede te geven, die hem in de andere wereld van dienst 
zullen zijn. Dat het zich in de meest uiteenloopende vormen vertoont , 
bewijst onder anderen de mededeeling van Dr. Gray, die er zelf 
getuige van was, dat zijn vriend Lo Poen-qua in de kist gelegd werd 
met een exemplaar van het Engelsch-Chineesch woordenboek van Wells 
Williams. De oude man tooh had, volgens de verklaring zijner 



Dis LUKBEZORGINO DEB ElCOY-OHIIfEEZEN. 51 

zoons, steeds veel met dat werk opgehad en er sedert eenige jaren 
dagelijks troaw in gestudeerd. (*) 

Het is waarlijk niet te verwonderen dat in een arm, berooid 
land als China, de kostbare voorwerpen en zijden kleeren^ die men 
den dooden medegeeft, menigeen tot grafroof aanzetten. Meer dan 
één welopgevoed Chinees veroordeelt dan ook het rijke oitrusten 
der overledenen als een dwaasheid, die aanleiding geeft tot ver- 
storing van hunne rust en dus volstrekt onvereenigbaar is met den 
eerbied , hun verschuldigd. In verschillende werken wordt in krachtige 
termen tegen haar te velde getrokken en de mandarijnen doen na 
eiken opzienbarenden grafroof hetzelfde door middel van proclamaties , 
doch veel helpt dat alles niet. Het volk zelf hekelt de zaak in het 
volgende rijmpje, dat iedereen weet op te dreunen: 

Hok-klën sa"^ hang tsjhi 

Böë tshoè kè 11-dzi 

Tioé-toan kah sl-si 

Tsi püng Ui tsjhi ti (75). 
fDe bewoners van Foehkiën begaan drie soorten van dwaasheden : 
Zij verkoopen hun huis om een dochter uit te huwen, 
Kleeden hunne dooden in zijde en satijn 
En werpen de rijst, die zij koken, voor de varkens/i^ (f) 
Het sterkst wordt het algemeen afgekeurd gebruik gehandhaafd 
ten aanzien van de dames. Verzot als deze in den regel op kost- 
baarheden zijn, leggen velen onder haar reeds bij het leven een 
verzameling aan van haamaalden , oor- en vingerringen , armbanden , 
zilveren amuletten enz., met de uitdrukkelijke bepaling, dat die met 
haar in de kist gelegd moeten worden. Haar eigen bloedverwanten 
dringen dan in den regel bij haar man en kinderen krachtig aan op 
de vervulling van dien wensch, en niet Ssonder reden; immers, zij 
kunnen toch niets van de overledene erven , daar zij tot een anderen 
stam behooren, want lieden van denzelfden stam gaan in China 
geen- huwelijk aan. Als men dus de doode niet rijk genoeg naar 
hun zin uitrust, maken zij hevige standjes^ met bedreiging man en 
kinderen aan te klagen als zouden zij de vrouw ter wille van 
hare kostbaarheden om hals gebracht hebben; ja, zij loopen zelfs 
wel met het deksel der lijkkist de deur uit, om het niet terug 

(*) China, hst. XU. 

("f) D. w. z. aj koken bun rijst in Teel water en scheppen er de korrels met een 
■eeflepel mt, om yerrolgens het restant, dat natawlijk een aeer groot gedeelte der 
voedende bestanddeelen bevat, a]s yoedsel aan de huiszwijnen te geven. 



52 DE LTJKBEZORGINO DER EMOY-CHINEEZEN. 

te geven vóór men hun zin heeft gedaan. Stil toegeven is gewoonlijk 
het eenige wat men doen kan, tenzij men invloedrijke familieleden 
bezit, voor wie de andere partij bang is. 

Het kan, dunkt ons, nauwelijks aan twijfel onderhevig zijn dat 
de gewoonte, die ons bezighoudt, tengevolge van de algemeene 
afkeuring van het betere deel der natie reeds sterk is afgesleten. 
Voortschrijdende beschaving kan trouwens niet anders dan afbrekend 
tegenover zulke dingen staan, en de gevolgtrekking schijnt dus ge- 
wettigd, dat de dooden in vroegere tijden veel rijker werden uit- 
gerust dan tegenwoordig. Dat afslijtingsproces spreekt vooral uit 
' het op blz. 20 en 30 aangevoerde feit; dat doodskleeren van kost- 
bare stof vaak op uiterst slordige wijze ineengen aaid worden en ook 
de stof zelf dikwerf bitter weinig waarde heeft. In de noordelijke 
helft der provincie Toehkiën is dit tot op nog grooter hoogte het 
geval, getuige wat Doolittle, in zijn //Social Life of the Chinese^/ 
(chapter VII) omtrent de stad Fuhchow mededeelt : ^There are shops 
/'where ready-made grave-clothes can be had. These are patronised 
//principally by the poor, who cannot aflbrd to buy good material and 
//have it made up by tailors. What is strange and singular about these ^ 
//establishments is, that the caps and boots offered for sale, to be 
//worn by the dead , are usually made of paper , or the very poorest 
/^silk or satin, and simply pasted together. At a short distanceand 
/funless closely examined, they look quite well. The boots have 
/■/soles nearly an inch thick, which are made very white by a kind 
ffot wash. The coats, pantaloons, skirts, etc. are also sometimes 
//pasted together, or, at the best, are but slightly basted together" 
Veelvuldig voorkomende gevallen van grafroof werken sterk mede 
tot het verval van de gewoonte om de dooden rijk uit te rusten Zij 
worden in de Ta-Tshing loeh-li (76), het groote Strafwetboek 
des rijks, met lang niet malsche straffen bedreigd. Een paar arti- 
kelen, in het 25Bte hoofdstuk te vinden, geven wij hier weder. 

Art. I. iv Degene die een graf, dat een ander toebehoort, heeft 
//opengemaakt , zoodanig dat de doodkist of het grafgewelf zichtbaar 
//is geworden , zal honderd slagen met den langen stok hebben en 
//verbannen worden naar een op 3000 mijlen afstands gelegen streek. 
//En zoo hij de kist heeft geopend^ zoodanig dat het lijk zichtbaar 
//geworden is , zal hij worden gewurgd en tot zijn executie in de ge- 
/'vangenis blijven. Als hij het graf heeft opengemaakt zonder tot 
>/de kist door te dringen , dan zal hij honderd slagen met den 



DE LUKBEZORGINO DEB EMOY-CHmEEZEN. 53 

>5'langen stok krijgen en met driejarige verbanning worden gestraft. 
/i^Bijaldien nit een graf van vroeger jaren, dat opengeraakt of 
A ingestort is, de kist met het lijk gestolen wordt, of uit een nog 
/^ongesloten kist het lijk wordt ontvreemd , of een nog onbegraven dood- 
'/kist met een lijk erin wordt weggevoerd, dan zal de bedrijver negentig 
A slagen met den langen stok ontvangen en voor twee en een half 
^jaar verbannen worden. Heeft echter bij een dier misdrijven 
Afopenbreking van de doodkist plaats gehad, zoodat het lijk zicht- 
^baar is geworden, dan zal eveneens worging worden toegepast//. 

Art. n. x^Als men in vereeniging met andere personen een graf 
'j'heeft geopend en het deksel van de kist heeft opgelicht om naar zaken 
//van waarde te zoeken en zich die toe te eigenen of ze te beleenen, 
^en men werkelijk zaken van waarde heeft buit gemaakt, dan zal 
//hij, die op het denkbeeld gekomen is de daad te bedrijven, 
//mitsgaders de medeplichtigen en ondergeschikten, die zich aan het 
//opgraven en vervoeren van de kist hebben schuldig gemaakt, 
/^zonder onderscheid van hoofd- of medeschuldige onthoofd worden 
^met onmiddellijke executie, op denzelfden voet als degenen , die door 
^gewelddadigen roof zaken van waarde bemachtigd hebben. En zij, 
//die hen op de hielen volgden naar het open veld en daar van 
^de daad getuigen waren , zullen naar de nieuwste rijksgrenzen 
//worden gevoerd, om er aan magistraten en soldaten in slavernij te 
//worden afgestaan. Werden geene zaken van waarde buit gemaakt, 
^dan zal de hoofdschuldige bij parate executie onthoofd worden, 
dfOf denzelfden voet als is voorgeschreven in de wet op roof waarbij 
>/dingen van waarde bemachtigd zijn , terwijl de medeplichtigen 
mallen naar de nieuwste rijksgrenzen zullen worden gevoerd om daar 
^in slavernij te worden gegeven aan magistraten en soldaten. En als 
//na het ontgraven het lijk of gebeente werd weggesmeten op den 
//weg, dan zal men, evenals bepaald wordt in de wet op geweld- 
^dadigen roof waarbij zaken van waarde zijn buit gemaakt , onthoofd 
//worden met parate executie, zonder dat onderscheid wordt gemaakt 
A^tusschen hoofd- en medeschuldige//. 

Thans blijft ons ten slotte nog over een paar bijgeloovige prak- 
tijken mee te deelen, die bij het kisten een rol spelen. 

De almanakken der Ghineezen, onder alle standen der bevolking 
als handboek verspreid en tot uiterst lagen prijs in iederen boekwinkel 
of aan elk boekstalletje verkrijgbaar , zijn vol met bijgeloovige vinger- 



54 D£ LUKB£ZOBQINO DER £HOY-0HIN££ZEir. 

wijzingen omtrent dagen en aren , die al of niet geschikt zijn tot 
het verrichten van bepaalde bezigheden. Die, welke in Emoy en 
omliggende districten het meest in omloop is , maakt geen uitzondering 
op dezen regel en bevat o. a. enkele zoogenaamde ting-sung 
dzjlt (77), of ü^dagen van dubbele sterfgevallen^, welke totaal 
ongeschikt zijn om dooden te kisten^ tenzij men er niet tegen heeft 
dat het sterfgeval een tweede na zich sleept. Ouder het opschrift: 
^Wat bij het kisten behoort vermeden te worden v zegt het boek: 

//Wanneer bij gelegenheid van een sterfgeval geen gelukkige 
^dag voor het kisten kan worden uitgekozen, dan moet men de 
4^ verdubbeling van het sterfgeval onderdrukken. Men neme daartoe 
//een kleine enveloppe, stoppe er een stukje geel schrijfpapier in, 
//waarop met rooden i|ikt vier letterteekens , voor de loopende maand 
^aangegeven, geschreven staan, en legge haar vóór de begrafenis 
//onder de kist. Den dag, waarop de teraardebestelling zal plaats 
^P^iV^^f ^^SS^ ™^^ daarentegen de enveloppe op het deksel en doe 
//ze met de kist ten grave dalen; op deze wijze wordt het dubbele 
^sterfgeval onder den duim gehouden en zal geluk uw deel zijn. 
//Wat nu de methode om het kwaad af te keeren aangaat: schrijf 
^in de eerste, derde, zesde, negende en twaalfde maand de vier 
//letterteekens loeh, keng, thiën, hing (78) op en sluit ze in 
^de enveloppe; schrijf in de tweede maand loeh, sin, thiën, 
^ting (79), in de vierde loeh, zjen, thiën, lao (80), in de 
//vijfde loeh, kwei, thiën, yoh (81), in de zevende loeh, 
^kah, thiën, foeh (82), in de achtste loeh, yih, thiën 
Heh (83), in de tiende loeh, ping, thiën, wei (84), in de 
welfde loeh, ping, thai, ming (85); deze teekens weren de 
4^ramp totaal af//. 

Ziedaar de wijze leer, door den almanak gepredikt; doch het volk 
springii in den regel op eenigszins andere manier met dettngsung 
dagen om. Yalt het kisten op zulk een onheilbrengenden dag, dan 
vangt men een grooten kakkerlak , een weegluis of een ander soort- 
geliik huisdier, waarmede bijna alle Chiueesche woningen volop 
gezegend zijn, en doet het in een doosje op het oogenblik dat de 
kist gesloten wordt ; men plaatst dit vervolgens onder de kist , en 
later met deze in het graf. Het insekt speelt dan de rol van thóë- 
sin (86) of //lijfvervanger// van het individu, dat de gestorvene 
anders met zich in het graf zou sleepen. Anderen stellen het sluiten 
van de kist eenvoudig uit tot zonsondergang, dewijl alsdan de 
ongelukkige dag zijn kracht verloren heeft ; sommigen eindelijk zijn 



DS LUKBEZOAGINO DEB EMOT-OHINEEZEN. 55 

ZOO practisch met voordacht in het geheel niet in den almanak te 
kijken, gedachtig aan de waarheid: wat niet weet, wat niet deert. 
Toch zijn er velen, die zich liefst niet wagen aan deze gevaarlijke 
struisvogel-politiek. 

Vermelding verdient ook nog , dat menige ÜEtmilie in de stad Emoy 
den vloed afwacht alvorens tot het kisten over te gaan. Hetzelfde 
gebruik heerscht in Ningpo, hetwelk eveneens een zeehaven is(^) 
Vaak ook komt het voor dat , wanneer men den doode bij eb in de 
kist sluit, een paar emmers zeewater, bij den vorigen vloed geschept, 
in de zaal staan : — de goede invloeden van het hooge water komen 
dan toch den doode te goede. 



(*) BMords of the (General Conferenoe of the Protestant MiadoiiarieB of China, 
held at Shanghai in 1877, bis. 404. 



HOOFDSTUK V. 



VAN HST KISTEN TOT DE BEGAAFENIS. 

De anne gezinnen te Emoj begraven hanne dooden gemeenlijk 
reeds op den dag van het overlijden, of hoogstens den daarop- 
volgenden dag, vooral in den zomer, dewijl de zwakke, dnnne 
kisten, waarmede zij zich uit hoofde van hun beperkte middelen 
moeten tevreden stellen, in het warme jaargetijde een snelle ont- 
binding van het lijk onmogelijk kunnen tegenhouden. De meer 
gegoeden stellen echter de teraardebestelling een etmaal langer uit 
en wijden den dag na den dood aan het kleeden van het lijk , 
terwijl de werkelijk gezeten burgerij en de hoogere standen , die de 
middelen bezitten zich zeer sterke , luchtdichte kisten aan te schaffen , 
hun dooden zel& verscheidene dagen in huis houden. 

Terwijl het lijk boven aarde staat, geven eenige der naaste be- 
trekkingen of vrienden der familie zich de noodige moeite, in het 
gebergte naar een behoorlijke begraafplaats te zoeken. Zij laten zich 
daarbij leiden door een lid een er klasse van lieden, die er een beroep 
van maken gronden te ontdekken welke 266 volkomen onder de 
zegenrijke invloeden des heelals gelegen zijn , dat een doode , aldaar 
aan den schoot der aarde toevertrouwd^ alle soorten van zegeningen 
zal aÊsenden over zijne nakomelingschap. Deze vroede mannen heeten 
hong-soéi siën-si^g (87), /t^wind- en wat^r meesters//, d. w. z. 
geleerden die verstand hebben van den invloed van wind en regen, 
de voornaamste elementen , welke het klimaat bepalen. Kan de &milie 
zich de dure weelde veroorloven naar het bezit van graven der meest 
uitgezochte soort te streven, dan duurt het soms zeer lang vbbr 
een plek is ontdekt die allen zoons zonder onderscheid een talrijk 
nakroost, hoogen ouderdom, een voorname positie en rijkdom zal 
verschaffen, een rustplaats in één woord, welke volkomep beant- 
woordt aan al de eischen , die men aan een graf van den eersten 
rang kan stellen. 

Grewoonlijk worden de zeven eerste dagen na het overlijden on- 
voorwaardelijk geschikt geacht voor de teraardebestelling. Zijn zij 



BE LUKBEZOEOINO DEK EMOY-OHINEEZEN. 57 

echter verloopen^ dan wordt het noodig een dzjlt soe (88) of 
ü^dagen-professor^ in den arm te nemen , een man die , tegen behoor- 
lijke betaling , in den almanak tijdstippen ontdekt , welke zich bijzonder 
goed leenen tot het verrichten van bepaalde gewichtige bezigheden 
des levens. Na lang zoeken wijst hij een nar aan^ waarop het lijk 
uit de woning gedragen , en een ander waarop het in het graf neer- 
gelaten kan worden zonder één der familieleden, bij die plechtig- 
heid tegenwoordige in zijn levensgeluk te schaden. Vaak doet men 
^s mans uitspraken nog eens door een anderen dagen-professor contro- 
leeren, die dan meestal geheel andere uitkomsten krijgt; dit maakt 
weer controle door een derden noodzakelijk, hetgeen natuurlijk tot 
veel verlies van tijd en geld aanleiding geefi;. 

Zooals gezegd is , duurt het soms zeer lang eer een graf gevonden 
is zóó gunstig onder de invloeden der natuur gelegen, dat het 
de ÜEtmilie in alle opzichten tevreden stelt. Er heefi; dan in dien 
tusschentijd plaats wat men noemt khüng koan of thing 
koan(89)e /fde kist opbergen, of zoolang aanhouden^. De zoom tus- 
schen kist en deksel, alsmede alle spleetjes en scheurtjes, worden dan 
zorgvuldig gekalefaterd en met stopverf dichtgesmeerd; vervolgens 
overplakt men die naden , ook zelfs wel de gansche kist , met linnen 
en l^t over alles heen een laag vernis ^ na korter of langer tijd 
door een tweede en een derde gevolgd , indien de familie zulks 
noodig acht. Ter afwering van vocht ^ stof en vuil wordt de kist ten 
overvloede met eenige vellen geolied papier bedekt en een laken van 
ongebleekt linnen of katoen er overheen gehangen, vooral indien 
men vreest, dat stralen van zon- of maanlicht er op doordringen 
en den doode in een kiang si (90) of //onverteerd lijk/y veranderen 
zullen. Onder deze benaming verstaat men een moordziek, vreeselijk 
bloeddorstig spook, dat er steeds op uit is argelooze voorbijgangers 
aan te grijpen en ze om hals te brengen door hun het bloed ui1> 
het lichaam te zuigen. Het is vooral zoo gevaarlijk, omdat het zijn 
vleeschelijk lichaam nog ter beschikking heeft en dientengevolge 
meer kracht kan ontwikkelen dan andere spoken. 

Klaarblijkelijk zijn de kiang si^s de evenknieën der levende 
lijken, die in de vorige eeuw gansch Europa in opschudding 
brachten en met den naam vampieren bestempeld werden, omdat 
men geloofde dat zij geregeld uit de graven te voorschijn kwamen 
om op het bloed der levenden te azen. In Chiaa breken zij ge- 
woonlijk slechts 's nachts uit hun kist , omdat de kracht van spoken 
er in het algemeen door het daglicht verlamd wordt. Volgens de 



58 DE LUKBEZOBGING D£B EMOY-CHINEEZEN. 

heerschende overtaiging hebben zij lange nagels en bedekken zware 
witte haren hun geheele lichaam; troawens, evenals bij ons, 
gelooft in China het volk, dat nagels en haren nog voortgroeien 
na den dood. Licht- en warmtestralen verhaasten het ontstaan van 
een kia^g si; want, zooals reeds op blz. 10 is aangegeven, ver- 
eenzelvigt de Chineesche wijsbegeerte licht en warmte met leven 
en levenskracht, en zijn dus zonnestralen en maanlicht' tot op 
zekere hoogte in staat a%estor venen op te wekken uit den dood. 
Algemeen wordt beweerd, dat het meest afdoend middel om een 
kiang si onschadelijk te maken hierin bestaat^ dat men het lijk 
met kist en al verbrandt, of wel het in een groote ijzeren braadpan 
doet wegschroeien ; doch nimmer zagen wij het middel in praktijk 
brengen. 

Is de Jhmilie zeker dat de begrafenis langer dan enkele dagen 
uitgesteld zal worden^ dan is haar eerste werk een volkspriester, 
sai kong(91), te ontbieden om de gevaarlijke invloeden, welke 
tengevolge van den dood op het huis en de bewoners kleven, af 
te wasschen. Zoodra deze man verschenen is , worden een paar kopjes 
thee, eenige schotels met geconfijte artikelen, een tweetal brandende 
kaarsen en wat wierookstokjes geplaatst op de tafel vóór het huis- 
altaar, dat zich, zooals den lezer op blz. 3 werd medegedeeld^ in 
een zijkamer bevindt. Men zet daar ook de zaken neer, welke in 
de zuivering de hoofdrol zullen spelen, nl. een potje met water en 
een kom gevuld met een mengsel van zout en ongekookte rijst; 
want het altaar is een plek, die niet met invloeden des doods is 
besmet, zoodat voorwerpen, daarop gezet ^ ook niet van hun reinheid 
kunnen beroofd worden, alvorens men ze gaat gebruiken. 

De priester plaatst zich midden voor het altaar, roept terwijl hij 
met zijn handbel rinkelt, zekere godheden aan, en verzoekt hun 
nederig op het altaar neer te dalen en de zuivering onder hun 
toezicht en bescherming te doen plaats hebben. Daarna spreekt hij 
eenige bezweringformules over het potje met water uit, ten einde 
er alle kwade invloeden uit te verdrijven , en zuivert het verder 
door een geel papieren amulet, met letters of kabalistische teekens 
beschreven , te verbranden en de asch er in te doen vallen. Ook 
over het zout en de rijst uit hij eenige tooverspreuken , terwijl een 
der leden van het gezin zich onledig houdt met het verbranden van 
papieren geld ter verrijking van de zooeven aangeroepen godheden. 
, Dan begint de priester langzaam en statig het vertrek , en vervolgens 

I de zaal en aangrenzende kamers te doorwandelen , zonder het rinkelen 



BE LUKBBZOBGING DER EMOY-OHINEEZEN. 59 

met zijn handbel een oogenblik te staken. Met een takje van den 
granaatappelboom, gedompeld in het vocht, besprenkelt hij vloer, 
muren , kist en rouwdragers , alsook de familieleden , die bij het kleeden 
en kisten de behulpzame hand leenden en met opzet hun vertrek hebben 
uitgesteld om nog van <de zuivering te profiteeren. Een kind des huizes 
volgt hem op den voet , met het waterpotje in de handen. Onophou- 
delijk zegt de priester met luider stemme een bezwering op , want woor- 
den zijn in China geen ijdele klanken^ maar vertegenwoordigen kracht 
en macht. /^Gevreesde invloeden herberge noch de lucht, noch de 
aarde, noch de Yang, noch de Yin; dat niets hoegenaamd ver- 
boden invloeden herbergel^/: Thiën boe khi, tê boé khi, im 
ióng boê khi, pik boê kim khi (92). ^Alle verafschuwde in- 
vloeden der lucht«^ , zoo spreekt hij bij het besprenkelen van de 
kist, ^keert naar de lucht terug! alle verafschuwde invloeden der 
aarde , gaat naar de aarde terug I Geniet een lang bestaan , o elementen 
waaruit menschelijke wezens ontstaan ; maar gij elementen , die kwade 
geesten voortbrengt, wordt vernietigd! Eerste besproeiing^ reinig! 
Tweede besproeiing, zuiver! Derde besproeiing, wasch de nadeelige 
invloeden van het sterfgeval weg, maak zuiver en rein!^: Thiën 
jèm koei thiën, tê jèm koei tê; dzjin hoa tiöng sing, 
koéi hoik bjét hing; it soah tsjhing, dzï soah tsing, 
sam soah sung soah s6ë kh) tsjhing tsïng(93). 

Met het mengsel van rijst en zout springt de priester op dezelfde 
wijze om als met het water ^ evenwel zonder de kist of eenig levend 
wezen te raken, daar dit noodlottige gevolgen voor den getroffene 
zou kunnen hebben. Eindelijk wijdt hij opnieuw eenige oogenblikken 
van aandacht aan de goden, dankt hen, voor het altaar staande, 
dat zij de plechtigheid met hunne hooggeschatte t^enwoordigheid 
en protectie hebben willen vereeren en doet hun op die wijze kond 
dat zij kunnen heengaan, aangezien alles afgeloopen is. Deze slot- 
scène heet st s}n(94), ^den goden hun afscheid geven>/. Dé huis- 
genooten keeren nu den priester zijn loon uit, dat zelden meer dan 
100 koperen muntstukjes bedraagt^ en nadat hij zich van zijn 
ceremoniekleed heeft ontdaan , verlaat hij de woning. 

Daar de tegenwoordigheid van hen, die de familie de behulpzame 
hand boden, thans gevoegelijk gemist kan worden, keeren zij 
huiswaarts, behoorlijk gereinigd door de kracht van des priesters 
water, rijst en zout. De wetten der wellevendheid eischen dat men 
hun, alsook den personen die een condoleantiebezoek afgelegd of 
doodkistpapier gezonden hebben (zie blz. 13 vlg.)^ verschillende artikelen 



60 DE LinLBEZOBOlNG D£B ËMOY-OHINEEZEN. 

thuis stuurt, bestemd om als ofiers opgedragen te worden aan de 
familiedoöden , bij henzelven op het huisaltaar door zielbordjes ver- 
tegenwoordigd. Die gaven bestaan uit wierookstaafjes, kaarsen^ 
papieren geld, een paar schotels eetwaren en eindelijk uit de vijf 
graansoorten^ die, zooals wij op blz. 43 gezien hebben, ook met 
het lijk in de kist worden geborgen: zij dienen om dengenen, wien 
zij toegezonden worden, rijkdom en overvloed van voedsel te doen 
deelachtig worden. Om de verwezenlijking van dit doel in de hand 
te werken, gaan de ontvangers der geschenken er vaak toe over op 
de binnenplaats de korrels in bloempotten uit te zaaien. 

Ligt de begrafenisdag nog in het verschiet, dan zendt de rou- 
wende familie spoedig na het kisten gedrukte berichten van het 
overlijden rond. Deze zoogenaamde hoèimthiëp (95), ^/doodstijding- 
kaarten", bestaan uit lange vellen papier van bruine, witte of gele 
kleur, opgevouwen in den vorm van een boekje; sommige hebben 
ongeveer de lengte van een meter bij een breedte van een drietal 
decimeters. De* inhoud, in de meeste gevallen vrij wel gelijk- 
luidend , komt ongeveer op het volgende neer : 

^De zonden en misdrijven van den van kinderlijke toewijding 
// verstoken N. N. (oudsten zoon) c, s. waren ernstig en zwaar. 
//Doch instede van de bedrijvers te dooden en te vernietigen, heeft 
//het onheil wijlen hunnen vader getroflen (Hier volgen naam en 
/'titels van den overledene). Helaas! zijn levensdraad werd in het 
// voornaamste achtervertrek zijner woning afgesneden op het . . . 

>yuur van den dag der. . . . maand van het. . . . 

^jaar. Geboren op het uur van den. . . . dag der , . . 

//maand van het .... jaar, bereikte hij den leeftijd van . . . 
/'jaren. De van kinderlijke toewijding verstoken N. N. c. s. heb- 
// ben in eigen persoon het toezicht gehouden zoowel op het plaatsen van 
//voorwerpen in des overledenen mond als op de kleeding van zijn 
//lichaam. Zij hebben zich op de borst geslagen, gestampvoet, 
//gehuild en geweend, en in opvolging van de bestaande voorschrif- 
//ten nog dienzelfden dag den vollen rouw aangenomen. Weeklagend 
//geven zij hiervan kennis aan degenen die hun verwant zijn, aan 
/'Vrienden, familieleden, medeburgers en ambtsbroeders. 

ff De van kinderlijke toewijding verstoken mannelijke weezen 
//(volgen de namen) buigen voor u onder het weenen van bloedige 
//tranen gezamenlijk het hoofd ter aarde''. 

Met overeenkomstige bewoordingen draagt de kaart vervolgens 
de namen van de broeders, neven en verdere verwanten des 



DE LUKBEZOKGINO DEK EMOY-CHINEEZEN. 61 

overledenen. Die der vrouwelijke familieleden schitteren er pp door 
totale afvf ezigheid : inderdaad, haar plaats is, volgens de wetten 
der zedeleer, in de binnenvertrekken van het huis, en zij hebben 
zich met de buitenwereld volstrekt niet te bemoeien. Elke kaart 
wordt gestoken in een ongesloten enveloppe, die op een smalle strook 
rood papier, van boven tot beneden over het midden aangebracht, 
den naam van den geadresseerde draagt. 

Welgestelde fiimilies verzuimen zelden een bontgekleurd por- 
tret van den gestorvene tegen dea muur achter de doodkist te 
hangen, om als zetel van diens ziel denzelfden dienst te doen 
als de zielelap. In enkele gevallen werd het reeds gedurende het 
leven van den overledene vervaardigd; meestal echter wordt eerst 
na den dood een schilder geroepen om een schets van het aangezicht 
te maken , waarna hij bij zich aan huis het beeld op zijn gemak kan 
afverven. Dit stelt den doode voor ten voete uit, in stijve houding 
op een stoel gezeten, gekleed in mandarijnskostuum of, zoo hij 
nimmer een graad heeft veroverd of gekocht, in het offergewaad 
dat reeds op blz. 22 beschreven is. Altijd is het portret en face, 
nooit en profiel genomen; de gewone grootte is 7 & 8 decimeter. 
Het is meestal , evenals een landkaart bij ons , van boven en beneden 
aan een houten rol bevestigd. 

Zoolang de kist zich in het huis bevindt, wordt de zaal in 
denzelfden ontredderden toestand gelaten , waarin zij dadelijk na het 
overlijden gebracht werd. Hoogstens nog een paar nachten houden 
vrouw en kinderen het slapen naast den doode (zie blz. 15) vol, 
vooral wanneer hij een mandarijn was, of een of meer zijner 
zoons een belangrijke betrekking in den staatsdienst bekleeden; 
want het opvolgen van de voorschriften der oudheid, die zeer veel 
nadruk leggen op zulk n slapen op stroo met een aardkluit tot hoofd- 
kussen'", geldt als bewijs van voornaamheid , fatsoen en uitmuntende 
orthodoxe opvoeding. 

In den vroegen morgen van den dag^ die op het kisten volgt, 
worden brandende kaarsen ontstoken op de tafel, welke vóór de 
doodkist staat ; ook een schotel koekjes met eenige kopjes thee worden 
er op neergezet, als hart versterking voor de in den zielelap huizende 
schim van den doode. De vrouwen, kinderen, schoondochters en 
overige verwanten knielen , in rouwkleedij gestoken, ter plaatse neder 
en heffen een luid en langdurig doodsgehuil aan , terwijl de oudste 
zoon op de gewone wijze wierookstaafjes aanbiedt. Deze plechtig- 
heid, kib khi(96), ^^den doode oproepen// geheeten , is ongetwijfeld 



6i DE LUKBEZOKGINO DER EHOY-CHINEEZEN. 

een voortzetting van de op blz. 17 vermelde hailplechtigheid ^ die 
ten doel heeft de ziel te bewegen weder in het lichaam te varen 
en dit te doen herleven. 

Heeft het huilen een goede poos geduurd^ dan worden de spijzen^ 
voor het ontbijt der familie bestemd , mede op de tafel geschikt en 
den doode aangeboden door den oadsten zoon, die, na op de ge- 
bruikelijke manier wierook te hebben geofiërd, neerknielt en zijn 
voorhoofd eenige malen ter aarde buigt. De overige treurenden 
volgen hem één voor één, met de oudsten en voomaamsten voorop, 
in het brengen van dat eerbewijs na. Wanneer allen zich hierop 
in de zij vertrekken teruggetrokken hebben en dus aan het huilen 
een eind gekomen is, vergewist men zich door middel van de op 
blz. 40 besproken wichelmuntjes of de doode de behoeften zijner 
maag bevredigd heeft; zoodra het antwoord bevestigend luidt, ver- 
brandt men te zijnen behoeve een hoeveelheid offerpapier en neemt 
de spijzen weg, om die bij wijze van morgenmaaltijd zelf te ver- 
orberen. 

Deze zoogenaamde haó püng(97), //aanbieding van voedsel door 
de leer der kinderlijke toewijding voorgeschreven/', wordt tegen zons- 
ondergang herhaald, en wel met de spijzen, voor het avondmaal des 
gezins bestemd. Dagelijks verricht men die ochtend- en avond- 
plechtigheid tot op den zevenden dag, ook ingeval de doode middelerwijl 
begraven wordt. De meening van de ethische wijsgeeren des rijks 
luidt, dat zij slechts een voortzetting is van de vervulling van den 
kinderplicht , den ouders gedurende hun leven geroeid ontbijt , avond- 
maal en allerlei benoodigdheden voor te zetten, een verplichting 
reeds in een der oudste producten van China omschreven (Li 
k i , hst. 39). Confucius leerde ook : //De dooden te dienen zooals 
men ze bij hun leven diende , ziedaar het non plus ultra van kinder- 
lijke toewijding/'. 



HOOFDSTUK VI. 



OYIB HST OFBIRGEN VAN DOODKISTEN BUITEN DE WONINO. 

Het spreekt vanzelf, dat het niet iedere fitmilie schikt een kist met 
een lijk er in langen tijd in hnis te houden. De Chinees is daarenboven 
verr^aand bijgeloovig vaii natuur, en vast overtuigd dat de doode 
in woede kan ontsteken als men het lijk niet aan den schoot der 
aarde toevertrouwt en de ziel dus de gelegenheid onthoudt tot rust 
te komen. Zij zal zich ongetwijfeld met haar lichaam vereenigen en , 
als kiang si^ de leden der &milie onbarmhartig om hals brengen. 
Na drie jaar, zoo zegt men^ wordt de kans dat zulk een gedaante- 
verwisseling intreedt zelfs volkomen zekerheid. 

Begrijpelijk is het dus, dat men er vaak toe overgaat gekiste 
lijken, waarvoor nc^ geen geschikt graf gevonden is, tijdelijk te 
deponeeren in het veld of het gebergte. Zoo men zelf geen daartoe 
geschikt plekje grond bezit, huurt men er buiten de stad een af 
en bouwt er een hutje van klei of baksteen op tot bewaarplaats voor 
de kist. Dikwijls ook overbouwi men deze eenvoudig met eeu kluisje, 
juist groot genoeg om haar te bevatten. Met al den omslag en de 
praal , aan een formeele begrafenis verbonden , wordt de doode 
derwaarts gedragen , om later , wanneer het graf gevonden en gereed 
gemaakt is, op eenvoudiger wijze in de laatste rustplaats bijgezet 
te worden. 

Het is lang geen zeldzaamheid dat landbouwers, die in veld of 
tuin een ongebruikt hutje hebben staan, dit als bergplaats voor 
doodkisten aan welgestelde &milie8 verhuren en dan tevens op zich 
nemen er geregeld een waakzaam oog op te houden. Zij echter, 
die de kosten betalen kunnen^ deponeeren hun a^storvenen bij 
voorkeur in de Boeddhistische bergtempels, die rondom Emoj in 
grooten getale te vinden zijn. Doch het is vrij moeielijk en kost- 
baar het tempelbestuur te bewegen ruimte tot dat doel af te staan. 
Het weet toch zeer goed dat, zoo er veel kisten werden toegelaten^ 
het aantal geloovigen, die dagelijks de godheden komen ver- 
eeren en raadplegen , spoedig tot een minimum zou slinken en 



64 DE LUKBEZOROING DER EICOY-OHIKEEZBN. 

daardoor een gevoelige slag aan den bloei der stichting zou toege- 
bracht worden. Het bestuur van de meeste tempels weigert dan ook 
ronduit lijken binnen de terreinen toe te laten. 

Vaak gebeurt het , dat bij het neerlaten van een kist in het graf 
plotseling eenige lieden opdagen^ die zich met alle kracht tegen de 
teraardebestelling verzetten op grond dat het terrein hun in eigendom 
toebehoort, of omdat het nieuwe graf afbreuk zal doen aan de geluk- 
aanbrengende ligging hunner in de nabijheid gelegen graven. Dan 
is het een getwist, geraas en getier zonder eind. De doodgravers, 
dragers en andere mannen, die in den stoet dienst deden, 
steken geen hand uit tot hulp der familie, daar de zaak hun 
volstrekt niet aangaat Kalm hun pijpje rookend, blijven zij toe- 
schouwers bij het gekijf en — middelerwijl verloopt het gelukkige 
uur , door den dagenprofessor met zooveel moeite uitgezocht. Nu blijft 
de familie niets anders over dan de kist aan een naburigen tempel 
toe te vertrouwen^ of haar op de plaats van de tweespalt onbegraven 
te laten staan, totdat een ander graf gevonden zal zijn. Men wete 
namelijk, dat de zeden ten strengste verbieden de kist naar huis 
terug te voeren , en wel op grond van het beginsel , reeds op blz, 18 ver- 
meld: //bij lijkplechtigheden mag slechts van vóóruitgang, nimmer 
van achteruitgang sprake wezen//. Qevallen als het hier beschrevene 
zijn aan de orde van den dag, want nergens ter wereld komen 
twistgedingen over landbezit en onroerende goederen menigvuldiger 
voor dan in het zoo treurig bestuurde China , het beloofde land voor 
a&etters en zwendelaars. 

Mocht iemand, uit een ander oord des rijks afkomstig, gestorven 
zijn en het plan bestaan zijn stoffelijk overschot te eeniger tijd 
daarheen te zenden , dan wordt eveneens het gekiste lijk vaak aan 
anderen in bewaring gegeven. Het opzenden van overledenen naar 
de woonplaats hunner familie is in China zeer gebruikelijk; het 
geschiedt zelfs, zooals bekend is, van uit onze koloniën, ja van 
uit Australië en Galifomië. 

Daar er dus zoo velerlei aanleidingen zijn om dooden tijdelijk boven 
aarde te laten staan, is het natuurlijk gevolg dat China als het 
ware met onbegraven kisten bezaaid is. Geen dag ging op ^s schrijvers 
reizen door de zuidelijke en centrale provinciën des Rijks voorbij , 
zonder dat zij hem in grooten getale onder de oogen kwamen. In 
de omstreken van Koeng-tsjhwen , een stadje aan de Min-rivier 
bezuiden Jen-Phing-foe, zagen wij er zóó vele, bij dozijnen en 
twintigtallen in kleine kluizen opgeborgen, dat wij ons afvroegen 



DE LTJrfCBEZORGINO DER EMOY-OHINEEZEN. 65 

óf in dat latidschap wel ooit begraven werd. Even buiten het dorp 
Hing-thiën, aan den grooten weg tasschen Kiën-Tang-hien en 
Tshoeng-Ngan-hien gelegen , vonden wij ze in menigte open en bloot 
op de vlakte, verstrooid; over enkele slechts had men de moeite 
genomen een oude mat heen te leggen. Ëen dergelijk schouw- 
spel trof het o(^ in de onmiddellijke omstreken van Tshoeng- 
Ngan-hien en in het gebergte, dat de noordwestelijke bronnen der 
Min van het watergebied der Yang-tszë scheidt. Vele kisten waren 
daar onder de werking van zon en regen bijna tot stof vergaan, 
zouder dat iemand zich in het minst om het verbleekt gebeente 
scheen te bekommeren. Zelfs binnen de muren van Nanking aan- 
schouwden wi] vele doodkisten op onafzienbare, met puin bedekte 
vlakten, waar eenmaal dichtbevolkte wijken lagen, wijken die, gedeeltelijk 
bij de inname der stad door de Thai-phing rebellen in 1858 en ge- 
deeltelijk bij de herovering door de Keizerlijke troepen in 1864, met 
den grond werden gelijk gemaakt. De omstreken van Kioe Kiang, 
Shanghai, Swatow en Canton eindelijk gaven ons vaak soortgelijke 
tooneelen te aanschouwen. 

In laatstgenoemde stad heeft het uitstellen van begrafenissen 
reusachtige doodensteden in het leven geroepen, die honderden 
lijkkisten bevatten. Deze zoogenaamde Tsjong (98) of //berg- 
plaatsen 's" bestaan uit lange rijen cellen; elk paar rijen komt op 
een gemeenschappelijken smallen doorgang uit. Tedere cel bevat een 
lijk, en doorgaans ook een tafeltje met kandelaars en een wierook- 
brander. Een der meest bekende van die Tsjong's is gedeeltelijk 
door een hoogen muur met schietgaten omringd, en wel als voor- 
zorgsmaatregel tegen roovers, die zich vaak niet ontzien in het 
holle van den nacht een kist weg te voeren, ten einde de familie 
tot het betalen van een losgeld te dwingen. Zij bevat ook een tuin 
met tuinhuis, waarin zij, die een doode hebben bezocht, zich met 
spijs en drank kunnen laven en de genoegens van een pic-nic smaken. 

Gewoonlijk zijn die doodensteden bewoond door Boeddhistische 
priesters, die er van tijd tot tijd heilige boeken en missen lezen ter 
lafenis en verlossing van de zielen. Het zijn particuliere instellingen , 
met het oog op geldelijk gewin door enkele personen of door cor- 
poraties in het leven geroepen. Ieder die er een lijk aan toever- 
trouwt, betaalt een zeker entreegeld en een vaste periodieke bijdrage, 
die verschillen alnaar gelang van zijn welvaart en maatschappelijken 
rang. Meermalen komt het voor dat de betaling der huur wordt 
gestaakt, bv. als de familie verarmt, uiteenspat of voor den doode 

5« Volgr. Vn. 6 



66 DE LURBEZORGINO DER EHOT-CHINEEZEN. 

onverschillig wordt. Alsdan doen de bestuurders na zeker tijdsverloop 
de kist overbrengen naar een vertrek van minderen rang, dat af en 
toe wordt leeggemaakt door een vereeniging van lieden die, door 
verwaarloosde lijken op een algemeene begraafplaats aan den schoot 
der aarde toe te vertrouwen , zich verdienstelijk maken j^ens de zielen, 
en daardoor zegeningen èn voor dit èn voor het volgend leven 
deelachtig hopen te worden. 

In Puchow, de hoofdstad der provincie Poehkiën, bestaan ook dergelijke 
doodensteden , doch van aanmerkelijk kleiner afmetingen. Ongetwijfeld 
zullen er nog in vele andere steden des rijks te vinden zijn. 

Chineezen van eiken rang en stand zijn onverdeeld de meening 
toegedaan, dat het onbegraven laten van lijken ten eenenmale 
onvereenigbaar is met de ha6(99), d. w. z. de gewichtige leer der 
kinderlijke toewijding en der absolute onderwerping aan al de weuschen 
en neigingen der ouders. Niemand of hij is ten volle overtuigd, 
dat uitstel van een teraardebestelling de ziel dwingt in een toestand 
van kwellende onrust ellendig rond te zwerven; en desniettemin 
houden zelfs de eerste standen ontelbare lijken boven aarde. Is er dus 
een meer afdoend bewijs denkbaar , dat de natie volkomen onmachtig 
is zich van de knellende boeien der leer van Wind en Water (zie blz. 
56) te ontslaan? Zelfs het feit dat de staatswetten die leerstellingen in 
ronde woorden als hersenschimmig , ongegrond en dwaas brandmerken, 
doet haar heerschappij geen afbreuk. In het 17(je hoofdstuk zegt het 
reeds op blz. 52 aangehaalde Wetboek der thans regeerende dynastie : 
//De leerstellingen van Wind en Water dagteekenen uit later eeuwen ; 
ffzij zijn dus in den grond valsch en onwaar en verdienen niet het 
^minste geloof. Op grond dat het verrotte gebeente van ouders in 
^ie toekomst geluk zou kunnen bezorgen aan kinderen en kinds- 
^kinderen , stelt men hunne begrafenis jaren lang uit , ja laat hen 
/^onbedekt en onbegraven staan: zulks toont in de hoogste mate 
/'gebrek aan eerbied en toewijding jegens de ouders >y. 

/'Elk gezin , waarin een sterfgeval plaats heeft /y — zoo schrijft het 
Wetboek voor — //is verplicht den doode in een graf ter ruste te 
/^leggen op de wijze, door de zedenwet voorgeschreven. Hij die, 
/fhetzij door de leer van Wind en Water verblind, hetzij op grond 
//van voorwendsels van welken aard ook, een gekist lijk langer dan 
ff een jaar in huis houdt , of het onbedekt laat en niet aan den schoot 
//der aarde toevertrouwt, zal 80 slagen krijgen met den langen 
ff stok ff. Doch geschreven wetten bestaan in China niet om onder alle 
omstandigheden te worden gehoorzaamd. Zij zijn in het leven ge- 



BE LUKB£ZOBQINO DER ElfOY-CHmESZEK. 67 

roepen om slechts d^n* door de regeeringspersonen ten uUvoer te 
worden gelegd als zij zulks voor de handhaving van hun gezag 
noodig oordeelen , of wanneer de gril hen bekruipt de zeden des volks 
te verbeteren. Een iegelijk kan bijgevolg zooveel dooden boven 
aarde laten als hij verkiest, zoolang het den plaatselijken overheden 
maar niet in den zin komt daartegen een kruistocht te ondernemen. 
Mocht dit laatste eens voorkomen, dan worden edicten uitgevaardigd, 
die iedereen , welke zijn onbegraven dooden niet binnen een gestelden 
termijn aan den schoot der aarde toevertrouwt ^ bedreigen ipet de door het 
Wetboek vastgestelde straf. Enkelen worden gevat, aan een hevige 
bastonnade onderworpen en, zoo zij iets te verliezen hebben, door 
de autoriteit en haar nasleep duchtig uitgezogen. Maar na eenige 
weken is de storm weer bedaard en de leer der kinderlijke toe- 
wijding, mitsgaders begrafeniswet en de pas aljgekondigde edicten , in 
het vergeetboek. Dat het bewaren van lijken boven den grond 
nadeelig zou kunnen werken op de gezondheid der levepden, komt 
niet op in het Chineesche brein: dit toch is te zeer overtuigd, dat 
epidemieën en sterfte eenvoudig door onzichtbare booze geesten 
veroorzaakt worden. 

Alvorens wij dit hoofdstuk besluiten dient nog te worden mede- 
gedeeld , dat uitstel van begrafenis ook herhaaldelijk voorkomt in geval 
van moord of manslag, of wanneer een onbekende ergens dood ge- 
vonden wordt. In zijn 25"t« hoofdstuk bevat het Strafwetboek het 
volgend artikel : 

/s^Ingeval zich binnen de grenzen eener streek een lijk bevindt 
/ren het dorpshoofd of de bewoners vau den omtrek hiervan den magi- 
>ystraten geen kennis geven ter fine van onderzoek en lijkschouwing, 
»ot indien zij het eigendunkelijk vervoeren of begraven, zullen zij 
«^80 slagen met den langen stok ontvangen/^. Deze bepaling is een der 
hoofdredenen waarom niemand ooit een gevonden lijk zal aanraken , 
tenzij hij officieel toestemming heeft verkregen het weg te brengen 
of ter aarde te bestellen. Zelfs een stervende of schijndoode laat 
iedereen maar liggen zonder hem hulp of bijstand te bieden. 
Inderdaad zou een barmhartige Samaritaan in China de grootste 
dwaas ter wereld zijn; want, mocht het voorwerp van zijn mede- 
lijden bezwijken , geen twijfel of de naastbestaanden zouden het 
geval onmiddellijk aangrijpen als een welkome gelegenheid om hem 
geld en goed afhandig te maken. Zonder schroom namelijk 
zonden zij den menschenvriend beschuldigen den ovei ledene om hals 
gebracht te hebben , en bem de ken» laten tussohen het uitkeeren 



68 DE LUKBEZOUGING DEK EMOY-CHINEEZET^. 

eener zware som als schadeloosstelling voor den moord, of een 
aanklacht bij den magistraat. En nooit zal de belaagde het tot 
een aanklacht laten komen. Want, evengoed als de eerste de beste 
zijner landslieden weet hij , dat hij dan onverwijld in de gevangenis 
geworpen en door de stokbewaarders op de meest gewetenlooze wijze 
gekweld en uitgehongerd zal worden , tenzij zijn familie hem voor 
zulke mishandelingen vrijwaart door belangrijke sommen aan de politie- 
dienaren , klerken en andere dienaren der gerechtigheid uit te keeren. 
Daarenboven zou hij nog het slachtoffer worden van wreede bastonnades , 
waaraan ieder, die voor een rechtbank verschijnt en niet on- 
middellijk schuld bekent, zonder genade onderworpen wordt. Deze 
fraaie staat van zaken noodzaakt ook logementhouders om, ter wille van 
eigen veiligheid , iederen gast, die door een zware ziekte mocht 
overvallen worden , heimelijk ergens op straat neer te leggen , en 
hem daar van honger^ dorst ^ koude en gebrek aan oppassing te 
laten bezwijken , zoo geen bloedverwanten uit den omtrek zich over 
hem ontfermen. 

De landswetten schrijven den autoriteiten voor elk lijk , hetwelk 
sporen van een gewelddadigen dood vertoont, aan een schouwing 
te onderwerpen. Wordt nu zulk een lijk ergens gevonden, dan 
zendt de hoofdman van de wijk dadelijk daarvan bericht aan den 
districttf-mandarijn ; doch gemeenlijk duurt het een paar dagen 
alvorens deze grootwaardigheidbekleeder lust gevoelt te doen wat zijn 
plicht hem gebiedt. Gedurende al dien tijd ligt het lijk, hoogstens 
door een oude mat gedekt, onaangeroerd in de nauwe straat, tot 
niet geringe kwelling der reuki>rganen van buren en voorbijgangers. 
Maar eindelijk verschijnt de magistraat, in zijn palankijn gezeten 
en geëscorteerd door zijn gewone gevolg van dienaren , politieagenten 
en dragers van staatsiewaaier, zonnescherm en titelborden. Onder 
een tentje van bamboe en matten^ boven den wind opgeslagen, zet 
hij zich met een of meer secretarissen aan een tafel, terwijl een 
zijner volgelingen, die als lijkschouwer fungeert, het lijk wascht 
met lauw water, waarin uien en andere ingrediënten, welke de 
eigenschap heeten te bezitten gewonde plekken duidelijk zichtbaar 
te maken, afgekookt zijn. Hierbij veegt hij soms, vooral als het 
warm geweest is en het lijk wat lang gelegen heeft, de gansche 
opperhuid weg. Daarna begint de man met den vinger of een 
eetstokje het lijk aan alle kanten te betasten; na een onderzoek 
van elk lichaamsdeel keert hij zich naar de tent, knielt neder en 
brengt, zoo noodig met behulp van een tolk, verslag van zijn 



DE LUKBEZOBOING DER SHOT-OHINEEZSK. 69 

bevioding uit. Alles wat hij rapporteert wordt door de secretarissen nauw- 
keurig opgeschreven. Nadat elk lichaamsdeel op die wijze een beurt 
gehad heeft, verlaat de mandarijn zijn zetel, wandelt, zijn zakdoek 
voor den neus houdende , met eenige volgelingen om het lijk heen en 
schrijdt, na aldus met eigen oogen de gerapporteerde verwondingen te 
hebben aanschouwd, door een vuurtje van stroo, ten einde zich van 
de besmetting, die hem zou kunnen aankleven , te reinigen. Eindelijk 
stapt hij in zijn draagstoel om met zijn gausche gevolg naar zijn 
woning terug te keeren, terwijl de buurtbewoners de lucht van 
nadeelige invloeden zuiveren door een aanzienlijke hoeveelheid voet- 
zoekers af te schieten. 

Breedvoerig uitgewerkte voorschriften aangaande de wijze waarop 
zulke lijkschouwingen behooren te geschieden, zijn neergelegd in 
een boek, getiteld Si yuen loeh (100), //Boek over het wegwasschen 
van onrechte. De vingerwijzingen , die het geeft voor het constateeren 
van bijna ieder ster%eval door moord, v.ergiftiging of ongeluk ver- 
oorzaakt, zijn vaak hoogst vermakelijk en werpen een eigenaardig 
licht op de denkbeelden der Chineezen omtrent anatomie en physiologie. 
Zij liggen onder ieders bereik , want de heer De Grijb heeft er in 
het 30ste deel der Yerhandelingen van het Bataviaasch Genootschap 
van Kunsten en Wetenschappen een vertaling van geleverd. 

Zoodra de lijkschouwing afgeloopen is, zijn de nabestaanden ge- 
rechtigd het lijk te kisten. Mocht echter de familie onbekend wezen, dan 
brengt de wijkmeester in de buurt wat geld voor den aankoop van 
een kist bijeen. Maar in de meeste gevallen mag men , na de eerste 
schouwing, den doode nog niet aan den schoot der aarde toevertrouwen. 
Een tweede, ja derde onderzoek toch kan noodig zijn om de ver- 
klaringen van getuigen of eventueele beschuldigden aan de over- 
blijfselen van het slachtoffer te toetsen; zelfs wanneer de ont- 
binding reeds haar werk heeft verricht, kan het noodig geacht 
worden onderdeelen van het gebeente te koken, te roosten of te 
• verbranden, ten einde uit de resultaten daarvan getuigenissen te 
ziften. Zelden of nooit wordt aan begraven gedacht vóór de 
schuldige ontdekt en gevonnisd is. Men plaatst dus de kist 
maar ergens in de nabijheid van de plek waar het lijk gevonden 
werd, om daar onder toezicht van den wijkmeester te blijven staan 
totdat de autoriteiten haar opeischen. 

Mocht het rechterlijk onderzoek aan -het licht brengen dat er 
niet van moord , doch slechts van doodslag sprake is , en de bedrijver 
van het feit mitsdien tot betaling eener schadeloosstelling veroordeeld 



. * 



70 Dis LUKBteZOtLGINO D££ EXOT-OHDTEEZEN. 

worden^ dan blijft, het lijk veelal onbegraven totdat de nitkeering van 
het geld heeft plaats gehad en daarmee de gansche zaak uit de wereld 
geholpen is En wanneer dorpen bloedige vechtpartijen ^tegén elkander 
geleverd hebben, waarbij aan de eene zijde 'meer dooden gevallen 
zijn dan aaü de andere, dan wordt het sarplus gewoonlijk onbegraven 
gelaten, ten einde bij het herstel van den vrede voor ieder boven 
aarde staand lijk een vergoeding te kannen eischen. 

Doodeh op den openbaren weg gevonden , aan wier lichaam echter 
geen teekeuen van geweld te bespeuren zijn , worden meestal aan geen 
oflBcieele öchouwiög onderworpen. Onder toezicht van de hoofden en 
ouderen der wijk plaatst men ze in een kist ergens in het gebergte 
of het opeli veld, en laat ze daar ter beschikking van de familie 
blijven, zoo die mocht opdagen. Gtewoonlijk neemt men dan een 
kist van de goedkoopste soort, met het gevolg dat het lijk ver- 
scheidene dagen den omtrek verpest, het hout na korten tijd verrot 
is en het gebeente aan weer en wind ten prooi blijft liggen , tot 
ieihand, die begeerig is om zich verdiensten te verwerven jegens de 
verlaten ziel en daarvoor door haar beloond te worden, het in een 
goedkoope urn van gebakken klei bijeenlegt en onder de aaitle 
verbergt. 



HOOFDSTUK VIL 



DE TOCHT NAAK HET GRAF. 

Zooals wij op blz. 57 mededeelden, wordt ter vaststelling van 
een gelukkig tijdstip voor de begrafenis de tosschenkomst van een 
dagenprofessor ingeroepen als er zeven of meer dagen na het 
overlijden verloopen zijn, zonder dat men tot de teraardebestelling 
is overgegaan. In het algemeen maakt de geleerde man in zulke 
gevallen het resultaat zijner berekeningen zóó tijdig aan de familie 
bekend , dat deze ruimschoots gelegenheid heeft alles voor de begrafenis 
op haar gemak in gereedheid te brengen. Met het oog op de praal 
en den omslag , die weigestelden bij het begraven hunner dooden ten 
toon plegen te spreiden , komt hun dusdanige ruimte van tijd tot het 
nemen der voorbereidende maatregelen in den regel uitmuntend te stade. 

In de eerste plaats worden onderhandelingen geopend met een of 
meer ondernemers van begrafenissen , met wier //winkels van trommen 
en blaasinstrumenten// de lezer reeds op blz. 8 kennis maakte. Dit 
loopt uit op het treflen van een overeenkomst voor de levering van 
alles wat voor den stoet noodig is, manschappen en muzikanten 
niet uitgesloten. Ook richt men tot intieme vrienden en gegradueerde 
bekenden schriftelijk hel verzoek, bij de begrafenis te willen optreden 
als toezichthouders op de doodkist en eenige gewichtige onderdeden 
van den stoet , en eindelijk zendt de familie aan verwanten , vrienden 
en bekenden gedrukte kennisgevingen rond van den dag en het 
uur, waarop de teraardebestelling zal plaats hebben. In laatstgenoemde 
circulaires wordt de geadresseerde verzocht de plechtigheid niet met 
zijn tegenwoordigheid te vereeren — een verzoek dat hij echter 
louter als een beleefdheidsformule moet opvatten, die zeggen wil: 
de &milie zal hoogen prijs stellen op aller tegenwoordigheid. 

De op blz. 62 besproken offers van het //voedsel der ouderliefde /i^ 
worden, met het voorafgaand gejammer en gehuil, herhaald op de 
twee laatste dagen vóór de begrafenis , en wel 's morgens en 's avonds , 
om ten slotte nogmaals plaats te grijpen in den ochtend van den 



72 DE LUrSLBSZOBGlNG DE& £MOY-OUINE£Z£N. 

begrafenisdag zelf. Zoodra het uur^ door den dagenprofessor aan- 
gegeven als geschikt voor het in beweging zetten der kist, aan- 
gebroken is, rukt een groepje koelies, door den ondernemer der 
begrafenis daartoe afgezonden, het huis binnen en brengt de kist 
een paar duim uit haar stand. Op dat oogenblik houden de huis- 
genooten zich zorgvuldig schuil in de binnen vertrekken der woning, 
wel weteiide dat een soort aardgeesten^ die in alles huizen wat 
langen tijd onwrikbaar op dezelfde plaats gestaan heeft, plotseling 
uit hun kalme rust zullen worden opgeschrikt, en hun misschien 
wraakgierig te lijf zullen vliegen. De koelies weren de aanvallen 
dier wezens af door zich den hoofddoek om het middel te binden; 
desniettemin geeft de familie hun toch een extra fooi als ver- 
goeding voor het gevaar, waaraan zij zich om harentwille hebben 
blootgesteld. Mocht het nu nog te vroeg zijn vobr het uitdragen 
der kist, dan laat men haar zoo lang onaangeroerd staan. 

Inmiddels hebbeu de vrouwen en bedienden zich in de keuken onledig 
gehouden met het bereiden van een afscheidsmaal , hetwelk den doode 
zal worden aangeboden vóór hij naar het graf wordt gevoerd. Schotels 
met vleeschspijzen , hoenders, eenden, koekjes, enz. worden, naast 
de onmisbare kandelaars met kaarsen en den wierookbrander , op een 
of meer tafels gerangschikt , en de fistmilieleden , gehuld in de diepste 
rouwkleedij die de graad van bloedverwantschap met den doode voor 
elk hunner verplichtend stelt, knielen er voor neder, de mannen 
links, de vrouwen rechts. De oudste zoon treedt nu vooruit, maakt, 
met brandende wierookstaaQes in de handen , een buiging tegen de 
kist en drukt het verlangen der familie uit dat de ter plaatse rond- 
zwevende ziel volop van het afscheidsmaal genieten moge. Vervolgens 
knielt hij neder; een der mannelijke verwanten schenkt uit een 
tinnen kan een scheut rijstwijn in eenige theekopjes, die in een rij op 
de tafel staan, en herhaalt zulks nog tweemaal, waarop de zoon 
drie of vier keer achtereen het voorhoofd tegen den grond brengt 
en bij de laatste buiging eenige seconden huilende blijft liggen. 
Dan staat hij op , om plaats te maken voor zijn broeders, de weduwe 
en verdere naverwanten des overledenen , die , als de tijd het toelaat, 
achtereenvolgens hetzelfde ceremonieel verrichten. Al dien tijd huilen 
en weeklagen de gezamenlijke huisgenooten met luider stemme. Ten 
slotte onderzoekt men met behulp van de op blz. 40 besproken 
wichelmuntjes wanneer de ziel klaar is met eten, en neemt dan de 
tafels af, onder het verbranden van een flinke hoeveelheid oflerpapier. 

Deze olierande staat bekend onder den naam van khl bé(lOl), 



BS LUKBEZOBGINQ OEll EMLOY-CHINEEZEN. 73 

//het oprukken der paarden"'^ niettegenstaande in Foehkiëu zoogoed als 
nooit paarden in een begrafenisstoet gebezigd worden. Met hoeveel 
omslag zij ook gepaard moge gaan , toch verzinkt zij vrij wel in het 
niet bij het maal , dat den doode buiten aan de voordeur wacht. 

Op een der tafels , vóór het huis neergezet , plaatst de hoofdrouwer , 
of een ander mannelijk &milielid, den zielelap, en wel zóó, dat de 
voorzijde gekeerd is naar den kant waarheen de stoet zich straks 
zal begeven. Er naast of er achter zet men het definitieve zieltablet , 
dat de rol van den zielelap zal overnemen bij het neerlaten van de kist 
in het graf en thans voor het eerst in de lijkplechtigheden op- 
treedt. Het is lager en breeder dan de zielelap, loopt niet spits toe 
en is ook niet met zijde bekleed, doch het opschrift is rechtstreeks 
op het hout geschreven of erin uitgesneden. Voor deze gelegenheid 
is om het tablet een doek van roode zijde gewonden en een koordje 
van dezelfde kleur, waaraan eenige gewone koperstukjes geregen 
zijn, eraan bevestigd; bovendien zijn tegen de voor- of de achterzijde 
een stuk roode inkt en een gewoon schrijfpenseel vastgemaakt. Doel 
en bestemming van al die voorwerpen zullen in het volgende hoofd- 
stuk blijken. 

De ofiertafels worden verder beladen met schotels, schalen en 
borden, waarop varkenskoppen, hoenders^ eenden, visschen en var- 
kenspensen prijken. Te midden van dit alles ziet men tinnen kan- 
delaars en een wierookbrander van hetzelfde metaal, verschillende 
met rijstwijn gevulde tinnen kannen, benevens offerbekers van aar- 
dewerk en tin. De mannen, belast met het grafwaarts dragen der 
kist, plaatsen inmiddels de baar op een paar schragen achter de 
tafels, zetten schotels met vleesch en ander voedsel, hun door de 
familie verstrekt, er naast op de straatsteenen neer en schenken ter 
plaatse wat rijstwijn in eenige theekopjes, terwijl hun aanvoerder, met 
brandende wierookstokjes tusschen de saamgevoegde handen, buigin- 
gen naar de baar maakt. Velletjes oiferpapier worden in de reten 
en gaatjes der baar gestoken en in nog veel grooteren getale op 
het plaveisel tot asch verteerd. Dit alles heeft ten doel den geest, 
die de baar bezielt, gunstig te stemmen en daardoor het werk der 
dragers gemakkelijk te maken. Deze behoeven de ofiergaven niet aan 
de familie terug te geven , doch mogen ze als een emolument onder 
elkander verdeelen. 

Is aldus de geest van de baar behoorlijk met spijs en drank 
verkwikt, dan rukken de dragers naar binntm om de kist te halen. 
Zoodra zij er de hand aan slaan , • loopen de haisgenooten uit 



74 D£ liUKBEZOBGINQ D£E £]COY-OHINSSZSN. 

angst voor de aardgeesten weg , vooral als het voorwerp dien morgen 
nog niet verplaatst geworden is. Met het voeteneind vooruit wordt 
het naar buiten gedragen en zoodanig op de baar geplaatst , dat de 
voeten naar de offertafels en dus naar dien kant gericht zijn, waar- 
heen men straks zal oprukken. Onmiddellijk daarop treden ook de 
naaste familieleden, in diepen rouw gehuld, naar buiten. De zoons 
houden een rouwstaf in de hand, d. w. z. een kort stokje, over de 
gansche lengte met dunne snippertjes wit papier beplakt. Allen 
werpen zich onder luid misbaar en gehuil naast de kist op de 
knieën, terwijl de dragers de draagbalken en touwen behoorlijk aan 
baar en kist bevestigen en de laatste door geborduurde kleeden aan 
het oog onttrekken. 

Een viertal vrienden der familie , in lange rouwpijen van wit 
linnen gedost en met een kap van dezelfde stof op het hoofd , 
plaatsen zich nu voor de offertafels, twee ter rechter- en twee ter 
linkerzijde, om er als ceremoniemeesters dienst te doen. De oudste 
zoon kruipt op handen en voeten over de straat tot voor den mid- 
delste tafel , ontvangt van een der ceremoniemeesters , die een 
ganschen bundel wierookstokjes in de hand houdt, twee van die 
voorwerpjes, en maakt daarmee een diepe buiging voor den zielelap 
en de daarachter geplaatste lijkkist. Dan geeft hij ze af aan een 
anderen ceremoniemeester, die ze in de asch steekt van den wierook- 
bak welke op de middelste tafel staat , en knielt vervolgeus neer , 
om viermaal het voorhoofd tegen het plaveisel te brengen. 

Inmiddels werd door een derden ceremoniemeester drie keer rijst- 
wijn in eenige kopjes geschonken, op de wijze zoo straks (bl. 72) 
beschreven. Zonder op te staan neemt de zoon een dezer kopjes aan, 
of, in sommige gevallen , een der tinnen ofierbekers , eveneens met 
wijn gevuld, heft het naar omhoog en giet het met een horizon- 
tale, draaiende handbeweging over de straatsteenen uit. Dan reikt 
hij het ledige voorwerp aan een der ceremoniemeesters over, en 
verricht op geheel dezelfde wijze een tweede en een derde wijnpleii- 
ging. Nu staken de muzikanten , die tot hiertoe onophoudelijk de schrille 
tonen hunner instrumenten door de straat hebben doen weergalmen, 
plotseling hun muziek, evenals de treurenden hun gehuil, en een 
der ceremoniemeesters knielt deemoedig ter aarde om van een blad 
geel papier een tot den doode gericht adres af te lezen, in het 
Mandariju-Chineesch gesteld. Hier volgt de vertaling van zulk een 
document, uit het werkelijk leven gegrepen. 

//Op den dag. . . der maand. . . van het jaar, . . durven de 



DE LUKBËZOEatNfa DËE £MOT-CHIN£EZ£N. 73 

//van ouderliefde verstoken vaderlooze zoons N. N. enz. het wagen zich , 
ronder eerbiedige opdracht van een offer van vleeachspijzen , wijn, 
^lekkernijen, wierook en papier, in de volgende bewoordingen te 
//wenden tot de ziel van hun overleden vader , hoofd der familie N. N. 

^De aard der menschen kenmerkt zich door uiteen loopende nei- 
^j'gingen , doch in het karakter van U , o vader , heerschten goedheid 
^en liefde van de edelste soort. Wij koesterden de hoop dat Uw 
/rovervloeiende deugd een lang bestaan zou genieten, met kracht 
/r&a sterkte gezegend. Wie echter had durven vermoeden, dat dit 
i^'slechts een korte droom was , een droom , waaruit wij zouden ont- 
>srwaken om de werkelijkheid niet te aanschouwen! In de gedaante 
>yvan een witte wolk zijt Gij vertrokken naar het westen; tever- 
/'geefs zien wij tot ü op, om steun te zoeken gelijk voorheen. 
^Mitsdien hebben wij een graf aangelegd , waarvan wij het wagen 
^hier als bijzonderheden mede te deelen, dat een stuk grond van de 
irbeste hoedanigheid er voor is uitgezocht op de zonnige helling van het 
^gebergte, en wij daar een rustig oord van verblijf voor U hebben 
^/aangelegd aan de oevers van het water. De omwentelende radereu 
^van den lijkwagen storten smart en leed in onze ziel ; de mannen, 
^die de touwen ter hand nemen om hem voort te trekken, door- 
^ vlijmen ons het hart. Geen gelegenheid zal zich meer voordoen om 
f/\i te dienen : o , op welke wijze zal het ons gelukken nogmaals den 
>/glimlach van Uw gelaat op te vangen ! Ziende hoe de voorste wagens 
^van den stoet zich in beweging zetten, krijten wij ten hemel uit 
>rhet diepste onzer ziel en roepen het medelijden der Aarde in. 
^s'Wij zetten een offer van vleeschspijzen uit om een bewijs te geven 
>rvan de oprechtheid en de diepte onzer gevoelens, en in de 
^hoop dat Gij herwaarts moogt komen om ervan te proeven. Helaas^ 
/s^welk een smart ! Moge deze onze offerande door U genoten 
/y worden!^ 

Nauwelijks hebben de treurenden de woorden /'helaas, welk een 
smart'^ op slependen, klagenden toon hooren uitspreken, of allen 
barsten in luid gejammer en gehuil uit. De muziek valt weer met 
haar schrille tpnen in, en een der aanwezigen zendt het gebed 
naar de ziel op door het aan de vlammen prijs te geven. Inmiddels* 
heeft de oudste zoon vier maal achtereen het voorhoofd tegen den 
grond gebogen en kruipt nu op handen en voeten naar de andere 
bloedverwanten terug, om met hen te huilen en te jammeren. Na 
hem offert zijn oudste broeder wierook en wijn , en de overige zoons , 
de Üeinzoons, de vrouw, de schoondochters en de ongehuwde doch- 



76 DE LUKBEZOBNING 0£B EMOY-GHINEEZEN. 

ters doeu op hun beurt hetzelfde; een gebed wordt echter niet meer 
afgelezen. Ook de broeders, neven en verdere verwanten van den 
doode doen voetvallen, maar doorgaans twee aan twee of drie aan 
drie, omdat de tijd meestal tot spoed dringt; om dezelfde reden laten 
zij vaak het wierookofier, ja zelfs de wijnplenging achterwege. 

Vermelding verdient nog , dat bij sommige begrafenissen van den 
eersten rang een drie- of vijftal Boeddhistische geestelijken optreden 
om , in ceremoniekleederen van de hoogste orde gesloken , voor de 
offertafel de heilige Soetra van Amitdbha (102) , mitsgaders verschil- 
lende bezweringen en gebeden te prevelen, welke in staat zijn de ziel den 
toegang tot het Westersche Paradijs te openen. Zijn zij hiermede 
gereed, dan scharen zij zich in den stoet een weinig voor de kist, 
om op den weg naar het graf hetzelfde verdienstelijke werk voort 
te zetten en buitendien herhaaldelijk Amitabha^s heiligen naam 
te prevelen. 

Zoodra de beschreven offerande, die khi tshi^-thÉLo (103), //het 
wegnemen van de kist" heet, afgeloopen is, zet de stoet zich onder 
luid rumoer en geroep in beweging. Vooral de lijkdragers zijn bij 
het optillen van hun last luidruchtig, doch niemand ergert zich 
daaraan. Met woest geweld trappen zij de schragen uit den weg, 
terwijl de naaste verwanten de handen aan de lijkbaar slaan, als 
wilden zij beletten , dat de beminde vader of moeder uit hun midden 
wordt weggevoerd. Wij willen thans den lijkstoet, die voor en ge- 
durende het afscheidsoffer onder toezicht van den ondernemer werd 
opgesteld, nauwkeurig in oogenschouw nemen. 

Vóórop gaat een vriend of bloedverwant der familie, met een 
rouwpij van wit linnen aan en een kap van dezelfde stof op het 
hoofd. Overal waar een voorwerp den weg verspert, verzoekt hij den 
eigenaar het weg te halen en doet dezen door een gewonen koelie, 
die hem op de hielen volgt, een stukje van een pinangnoot toereiken, 
gewikkeld in een of twee siri-bladeren , met een kleine hoeveelheid 
natte kalk bestreken, [n Zuid China is het kauwen van betel 
zoogoed als geheel in onbruik geraakt, waarschijnlijk door opium 
en tabak verdrongen. Toch is het er nog steeds gewoonte iemand, 
met wien men in onmin leeft, doch met wien men zich wenscht te 
verzoenen, eenige pinangnoten met betel en kalk thuis te sturen. 
De partij , wie aldus de hand der verzoening wordt gereikt , zou 
lijnrecht tegen de zeden handelen, indien zij het gezondene weigerde 
aan te nemen. Deze gewoonte verklaart volkomen de uitdeeling 
van het stimulens aan het hoofd van een begrafenisstoet: denman 



DE LTJKBEZOKGTNG DER EMOY-CHINEEZEN. 77 

toch, die den weg vrij maakt, begaat in zekeren zin een vergrijp 
tegen eiken persoon, dien hij derangeert; hij moet dus onmiddellijk den 
gebruikelijken stap doen om het geschil uit den weg te ruimen, 
hetwelk uit zijne handeling zou kunnen ontstaan. 

Op den vrijmaker van den weg volgt, in ongeveer dezelfde kleedij 
gestoken, de zoogenaamde p^ng tsod ê lê.ng (104) of /i^papier- 
strooier//. Zonder tusschenpoozen trekt deze stuk voor stuk ronde of acht- 
hoekige papiertjes , met een uiterst dunne laag bladtin beplakt , van een 
houten stangetje, waaraan zij in groote hoeveelheid geregen zijn, 
en werpt ze om zich heen, tot prooi voor de spoken, welke langs 
den weg op den loer liggen ten einde den overledene te ver- 
ontrusten en de ziel, die het lijk vergezelt, door lastig gebedel, ja 
door ruw geweld , geheel of gedeeltelijk te berooven van de schatten , 
waarmede de familie haar verrijkt heeft. Met al de hebzucht, levenden 
en overledenen in China eigen, storten die spoken zich op het hun 
toegeworpen geld, en, dus den doode vergetende, laten zij hem on- 
gestoord voorbijtrekken. Bij het passeeren van bruggen , of het over- 
steken van een waterstroom in schuiten en booten , is de strooier 
even vrijgevig ten opzichte van de geesten , die het water bewonen. 
Met de meeste zorg steekt hij bovendien een rood lapje in elke 
brug en poort, waarover of waardoor de processie heen moet, opdat 
nadeelige invloeden des doods niet slecht zullen werken op brug- 
of poortgeest. Verzuimde hij dezen maatregel , dan zou men gevaar 
loopen de wrekende hand dier onzichtbare wezens op zich te voelen 
neerdalen in den vorm van allerlei kwalen en rampen. Om 
dezelfde reden waarschuwen papierstrooier en uitdeeler der siri-pruimen 
iederen godentempel dat er een lijkstoet in aantocht is, opdat de 
bewaker van het gebouw bf onmiddellijk de deuren sluite, óf een 
fraai gebeeldhouwde en bontgekleurde plank, die daartoe aan een 
katrol aan de zoldering hangt, neerlate tot op de hoogte van het 
tabernakel , zoodat de daarin geplaatste goden den stoet niet in het 
oog krijgen. 

Een ander middel om de onzichtbare geesten op een eerbiedigen 
afstand te houden , wordt gevonden in de langgerekte, klagende tonen 
van twee groote koperen bazuinen. De dragers dezer instrumenten 
zijn gekleed in een zwarten kiel, langs den geheelen onderkant en 
aan weerszijden van de split , die op de borst dichtgemaakt wordt , 
met een rooden opgelegden rand van aanzienlijke breedte versierd. 
Zij worden onmiddellijk gevolgd door twee gewone straatjongens , die, 
zonder eenige uniform en zelfs zonder schoenen en kousen aan , elk een 



78 DE LUKBEZORGtNG DER EMOY-CHINEÏZEN. 

stok over den schouder dragen, waaraan met de lange zijde een 
witte lap bevestigd is van ongeveer een meter lengte bij drie decimeter 
breedte. Dergelijke /-rdecoratievlaggen </ , tshai kt (105), zooals de 
geijkte naam luidt, zijn in grooten getiale in den stoet te zien; de 
meeste zijn rood, omdat deze kleur nadeelige invloeden verdrijft. In 
vele streken van Foehkiën tracht men de spoken ook nog weg te 
jagen door in de voorhoede van den stoet een groote menigte voet- 
zoekers af te steken. 

Een volgende afdeeling wordt geopend door een tweetal mannen , 
elk met een trommelvormige lantaren van bamboe en papier, 
bovenop een stok bevestigd, die er als een centrale as doorheen 
steekt. Die lantarens zijn van boven geheel omhangen met lappen 
zakkegoed, die over elkander heengelegd zijn en dus, evenals dak- 
pannen, elkaar gedeeltelijk bedekken; er zijn evenveel van zulke 
lappen als het aantal geslachten, waaruit de familie van den 
overledene bestaat, hij zelf voor één med^erekend. Iedere lan- 
taren is aan de eeue zijde beschreven met den familienaam en 
eventueel met de ambtstitel van den overledene , terwijl de 
andere kant het opschrift draagt: /j' Vader (moeder) van zoo en 
zooveel geslachten//. Vlak bij deze péh-ting (106), //witte lan- 
tarens//, of mod t ing (107), //lantarens van hennepdoek^, vallen 
nog eenige zeer groote zoogenaamde kam ting (108), ^oranjeappel- 
lantarens//, in het oog. Evenals de werkelijke vrucht, zijn zij geel- 
rood van kleur en bolrond van vorm; zij hangen aan den top van 
een omgebogen stok , door een man omhoog gehouden^ en voeren 
ook de namen en ambtstitels van den overledene. Als de stoet 
zich in beweging zet, zijn al die lantarens van een brandend kaarsje 
voorzien ; doch die zijn spoedig opgebrand of uitgewaaid , en niemand 
denkt er aan ze opnieuw aan te steken. Zij dienen om de ziel den 
weg te wijzen naar het graf en maken , dank zij de opschriften , dat zij 
zeker weet niet met een begrafenisstoet van een ander te doen te hebben. 

Achter de lantarendragers volgt een troepje van zes of acht 
muzikanten, bespelers van twee of vier klarinetten, van een hand- 
trommel, aan een of aan beide zijden overtrokken en met een enkelen 
stok geslagen , van een paar cimbalen , van een kleine gong met een 
bult, en van een raampje, waarin twee kleine gongs naast elkander 
bevestigd zijn. Zulke muzikanten behooren tot de allerlaagste klasse 
der samenleving; zij dragen een kegelvormigen stroohoed en een 
lichtrooden kiel, dien zij echter, als het warm is, in een bundeltje 
op den rug hangen, zoodat zij met naakt bovenlijf meeloopen. 



DB LTJKBEZOBGINO DER BMOY-CHINEEZEN. 79 

Hun aai^tal wordt vaak versterkt met twee reeds vroeger beschreven 
bazninblazers. Teder voor zich blaast en slaat er maar zoo hard 
mogelijk op los, zonder in het minst op zijn medemuzikanten te 
letten; vooral de klarinetten klinken valsch en schril en zijn nooit 
naar elkander gestemd. Het zal wel onnoodig zijn in herinnering 
te brengen, dat ook in ons eigen werelddeel muziek en trommelslag 
een rol spelen bij de teraardebestelling van vorsten en krijgslieden. 
Tn China heeft, volgens eenstemmige verklaring van het volk, de 
begrafenismuziek eenvoudig ten doel, de ziel op haar weg naar het 
graf aangenaam te stemmen. 

De muzikanten dienen als escorte voor een vierkant houten tentje , 
voorzien van een dak van wit doek, laken of zijde, met draken 
van gouddraad bestikt en aan de vier kanten met afhangende franje 
versierd. Door middel van draagboomen rust het op de schouders 
van vier koelies, die geen spoor van een uniform of slaatsiekleedij 
dragen; integendeel schrijden zij gewoonlijk blootshoofds, barrevoets 
en met naakt bovenlijf voort. Het tentje wordt ook begeleid door 
twee straatjongens, elk met een witte decoratie-vlag, en buitendien 
soms door een paar jongens of mannen, die ieder een papieren 
lantaren op een houten staak dragen. Binnen in ontwaart men een 
holle bonte pop, bestaande uit een geraamte van bamboe, met 
papier en goedkoope dunne zijde overtrokken. Zij heeft een naar 
Ghineesche opvatting zeer woest uiterlijk, dat bijzonder geschikt is 
om spoken te verjagen. Behalve twee groote, uitpuilende oogen, ver- 
toont het bloedroode aangezicht een derde oog, dat dwars in het 
midden van het voorhoofd staat. De vuurroode baard, uit wol ver- 
vaardigd , daalt neder tot op den buik ; hei hoofd is van een helm 
voorzien, het lichaam met maliënkolders, arm- en dijplaten bedekt. 
Een roode, tot over de knieën reikende pij is hier en daar onder 
het harnas zichtbaar. De rechterhand voert een langen drietand, de 
linker een zegel: het symbool van iemand met macht en gezag 
bekleed. De pop heeft steeds een staande houding, omdat deze 
het angstwekkende in haar voorkomen verhoogt. Men noemt ze 
khai 15 stn (109), //geest die den weg vrijmaakt//. 

Bij enkele aanzienlijke begrafenissen heeft die duivelbanner 
kolossale afmetingen. Dan wordt hij veelal op een karretje of rolwagen 
voortbewogen, daar geen draagtent ruim genoeg is om hem te be- 
vatten. Zulken grooten khai lö sin^s vult mengden buik op met 
het hart, de lever, de pens en de verdere ingewanden van een 
varken. Waarschijnlijk staat dit gebruik in verband met het feit, 



HO DE LTJKBEZOUGINO DKR EMOT-CHTNE]EZETÏ. 

dat in oude tijden menschen , aan het hoofd van den begrafenisstoet 
gaande, de onzichtbare duivelen naar alle zijden deden uiteen- 
stuiven. Men vindt van zulke levende duivelverjagers reeds gewag 
gemaakt in den Tsjoeli (110), den codex van de staatsinstellingen 
der Tsjoe-dynastie , die van de 13e tot de 3® eeuw vóór Christus 
over China den schepter zwaaide. 

Zooals geloofwaardige Chineezen ons hebben verzekerd, zijn zelfs 
niet zoo heel veel jaren geleden nog te Emoy in de begrafenis van 
een hooggeplaatst staatsman levende khai 15 stn'^s te zien geweest. 
Destijds noemde men ze khong tsjhidng (111), //grafkuil-dansers//. 
Het was echter zeer moeiel ijk een drie- of viertal van die lieden 
bijeen te krijgen, omdat het spook verdrijvend werk voor hoogst 
gevaarlijk gold. Hoe licht toch kon een spook, door hun rreeselijk 
voorkomen met angst en schrik vervuld, zich in zijn wanhoop op 
hen werpen en hen met ziekte en rampen slaan! Aan het graf ge- 
komen , zouden zij een voor een in den kuil zijn gesprongen en , 
onder woest geschreeuw , als bezetenen met zwaarden om zich heen 
hebben geslagen, alles om een algemeen sauve qui peut onder het 
duivelenheir teweeg te brengen. 

Vóór het oprukken van den stoet worden eenige confituren, 
kopjes thee en soortgelijke versnaperingen voor den khai 15 stn 
neergezet en hem door een der familieleden aangeboden. . Dit 
bewijst, dat men zich de pop wel degelijk door een geest bezeten 
voorstelt; trouwens, het is zeer de vraag of de Chineezen wel in het 
bestaan van een enkel onbezield voorwerp gelooven. Eenvoudige lieden 
besparen zich de kosten van een khai 15 sfn en huren slechts een 
draagtent, in de hoop, dat alleen reeds op het gezicht d^rvan 
de kwade geesten zich den schrik om het hart zullen voelen slaan 
en naar alle kanten uit elkaar zullen stuiven. 

Reeds vroeger (zie blz 23) stipten wij aan , dat bijna elke Chinees , 
wiens middelen het toelaten, zich de weelde veroorlooft een oflBicieele 
waardigheid of titel te koopen , ten einde zoowel hier op aarde als 
hiernamaals zijn positie te verhoogen. Het keizerlijk brevet , hem 
bij zijn benoeming uitgereikt, prijkt dan in zijn begrafenisstoet, 
opdat alle menschenkinderen zullen zien dat zij met een voornaam 
personage te doen hebben en spoken en duivelen vol ontzag naar 
alle richtingen verdwijnen. Gewoonlijk is het document opgerold 
en, in een gelen doek gewikkeld, over twee kapstokjes gelegd in 
een draagbaar tentje van denzelfden vorm als het reeds besprokene, 
doch met een geel geborduurd dak voorzien, daar het brevet 



BE IJJKBKZORGtNO DER EHOY-CHINREZE!^. 81 

van den Zoon des Hemels afkomstig en geel de keizerlijke kleur is. 
Ter eere van Zijne Majesteit wordt het tentje ook geëscorteerd door 
een soortgelijken troep muzikanten en politieagenten als wij reeds 
vroeger schilderden (blz. 41). Naast de laatste ziet men een vier- 
tal mannen wandelen, elk met een groot, vierkant, op een houten 
staak bevestigd bord, waarop de titels van den overledene prijken. 
Op twee andere dergelijke borden leest men : ^^Toont eerbied en 
weest stil la , op nog een paar eindelijk : >/ Keert om , en maakt dat 
gij weg komtliv 

Achter het tentje met het brevet marcheeren in volle uniform vier 
zoogenaamde Sierlijke Talenten, sioè tsaï (112), d. w. z. letter- 
kundig gegradueerden van den laagsten rang. Zij prijken daar als 
zoogenaamde tsi^ng khb-hong ting (113): //bestuurders van het 
paviljoen met het brevet^y. Deftig en statig wandelen deze mirakels 
van geleerdheid, vaak met reusachtige brillen op den neus, in 
den optocht mede; buiten bewoonde wijken echter, en in het open 
veld , waar geen menschelijk oog hen bespiedt , laten zij zich in 
draagstoelen voortbewegen , zooals in China lieden van rang betaamt. 

Zelfs ingeval de overledene geen graad bezat , zijn er politiedienaren 
en bordendragers in diens lijkstoet aanwezig. Men leent de borden 
dan van een mandarijn, of van een gegradueerd vriend, be- 
kende of familielid, en niemand vindt iets stuitends in zulk 
pronken met een andermans veeren. Integendeel schrijft de zedenwet 
kinderen en kindskinderen voor, hun ouders en voorouders zooveel 
mogelijk in de hoogte te steken en met glorie te omringen. 

Het volgende voorwerp, dat de aandacht trekt, is een draagtent 
met rood dak, door een paar jongens met roode decoratie vlaggen 
begeleid. Zij bevat een rood verlakte houten doos met een of meer 
dikke platen van leisteen er in, waarop een kort levensbericht van 
den doode uitgebeiteld is, en die bestemd zijn om naast de kist 
in het graf geplaatst te worden. In de meeste gevallen echter is 
de doos ledig en worden de steenen naar het graf gebracht door 
een koelie, die zich op eigen gelegenheid derwaarts begeeft, zonder 
zich om den stoet te bekommeren. Een wierookbrander en twee 
kandelaars prijken mede in het tentje. 

Bloedverwanten, vrienden en bekenden, die de treurende familie een 
blijk van belangstelling wenschen te schenken, zenden als bijdrage 
in den stoet een ledig tentje met rood dak , daarmede stilzwijgend hunne 
bereidwilligheid te kennen gevende den treurenden de noodige voer- 
tuigen te verschaffen voor het overbrengen der artikelen , die bij een 
6« Volgr. VIL O 



82 DE LUKBEZORGING DER EMOT-OHINEEZEN 

begrafenis niet gemist kannen worden. Zulke kheh ttng (114}), 
//paviljoentjes der gasten/^ , of tsan tf ng (115), ^hulppaviljoentjes// , 
worden steeds ledig grafwaarts gedragen, om de eenvoudige reden 
dat de familie des afgestorvenen niets heeft om er in te plaatsen. 
Het uiterlijk vertoon laat te hunnen opzichte echter niets te wen- 
schen over: elk toch wordt getorst door twee of vier mannen en ge- 
flankeerd door een paar lantarendragers ^ zes of acht muzikanten en 
twee decoratievlaggen. In menige deftige begrafenis telt men ze bij 
dozijnen. Nooit behoeft men in het onzekere te verkeeren wie de 
gevers zijn , daar in ieder tentje tegen den achterwand een rood papier 
geplakt is, waarop hun namen vermeld staan. Zij bieden den be- 
grafenis-ondernemers een schoone gelegenheid om een aardig winstje 
te maken; want deze leveren tersluiks een kleinei aantal dragers en 
minder muzikanten dan waartoe zij zich verbonden hebben, en steken 
het aldus uitgespaarde loon in den zak. Menig donateur, met deze 
oneerlijke praktijken bekend , draagt daarom zorg dat er een be- 
diende of kennis in dit gedeelte van den stoet aanwezig is, om 
zulke zwendelarij te voorkomen. 

Op de lange rij hulppaviljoentjes volgt het laatste en voornaamste 
onderdeel van den stoet, n. I. dat hetwelk de ziel, de lijkkist en 
de rouwdragende familieleden bevat. Wat hier het oog het eerst 
treft, is een draagtentje met blauw geborduurd dak^ door een korps 
muzikanten en twee dragers van blauwe decoratievlaggen geëscorteerd. 
Daarbinnen bevindt zich een tabemakeltje van hout, fraai geverfd 
en verguld en met fijn snijwerk versierd. Het bevat het definitieve 
zieltablet met alle reeds op blz. 73 genoemde aanhangsels; het 
gesloten dubbele deurtje van het tabernakel onttrekt het evenwel 
aan het oog. Vóór dit deurtje staat een tinnen wierookbrander , 
geflankeerd door twee brandende kaarsjes, die elk in een lantarentje 
geplaatst zijn, opdat zij niet uit zullen waaien. Menigmaal echter 
bevinden zich die drie voorwerpen in een extra tentje, dat vóór het 
andere uit gedragen wordt. Yier zoogenaamde tsi^ng sin-tsóe 
tlng (116): >rmannen, met de zorg voor het paviljoen met het ziel- 
tablet belast// , wandelen deftig in dit gedeelte van den stoet. Zoo 
mogelijk zijn het schoonzoons of verre familieleden van den doode, 
gekleed in het rouwkostuum, voor ieders graad van bloedverwant- 
schap speciaal voorgeschreven. Een witte lantaren van bamboe en papier 
met het opschrift: //Honderden zoons en duizenden kleinzoons^ (H^) 
hangt buiten aan de achterste hoeken van die blauwe draagtent. De 
reden van bestaan dier lantarens zal later blijken (blz. 106). 



DE LUKBEZOfiGINO DEU EHOY-OHINEEZEN. 88 

Op dit oogenblik is het tablet nog niet door de ziel in bezit 
genomen. Zij huist nog steeds in den //zielelap té^ die in het volgend 
voertuig is geplaatst , d. w. z. in een gewonen staatsiepalankijn , 
waarin lieden van rang en stand gewoon zijn zich te doen vervoeren 
en die in het dagelijksch leven toa kiö (118) of /rGhroote Palan- 
kijn^ genoemd wordt. In een begrafenisstoet gebruikt^ heet hij 
echter hoen kiö (119): >/palankijn van de ziel//. Het geschilderd 
portret van den overledene, dat, zooals de lezer weet (zie blz. 61), 
in de lijkbezorging eveneens de rol van zielezetel vervult, prijkt 
van binnen tegen de achterzijde. Vier in rouwkleedij gestoken ver- 
wanten of vrienden zijn belast met het toezicht over dit voertuig en 
vergezellen het tot aan het graf, begeleid door twee smerige mannen 
of jongens, die eik een //oranjeappel-lantaren// (zie blz. 78) dragen, 
ten einde de ziel , die aan de invloeden der duisternis onderworpen 
is , behoorlijk voor te lichten. Die lantarens, met den naam en de 
titels van den doode beschreven , ziet men ook wel aan de twee 
achterste hoeken van den palankijn hangen. 

De Boeddhistische geestelijken , die de ziel den weg naar het 
Paradijs moeten openen, marcheeren vlak vóór de twee voertuigen 
met de zielezetels. Door deze verstandige regeling valt het den 
geesten der duisternis moeielijk zich te stellen tusschen hen en de 
ziel , en worden zij verhinderd den invloed te ontzenuwen , dien het 
verdienstelijke werk der priesters op deze uitoefent. Om aan bet 
geprevel meer deftigheid en vertoon bij te zetten, gaat een groep 
muzikanten vóór de geestelijken uit. 

Tndien de doode een graad bezat, hetzij hij dien gekocht of werkelijk 
verdiend heeft, dan prijkt in zijn begrafenisstoet nog een zielezetel 
van geheel bijzondere soort , en .wel een breede wimpel van roos- 
kleurig satijn , twee of drie meters lang , wapperende van den top van 
een draagstok en aan weerszijden versierd met een af hangenden smallen 
reep blauwe of groene zijde, die vrij in den wind fladdert. Deze 
Hng tsing (120) of //zielbanier/i^ is beschreven met den naam, 
de titels en den leeftijd des overledenen en dus slechts een andere 
vorm voor den zielelap (verg. blz. 33). Zij is bestemd om op de kist 
in het graf te worden gelegd, en zóódanigen invloed uit te oefenen 
op de ziel, die in haar buist, dat deze ten eeuwigen dage over de 
nakomelingschap zegeningen z&l uitstorten. Zij speelt dus een zeer 
gewichtige rol, en het is mitsdien niet meer dan natuurlijk dat de 
familie er veel aandacht aan besteedt. Het opschrift wordt aangebracht 
door iemand, die door den Zoon des Hemels met een hoqgen titel 



84 DS LUKBEZOBGING DER EMOT-CHINEEZEK. 

begiftigd is. Hoe hooger die titel is, hoe meer de ziel doortrokken 
zal worden met invloeden, die zij vannit het graf zal aanwenden 
om hare nakomelingschap met aanzienlijke staatsambten te begiftigen. 
Ten einde zeker te zijn dat die gewenschte uitkomst zal worden 
verkregen,* staan de naam en de waardigheden van den schrijver 
mede op de banier uitgedrukt, en wel in een kolom van kleinere 
letterteekens. Het is echter niet eens noodig, dat zulk een hoog- 
geplaatst persoon het. opschrift eigenhandig aanbrengt. De familie 
vraagt hem eenvoudig verlof van zijn naam en titels gebruik 
te mogen maken, en laat het letterwerk aan een ander over. 
Slechts zelden zal een voornaam titularis een in dien geest tot hem 
gericht verzoek van de hand ^wijzen. Want de gewoon tewet brengt 
mede, dat de familie hem na de begrafenis voor zijne goedheid met 
geschenken in eetwaren en zilver bedenkt . en niemand in China , geen 
hooggepli^tst waardigheidbekleeder zelfs , versmaadt zulke inkomsten , 
die immers zonder de minste moeite verkregen worden. 

Daar iedere Ohineesche vrouw bij een ofiBcieele promotie van 
haar echtgenoot een eeretitel van overeenkomstigen rang ontvangt, 
verschijnt een zielbanier 00I5 in den begrafenisstoet van de hoofd- 
vrouw van elkeen , die een ambtelijken titel draagt of een rijkswaardig- 
heid bekleedt. 

Ter versterking van het vermogen der banier om de nakomelingen 
met ofScieele "waardigheden te begiftigen, doet men haar grafwaarts 
dragen door een mandarijn-titulair, of door een mandarijn in actieven 
dienst. Te paard gezeten , verschijnt de groote man in het onderdeel 
van den stoet dat wij thans bezig zijn te beschrijven, en wel aan 
het hoofd van een troep lictoren , dragers van gongs en titelborden , 
en krijgers , met allerlei soort van wapenen uitgerust. Doch slechts in 
theorie wordt de banier door hemzelf getorst. Want zijne waar- 
digheid gedoogt niet dat hij handenarbeid verricht. Mitsdien doet 
men het voorwerp door een gewonen koelie achter zijn paard aan- 
dragen. Nooit treedt een civiel mandarijn als drager van de banier 
op. Want zulk een man laat zich niet , zooals een militair mandarijn , 
met de kunst van paardrijden in. De gesloten draagstoel is het 
middel van vervoer, waarvan hij zich bij uitsluiting bedient, en 
iemand, in zulk een voertuig gezeten, zou toch onmogelijk een langen 
wimpel , aan een niet minder langen stok bevestigd , omhoog kunnen 
houden. 

Eindelijk verschijnt de lijkkist, met haar escorte van muzikanten, 
&milieleden en belangstellenden. Yoorop gaan, in witte rouwkleedij. 



Bfi LUKBSZOBOINO DSB SMOT-CEINEBZEN. 85 

twee jeagdige bloedverwanten van den overledene, elk een stok 
omhoog houdende, waaraan een vierhoekige lap linnen bevestigd 
is met het opschrift: ^Verspreiding van verdiensten// (121). Iedereen 
begrijpt daaruit, dat de overledene zich door verdienstelijke daden 
heeft onderscheiden. Nog twee gelijksoortige banieren, ook door 
jongens in ronwkleedij gedragen, vertoonen het opschrift: 4^Toe- 
wijding en trouwe (1^^); behoort de overledene echter tot de 
zwakke sekse, dan wordt het vervangen door de woorden //Kuisch- 
heid en gehoorzaamheid// (123), gehoorzaamheid nl. aan haar hais- 
iiran en diens vader en moeder — een der hoofddeugden van de 
Chineesche huisvrouw. 

Nu volgt een groepje muzikanten, die een gong, een trom, een 
paar cimbalen, een fluit en twee of drie strijkinstrumenten bespelen. 
De kist zelf wordt onmiddellijk voorafgegaan door vier zoogenaamde 
tsi&ng pdn (124), //personen met de kist; belast//, in rouwkleederen 
van wit linnen gestoken. In sommige streken van Foehkiën en 
Kwangtoeng ziet men ter plaatse ook wel mannen met brandende 
toortsen , vervaardigd uit gevlochten bamboe , die met olie of een 
andere brandbare stof gedrenkt is. 

De kist rust op een groot houten raam, door middel van 
touwen en stukken hout bevestigd aan een zwaren draagboom, 
die midden over het deksel van de lijkkist loopt. Aan elk einde 
van dien draagboom , waaraan dus het geheele gevaarte hangt , is 
door middel van een ijzeren of houten pin een kleinere dwarsbalk 
bevestigd , waarvan elk der uiteinden door een man op de schouders 
kan worden genomen. Het getal van vier dragers, hetwelk men 
op die wijze verkrijgt, kan men verdubbelen door aan elk uiteinde 
dier twee dwarsbalkjes op overeenkomstige wijze er nog eei) te be- 
vestigen; men kan zelfs, aldus voortgaande, het aantal dragers tot 
'zestien en twee en dertig opvoeren. Laatstgenoemd cijfer wordt, zelfs 
bij de deftigste begrafenissen, nooit overschreden. 

Ter verdrijving van spoken prijkt midden op den grooten draag- 
boom het afbeeldsel van een liggenden tijger. Kist en baar zijn 
aan het oog onttrokken door zijden of laken lappen, die langs 
de vier kanten neerhangen, terwijl er een vijfde lap bij wijze van 
dak overheen gespreid is. Die zoogenaamde koan ik (125), //kist- 
bedekking /^ , is met figuren van gouddraad en veelkleurige zijde 
bestikt: bovenop en aan de voorzijde ziet men draken, van achter 
een eenhoorn of tijger, aan de twee lange zijden voorstellingeu van 
trefiende gevallen van kinderlijke toewijding, die de Chineesche 



86 BE LIXKBEZOBGINa DER EMOY-CHINEEZEN. 

zedenleer met veel ophef ter navolgiBg aanbeveelt. Yerder vertoont 
het kleed allerlei figuurtjes, die wolken heeten voor te stellen. 
Voor een man is het veelal rood, voor een vrouw donker- 
blauw. 

In vele streken van het Ghineesche Bijk is de lijkbaar der 
aanzienlijken anders ingericht, en ook van grootere afmetingen. 
In plaats van onder een draagboom te hangen , staat dan de kist 
bovenop een tweetal evenwijdige balken, die tegelijkertijd een vier- 
kanten troonhemel dragen; van dezen hangen rondom draperieën 
neer, die de kist voor het oog der levenden verbergen. Staatsie- 
baren van deze soort ziet men ook wel bij het begraven van rijke 
Chineezen in onze koloniën: een fraaie afbeelding meu beschrijving 
werd onlangs door den heer Schlegel gegeven in het Intematib- 
nales Archiv fiir Ethnographie , Bd. IV. 

Zooals reeds gezegd is , wordt de kist in den regel gedragen door 
koelies , die door den begrafenisondernemer bijeengebracht zijn. Slechts 
zelden hebben die lieden uniform of rouwkleedij aan: zij zijn 
bijna altijd in hun onoogelijke, vuile, alledaagsche plunje. Is het 
wat warm , dan bepaalt zich hun geheele kostuum tot een korte 
broek. In de meeste dorpen van de provincie Foehkiën dragen de 
bewoners de dooden gratis grafwaarts. Trouwens, een dorp is daar 
gewoonlijk identisch met een clan, zoodat; de bewoners er elkander 
beschouwen als leden van hetzelfde huisgezin, op wie de zedelijke 
pliQht rust aan de afgestorvenen die laatste eer te bewijzen. Toch eischt 
de gewoonte dat de &milie des overledenen , als haar beurs het toe- 
laat, de kistdragers met kleine geschenken in geld of levensmid- 
delen bedenkt. Het komt ook in Emoy wel voor dat aanzienlijke 
burgers, die zich daar vanuit een naburig dorp gevestigd hebben, 
kosteloos naar het graf gedragen worden door hun vroegere mede- 
dorpelingen, voorbedachtelijk daartoe stadwaarts getrokken. Yooral 
dan ziet men zulks gebeuren, als de overledene zich in de maat- 
schappij heeft opgewerkt en voor de bevordering van het welzijn 
zijner geboorteplaats en harer inwoners geld en invloed heeft 
veil gehad. 

In Emoy bestaan onder de lagere klassen der bevolking verschil- 
lende genootschappen^ ingesteld met het doel elkander bij den dood 
der ouders in de lijkbezorging bij te staan. Het aantal leden van 
zulk een pê boé hoë(126), //vader- en moeder-associatie v, be- 
draagt gewoonlijk niet meer dan één of twee dozijn ; de ver- 
eeniging staat veelal onder de bescherming van een zekeren god, 



DS LUKBXZOBOING DER EMOY-OHINSEZEN. 87 

dien zij zich tot patroon gekozen heeft, voor wiens aanschijn de 
nieuwelingen beëedigd worden. Sterft de vader of de moeder van een 
der leden , dan keert de gemeenschap aan laatstgenoemden niet alleen 
eenig geld uit ter bekostiging van de begrafenis en de daaraan 
verbonden plechtigheden , maar zij draagt zelf, in wit linnen kleederen 
gedost, de kist gratis naar het graf. 

Steeds wordt in China een doodkist met het voeteneind vooruit- 
gedragen. Naast de lijkbaar van een rijke loopen gewoonlijk nog een 
extra aantal mannen , die bij het trekken door nauwe straten en het 
maken van lastige bochten den dragers de behulpzame hand bieden. 

Onmiddellijk achter de kist volgen de zoons , in hun treurgewaad 
van .zakkengoed. Onder de naakte voeten zijn stroo-sandalen 
gebonden, de lange haren hangen los over den rug, en ieder 
draagt een rouwstaf in de hand. £en of meer hunner loopen naast 
de baar en laten er de hand op rusten, als wilden zij medehelpen 
om den doode grafwaarts te dragen , of wel , den dragers beletten het 
lijk van den geliefde weg te voeren. Een enkele maal wordt de 
oudste zoon voor den vorm aan beide zijden door een vriend of 
bloedverwant ondersteund; want een stamhouder, die zijn plicht be- 
grijpt, behoort bij den dood zijner ouders zoodanig door leed en rouw 
uitgemergeld te wezen, dat hij niet in staat is zich op eigen 
beenen voort te bewegen. 

Zoons, die tengevolge eener zware ziekte, of omdat z^ in verre 
landen vertoeven, verhinderd zijn de begrafenis in persoon bij te 
wonen, zijn ieder in den stoet vertegenwoordigd door een compleet 
stel rouwkleeren, door een bediende of bloedverwant op een zeef of 
open mand medegedragen. Niet alleen dient zulks om te toonen 
dat zij in den geest aanwezig zijn, maar vooral om met het 
getal der mannelijke afstammelingen van den doode te pronken: 
het bezit van veel zoons toch is in China niet alleen een geluk, 
maar ook een aanleiding tot trots en bluf. Is de oudste zoon een 
zuigeling, dan ziet men het wicht, in zakkengoed gekleed, in de 
armen zijner moeder , van een bijzit of slavin in een draagstoel mede- 
voeren naar het graf; andere zuigelingen vertegenwoordigt men slechts 
door een stel kleeren. Jongetjes, die nog maar pas kunnen loopen, 
worden nooit thuis gelaten, doch op den rug of de schouders van 
volwassen mannen grafwaarts gedragen. 

Het luide doodengehuil , dat bij elk belangrijk onderdeel der 
lijkbezorging een hoofdrol speelt, wordt vooral bij de begrafenis 
aangeheven. Ook hier is het slechts een ceremonie, hetwelk 



88 BE LUKBEZORGINO DER BMOY-CHINEEZEK. 

blijkt nit het feit, dat er zelden tranen bij gestort worden en het ook even- 
goed op het programma voorkomt als het lijk jaren boven aarde ge- 
staan heeft, en de herinnering aan den doode mitsdien reeds lang 
nit het geheugen is gewischt. In het open veld^ waar geen men- 
schelijk oog den stoet gadeslaat, staakt men het gehuil, om het 
met vernieuwde kracht weer aan te hefleiL zoodra men een be- 
woond kwartier betreedt. Meer dan eenmaal is het schrijver dezes 
bij het gadeslaan van een voorbijtrekkenden lijkstoet overkomen, 
dat de zoons plotseling het huilen staakten , om met een glimlach 
op het gelaat den zonderlingen barbaar aan te staren. Nauwelijks 
echter was hij uit hun oog, of het gekrijt weergalmde wederom 
als voorheen. 

Een lange rij kleinzoons en achterkleinzoons, in de mannelijke 
lijn van den doode afstammende, mitsgaders broeders, broederszoons 
en andere verwanten , volgen het lijk , gekleed in den rouw , voor 
eiken graad van bloedverwantschap voorgeschreven. Achter hen 
komen die verwanten en vrienden, welke niet in de termen vallen 
om rouw te dragen ; zij hebben zich in hun beste kleeren of in 
het op blz. 22 beschreven offerkostuum gestoken. Tevergeefs zal 
men in een begrafenisstoet naar iemand zoeken, die op een hoogere 
sport van de ladder der familie-hiërarchie staat dan de doode. De 
zedenwet toch eischt nadrukkelijk naauwkeurige handhaving van 
ieders positie ten opzichte van zijne bloed- en aanverwanten^ en 
zelfs de dood vermag niet die verhouding tusschen hoog en laag te 
breken. Mitsdien zal een vader zelfs niet zijn kind naar het graf gelei- 
den, wel echter een oudere broeder zijn jongeren, een broeder zijn 
zuster, een man zijn vrouw, dewijl in elk dezer gevallen de rang 
dezelfde is, al bestaat er onderscheid in ouderdom en geslacht. Toch 
volgt een man zijn vrouw niet naar het graf: hij wandelt, in 
weduwnaarsrouw, vbör de kist uit; want de zedenwet wil dat de 
vrouw den man zal volgen, en dit voorschrift geldt voor haar met 
onverminderde kracht zelfs na den dood. 

In Emoy trekken vrouwelijke familieleden nooit mede naar het 
graf. Wel sluiten de echtgenoote, haar dochters en schoondochters 
zich, in zwaren rouw gekleed, eenige oogenblikken bij den stoet 
aan , wanneer deze het sterfhuis verlaat. Steeds jammerend en huilend 
scheiden zij zich echter spoedig van den optocht af en keereu 
langs een anderen weg langzaam huiswaarts, als schaamden zij zich 
voor de buren dat zij den doode niet tot aan zijn laatste verblijf 
begeleid hebben^ 



DE LIJKB£ZO£GING DER EMOY-CHINEEZEN. 89 

De Chineesche geschriften bevatten bewijzen in overvloed, dat 
de vrouwen in vroeger eeuwen evengoed naar het graf meetrokken 
als de mannen. Waarschijnlijk is die gedragslijn veranderd tengevolge 
van het meer en meer veld winnen der gewoonte, den vrouwen het 
loopen bijna onmogelijk te maken door van jongsaf den groei harer 
voeten kunstmatig te belemmeren. Slechts indien de overledene 
geen zoons nalaat , en bijgevolg de plichten jegens hem in de eerste 
plaats op vrouw en dochters rusten^ ziet men deze wel in draag- 
stoelen het lijk tot aan het graf vergezellen. 

Een doode naar zijne laatste rustplaats volgen heet s^ng tsbng (127), 
/yeen begrafenis uitgeleide doen>/. Zij, die op deze wijze hun belangstelling 
in den overledene aan den dag leggen , vormen steeds de achterhoede 
van den stoet. Wij zonden dus onze beschrijving thans als geëin- 
digd kunnen beschouwen, ware het niet dat enkele zaken, welke 
er slechts bij uitzondering deel van uitmaken, ter vermelding 
overblijven. 

In dé eerste plaats wijzen wij op een stel ofierspijzen met wierookbak, 
kandelaars en andere offergereedschappen , in onderscheiden gedeelten 
des rijks te zien vóór het tentje, waarin zich het zieltablet 
bevindt. Zij zijn daar in één of meer draagtentjes geschikt^ ook wel 
in groote , vierkante bakken van hout, elk opgehangen aan een stok^ 
die op de schouders van twee koelies rust. Op het graf zullen 
zij de ziel worden aangeboden. Zij bestaan uit een deel der spijzen, 
die reeds dienst deden bij het afscheidsoffer in de straat vóór het 
oprukken van den stoet; echter bevindt er zich ook een stel nog 
ongeofferde eetwaren bij , voor den God der Aarde bestemd. Behalve 
in begrafenissen van hooggeplaatste mandarijnen, als wanneer zelfs 
een geslachte geit en een geslacht varken onder de ofiergaven 
prijken , worden deze te Emoy doorgaans naar het graf gedragen 
door lieden die, zonder zich om den stoet te bekommeren, langs 
een korter pad hun weg derwaarts nemen. 

Heeft er tusschen den dag van het overlijden en van de teraarde- 
bestelling een aanzienlijke tijdruimte gelegen, gedurende welke ter 
verlossing van de ziel een Boeddhistische mis gevierd is, dan ziet 
men in den stoet vaak verscheidene vierkante lappen van gekleurde 
zijde of laken , elk met den bovenraud langs een stang bevestigd , die 
van den top van een langen stok, door een man omhooggehouden, 
neerhangt. Op deze banieren prijken lofspraken op den doode, of 
volzinnen, die op zijn vervlogen levensloop doelen of op zijn 
hiernamaals betrekking hebben. Bij het vieren vaD bovengenoemde mis 



90 BB LUKBEZOBOING DS& EHOY-OHINEEZEN. 

werden zij door verwanten en vrienden aan de familie geschonken , 
om er de wanden der zaal mede te sieren. In sommige landschappen 
bestaat de gewoonte, op den top van den draagstok van elk dier 
banieren een gebladerden tak te binden. Ook in de Wester-Afdeeling 
van Borneo vond schrijver dezes dit gebruik in zwang ^ en wel 
onder de kolonisten, wier heimat in de provincie Kwangtoeng ligt. 
In gezegde residentie worden ook in de achterhoede van menigen 
begrafenisstoet lange, bebladerde bamboestaken meegedragen en na 
afloop der teraardebestelling , wanneer men den terugtocht aan- 
vaardt, op het graf weggeworpen. Deze gewoonte herinnert ons 
aan ons eigen Werelddeel, waar immers ook vaak wilge- en cypres- 
takken , klimop , rozemarijn en andere immer groene planten op den 
aangevulden graf kuil worden nedergelegd. 

Heeft het gekiste lijk geruimen tijd boven aarde gestaan , dan is 
het niets ongewoons een levenden witten haan met saamgebonden 
pooten boven op de lijkbaar te zien. Dit merkwaardig gebruik schijnt 
in verband te staan met het feit , dat de haan , de aankondiger van 
den dageraad, aan de zon is gewijd en dus geacht wordt sterk be- 
zield te zijn met de levenskracht, die van dit hemellichaam uitgaat. 
Daar de ziel van den doode door het uitstellen der begrafenis van 
een groot deel harer levenskracht is beroofd , denkt de femilie nieuw 
leven in haar ie storten door haar met dien zonnevogel in aan- 
raking te brengen. Zij handelt hier dus naar hetzelfde beginsel , 
dat haar ook licht deed plaatsen naast of op het bed^ waarop de 
doode lag uitgestrekt (blz. 10), en brandende lantaarns en fakkels 
doet meevoeren in den stoet. 

Toch heeft de haan op de lijkbaar nog iets anders te doen : hij 
moet de geesten der duisternis, die den doode op den weg naar 
het graf zouden kunnen verontrusten, op een afstand houden. Op 
het eerste hanengekraai bij het krieken van den dag zoeken alle 
spoken en demonen een goed heenkomen ; de haan is bijgevolg hun 
natuurlijke verdrijver, en als zoodanig op de doodkistbaar volstrekt 
niet misplaatst. 

Zeer dikwijls ziet men in China twee echtgenooten in een en 
denzelfden stoet grafwaarts dragen. Dit geschiedt vooral diin , als man 
en vrouw den wil kenbaar gemaakt hebben naast elkander in één 
graf te worden gelegd; de eerstgestorvene wordt dan veelal door de. 
familie boven aarde bewaard totdat ook de ander overleden is. 
Zoinigheidshalve begraaft men ook wel broeders en zusters gelijk- 
tijdig, vooral wanneer de datums van hun overlijden niet te 



DE LUKBBZOBGING DEB EMOT-OHINEEZBN. 91 

veel aiteenloopen en de graven dicht bij elkander gelegen zijn. 

Het aanta] personen in een begrafenisstoet van den eersten rang 
loopt veelal op tot verscheidene honderden. Niet zelden bevat hij 
een vijftigtal draagtenten, zoodat, daar deze in den regel ieder 
door vier man getorst en door twee vlaggedragers en een achttal 
muzikanten geëscorteerd worden, wij reeds tot het aanzienlijk getal 
van 700 man komen. Voegt men daarbij den mandarijn , die de 
zielbanier draagt, met zijn talrijke volgelingen, verder de 16 
of 32 kistdragers, de lieden die zich met het toezicht op de 
voornaamste onderdeden van den stoet hebben belast, en de treu- 
rende üsimilieleden in de achterhoede — dan zal zeker van geen 
overdrijving gesproken kunnen worden, wanneer men het aantal 
deelnemers op duizend schat. En wat nu ter aiLdere zijde de begrafe- 
nissen der armste klassen betreft, die zich met het hoognoodige 
personeel moeten tevreden stellen: in deze ziet men slechts een 
papierstrooier, een of twee klarinetblazers, die een armzalig draag- 
tentje met het zielebord escorteeren, vier kistdragers, en eenige 
weinige treurenden achter in den stoet. 

Men stelle zich toch vooral niet voor, dat een Chineesche begra- 
fenis een stichtelijk schouwspel oplevert, een eenigszins beschaafd 
volk waardig. In verreweg de meeste gevallen wekt zij in den vreem- 
deling niets dan walging op. Om zich zooveel mogelijk te ver- 
rijken, l\uren de ondernemers als dragers van lijk, draagtenten, 
lantaarns en banieren, een slag van lieden die het goedkoopst te 
krijgen zijn , nl. het schuim van de straat en opiumrookers , zel& onbe- 
schaamde straatjongens, daar deze zich voor nog minder loon laten vinden 
dan het volwassen uitvaagsel. *s Winters zijn al die lieden in eenige 
vuile kleedingstukken gestoken ; ^s zomers loopen zij eenvoudig met 
het gansche bovenlijf naakt. Zelfs de muzikanten en huurlingen , die 
nog een soort van uniform dragen , maken geen beteren indruk ; hun 
kleeren toch dragen de duidelijkste sporen van overlang gebruik en 
volkomen onbekendheid met het begrip reinheid. Li si tsit-ê 
ki&h tsh^i-ki e (128): ^Qij zijt drager van een decoratie vlag ^, 
en Li si tsit-e kung hoén-ting e (129): //Gij zijt de drager 
van een zieletent n , zijn in Emoy scheldwoorden van de grofste soort. 

Nauw heeft de stoet zich in beweging gesteld, of de gansche 
a&ichtelijke bende schijnt het noodzakelijk te vinden op onstich- 
telijke wijze te schreeuwen, te kijven en te gillen. De voor- 
mannen van elke draagtent kennen geen ander middel dan dit om 
den achter hen komenden wenken te geven, en deze schreeuwen en 



92 DE LUKBEZO&OING D£& EMOY-OHINEEZEK. 

schelden even hard terug , terwijl zij , die langs den stoet heen en 
weer draven om te voorkomen dat het eene gedeelte zich te traag , 
het andere zich te snel voortbeweegt, zich niet minder onbetuigd 
laten in het gebruiken van hun tong. Het loê o. .o. .o., der 
politiedienaren klinkt daarbij telkens door de straat, begeleid 
door luide slagen op de dofklinkende gongs. Doch het rumoer 
en geraas , door het ineensmelten van al die geluiden ontstaan , 
wordt overstemd door de schrille tonen der talrijke klarinetten, het 
geraas van cimbalen en trommen , het klagende geluid der bazuinen. 
Neemt men hierbij nog in aanmerking^ dat elk muzikant er maar 
op los speelt zooals hem zelf behaagt, dan zal men licht be- 
seffen dat een begrafenis in Zuid-China meer gelijkt op een helsche 
kermis dan op een plechtigheid , die dienen moet om een overledene 
de laatste eer te bewijzen. 

Daar de straten der steden meestal zeer nauw zijn en met gewone 
voetgangers, venters en vrachtdragers opgevuld^ wordt de orde van 
den stoet elk oogenblik verstoord en ontstaan vaak groote gapingen. 
Menigwerf vonden wij bij het binnentrekken eener stad de voorhoede 
van een begrafenisstoet rustig en wel buiten de pooit zitten wachten 
op de rest, die wij meer dan een half uur gaans verderop in de 
stad tegenkwamen. Gewoonlijk heefL de ondernemer het meeste 
schuld aan die wanorde; want, voor dienzelfden dag nog andere 
begrafenissen aangenomen hebbende , drijft hij de voorsten tot spoed 
aan, ten einde de achterhoede op die wijze te dwingen haast te 
maken. A%escheiden hiervan is het een algemeene regel, dat be- 
grafenissen zich voortbewegen met vluggen tred, in een tempo dat 
wij versnelden pas zouden noemen. 

Het is een aangenomen gewoonte, dat de zoons zich op weg naar 
het graf op drie of meer plaatsen omkeeren, om neer te knielen 
en het voorhoofd tegen den grond te buigen. Hierdoor betuigen 
zij den achteraan komenden stilzwijgend dank voor de eer, den 
overledene bewezen, en geven zij tegelijkertijd te kennen dat zij 
niet verwachten dat de belangstellenden de vriendschap zóó ver 
zullen drijven van nog verder mede te gaan. Eenigen schieten dan 
op de knielenden toe om hen op de been te helpen, terwijl een 
daartoe aangewezen bloedverwant met verhefiSng van stem roept: 
>/Gelid van edele heereu , de van kinderplicht vervulde zoons dankeu 
u voor uwe tegenwoordigheid!// (130). Een deel der edele heeren, 
die minder nauw aan den overledene door banden van bloed- of 
aanverwantschap verknocht zijn, verlaat nu den stoet om naar huis 



DS LUXBEZORGING DER ElCOY-CHmSEZEN. 93 

terug te keeren, en wel in draagstoelen^ te hunnen behoeve door 
de &milie voor gratis gebruik ter plaatse gestationeerd. Op dezelfde 
plaats bevindt zich ook minstens één bloedverwant^ die nauwkeurig 
aanteekening houdt van de namen dergenen die heengaan , omdat de 
welvoegelijkheid eisclit allen ^ die den doode uitgeleide hebben 
gedaan , later bij wijze van dankbetuiging met een geschenk in geld 
of eetwaren te vereeren. 

Tot zoover de begrafenisstoet zelf. Thans een enkel woord over 
de wijze, waarop het volk zich gedraagt wanneer hij voorbijtrekt. 

De zedenwet eischt , dat een ieder voor een begrafenis uit den weg 
ga. 2^1fs hooggeplaatste mandarijnen, die met hun lange rij van 
volgelingen er een tegenkomen, blijven, als de straat te nauw is 
oni elkander te passeeren , kalm wachten tot het lijk en de rouwende 
&milieleden voorbij zijn. Handelde men anders, dan zon men oorzaak 
kunnen wezen dat het gelukkige uur^ voor het nederlaten van de 
kist in het graf aangewezen, door oponthoud verstreek en dus de'n 
doode en zijn &milie groot onheil werd berokkend. Niemand in 
China zou zoo iets op zijn geweten durven nemen. 

Ontmoet een lijkstatie een stoet, die een bruid naar het huis 
van haar toekomstigen levensgezel geleidt, dan voorspelt zulks voor 
beide partijen geluk. De begrafenisstoet bevat namelijk zooveel spook- 
en kwaad verdrijvende elementen, dat de weg, waarover de bruid op 
haar beurt gedragen zal worden, volkomen gezuiverd is; geen onheil- 
brengende invloeden kunnen zich dus aan haar hechten en het 
huiselijk geluk van haarzelve en hare nog ongeboren nakomelingen 
verwoesten. En de bruidsstoet van zijn kant straalt invloeden over 
het lijk uit, die, met hetzelve in het graf gedaald, oorzaak zullen 
zijn dat in de nakomelingschap van den doode vele gelukkige huwe- 
lijken gesloten worden. 



HOOFDSTUK VUL 



DE TE&AAKDSBESTELLING. 

Ingeval het graf tegen een berg is gelegen , richten de zoons , 
op de plaats gekomen waar de weg begint te hellen, op de zoo 
straks beschreven wijze voor het laatst een uitnoodiging tot de 
vrienden en bekenden om zich uit den stoet terug te trekken. 
Ditmaal geven allen aan dien wensch gehoor, in de overtuiging, 
dat hun welJicht invloeden aankleven die storend zouden kunnen 
werken op het gelukkige uur, met zooveel zorg tot het nederlaten 
van de kist in het graf gekozen. Indien de familie des overledenen 
welgesteld is, zal zij nooit nalaten eenige zwervende gaarkoks met 
draagbare kookkacheltjes op deze plaats van afscheid te posteeren , 
en dus den heengaanden gelegenheid te bieden zich gratis met 
eenige spijzen te versterken v66r zij den terugtocht aanvaarden. 
Aan een lid der familie is de taak opgedragen dien koks een bon 
uit te reiken voor eiken schotel voedsel, dien zij afleveren; later 
kunnen die papieren bewijzen aan het sterfhuis tegen klinkende 
munt worden ingewisseld. 

De dragers der kist zetten hun vracht aan den voet van den 
berg neer, en nemen de gansche katafalk uit elkaar.- Dan leggen 
zij den langen draagboom in de lengte over de kist en binden 
hem door middel van touwen er op vast; vervolgens werpen zij 
het geborduurde kleed los over alles heen en dragen de kist, dus 
van eiken overtoUigen last ontdaan, tegen de helling op. Zulke prac- 
tische maatregelen worden niet genomen als het graf in de vlakte 
is gelegen en het pad dus aan het derwaarts dragen van de geheele 
katafalk geen hinderpalen biedt. De ledige draagtenten, van belang- 
stellende vrienden afkomstig, en de begeleidende muzikanten blijven 
op dezelfde plaats achter. 

Onder toezicht van den //wind- en waterprofessor >/ , die voor de 
f&milie het graf heeft uitgezocht, is inmiddels door eenige zoo- 
genaamde th6 kong (131) of //aardwerkers>/ de graf kuil in ge- 
reedheid gebracht. Mochten na het overlijden meer dan zeven dagen 
verloopen zijn en de dagenprofessor dus een gelukkig uur voor het 



DE LUKBEZOROING BU DE EKOT-OmNESZEN. 95 

neerlaten van het lijk in het graf hebben aangegeven (zie blz. 57) , 
dan dient de processie rustig te wachten tot dit tijdstip is aan- 
gebroken. Daarom wordt de kist zoo lang op den rand der groeve 
gelaten en slenteren allen , de zoons niet uitgezonderd y keuvelend 
en rookend heen en weer. Geen doodengehuil of eenig ander teeken 
van droefheid wordt inmiddels vernomen; ook de muzikanten laten 
gedurende het wachten hun instrumenten onaangeroerd. 

Meestal acht de familie het heilzaam, ja noodzakelijk, in den 
kuil eenige gelukaanbrengende zaken uit te zaaien , alvorens er de 
kist in neer te laten. Een der grafdelvers daalt er daarom in af 
en plaatst in elk der vier hoeken een of meer koperen geldstukjes, 
door de familie verstrekt, terwijl hij hardop zegt: //Ik leg hier geld 
neder, opdat uwen zoons en kleinzoons rijkdommen zullen toestroomen//: 
An tstn, beh ho ki6»g-sun tsin tsat (132). Een bevestigend 
hó ah der omstanders verhoogt de goede uitwerking van dezen 
wensch. Onnoodig te zeggen, dat wij hier te doen hebben met een 
gebruik van dezelfde soort als waarvan er bij het gereedmaken der 
kist eenige in acht genomen werden^ en dat de geldstukjes het 
graf het vermogen moeten toebedeelen rijkmakende invloeden over 
de nakomelingschap uit te storten. Ook de vijf graansoorten en wat 
ijzeren spijkertjes worden in den graf kuil gestrooid, met volkomen 
dezelfde bedoeling als waarmede men ze in de doodkist uitzaaide 
(zie blz. 48): derhalve spreekt men er ook ongeveer dezelfde woorden bij. 

Doch dat geld, die granen en spijkers kunnen eerst d^n in het 
graf tot vollen wasdom geraken als geen kwade invloeden er hun 
storende werking in doen gevoelen. Mitsdien dient men deze nood- 
zakelijk uit den kuil te drijven. Een ijzeren pan met vuur, waarop 
eenige stukjes .//zuiverings wierook// liggen te smeulen, wordt tot 
het doel door een grafdelver in de groeve gehouden en langs de 
wanden bewogen. Meer afdoende echter dan dit tsing khbng(133)of 
/^reinigen van den kuil^ werkt de volgende plechtigheid , die slechts 
bij begrafenissen van rijken en aanzienlijken, en dan nog bij hooge 
uitzondering, door den wind- en waterprofessor verricht wordt. Bloots- 
hoofds, met zwartgemaakt gelaat en loshangende haren, plaatst zich 
deze geleerde man , anders de deftigheid in persoon , met een zwaard 
in de hand op den top eener verhevenheid dicht bij het graf, waar 
zijn onderzoekingen hem geleerd hebben dat de zoogenaamde thiën 
tik hung (134): //streek der zegeningen des hemels//, gelegen is, 
d. w. z. de plaats waar de goede gaven der natuur, die de Wind- 
en Waterleer zich ten doel stelt op de graven te doen samenvloeien , 



96 BE LUKBEZORtilNQ BIJ DE EMOY-CHINEEZEN. 

geconcentreerd zijn. Eenige oogenblikken staat hij daar, luidkeels 
schreeuwende en als een bezetene met zijn zwaard om zich heen 
slaande, opdat de goede invloeden toch uit hun latenten toestand 
zullen ontwaken en aanstonds op het graf hunne werking oefenen. 
Dan strooit iiij met kwistige hand velletjes papieren geld om zich 
heen ten behoeve van de onzichtbare spoken, die anders zekerlijk, 
hun boozen aard getrouw, de heilzame gevolgen van zijn optreden 
tot nul zouden herleiden ; eindelijk holt hij , gillende en met zijn 
zwaard in het rond hakkende, den heuvel af, om een algemeene 
paniek onder het spokenheir teweeg te brengen. Zich hierop in den 
graf kuil werpend , wentelt hij er zich gedurende eenige oogenblikken 
over den bodem, onder het uitstrooien van nog meer papier, en 
klimt ten slotte de groeve uit , waarin nu de doode kan worden 
neergelat-en. Trommen en goügs werken intusschen ijverig tot het 
verdrijven der spoken mede, en ter vermeerdering van het lawaai 
worden donderbussen , alsmede een groote menigte voetzoekers 
afgestoken. 

Dit zonderlinge optreden des professors staat bekend onder den 
naam hoah soan-lïng(135), >yde zegenende werking der heuvelen 
toeroepen// ; men noemt het ook wel koen soa^^-Hng (186) , 
//die invloeden aan de kook maken//. Natuurlijk ontvangt de pro- 
fessor een extra betaling voor dit gedeelte van zijn werk. Want het 
verdrijven van spoken is een zeer gevaarlijke bezigheid , die waarlijk 
wel voor een buitengewone geldelijke belooning in aanmerking mag 
komen. 

Nu plaatsen de lijkdragers den draagboom in de richting van de 
lengte over het graf, zoodat de kist, die er aan vastgesjord is, in de 
groeve komt te hangen; dan maken zij , onder luid geraas van de gongs , 
cimbalen en trommen, de touwen los en vieren de kist naar 
omlaag. Verheugde de doode zich bij zijn leven in het bezit eener 
ofScieele waardigheid, dan worden uit de donderbussen schoten 
gelost, des te grooter in aantal naarmate de rang hooger was; de 
muzikanten en politieagenten vergen op dit oogenblik bijna het 
onmogelijke van hun longen en kelen ^ terwijl de rouwende afstam- 
melingen een luid gehuil aanheffen. De meeste omstanders treden 
een paar stappen achteruit , opdat han schaduw niet in den kuil valle : 
blz. 47 leerde ons , dat een soortgelijke voorzorg genomen wordt bij 
het sluiten der kist. Doch noch grafdelvers , noch kistdragers wijken 
terug, aangezien zij hnn hoofddoek stevig om het middel gewonden 
hebben en hun schaduw zich mitsdien niet van hun lichaam scheiden 



BS LUKBEZOAGINO DER SllOY-GHIN£EZBK. 97 

kan. En de professor met zijn helpers zijn wijs genoeg zich aan die 
zijde van het graf te scharen , welke van de zon afgekeerd is. 

Nauwelijks heeft de kist den bodem van het graf bereikt, of de 
professor treedt nader, ten einde zich door middel van een span- 
lijntje en een kompas te overtuigen, of zij wel juist in de lengteas 
van den kuil staat. Met behulp van houweelen en handspaken ver- 
zetten de doodgravers haar volgens zijne dïinwijzingen , en lichten 
haar ten slotte een weinig op, om gelegenheid te geven tot het 
verwijderen der touwen. Het duurt vaak zeer lang vóór dat de kist 
tot volkomen genoegen van den wind- en watermeester op haar 
plaats is gesteld. Mocht namelijk de stand slechts een onderdeel van 
een duim afwijken van de richting , door zijn diepzinnige berekeningen 
als de juiste aangegeven , het graf zou niet alleen over de nakomeling- 
schap geen zegeningen uitzenden , maar haar doorloopend met allerlei 
onheilen bezoeken. 

Het eerste werk der zoons is thans hunnen rouwstaf van zich 
te werpen. Onmiddellijk echter worden al die voorwerpen door een 
der familieleden opgeraapt en aan het hoofdeneinde van den kuil naast 
elkander in den grond geplant. Terwijl nu de muziek luide weer- 
klinkt en de politieagenten hun loê o. o. doen hooren^ neemt de 
oudste zoon den zielelap, de tweede het met rood doek omwonden 
tablet en de derde den wierookpot uit de draagtent, en zetten die 
voorwerpen aan het voeteneind van het graf, op zoodanige wijze 
dat het laatstgenoemde vóór de beide andere komt te staan. De 
hoofdman der grafdelvers legt het tablet op de kist, terwijl de 
zoons , met wierookstaai^es in de handen , nederknielen en uitroepen : 
Lao pê (lao boó) ah, khi laï (137); ^Vader (moeder) sta op!/i' Door 
deze bede wordt een gedeelte der materie, waaruit de ziel bestaat, 
er toe gebracht zijn intrek te nemen in het tablet en dit dus ver- 
heven tot werkelijk duplicaat, tot hulplichaam van den doode, 
bestemd om als schutspatroon te worden opgesteld in den huiselijken 
kring en daar voor eeuwig de offers en vereering der nakomelingschap 
te ontvangen. 

Nadat nu de grafdelver het tablet den oudsten zoon toe- 
gereikt en deze het vol eerbied weer aan het voeteneinde van den 
kuil gezet heeft, doen de zoons in het voorpand hunner rouwpij 
een handvol aarde en laten die op de kist vallen. Deze hande- 
ling heet phè thö (138), d. i. >raarde opnemen in den hoek 
van het kleed>r. Waarschijnlijk heeft zij ten doel te toonen, dat 

zij eigenhandig aan het begraven van hun vader of moeder 
ö« Volgr. vn. 7 



98 DB LUKBEZOBGING DEU ElfOl-OHIKEEZEN. 

medewerken Behoeven wij hier in herinnering te brengen, dat ook 
in vele streken van Enropa de gewoonte bestaat dat hij , die een 
bloedverwant naar de laatste rustplaats heeft begeleid, een schop 
aarde op de kist werpt? 

De zielbanier , het voertnig van den geest des dooden op weg naar 
het graf, wordt nn van den stok , waaraan zij omhoog gedragen werd , 
losgemaakt en over de Irist heen gespreid. Den naam van den hoog- 
geplaatste, die er, zooals het heet, het opschrift op heeft geschilderd, 
durft men echter niet in het graf plaatsen^ uit vrees hem onheil 
te berokkenen ; men scheurt dien er dus zorgvuldig af. Met het oog 
hierop staat hij geschreven op een a&onderlijk stukje roode zijde, 
los op de banier geplakt. Men ziet derhalve , dat ook de Chineezen het 
individu tot op groote hoogte vereenzelvigen met zijn naam : een 
karaktertrek die , zooals de ethnographische wetenschap leert , evenzeer 
bij andere volkeren valt op te merken. 

Ook den zielelap, die tot op dat oogenblik den geest van den 
doode geherbergd heeft, legt men in het graf. De leisteenen, 
waarin de levensbeschrijving van den doode gegrift is, mitsgaders 
de kandelaars met den wierookbrander , die op weg naar het graf 
een plaats in het voor die steenen bestemde draagtentje vonden, 
komen v66r het voeteneind van de kist en , ingeval het kisten op een 
dag van /i^verdubbeling des sterfgevals/i^ heeft plaats gehad, vergeet 
men niet het doosje met den kakkerlak of de luis ergens een plaatsje 
te geven. Eerst dan komt de beurt aan de pakjes asch van het 
schatkamei^ld (zie blz. 89). Eindelijk legt men over de kist 
eenige vellen geolied papier en een laag stioo, en vult ten slotte 
den kuil aan met een waterig mengsel van aarde en kalk, dat 
spoedig hard wordt en dan een soort van gewelf vormt, hetwelk 
de kist tegen verplettering vrijwaart wanneer het hout na verloop 
van tijd tot ontbinding overgaat. 

Yalt er onder het verrichten van al die werkzaamheden een 
malsche regen, dan verheugt de fiEimilie zich van harte. De Chinees 
toch, wiens land zoo vaak door oogstvemielende droogte geteisterd 
wordt , rangschikt den regen onder de grootste zegeningen der natuur, 
want zonder regens geen voedsel, kleeding of rijkdom. Over- 
vloed van deze goede gaven zal dus heerschen in de familie, als 
de hemel zijn regen uitstort in de laatste rustplaatsen harer dooden , 
de bronnen van haar voorspoed en geluk. 

Middelerwijl toefde op eenigen afstand van het graf, hetzij in 
een woning door dé &milie a^ehuurd, hetzij onder een tentje van 



BS LUXBSZOBGING BEU EKOT-OHINEEZEN. 99 

harentwege opgeslagen, een mandarijn in werkelijken staatsdienst of 
met titnlairen rang, met zijn gewonen stoet van lictoren, 
soldaten, dragers van titelborden, dienaren enz. Beeds verscheidene 
dagen van te voren is hij in optima forma uitgenoodigd daar te 
verschijnen^ ten einde een plechtigheid te verrichten, waardoor de 
ziel van den overledene blijvend in het tablet gevestigd zal worden. 
Alleen families van rang en aanzien natuurlijk kunnen zich de 
weelde veroorloven zulk een hooggeplaatste persoonlijkheid bij 
eene be^^fenis te doen optreden. 

De twee Sierlijke Talenten , belast met het toezicht over het draag- 
tentje hetwelk het diploma van de ambtelijke waardigheid des over- 
ledenen bevat (zie blz. 81), begeven zioh^ begeleid door een korps 
muzikanten^ deftig naar dien magistraat, en verzoeken hem, met 
inachtname van alle vormen van beleefdheid, aan het graf te 
verschijnen. Snel drinkt hij het laatste der vele kopjes thee leeg, 
die hem door de zorg der familie zijn toegediend, klimt in 
zijn draagstoel en schaart zich met zijn gevolg achter de Talenten. 
Natuurlijk wordt zijn komst plechtig aangekondigd door een luid 
I o é o. o. o. , door schoten uit de donderbussen en slagen op de 
gongs. Halverwege komen hem de zoons en kleinzoons tegemoet 
en ontvangen hem in knielende houding. Indien zijn rang het ge- 
doogt , verlaat hij even zijn' palankijn om hen tot opstaan aan te 
moedigen^ doch neemt daarna onmiddellijk zijn plaats in het 
voertuig weer in. 

Bij het graf zijn voor den mandarijn een tafel en een stoel ge- 
reed gezet. Het gevolg schaart zich ter rechter en ter linker zijde. 
Met den rug naar de zon of naar het Oosten heen , knielt de oudste 
zoon voor hem neder en houdt het zielbordje met beide handen op 
den rug. Een der voornaamste omstanders ne«mt hierop van dit 
voorwerp het penseel en de staaf inkt weg; laatstgenoemde wordt 
met water bevochtigd, of, zoo er een haan op de kist werd mee- 
gedragen, met een droppel bloed, verkregen uit een insnijding in 
den kam van . dien vogel ; dan doopt men het penseel er in en stelt 
dit den mandarijn ter hand. Deze heeft intusschen het tablet van 
den rooden lap en de rist koperstukjes ontdaan en houdt beide met 
het penseel in de rechterhand. Het geroep der politiedienaren en 
het gekrijsch en geraas der muziek weerklinken luider dan ooit. 
Nadat hij over de punt van het penseel zijn adem heeft laten 
gaan, wijst de mandarijn er mede naar de zon en plaatst ernstig 
en deftig verschillende stippen op de voorzijde van het tablet. Eerst 



100 BE L0KBEZOBaiN6 DER EMOT-CHINEEZEN. 

merkt hij den bovenkant, waarop veelal een door wolken omgeven 
zon is afgebeeld, zeggende: Tïëm thiën, thiën tsjhing (139), 
//Ik stip den hemel aan, schijn, o hemel, in al uwe zuiverheid i^r 
Dan toekent hij op dezelfde wijze het voetstuk, met de woorden: 
Tlëm tê, të Hng (140), ^Ik teeken de aarde, doe, o aarde, de 
door de natuur in u gelegde kracht in werking komen 1^ 

Zijn aldus de zegenaanbrengende invloeden van hemel en aarde 
gesommeerd op het tablet te werken en daardoor voor immer het 
geluk der ziel te verzekeren, dan zet de mandarijn op ongeveer de 
helft van de hoogte een stip links en een stip rechts^ met de woorden : 
Tlëm nl,nl tshong (14il), »Ik teekeh de ooren , weest scherp, 
o ooren I/I' Dan volgen weer twee stippen^ en wel een weinig meer 
naar het midden, met den volzin: Tlëm bók, bók bing (142), 
4rlk teeken de o(^n^ weest scherpziende, o uogen!^ Vervolgens 
komt het teeken ^zoons// aan de beurt , hetwelk met de namen van 
de zoons, die het zielbordje oprichten , ter zijde van de centrale letter- 
kolom prijkt, die den naam en de titels van den overledene bevat ; de 
woorden, hierbij uitgesproken, luiden: Tlëm Iftm, Iftm tiöng sioê 
(143), ^Ik teeken de zoons, bereikt een hoogen leeftijd, o zoons I^r 
Eindelijk plaatst de mandarijn een stip op het teeken fftshlei»^ het 
allerlaatste in de zooeven genoemde centrale kolom letterteekens , 
zeggende: Tlëm tsóe, ts6e hlën ling (144), /fik teeken het 
tablet, spreid geestelijke bezieldheid ten toon, o tablet!// 

Deze laatste woorden toonen ten duidelijkste wat de strekking 
der plechtigheid is: zij dient om de ziel van den doode^ die door de 
oproeping, op blz. 97 beschreven, reeds in het tablet overging, er 
onafscheidelijk aan te verbinden. Dank zij de kracht der woorden , zal 
zij voortaan met de zegenrijke invloeden van hemel en aarde om- 
geven zijn, de gebeden en aanroepingen der levenden aanhooren, 
een open oog voor hunne behoeften hebben en hun dus tot steun 
zijn, waar zij hulp verlangen. Zij zal zorgen, dat de kinderen 
en kindskinderen lang en gelukkig leven en bijgevolg in staat zullen 
wezen van geslacht op geslacht de ziel ofiers te brengen en eer te 
bewijzen. In één woord, het stippen heeft ten doel leven te gieten 
in het tablet, of, juister gezegd, in de ziel, die er in huist en er 
mede vereenzelvigd is. Men doet de plechtigheid verrichten door een 
mandarijn, opdat de invloeden, door hem over de ziel uitgestraald, 
deze het vermogen zullen schenken mandarijnen onder haar nakome- 
lingen te doen geboren worden ; het doel is dus hier hetzelfde als dat , 
waarmede men zulk een hooggeplaatst persoon bezigt voor het dicht- 



BE LUKBIZOBGING I>£K EMOY-OHIKESZIN. 101 

nagelen van de doodkist en het dragen der zielbanier. Onaanzienlijke 
&milies echter, die geen mandarijn voor zich kannen laten optreden, 
laten het stippen van het tablet aan een letterkundig gegradaeerde 
of een geleerde over , ook wel aan een oud of welgesteld man, 
die zich voor de plechtigheid veelal tooit met het op blz. 22 be- 
schreven ofierkostuum. De volksklasse laat in den regel de plechtig- 
heid voor een extra fooi maar door den wind- en waterprofessor ver- 
richten, daar deze toch ook tot de geleerde of hoogste kaste behoort. 

Het valt nu terstond in het oog, waarom het tablet onder het 
stippen naar de zon of naar het Oosten wordt gekeerd, d. i. naar 
het hemellicht of de hemelstreek waar warmte en licht, bijge- 
volg leven geboren worden. Ook is het duidelijk waarom de man- 
darijn over het penseel ademt: — de adem toch geldt in China als 
de uiting van leven , ja als de levenskracht zelve. De gebezigde inkt 
moet rood wezen, dewijl rood de kleur is van vuur en licht, en als 
zoodanig in het bijzonder ook met levenswarmte geassimileerd wordt. 
Eindelijk is het begrijpelijk dat men dien inkt bevochtigt met het 
bloed van een haan. In zijne hoedanigheid van zonnevogel is dit 
dier immers drager van leven en levenskracht, zooals reeds op blz. 
90 werd gezegd. 

Den lezer zal het ook wel duidelijk wezen dat de geldstukjes , die 
de mandarijn bij het teekenen van het tablet in de hand houdt, 
dienen moeten om het nakroost door tusschenkomst van de ziel 
rijk en vermogend te maken. Wij voegen hier nog aan toe, dat bij 
begrafenissen van zeer hooggeplaatste personen de woorden, welke 
met het teekenen van het bordje gepaard gaan , vaak worden uitge- 
sproken door een der Sierlijke Talenten, die in ééne moeite de 
zinnen uitspint tot ellenlange gelukwenschen , in gezwollen stijl 
uitgegalmd. 

Heeft de mandarijn zijn gewichtig werk geëindigd en onder het 
afvuren der donderbussen het penseel weggeworpen, dan nadert hij 
het graf, aan welks voet het tablet middelerwijl is neergezet, met 
het voornemen er zich voor den doode in het stof te buigen. Doch 
de zoons beletten hem dit plan ten uitvoer te brengen; fluks 
werpen zij zich voor hem op de knieën , hiermee te kennen gevende , 
dat noch zij , noch de doode zulk een eerbewijs waardig zijn. In 
waarheid echter komt de zaak er op neder dat zij geen lust gevoelen 
het geldgeschenk, hetwelk zij den grooten man voor zijn op- 
treden zullen te betalen hebben , te vergrooten , hetgeen zij stellig 
zouden behooren te doen indien zij hem toestonden zich voor den doode 



102 DE LIJKBEZOBOINO OER EMOY-GHINEEZBK. 

ter aarde te werpen. Met het noodige ceremoDiëel doen zij daarop den 
mandarijn uitgeleide, zonder te vergeten den bekenden rooden lap over 
zijn draagstoel te hangen. 

Terwijl de boven beschreven plechtigheden van stapel loopen , 
schikken eenige verwanten en dienaren de op blz. 89 vermelde 
offerspijzen gedeeltelijk aan het voeteneinde van het graf, gedeeltelijk 
een weinig meer naar de rechter- of linkerzijde, waar eerlang ter 
eere van den God der Aarde een altaartje zal opgericht worden. 
Gewoonlijk zet men beide offeranden op den grond; bij begrafe- 
nissen van personen van aanzien echter bezigt men soms voor het 
offer aan gezegde godheid eén tafel. Behalve uit eetwaren van ge- 
mengden aard, bestaat het laatstgenoemde bij de rijken uit de vijf 
vleeschsoorten , op blz. 73 opgesomd; de armen brengen het getal 
dezer vleeschschotels tot drie terug. 

Is de mandarijn, die het tablet met stippen voorzag, afgetrokken, 
dan begeven de Sierlijke Talenten zich andermaal naar het huisje 
of de tent, waar een tweede mandarijn dit oogenblik verbeidt. Met 
dezelfde beleefdheidsvormen , jegens zijn voorganger in acht genomen, 
wordt hij uitgenoodigd naar het graf te gaan, en aldaar even 
plechtstatig ingehaald. Onmiddellijk plaatst hij zich voor de offer- 
ande, die vooc den God der Aarde is klaargezet , ontvangt uit handen 
van een der Talenten drie smeulende wierookstaaQes , biedt die den 
god aan door ze met een kleine buiging van het lichaam tot op 
de hoogte van het voorhoofd op te heffen, en overhandigt ze aan 
den anderen gegradueerde, die ze eerbiedig in een wierookbak steekt 
wdke te midden der offerartikelen prijkt. Daarop knielt de mandarijn 
op een mat neder en buigt het voorhoofd driemaal ter aarde, terwijl 
tegelijkertijd , rechts achter hem , zijn voorbeeld door een der familie- 
leden gevolgd wordt. Dan staat hij op , begeeft zich naar zijn draag- 
stoel en vertrekt met hetzelfde eerbetoon als zijn voorganger. Gedu- 
rende zijn vereering van den Aardgod worden zijn handelingen 
en bewegingen naauwkeurig geregeld door een der Talenten , die 
met luider stemme in het Mandarijn Chineesch alles uitroept wat er 
door hem gedaan moet worden. 

Men ziet dus, dat het aantal der mandarijnen, die in zeer aan- 
zienlijke begrafenissen optreden , niet minder dan drie bedraagt. De 
laatste zet de kroon op het groote werk , want door zijn tusschen komst 
vooral zullen voorspoed , rijkdom , geluk en zegen over de nakomeling- 
schap neerdalen en wordt deze het vooruitzicht geopend dat haar 
veel zoons zullen geboren worden, voorbeschikt om hooge waardig- 



BE LUKBEZOKGING DEH EMOT-OHINBXZBN. 103 

heden te bekleeden in dienst van den Zoon des Hemels. Men 
redeneert namelijk als volgt. In het gansche heelal heeft de Keizer 
slechts één wezen boven zich , en wel den Hemel , wiens eenige Zoon 
en Stedehouder hij is. Mitsdien zijn alle godheden niet alleen aan hem, 
maar ook aan zijne mandarijnen, in hunne hoedanigheid van zijne 
plaatsvervangers en gemachtigden], ondergeschikt. Een locale God 
der Aarde moet zich dus ten zeerste gevleid gevoelen als zulk een 
meerdere zich voor hem in het stof buigt en zal zich bijgevolg 
jegens de familie, door wier tusschenkomst hem die onderscheiding 
te beurt valt , erkentelijk toonen door over het graf zegeningen uit 
te storten, welke haar ten goede komen. Hoe hooger de rang van 
den mandarijn is , hoe talrijker vruchten men van zijn optreden ver- 
wacht. Vaak ziet men, dat een en dezelfde magistraatspersoon èn 
het tablet teekent, èn den Aardegod het offer opdraagt. 

Onmiddellijk na het vertrek van den mandarijn zetten de zoons de 
offerande aan laatstgenoemde godheid voort. Zij bieden hem wierook 
aan^ verrichten de drievoudige wijnplenging en buigen het voorhoofd ter 
aarde, juist als bij het offer, dat den overledene aangeboden werd 
v66r men hem uit het sterfhuis droeg (blz. 72). Een der gegradu- 
eerden .leest er luidkeels een gebed bij af, hetwelk tot besluit met 
een hoeveelheid papieren geld ten vure wordt gedoemd. Het noemt 
den mandarijn als den persoon van wien het ofier uitgaat, zelfs al 
woont hij het geenszins ten einde toe bij. Ter kenschetsing van 
den inhoud van zulk een gebed geven wij het volgende staaltje, 
hetwelk dienst deed in een begrafenis^ door ons bijgewoond. 

/fin het jaar , de maand , op den dag , in het 

Vuur heb ik (hier volgen naam en ambtstitels van den man- 

^darijn) een offerande van vleeschspijzen , wijn , lekkernijen , wierook 
/^en ofierpapier gereed gemaakt; en aangezien door middel van 
^wichelarij in dit oord een verblijfylaats is uitgezocht voor het 
^hoofd der familie N.N. (volgen naam^ titels enz. van den over- 
/i'ledene), durf ik het wagen U, Vorst van den Aardbodem en God 
^van Geluk en Zegen , deze gaven aan te bieden , met de wcbrden : 

//Groot en onmetelijk zijn de gelukzaligheden en zegeningen , door 
^U, {Glorie van de Wateren en -Bergen, der wereld toebedeeld. Gij 
//oefent de opperheerschappij over het clement Aarde uit , en , van eerbied 
/^doordrongen , kennen wij Ü dus den eerpaam van Geestelijke Kracht 
^der Bergen toe. Yftn uwen zetel oefent Gij het oppertoezicht over 
//de acht hemelstreken; in rang volgt Gij onmiddellijk op de keizers 
/ren souvereinen des rijks. Gij zijt het, die het everwicht tusscheu 



104 DE LUKBIZOBGINQ DEK EMOY-OHINEEZEN. 

/^de vier groote aardsche continenten handhaaft; Uwe zegenende 
//hand beschermt de alom heerschende invloeden van klimaat en 
//water. Seeds gednrende duizenden van herfsten hebt Gij den menschen- 
^kinderen de ofiferschalen tot overloopens toe gevuld, en zelf hebt 
ifGij tienduizenden van lenteseizoenen hun ofierdieren genoten. Het 
//hoofd der &milie N.N. daalt thans neder in deze schoone stad 
/9^(dit graf), aangelegd en opgebouwd in een omgeving die, wat 
/^voorkomen aangaat, zoo voortreffelijk is als zij maar wezen 
A^kan. Men vertrouwt dan ook, dat zijn doodsgrot in den volsten zin 
ffJJw indrukwekkende, krachtdadige bescherming zal ten deel vallen. 
>yMen legt hem neder in dit graf, opdat hetzelve oorzaak zij dat 
//zijne nakomelingschap ten eeuwigen dage uitgroeie tot een einde- 
//loozen stamboom , opdat die nakomelingschap mandarijnshoeden drage 
>/in elk geslacht. Eerbiedig heb ik U een reinen en zuiveren offer- 
i/maaltijd bereid om van mijn oprechte vroomheid getuigenis af te 
//leggen^ en, in het stof geknield, spreek ik de hoop uit, dat die 
>/in Uw oog behagen moge vinden en Gij wilt nederdalen om er de 
i/geuren van te genieten. Moogt Gij er genot van smaken !>/ 

De priesters, die de lijkstaatsie naar het graf vergezelden , hebbeu 
inmiddels ter zijde van den kuil met den grootsten ijver ziel verlos- 
sende canons, gebeden en formulieren staan prevelen, daarbij gebruik 
makende van handschellen en houten trommen. Met dit verdienstelijk 
werk zijn zij gereed tegen den tijd dat het offer aan den Aardgod 
afgeloopen is. De treurenden gaan er dan toe over de spijzen, die 
voor den grafkuil nedergezet werden, den doode aan te bieden. Zij 
gedragen zich hierbij op dezelfde wijze als bij het offeren aan den 
God der Aarde, zoodat wij ons van een beschrijving zullen ont- 
houden en met een voorbeeld van het daarbij uitgesproken offergebed 
volstaan : 

//In het jaar , de maand , op den dag en het 

^nur zetten de van kinderlijken eerbied verstoken weezen N. N. 

^/zorgvuldig een offerande van vleeschspijzen , wijn , lekkernijen , 
^wierook en papier gereed en dragen die op aan de ziel van hun 
^overleden vader, het hoofd der familie N. N. , met de woorden: 

^O, welk een leed, welk een smart! Gedurende een lang tijd- 
//perk, o Vader, waren Uw naam en faam in ons geboortedorp op 
//aller tong, en wij koesterden de hoop dat Uwer weergalooze deugd 
>/een onbegrensde levensduur zou zijn beschoren — toen Gij onver- 
^wacht zijt vertrokken naar het Paradijs van het Westen, vanwaar 
^niemand wederkeert. De ramp des doods heeft onzen vader getrof- 



DE LUKBEZOBGma DER EMOY-CHINEEZEN. 105 

4rfen v66t dat wij, in zware en diepe verdorvenheid gedompeld, in 
^staat zijn geweest de weldaden, die hij ons bewees, te vergelden. 
^Derhalve zenden wij langgerekte kreten naar het azanrblauwe 
«^hemelgewelf op en bereiden hem op deze plek een rustplaats in 
^den schoot der aarde. De zielewagen , door kraanvogels getrokken , 
^zweeft weg/ het luchtruim in; als apen krijschen wij van wan- 
^hoop en verdriet. O, wij so^eeken U, neem toch uw intrek in dit 
»^graf; laat Uw stoffelijk omhulsel afdalen in deze grot des doods, 
«rdoch Uw ziel met ons terugkeeren naar de zaal onzer woning! 
4fBij het uitspreken dezer woorden vullen onze oogen zich met 
^tranen en voelen wij ons angstig te moede. Want o , hier is niets , 
^behalve wind, boomen, struiken en twijgen; dit hoogland met zijn 
/^waterbronnen is zoo uitgestrekt^ zoo zandig; wolken en heuvelen 
isromhullen het. Uw eenzaam verblijf zal grenzenloos droevig zijn , kom 
^dus, o ziel, met ons mede naar huis! Yerblijf hier ook op deze 
^plek gedurende de vorst van de winters en den dauwval van achter- 
been volgende lentejaargetijden, zoolang de aarde bestaat, de hemel 
^duurt. Elke handvol aarde is voor ons een teug verdriet, die onze 
>ringewanden niteenrijt. O Vader, dat Uw geest met welgevallen . 
4fverwijle bij deze reine en zuivere offerbekers! O, welk een leed, 
iirwelk een smart ! Moogt Qij het offer genieten ! // 

Met een brandoffer van papier, waarbij men tegelijk het 
gebed en den geest verdrijver (blz. 79) in vlammen doet opgaan , 
wordt de plechtigheid besloten. De oudste zoon neemt het tablet 
van achter de spijzen weg en plaatst het met eerbied in de draag- 
tent , waarin het naar het graf werd gevoerd ; daarop dankt hij 
met eenige buigingen den wind- en waterprofessor voor de bewezen 
diensten^ terwijl een paar &milieleden aan alle aanwezigen, behalve 
aan de muzikanten, koelies, tentdragers en dergelijke huurlingen, stren- 
gen roode zijde uitdeden. De grafdelvers hebben zich inmiddels op de 
offerartikelen geworpen , die den God der Aarde werden aangeboden , 
ten einde die onder elkander te verdeden; doch de offers, voor de 
zid bestemd, worden van wege de familie bijeengepakt en naar het 
sterfhuis teruggevoerd. 

In dezelfde orde als waarin zij grafwaarts toog, neemt nu de 
processie den terugtocht aan. Daar het tablet^ door de ziel van den 
overledene betrokken , er thans de hoofdrol in vervult, noemt men haar 
hoiin tsoé (145), //het huiswaarts keeren van het tablet>r. Ditmaal 
acht men het niet noodig aan de spokenwerdd geld uit te deden , en 
daarom voegt de papierstrooier zich bij de betrekkingen in de achter- 



106 DE LUKBSZOBGING OER EMOT-OSINEEZSir. 

hoede. Nooit mag de ledige lijkbaar deel uitmaken van den terag- 
keerenden stoet. Want, daar de ziel huiswaarts wordt gevoerd om 
er de nakomelingschap gelukkig te maken , draagt de optocht een 
feestelijk karakter en moet dus elk voorwerp, dat aan den dood 
herinnert, er uit geweerd worden. Om dezelfde reden wordt ook onder 
weg niet geweeklaagd en klinkt de muziek v rooi ijker — wel te 
verstaan in Chineesche ooren. 

Steeds zal de terugkeerende stoet denzelfden weg nemen ak door 
den uittrekkenden gevolgd werd. Door dien doeltreiienden maat- 
regel namelijk loopt de ziel minder kans te verdwalen. De toortsen, 
bij aankomst op het graf uitgedoofd , worden weer aangestoken , om 
in de voorhoede der processie de ziel tot bakens te strekken. De 
lantarens met het opschrift: //honderden zoons en duizenden klein- 
zoons^ (zie blz. 82), opgehangen achter de draagtent die het tablet bevat, 
bewijzen nu uitmuntende diensten, doordien zij van het graf invloeden 
huiswaarts brengen, die de ziel in het tablet in staat zullen stel- 
len zichzelf en haar nakomelingschap een eindeloos nageslacht te 
verzekeren, invloeden die, zooals de lezer zich herinneren zal, door 
wijze kunstmiddelen in kist en graf werden uitgezaaid. 

Op korten afstand van het sterfhuis ziet men de achtergebleven 
vrouwen op straat geknield liggen om de ziel in te halen. Is de 
processie haar voorbijgetrokken , dan scharen zij zich in de achterhoede 
en treden daarmee de woning binnen. De oudste zoon neemt nu 
het tablet, de tweede het wierookvat uit de draagtent, en zij plaatsen 
die voorwerpen eerbiedig op dezelfde tafel die, zooals de lezer zich 
herinneren zal, vóór de begrafenis voor de lijkkist stond. Daarbij 
doen de muzikanten hun instrumenten zoo luid mogelijk weer- 
klinken, terwijl de lictoren hun gewoon loê o. o. uitgalmen. 
De hennepkleeren voor een pij en kap van gebleekt linnen of 
katoen verwisseld hebbende, gaan nu de zoons in geregelde volg- 
orde, bijgestaan door de ceremoniemeesters, wierook oSeren aan het 
tablet en daarvoor voetvallen doen. De priesters prevelen nog eenige 
formulieren en canons, en de muziek dóet zich onafgebroken hooren. 
Vervolgens handelen de overige verwanten op dezelfde wijze als de 
zoons; doch indien de tijd dringt, laten zij het wierookoffer achter- 
wege en verrichten de voetvallen met hun tweeën of drieën tegelijk. 
Ten slotte treden ook de dames uit de achter- en zij vertrekken te 
voorschijn en brengen eveneens haar hulde aan de ziel. 

Middelerwijl zijn alle sujetten van den ondernemer der begrafenis met 
de voertuigen en benoodigdheden afgetrokken , om al of niet nog een 



BE LUKBSZOBGING DER BMOT-GHINEEZEN. 107 

tweeden klant te gaan bedienen. De &milieleden en belangstellenden 
leggen nu hun rouwkleederen af en zetten zich aan verschillende tafeltjes 
neder, om den begrafenismaaltijd te genieten. Volgens voorvaderlijke 
gewoonte nemen zij bij het plaatsnemen behoorlijk ieders maat- 
schappelijken rang , stand en leeftijd in acht. De voornaamste zetels 
krijgen de mandarijnen, die bij de teraardebestelling dienst deden en, hetzij 
op eigen gelegenheid, hetzij in den stoet, hun weg naar het sterf- 
huis hebben gevonden. Natuurlijk worden ook den Sierlijken Talenten 
eerezetels ingeruimd. Naar alle richtingen zendt men bedienden uit 
om hen, die den doode naar het graf volgden doch onderweg 
omkeerden, aan het maal te noodigen. Ook vergeet men niet den 
wind- en waterprofessor en den hoofdman der grafdelvers te doen 
aanzitten : immers spreken deze lieden uit kracht van hun ambt een 
gewichtig woord mede in de ligging van het graf, en, daar deze 
het wel of wee der familie bepaalt^ is het voorzichtig en wijs* hen 
goed te onthalen en te vriend te houden. De dames van den huize 
zitten niet mede aan, dewijl de etiquette niet gedoogt dat de beide 
kunnen zich in elkanders gezelschap bewegen. Ook de zoons en klein- 
zoons gebruiken het maal in een afzonderlijk vertrek, aangezien het 
niet geoorloofd is aan feestelijke bijeenkomsten deel te nemen ^ 
wanneer men in zwaren rouw is. 

Nimmer verzuimt men, de spijzen, die zoowel bij het verlaten 
van het sterfhuis als op het graf der ziel aangeboden werden, bij 
het gastmaal mede op te disschen. Men wil namelijk de levenden 
met den doode doen deelen in een en hetzelfde maal. Heeft ieder de 
maag gegeven wat haar toekomt, dan gaan de gasten heen, één 
voor één door de zoons overstelpt met dankbetuigingen, omdat zij 
de goedheid gehad hebben den doode de laatste eer te bewijzen. 
Voor de mandarijnen werpen de zoons zich buitendien met het voor- 
hoofd ter aarde. De meeste genoodigden keeren huiswaarts in draag- 
stoelen, door de &milie op hare kosten verstrekt. 



HOOFDSTUK IX. 



Besluit. 



Alvorens de beschrijving der begrafenisgebruiken als afgedaan te 
beschouwen, moeten wij nog met een enkel woord mededeelen wat 
in het sterfhuis wordt verricht onmiddellijk i^adat de doode is uit- 
gedragen, alsook wat de &milie doet op de eerstvolgende dagen na 
het toevertrouwen van het stofielijk overschot aan den schoot 
der aarde. 

Nikuwelijks is de kist uit de zaal verwijderd, of een der vrouwe- 
lijke familieleden of kennissen, die den naam heeft een geluk]^ig 
wezen te zijn omdat zij een hoogen leeftijd bereikt heeft, of veel 
zoons het leven heeft geschonken, of zich met aardsche goederen 
gezegend ziet, plaatst zich op de ledige plek, ten einde door de 
gelukkige invloeden, welke haar persoonlijkheid uitstraalt , de onheil 
stichtende werking van den dood te neutraliseeren. Dit goede 
resultaat wordt nog in de hand gewerkt door haar kleeding, 
waaraan namelijk geen spoor van rouw te ontdekken valt, en door 
bloemen van klatergoud, die haar lokken sieren. Dikwijls ook ver- 
richt een manspersoon, die soortgelijke benijdenswaardige eigen- 
schappen in zich vereenigt, dit nuttige werk. 

Nadat het gelukkig individu eenige oogenblikken op de bewuste 
plek heeft doorgebracht , verwijdert het zich , om de familie gelegen- 
heid te geven er allerhande soort van heilzame dingen op den grond 
te zetten. Vooreerst verschijnt een groote gerezen taart van rijst- 
meel, die zorgen moet dat de levensmiddelen, in het huis aanwezig , 
steeds aangroeien en zich uitzetten als gistend voedsel. Verder komen 
een mengsel van de vijf graansoorten , eenige maten ongekookte rijst , 
en een tiental eetkommetjes met evenveel paren eetstokjes — alles 
om te maken dat er in het gezin steeds overvloed van voedsel zij , 
alsook van familieleden om dien overvloed te verorberen. Nog wordt 
er, naast een handvol houtskolen, een emmer water neergezet met 



BE LUKBEZOBGING DER EMOY-CHIKEEZEN. 109 

eenige zilverstnkken en koperen penningen er in , opdat men nimmer 
aan zegeningen, door regen voortgebracht, noch aan geld en 
brandstof gebrek hebbe; eindelijk vergeet men niet een hoepel van 
bamboe ter plaatse neer te leggen, opdat al het geluk ^ door voor- 
noemde spijzen en voorwerpen in het leven geroepen, als het ware 
één afgerond geheel vorme en dus een volmaakt geluk zij. Tegen 
dat nu de stoet van het graf terug wordt verwacht , ontsteekt men 
op de plek evenveel paren roode kaarsen als het aantal zoons bedraagt, 
en , wanneer deze het sterfhuis betreden hebben , neemt elk er een 
paar van naar zijn eigen vertrekken mee , om al de opgesomde zege- 
ningen van de plek, waar de kist gestaan heeft, over te planten op 
den tak der familie, welken hij het aanzijn hoopt te geven. 

Op den dag na de begrafenis maakt het gezin verschillende porties 
eten gereed, bestaande uit eenige sneedjes vleesch van de varkens- 
koppen , die bij het afscheidsoffer dienst deden , en uit het overschot 
der spijzen van het begrafenismaal. Ieder, die een rouwbezoek heeft 
afgelegd (zie blz. IS)^ krijgt een portie thuis ^ met dien verstande^ 
dat zij , die veel doodkistpapier schonken , een grootere hoeveelheid 
spijzen ontvangen. Op deze wijze worden belangstellenden, die niet 
aan het begrafenismaal aanzaten, in de gelegenheid gesteld hieraan 
op een andere manier deel te nemen. Men is gewoon, bij het in 
ontvangst nemen van de giften der familie een tegengeschenk van 
geringe waarde aan te bieden. Meestal doet men dit bestaan uit 
eenige geconfijte lekkernijen, waarmede men den wensch te kennen 
geeft dat zoetheid des levens het deel moge zijn van het gezin, 
dat den doode betreurt. De etiquette eischt ook, dat den bood- 
schapper voor zijn moeite een belooning wordt ter hand gesteld. 

Denzelfden of den volgenden dag zendt de familie ook geschenken 
aan elk der mandarijnen , die een werkzaam aandeel in de begrafenis 
hebben genomen, en wel in de eerste plaats een aanzienlijke hoe- 
veelheid zilverstukken. Soms trekken de zoons, in witte rouw- 
kleederen gedost, ongeveer op denzelfden tijd als de boodschappers 
naar de respectieve Yamens , ten einde er om audiëntie te verzoeken 
en zich bij wijze van dankbetuiging voor de grootwaardigheid- 
bekleeders in het stof te werpen. Mocht de verhouding van deze 
tegenover de familie zó6 intiem wezen j dat men vreest geschenken 
in geld te zien afslaan, dan stuurt men hun kostbare lekker- 
nijen, waaronder eetbare vogelnestjes de voornaamste plaats innemen. 
Met zilver en andere geschenken verblijdt men ook de Sierlijke 
Talenten, alsmede den man, die zijp naam heeft geleend voor de 



110 DE LUKBEZOKGINO DER EKOT-CHINEEZEN. 

zielbanier. De laatste ontvangt daarbij tevens het stukje zijde ^ dat 
van de banier werd a%escheurd vóór men deze in het graf plaatste 
(zie biz. 98), opdat hij zichzelven overtuigen kan dat men met 
zijn naam niets verkeerds heeft uitgericht. Eindelijk krijgen ook 
de belangstellenden , die het lijk tiaar het graf volgden , zoowel als 
zij die hulppaviljoentjes stuurden, geschenken, en wel varkensham, 
roode koekjes, wierookstaa^es , ofierpapier, kaarsen enz. 



DB LUKBBZOBOINO DBB BMOT-CHINBEZBN. 



111 



18^ i#^^- 


2i^#fe. 


«ic^. 




22 j® UJ ^. 


»]1' 




23i:ift<^. 


*a^.öc«W^öc 


2*3i5fe%- 


ir.ikn^^A' 


25 m^^. 


^nm^. 


ilc^^^ 


26^0^ ï$en^^ 


öc*. 


Ht^^H 


8'±Ig. 


m 




28;^^. 


6^B^J£- 




29 ^#. 


7^ ie. 




30 ^im. 


^mmm- 




3lft^. 


^m- 




32^1»^. 


10 ür. 




33 fl^. 


11 /"vft. 




3**t@«i. 


i2)WJiE- 




35 ^.#- 


i3^;fCK- 




36 ^Jü. 


i*^ll- 




'''M%m- 


«tipj». 




38 8i^#. 


16 ^i^. 




39 #:^. 


17^^- 




*o#. 


18^ ƒ». 




*iWII^- 


wHlSli^. 




*2 at- 


30^!Öi. 




43^. 




112 



DB LDKBBZOBGINO DBB BMOT-OHINBBZEN. 



*'m^- 


^^n^mm- 




«5fem- 


69 j^. 


*^^M^' 


70 1$. 


*''um- 


7iM:t^- 


48 H£. 


73 5i jt ^• 


«ju- 


73 li. 


50ltt|5l. 


'*#rtr. llöc:2:E 


51^. 


ffiT. 


63 tK. 


'5Ü^H3g|S 


68^. 


m 


«*lt^- 


mwm^np 


55##. 


i^mmnm- 


56J|[||. 


^'i^mmm- 


"J¥W- 


"S3I0. 


ssJffiüf'J^. 


'8;^M^?BJ. 


69^:11. 


'9:^?^^®. 




60 JJ^^. 


80;^^^^ 




61 Xj». 


«i;^^^^Ê 




62^;fcK^llör:2:E 


^^:h^i^m 




m^m^*^- 


'^i^Zu^Wi 




63il?P^. 


'':hm^^ 




64 J . 


85:^Ti:Di 




^'m^^.m^zmm 


86^^. 


tÖT. 


«'Jil*:5t4=.- 


««l&mïeï5.Mör;2:E 


88 ÉiS- 


^:^*- 


8öO||ot^||. 


67-bM*ï- 


90 Ig/». 






DB LDKBBZOBaiIia DBB BMOT-GEINBBZBK. 



iia 



»« 3^ Ü fi . % Ü fi > 

96 14^. 




97 

98 JÈ. 

99 





^06 ö üif- 

08#jli^. 

Lil ^ o . 



1 
1 






4 











180 ÜJÜ- 
121^^. 

i32jÊ#r 

125 |g^. 
127 ^^. 






^ 





131 ±X. 
133 J 

i3*^l[:*r. 





114 



DB LUKBEZOBama DBB BMOT-OEmBBZSK. 





136^111 

138 IpÖ^. 











OPMERKINGEN OVER 'T GALELAREESCH NAAR 
AANLEIDING DER BEKNOPTE SPRAAKKUNST 

▼AN 

M. J. VAK BAABDA. 
(Yervolg van D. XL bis. 680). 



WEEKWOORDEN. 

(Voortzetting.) 

Samengestelde werkwoorden. Als zoodanig kan men be- 
schouwen de werkwoorden die verbonden worden met de partikels 
kn, benedenwaarts , je, opwaarts, sa, landwaarts, ko, zeewaarts^ 
no, herwaarts, ka, derwaarts. Bijv. wo ruba-ku, hij viel neder; 
mabko-je, opslaan; ni wi ngaho-no, brengt hem herwaarts, 
brengt hem, terwijl wo mi ngaho is //hij neemt haar mede.^ 
Dat zulke verbindingen als samenstellingen beschouwd moeten worden, 
blijkt ook daaruit dat de overeenkomstige substantiefvormen met 
dezelfde partikels verbonden worden; bijv. gurn-je, hoogte, eig. 
maat opwaarts , van utvl, meten. 

Hoewel deze samengestelde werkwoorden in aard geheel overeen- 
komen met onze scheidbare samenstellingen als >i'opgaan , nedervallen , 
heengaan, wegbrengen^ e. dgl. , wijkt de toepassing der partikels in 
sommige gevallen af van ons spraakgebruik. Wij zeggen bijv. //aan 
een galg ophangen//, de Gkilelareezen daarentegen liku-ku, d. i. 
naar beneden hangen , omdat het lichaam in benedenwaartsche rich- 
ting komt te hangen. Hetzelfde verschil vertoont zich ook , wanneer 
de vermelde partikels als achterzetsels gebezigd worden; bijv. wij 
zeggen //eene kroon op het hoofd zetten «r, de Galelareezen echter 
sa hè ku, klaarblijkelijk omdat hij zich de nederwaartsche beweging 
voorstelt van de hand die de kroon op het hoofd plaatst. Meer 
voorbeelden zullen bij de behandeling der voor- en achterzetsels 
aangehaald worden. 

In H algemeen kan als regel gelden^ dat men zich moet voor- 
st Volgr. vn. 8 



116 OPMEBKIKGBK OVEB V OALELAREESGH 

stellen hoe het eindpunt der beweging gelegen is ten opzichte van 
't punt van nitgang. Zoo lezen wij bijv. in Bijb. Verh. p. 256 dat 
Zacharias, uit den tempel naar buiten komende, het spraakvermogen 
bleek verloren te hebben: magéna de una wo supn-no, duma 
WO bitjara wa ^ka wa, toen kwam hij naar buiten, maar hij 
kon niet spreken. Hier is n o toegevoegd , omdat hij , van het stand- 
punt der toeschouwers, uitkwam in de richting waar zij zich be- 
vonden; letterlijk vertaald is supu-no in 't Hoogdoitsch /rheraus- 
kommen//, terwijl ^hinauskommen/s^ is supu-ka. Een voorbeeld van 
H gebruik van ku zien wij in Bijb. Verh. p. 271: o Johannes 
wa këlélo o Gikimoi Awi Gurumi, ka Wo uti-ku, deo 
Wa huku o Jesus Awi dbko ku, Jahannes zag den Geest 
Gk)ds, die nederdaalde en nederkwam op de plaats van Jezus (d. i. 
op Jezus.) 

De verbinding van een richtingaanduidend woord met een werk- 
woord van beweging komt in verscheidene Maleisch-Polynesische 
talen voor. Zoo worden in de Polynesische dialecteu bij begrippen 
als //gaan, brengen// e. dgl. de woordjes mai, herwaarts (vgl. Makass. 
mae^ Bulusch mei, Eidji mai) en atu, derwaarts, weg, gebezigd 
om de richting der beweging nader te bepalen; bijv. in H Maori 
is haere, gaan; haere mai ki konei, kom herwaarts, d. i. kom 
naar deze plaats; haere atu i konei, ga weg (d. i. ga) van 
deze plaats. Zoo ook in 't Samoa. Het karakter van eene samen- 
stelling hebben deze verbindingen nog niet aangenomen. Inniger is 
de verbinding in de taal der Marshall-eilanden, waar dok (Jav. 
tëka) een //herwaarts^ in de richting naar den waarnemer toe>/, en 
lok (Jav. laku, Boegin. loka, enz.) eene richting van den waar- 
nemer weg uitdrukt; dus is Ie- dok, hergeben; Ie- lok ^ 
weggeben; boge is //nemen//; boge-dok, herbringen, boge-lok, 
wegbrengen, wegdragen; du -lok (etymologisch = Oudjav. dyus, 
Nieuwjav. dus en laku), onderduiken, eig. wegduiken onder water. 
Geheel het karakter van samenstelling hebben in 't Aneitjumsch 
zulke woorden als pam, in de richting van den waarnemer, Mota 
ma, en pan, weg. Fam bevat zonder twijfel mai, en den stam 
van apan, gaan. Nog ettelijke andere uitdrukkingen schijnen in 
deze taal samengesteld uit een woord voor beweging en een richting 
aanduidend woordje^ als pahai, binnenlandwaarts ; pok, zeewa&rts; 
zoo ook puk e. Het is geenszins onwaarschijnlijk dat k identisch is 
met het Gal. ko en hai van denzelfden stam als sa. 

In de Bekn. Spr. § 82 wonlen de bovengenoemde partikels ver- 



NAAR AANLËIBINO DER BEKNOPTE SPRAAKKUNST. Il 7 

klaard tot afleidingen van de volgende werkwoorden: huku, ka- 
h n k u , benedenwaarts gaan ; h i j e , k a h i j e ^ opwaarts gaan , = 
Tem. ije^ terwijl mij e, noordwaarts beteekent; hbko, kahbko. 
Tem. hbkb, naar de zeezijde gaan; hisa, kahisa, Tern. is^, 
naar de landzijde gaan; hino, kahino, Tern. inb, (herwaarts) 
komen; hika, kahika, Tern. ika, (derwaarts) gaan. Yoorloopig 
schijnt mij de gegeven verklaring onjnist , en zou ik de werkwoorden 
eerder houden voor afleidingen uit de partikels , ofschoon de eigenlijke 
beteekenis van de voorgevoegde letteigrepen hi of i, ho en hu 
duister is. 

Behalve de opgenoemde partikels zijn er nog andere, die in ver- 
binding met hi of een ander formatief voorkomen. Zoo zegt men 
voor ^geven//, in het Qsl. hike en in het Tem. h^ka, het- 
welk in den zgn. causatiefvorm sihkka-waro, verkondigen, ook 
in ^t Gal. voorkomt. Ka is als achterzetsel /^aan, tot^/, waarvan 
h^ka klaarblijkelijk niets anders dan een in werkwoordelijke functie 
gebezigde vorm is, wat dan ook ha eigenlijk zijn moge; ke ver- 
schilt niet meer van ka, dan dat het een geringer afetand afetand aan- 
duidt, zooals wij reeds gezien hebben, D. XL, blz. 511, waar aangehaald 
zijn dbko endbke, beide >i'gind8^ beteekenende , maar ^t laatste 
voor korter afstanden. Uit het Temataansch is nog ra te vermelden, 
waarvan tarah en sarah, naar beneden, zuidwaarts; ook als 
werkwoord, bijv. i tarah, zij gaan naar beneden; in de beteekenis 
ffzaid/f komt sa ra ook in Qal. kore sa ra en Tobelosch kori 
sara, zuidenwind, voor. 

Eene eigenaardigheid der werkwoorden hika, hisa, hino enz. 
is het , dat zij als transitieven behandeld worden en dos naar gelang 
van den verschillenden persoon in H onderwerp ta, na, ja, enz. 
vóór zich aannemen. Dit geldt echter alleen dan, wanneer zij zonder het 
voorvoegsel ka voorkomen, want bij kahika, enz. hoort men 
zoowel to, no, als ta, na, enz. ffYoov deze afwijkingen is de reden 
niet aan te geven//; zie Bekn. Spr. blz. 46. Ook ad o, reiken, 
bereiken, wordt als transitief geconstrueerd; bijv. sidago ma ide 
ja ado o dipa je, zoodat de top er van tot den hemel opwaarts 
reikte; Bijb. Verh. § 6, 2. 

Tot de samengestelde werkwoorden worden in de Spr. § 52 uit^ 
drukkingen gebracht als h&ka waro, kennis geven , e . dgl. , 
bestaande uit een werkwoord met een substantief. 

Toestandswoordeu. Ouder toestandswoord wordt in de Gal. 
Spr. iets anders verstaan dan in de Javaansche. Het wijst namelijk 



118 OPMERKINGEN OVER ^T GALELAREESCH 

aan //dat het onderwerp verkeert in den toestand of de gesteldheid , 
die door het grondwoord wordt aangeduid// volgens § 59. Baad- 
pleegt men de teksten, dan treft men soms zinsneden aan, waarin 
bedoelde vorm een /^worden// schijnt uit te drukken; bijv. Bijb. 
Yerh. p. 260: o ngbpa magéna de i wi lamo ka, het kind 
werd groot. 

Het toestandswoord komt voor in tweeërlei vorm, al naar mate 
er gesproken wordt van iets onzijdigs of van personen. In 't eerste 
geval dient da, //het bij de eenvoudige-onovergankelijke werkwoor- 
den gebruikte i = het (voor zaken) wordt bij het toestandswoord 
vervangen door een geheel afzonderlijk voorvoegsel da, dat bij dit 
werkwoord moet beteekenen het of ze,// gelijk het heet § 61 der 
Spraakkunst. Dus da Ibha, goed, mooi; da dudu^ droog; da 
g&si, leelijk; bijv. ani diha da Ibha, zijn mes is goed; ani 
gia da dndu, uwe hand (of: handen) is (of: zijn) droog; ai 
bbki da g^si, mijne kat is leelijk; ani sininga da tobsa, 
zijn hart was boos, Bijb. Verh. § 4, 1 en § 80, 1. 

In het tweede geval wordt het logisch onderwerp uitgedrukt door 
den accusatief van het vereischte voornaamwoord , voorafgegaan door 
1, hetwelk de plaats schijnt in te nemen van een grammatisch 
onderwerp, en menigmaal weggelaten wordt, vooral indien de per- 
soon van wien sprake is, genoemd wordt. Volledig luiden de ver- 
schiUende personen aldus: 



i (d. i. i -|- i) tobsa ik ben boos 

i ni ff gij zijt 

^ wi ff hij is 

^ mi ff zij /i^ 

^ mi ff wij zijn 

^ ni ff gijlieden zijt 



ff 
ft 
ff 
ff 
ff 
ff 



>ifja ff ZIJ zijn 

Tot nadere verduidelijking der gegeven regels mogen de volgende 
voorbeelden strekken. B. Y. § 25, 2: La o ngb pëdéka magéna 
mo sibuwo o ngbpa janau moi deo mo wi nano deo i wi 
lóha-lbha, >/en die vrouw baarde eenen zoon en zij zag dat hij 
zeer schoon was.^f § 12, 2: Tanu o Ttsjak wi pêréki ka deo 
awi l&ko da marasa ka, //toen Izaak reeds oud was en zijn 
gezicht zwak.^ § 4, 3 (N. T.) : La na nano ngo Elisabeth, 
ani gia nongoru, tanu mi përéki ka, //en gij ziet hoe 
Elisabeth^ uwe nicht, reeds oud is.// § 80, 1: Magéna de ma 
kolano i wi tobsa poli, «^toen was de koning zeer boos./r 



KAAE AANLEIDING DEE BEKNOPTE SPBAAKKXJNST. 119 

§4, 1: Dadobha so ani sininga da tobsa, //waarom toch is 
nw hart boos?^ 

Dezelfde constructie wordt gebruikt bij telwoorden , wanneer van 
eene zekere hoeveelheid menechen sprake is (8pr. § 39). Dus o ngb 
pêdéka ja sinbto, vrouwen, twee zijnde, vrouwen twee in getal; 
ngomi mi sinbto^ wij tweeën; ngini ni toemidingi, gij, 
zeven zijnde; ja mogiowo deo wi moi, de tienen en de eene, 
d. i. de elven; B. V. p. 372. Magéna de ma kolano o Antio- 
kus WO sbne deo wi somoa i wi moi wo d&di o Siria ma 
kolano, toen stierf koning Antiochus en een ander werd koning 
van 8yrië>/ ; B. V. § 86, 1. /i'Alle^ van personen is ja ngodu; van 
zaken, da ngodu. Zooals men ziet, wordt i we^elaten^ behalve bij 
moi en in ja. 

Op den fegel dat het toestandswoord als gezegde van een onzijdig 
opderwerp met behulp van da gevormd wordt, komen verscheidene 
uitzonderingen voor. O.a. gebruikt men, volgens Spr. § 62, van 
lamo, groot, niet da lamo, maar i lamo. Wat de Schrijverniet 
vermeldt, is dat in H meervoud ook ja lamo gezegd wordt; ten 
minste in B. Y. p. 224 leest men manga ili ja lamo, hun 
geluid was (eig. waren) groot. Zoo ook t. a. p. du ma bna ja da- 
dala o bi &hili manga bi sahè, doch vele hoofden der stam- 
men. Yoorts is op te merken dat i lamo ook van personen ^zegd 
wordt; bijv. ma imam i lalamo, de groote priester (hooge- 
priester), B. V. p. 385. Dat lamo ook als toestandswoord kan 
voorkomen^ blijkt uit het vroeger aangehaalde voorbeeld o ngb pa 
magen a de i wi lamoka, het kind is groot geworden. In 't 
algemeen schijnen ettelijke adjectiefbegrippen nu eens als gewone 
intransitieven , dan weer als toestandswoorden geconstrueerd te worden. 
Naast i wi përéki, mi pêréki, enz. leest men o bi njawa 
i popëréki, B. V. p. 224, terwijl het toestandswoord zou luiden 
da popëréki. Opmerkelijk is de afwisseling op ééne bladzijde in 
B. Y. p. 291 van o njawa i wi sisiri magéna, de zieke man^ 
met o bi njawa i sisiri i mapopblu ngokagëna: i bi 
pipilo, i bi titiki, i bi lulugu, zieke menschen lagen daar: 
blinden, kreupelen, verdorden; o njawa da sisiri magéna, wo 
dbma wo uti o ^ke ku gëna, de zieke man die ^t eerste 
afdaalde in dat wai:er; njawa moi, ka i wi siri sidago o 
musung 38 dabblo, een man, die reeds 38 jaar lang ziek 
geweest was. Yermoedelijk bestaat er tusschen de beide vormen een 
fijn onderscheid, dat ik echter niet kan ontdekken en in de Spr. 



129 OPMERKINGEN OYEK ^T GALELABEESOH 

ook niet vermeld vind *. Evenmin maakt de Schr. gewag van 't 
gebruik van da bij een mannelijk of vrouwelijk onderwerp. Toch 
komt zulks in de teksten meermalen voor; bijv. B. V. p. 224: 
i Wi tarimak&si o Djbu tanu Una da Ibha, zij dankten 
den Heere, dat Hij goed was; p. 396: ma bi tuwïini da 
lolbha, o goede heerenl 

Ook bij biwa, er niet zijn, ontmoet men beide constructies; 
bijv. B. V. §7, 1: ami ngbpa i hiwa, zij had geen kind», 
maar ook ai orangi i wi hiwa? is mijn bediende er niet? (Spr. 
§ lOS). De laatste vorm schijnt meer bepaald een niet ergens aan- 
wezig zijn uit te drukken. 

Eene bevredigende verklaring van H ontstaan van het Gal. 
toestandswoord is nog verre te zoeken , te meer daar het Ternataansch 
ons hierbij in den steek laat. Uiterlijk verschilt de Vorm die bij 
een mannelijk en vrouwelijk logisch onderwerp gebruikt wordt, niet 
van de wijze waarop de Galelarees het passief omschrijft. Deze be- 
staat daarin dat hij om bijv. ^ik word geslagen// uit te drukken, 
zegt >yzij slaan mij./r Dus B. Y. § 3, 4: o tbna ja kutüka, 
de aarde is vervloekt, letterlijk: zij vervloeken de aarde; sidago 
o tbna ku no liho, kikia ka lo i ni dèhè ka, totdat gij 
tot de aarde terugkeert, waaruit gij ook genomen zijt; letterlijk: 
waaruit zij u ook genomen hebben; p. 261: o Jesus Kristus 
.i Wi sibuwo, Jezus Christus wordt geboren; eig. zij doen J. Ch. 
geboren worden. Andere voorbedden, te vinden § 99 der Spr., 
zijn: i wi ng&po,hij wordt geslagen, eig. zij slaan hem; i mi 
sihaga, zij wordt misleid; i mi giliri, wij worden geprezen. 
Deze wijze om het passief te omschrijven komt in meer verwante 
talen voor; ten eerste in het Ternataansch: ma tjarita rimoirimoi 
i singongadjé toma lefó enané ma-adu, het verhaal er van 
wordt achtereenvolgend hieronder in dit geschrift medegedeeld (letterlijk: 
zij deelen mede), bij de Clercq, text I^ begin; i sinjata, het 
wordt verklaard (eig. zij verklaren het). Voorts in 't Aneityumsch; 
bijv. er (zij) ahpoi (slaan) nyak (mij), = ik word geslagen; 
eriB apos n'atimarid u n'upu lutaia eda, waar is geboren 



^ In het Ternataansch, voor zoover ik heb kunnen nagaan, bezigt men in plaats 
van het Gal. toestandswoord den vorm van het intransitief, dus kolano Mulöko 
ö gog&ga, de Moluksohe koning heeft de koorts (Naidah, p. 396); Gal. zou hebben 
wi göga. 

' Hiermede komt overeen het Ternataansch; bijv. Naidah, p, 392: una ka i 
ngófa uwa, h\j had geen kind (kinderen)* 



NAAB AANLEIDING DBU B^KNOFTB SPAAAKXUN9T. li^l 

de koning der Joden (Matth. 2,2), eig. /i^hebben zij doen geboren 
worden^; eri apos Kristi eda, waar zou Christos geboren worden. 
Evenzoo in de taal van Florida (Salomons-eilanden) ; bijv. tara 
kisaa tua na vale, thej have built the house, the honse is 
built; tara vahua ta na niulu eni, he was born, thej bore 
him, in this year; zie Codrington, Melanesian Languages p. 532 i. 

De vraag, die onwillekeurig bij ons opkomt, is, welke beteekenis 
men te hechten heeft aan het vnw. f, als grammatisch onderwerp 
van een toestandswoord; moet men het opvatten in den zin van 
^het^, of >/zij//? De schrijver van Spr. veronderstelt het eerste; 
i wi gbga, hij heeft de koorts, wordt door hem verklaard als be- 
teekende het eigenlijk //het koortst hem.«^ Doch een werkwoord als 
ii'koortsen^ is zuiver hersenschimmig , en kan daarom niets ter ver- 
klaring bijdragen. Beter ware het geweest, indien men voorbeelden 
als i wi s^pi, hij heeft honger, had aangehaald, en vergeleken 
met //het hongert hem.^ Het is denkbaar dat er in *t Oalelareesch 
zulke onpersoonlijke werkwoorden als //het hongert, het dorst//, en 
in 't Jiatijn pudet, poenitët^ taedet^ juvat van oudsher 
bestaan hebben en dat de constructie van zulke woorden later uit- 
gestrekt is tot andere gevallen, waar ze, letterlijk opgevat, oor- 
spronkelijk niet paste. In alle talen immers vindt men voorbeelden 
van zulk eene uitbreiding. Maar het is evengoed mogelijk dat de 
omschrijving van het passief tot voorbeeld heeft gediend. Nemen 
wij eens eenen stam als s i r i , waarin ^t begrip ligfc van pijn , 
zeer, ziekte, dan is het toch verklaarbaar dat siri, werkwoordelijk 
opgevat, ook, hetzij bij wijze van ellips of door verwaarloozing van 
een formatief, uitdrukt //zeer, pijn doen, ziek maken//; men ver- 
gelijke de elliptische uitdrukkingen wo tewo, hij gaat naar zee; 
WO djala, hij vischt met een werpnet, waarvan boven reeds 
sprake geweest is. I wi siri kan daarom zeer wel wezen //zij maken 
hem ziek'/, i wi lamo >/zij maken hem groot/r, en evenals i wi 
sibuwo //zij malden hem geboren worden// gebruikt wordt om uit 
te drukken //hij wordt of is geboren// , kan //zij maken hem ziek , 
groot// overgaan in den zin van ^hij is ziek , groot. «^ 

Het zou al te gewaagd zijn, nu reeds te beweren dat deze laatste 
verklaring de voorkeur verdient. De geschiedenis der taal is ons 
onbekend^ en bij gebreke van die kennis blijft ons voorloopig niets 

^ Het Floiidasch vahua beantwoordt geheel aan *t Galei, sibuwo, inzoover 
namelijk buwo = vua, groeien, vruchten, is, en va (= Mak., Bug., Madur 
pa) een prefix tot vorming van causatieven, dos in waarde s; GaL sL 



122 OPMEIUUNQSN OYE& 't GALELA&EESGH 

over dan te hopen dat eene toenemende kennis der verwante 
dialecten, o. a. het Tobelosch, ons eenmaal gegevens zal verstrekken, 
die licht werpen op de ontwikkeling van sommige eigenaardigheden 
van het Gralelareesch ; gegevens die wij niet patten kunnen uit den 
ons onbekenden ouderen toestand der taal. 

r ' -'] , TIJDEN EN WIJZEN' 

De boven behandelde werkwoordsvormen gelden voor de Aan- 
toonende Wijs en den Tegenwoordigen Tijd, doch met dien ver- 
stande dat ze in onze taal zeer dikwijls met een Verleden Tijd 
moeten weergegeven worden. Dus is to tagi zoowel '/ik ga>/ als 
//ik ging/r (niet //ik ben gegaan);// mo i hike ngohi ka, zij 
geeft of gaf mij. Men zou dezen vorm gevoegelijk den Verbalenden 
Tijd kunnen noemen. 

Ons Perfectum en Plusquamperfectum worden aangeduid door toe- 
voeging van de partikel ka, die in functie geheel overeenkomt 
met het Javaansche wis, wus en 't Maleische sudah, doch in 
tegenstelling met deze achter het werkwoord geplaatst wordt. Bijv. 
ni masosininga o wange manëna, tanu o Djóu Wi ni 
sisupu ka, gijlieden herinnert u den dag, dat de Heer u heeft 
doen uitgaan ; B. V. § 28 , 3. Meermalen wordt tot versterking 
dabblo, a^edaan, gereed, bereids, achter ka gevoegd; bijv. wo 
bdo ka dabblo, hij heeft of had bereids gegeten; doch kbma- 
géna de o dipa deo o dunia dabblo ka, zoo was de hemel 
en de aarde gereed. Niet zelden vindt men ka ook gebruikt in 
gevallen waar wij in onze taal eenvoudig den Verl. Tijd zouden 
verkiezen, bijv. B. V. § 28, 1: Tanu o Djbu o Musa deo a 
Aaron Wa aibêsèso ka, Wo tèmo ka, toen beval de Heer 
Mozes en Aaron, Hij zeide. §1,8: kbmagéna de i ma^ka 
ka, en zoo geschiedde het. Het schijnt dat ka vereischt wordt 
overal waar 't Latijnsche Perf. op zijne plaats zou wezen. 

De overeenkomst van ka met Jav. wis, wus, wat den zin aan- 
gaat, blijkt ook uit de omstandigheid dat ka met de ontkenning 
wa //niet^ verbonden, de beteekenis heeft van //niet meer//; dus to 
t&gi kawa, ik ga niet meer, = Jav. aku wis ora lunga; 
vgl. Bekn. Spr. § 100. Of en in hoever het Gal. ka met het 
Mafoorsche kw&r, dat dezelfde functie heeft, verwant is, bijv. 
i bur kw&r, hij is of was vertrokken (v. Hasselt, Bekn. Spr. 
§ 100) verdient nader onderzoek. 



NAAE AANLEIDING D£B BEKNOFTE SPBAAKKUNST. 12tS 

Yermoedelijk is dit kw&r naverwant met Maori kua, hetwelk 
ook dient om het Perfectam en Flusq. Perf. ait te drnkken , doch 
kua staat vóór het wkw. , en hetzelfde geldt van het Fidji ka >. 
Niettemin kan dit ka zeer wel identisch zijn met het Gal. ka. 

In het Temataansch worden de woordeD maruwah en m&rkha 
meermalen gebruikt om een Perf. uit te drukken; bijv. h inb 
maruwah, hij is gekomen; s'ó oru guratji kubo ma tadu 
rimoi maruwah^ en hij heeft ontvangen een buflelhoom aan 
goud (Maleisch: ambil tandu satu sudah) Naidah, p. 400; 
gol&ha miirkha, het is gedaan; zie de Clercq i. vv. 

De Toekomende Tijd wordt gewoonlijk aangeduid door ^sa; bijv. 
ngohi &sa ta hbko, ik zal komen. Eigenlijk is ^sa z. v. a. ons 
>ystraksiy en kan het dus evengoed op iets onmiddellijk verledens 
als op iets wat aanstaande is doelen; vandaar dat ^.sa ta hóko 
eigelijk is >/ik kom aanstonds. /r Dikwijls wordt èksa nog gevolgd 
door de, zonder merkbaar verschil in beteekenis; bijv. o wang e 
saangi ^sa de ma Farao wo sidola-je ani sahè, over drie 
dagen zal Farao uw hoofd opheffen (B. V. § 17, 2). Duma nïikoso 
de ^sa de no liho- ka, doch wanneer gij teruggekeerd zult zijn; ib. 

De Gebiedende Wijs onderscheidt zich niet van den Aantoonendea, 
dan inzooverre het pers. vnw. verzwegen wordt, behalve waar de 
nadruk op het laatste valt; de persoonsexponent wordt zelden ver- 
zwegen. Dus: o Djoü WO tèmo ka o Abram ka: no ma- 
djobo, de Heer zeide tot Abram: maak u op. Motèmo: na hino, 
no maidu dede ngohi, (zij) zeide: kom, slaap bij mij. 

Om te verbieden bezigt men de partikel upa, bijv. upa no 
tbsi, stee] niet! In het Tobelosch zegt men ufa, in het Tema- 
taansch af ah. 

Voor den Conjunctief bestaat geen bepaalde vorm. Volgens § 96 
der Bekn. Spr. kan door voorvoeging van het voegwoord tanu, 
dat, een conjunctief uitgedrukt worden , bijv. tanu i ni salam^ti, 
dat het n welga! to Ngbna Ani ronga tanu i sihorm'&ti, 
Uw naam worde geheiligd! Het is zeer de vraag of dat gebruik 
van tanu met den aard van het Gal. overeenkomt; het geheele 
woord tanu is trouwens ontleend. 

De infinitief onderscheidt zich, volgens de Bekn. Spr;, door de 
partikel po (in bepaalde gevallen pa) en bij toestandswoorden door 
i na; § 57; 60; 91. Nu beteekent bijv. i na siri, iemand wordt 



1 Zie voor 't Maori Williams Grammar XXXI, en voor 't Fid|ji üazlewood p. 52 



124 OPMERKINGEN OYEK ^T OALELABEESOH 

(of is) ziek; dat is een geheele volzin, en dns geen infinitief, noch 
in 't Galelareesch , noch in 't Nederlandsch. Minder eenvoudig is 
de beantwoording der vraag, hoe men de constructie met po, 
Ternataansch fo moet opvatten. Ik zal met eenige voorbeelden 
trachten aan te toonen in welke gevallen po (pa) en f o kannen 
voorkomen. 

Niet zelden vormt een werkw. stam voorafgegaan door po (pa) 
het gezegde in een volzin zonder uitgedrukt onderwerp. Daarvan 
geeft de Schr. ettelijke voorbeelden ^ 118; o. a. N&kosopo 
hau èko po sisiha, géna ma nawo upa pa èto; i tèmo 
pa lia wa, als men met de lijn op zee of op het meer vischt, 
dan telle men de visschen niet; ze zeggen: men vangt ze niet. In 
de Bijb. Yerh. treft men talrijke voorbeelden van dezelfde constructie 
aan; bijv. §9,1: Nagala ^sa de pa m^ke ngokahéna ja 
moruha, misschien zal men daar veertig vinden. Soms is po te 
vertalen met //wie, alwie// en vormt het schijnbaar het onderweq) 
van een werkw. gezegde; dit mist echter een persoonsexponent en 
daarom kan men po niet eenvoudig gelijkstellen met ons ^alwie>9^; 
bijv. Bijb. Verh. § 80, 2: o njawa de po wbsa ma kolano 
ka, n&koso de wo na ^so wa, de i na tobma, iemand, 
alwie komt tot den koning^ indien hij iemand niet roept, zal 
gedood worden. Eene zinsnede als po wi dadobha § 80, 3 kan 
men vertalen met >rhoe behandelt men hem>y of ^hoe hem te be- 
handelen.^ Zeer gewoon is po om een doel aan te duiden, evenals 
onb //om te^; bijv. t. a. p. ja sari o èkk&li po sidjobo manga 
gia ma kolano ka, zij zoeken een list om hun hand aan den 
koning te slaan; blz. 259: La wa gblo o ifa moi po silèfo, 
de o wa lèfo, en hij vroeg om een tafeltje (plaat, bord) om tot 
schrijven te gebruiken en hij schreef: § 10, 2 duma o duba 
ngbpo po sidad^hu, kikia ka, doch het lam om tot offerande 
te dienen, waar (is het)P § 2, 1: o bi gbta i ruparupa, pa 
nano po dupa, deo ma sbpo pa bdo da 1 bh a, allerlei boomen, 
liefelijk om ze te zien^ en de vruchten er van goed om ze teeten; 
hier is po dupa eigenlijk ons //lief te hebben// gebruikt in den 
zin van een gerundief of part. fut. passief. Hiermede te vergelijken is 
§ 24, 2: o Djbu A.wi ronga ka pa pudji^ de naam des 
Heeren is te prijzen (z. v. a. zij geprezen). Hier en daar zou 
men het kunnen weergeven met onzen imperatief, bijv. § 24, 
3: duma Aui giti No sidjbbo deo awi kbbo deo awi 
likke Na pada, deo pa nano tanu wo Ni tabea wa Ani 



NAAK AANLEIDING DXB BSKNOFTE SPRAAKKUNST. 125 

81 ma ka, dcx;h strek Uwe hand uit over zijne leden en zijn 
lichaam, en zie (of: Gij znlt zien) of hij U niet vloeke voor Uw 
aangezicht. § 6, 2: hinol o bi tèto o b2kta pa èkka, kom! 
laat ons tegels maken. Mij niet recht duidelijk is de reden waarom 
po gebruikt is in de volgende zinsnede Bijb. Yerh. blz. 66: 
Sëb&bu o njawa de po adil wa o Gikimoi Awi simak ka, 
omdat de mensch niet rechtvaardig zal zijn voor Godes aangezicht. 
Is het, omdat i adil wa als eigenlijk Praesens hier niet op zijne 
plaats zou wezen? Geheel onverstaanbaar is mij t. a. p. de vertaling 
van Job 9, 8, luidende: N&koso de Una Wo dupa de o 
njawa Wo (1. wo?) sano, ngaioko lo ma tjala deo ka 
moi lo po Wi sango pa ^ku wa; de laatste zinsnede schijnt 
te moeten uitdrukken: ^een op de duizend zelfs zou Hem niet 
kannen antwoorden. >/ 

In het Ternataansch wordt het aan po beantwoordende f o nage- 
noeg op dezelfde wijze gebezigd. Ik heb reeds vroeger opgemerkt 
dat de Glercq f o vertaalt met ffwiy en tevens het als infinitief- 
partkei opgeeft, en dat f o alleen in zooverre met ons //wij/y kan 
weergegeven worden^ als //wij zeggen // en //men zegt// enz. dikwijls 
op hetzelfde neerkomen. Zie hier eenige voorbeelden uit het ge- 
schrift van Naidah, p. 898: la ana Todore si Kastila i 
wadji ana Ternate nga kota irai maruwa, dadi bolo- 
waro papo ije fo sironga kota Hate-ma-rau, dan zouden 
de Tidoreezen en Kastiljanen zeggen (begrijpen?) dat het fort der 
Tematanen gereed was; waajrna men het bolwerk aan de bovenzijde 
noemde: Boombladerenfort ; zoo ook p. 886: dadi fo sironga 
Gam-besi, waarom men het (d. i. die plaats) Gam-besi noemde; 
doch onmiddellijk daarop ook zonder fo: dadi sironga Tara- 
ngara, waarom men het Tara-ngara noemde. Bij wijze van impe- 
ratief of adhortatief komt de constructie met f o voor bijv. p. 894: 
ino, ino, lah fo kadihb toma kije Ternatel komt, komt, 
laten wij naar Ternate terugkeeren. Iets verder leest men: l&ha 
ngomi (zóó te 1. voor ngonij) mamoi-mamoi fo sonè! 
het is beter dat wij alle sterven. Ygl. den volzin p. 400: tjoba 
aké Santosa sima koré si bahu si mokumoku, ge Boni 
si Ternate f o makodbti, als het water Santosa door wind en 
stroom in golving kwam, dan (eerst) zouden Boni en Ternate met 
elkander oorlog voeren. 

Een voorbeeld , waaruit blijkt dat po in het Gal. , f o in het 
Tem. aan onzen eenvoudigen infinitief kan beantwoorden, heb ik 



126 OPMERKINGEN OV£B 't GALELAKEESOH 

nergens gevonden. Znlk een infinitief komt voor bijv. in verbin- 
dingen als ffhij kan^ wil, mag doen.// Ook onze infinitief met 
voorafgaand te, wanneer hij niet het doel eener handeling te ken- 
nen geeft ^ maar eenvoudig als objectsinfinitief optreedt, bijv. in 
//hij beveelt te doen// e. dgl. wordt niet, voorzoover ik heb kannen 
nagaan, met beholp van po, f o uitgedrokt. Eenige voorbeelden 
mogen mijn bedoeling verduidelijken. Bijb. Yerh. § 27, 3: o &k e 
magen a ja udoja èkkuwa, zij kunnen dat water niet drinken 
(eig. zij drinken (pogen te drinken) zij kunnen niet); doch ook met 
omgekeerde woordschikking t. a. p. La i gbmahate ja èkku wa 
ja &kakbmagéna,ende toovenaars kunnen niet evenzoo doen. 
Zoo óok § 2, 2: na ^ku na bdo o rkki manéna ma bi gbta 
ma bi sbpo da ngodu, gij moogt eten (eig. gij moogt het, gij 
eet ze) al de vruchten der boomen van dezen hof. Verder § 79, 1: 
ja ngadu i mau i bi t^gi^ allen (die) willen gaan. Wederom 
met dezelfde woordschikking als in het eerste voorbeeld, § 25, 2: 
mo wi ngihu maèkku kawa, zij kon hem niet meer verbergen 
(eig. zij verbergt hem, d. i. poogt hem te verbergen, kan niet 
meer). Weer anders § 27, 4: i bi gbmahate lo ja èkku kawa 
i mabko o Musa awi sima ka, de toovenaars kunnen het niet 
meer, zij staan (d. i. staande) voor 't aangezicht van Mozes; doch 
§ 80, 1: muna mo kahika mo hblu, zij was onwillig te gaan 
(zij gaat, zij is onwillig); blz. 255: no bitjara na ^ku kawa, 
gij zult niet kunnen spreken (eig. gij spreekt, gij kunt het niet 
meer). 

Yoor het Temataansch bepaal ik mij tot de volgende zinsneden 
uit het eerste leesstuk bij de Clercq^ waarin men ettelijls;e wkw. 
stammen als infinitief gebruikt vindt: Djbu Kolano tjatu idin 
si djo Kali Bangsa Ilham sudo ana imam si hatibi si 
modin moi-moi malbmu tom|a sigi sidégo lolahi. Toma 
kutika ènagé tuan Komadant Mènèr Lubrom sudo tabu 
si uspérah walo moi toma kota Oranje, simarah djbu 
Kolano sudo upas tarah ginado si ana soldadu djaga 
toma kota ma ngarah; d. i. volgens de vertolking van de Clercq : 
De Vorst gaf bevel aan den Kali van Bangsa (met name) Ilham 
om de imams, chatibs en modins te gelasten, zich allen inde 
moskee te verzamelen en d^r te gaan bidden. Op dien tijd liet de 
Kommandant , de heer Lebron , in het fort Oranje eenmaal het kanon 
a&chieten. De Vorst zond een oppasser naar beneden om te vragen 
(wat er te doen was) aan de soldaten ^ die aan de poort van het 



NAAB AANLEIBIMO DER BEKNOPTE SPRAAKKUNST. 127 

fort de wacht hielden, v Men ziet dat hier de stam ook gebruikt 
wordt om het doel van eene handeling uit te drukken. 

De verzamelde gegevens zijn verre van voldoende om het spraak- 
gebruik van po in 't Gal., f o in het Tem. volledig op te helderen, 
doch zooveel schijnt zeker , dat men te ver gaat , als men den vorm 
geheel gelijkstelt met onze Onbepaalde Wijs. Het is evenwel niette 
ontkennen dat po, f o op een doel kan wijzen en dat de meeste 
infinitiefvormen, o. a. in de Arische talen, zich ontwikkeld hebben uit 
een doel-aanduidenden naamval (datief) van een verbaal substantief, 
zoodat er tusschen onzen infinitief en de Galei, constructie met po 
eenige overeenkomst bestaat. 

Over den oorsprong van po zal ik mij hier niet in gissingen 
verdiepen. Alleen wil ik opmerken , dat bedoelde partikel mogelijker- 
wijs verwant is met het prefix p a in het Javaansch , enz. , waar- 
' mede verbaalsubstantieven gevormd worden. Van volkomen gelijkstelling 
kan geen sprake wezen , daar p o een zelfstandige partikel is en 
nooit als prefix optreedt. Daarom herinnert het veeleer aan 't Mala- 
gasische voegwoord fa, omdat, dat; Niasch fa, opdat, omdat; en 
aan het Sawoeneesche voorzetsel pa, te. 

Aangaande het onderscheid tusschen po en pa geeft de Spr. tegen- 
strijdige verklaringen. Uit § 91 zou men moeten opmaken dat 
sommige werkwoorden p o , andere p a verei«?chen ; als voorbeelden 
dienen aldaar po sbne, sterven, en pa këlélo, zien. Doch op 
blz. 88 zal men lezen dat po i këlélo ^mij zien// beteekent; po 
ni këlélo >yu zien>» ; enz. Het is dus niet waar, dat pa këlélo 
/rzien/y beteekent; het is //het^ of ^ze zien.^ Met andere woorden, 
pa is ontstaan uit de samensmelting van de partikel met den 
objectsaanwijzer van den 3 ps. enk. onzijdig en den 3 ps. mv. van 
alle geslachten. Dus duidt po bdo aan, dat ^eten/s' instransitief 
is, doch pa bdo, dat het transitief is. Evenals inoJanwobdo, 
Jan eet (Spr. blz. 83) het gezegde intransitief is, maar Bijb. Verh. 
blz. 71 o roti wa bdo, hij eet brood, transitief, zoo staat ook 
elders po bij intransitieven , pa bij transitieven. Vóór zoogenaamde 
causatieven, zou men verwachtten, kan alleen po staan, omdat 
deze werkwoorden gevormd zijn met behulp van een partikel, die 
eigenlijk ff met v beteekent. Zeg ik bijv. //een kanon afschieten// j dan 
heeft ^afschieten// wel is waar een direct object bij zich, maar 
de aan ^afschieten// beantwoordende vorm in het Gal. beteekent 
eigenlijk //schieten met^, en in ^met een kanon schieten//, is het 
werkwoord onovergankelijk. Feitelijk echter volgt in het Gal. het 



128 OPMERKINGEN OVER *T OALELAREESCH 

zgn. causatief den regel des intransitiefs alleen d^, wanneer het 
het voorwerp eene zaak is; in andere gevallen wordt het als een 
transitief behandeld'. Aangezien in het Temataansch het object 
nooit door een bijzonderen exponent wordt aangeduid, spreekt het 
van zelf dat in deze taal geen fa naast f o kan voorkomen , evenmin 
als er een ta (d. i. ik het, ik ze) naast to, enz. 

Moeielijker is het te verklaren, waarom sommige overgankelijke 
werkwoorden po, to, no, wo, enz hebben, waar men po, ta, 
na, wa zou verwachten. In de Bekn. Spr. blz. 34 wordt geleerd: 
/^Sommige werkwoorden nemen ja bij zieh, anderen jo; voor dit 
verschillend gebruik is geen regel aantegeven , daar het zelüs voorkomt 
bij werkwoorden, die dezelfde strekking hebben en met dezelfde 
letter aanvangen^ bv. po oddo (eten) neemt ja, enpooedo 
(drinken) neemt j o^. Hiermede in verband leze men § 69 : //Evenzoo 
ondergaat het (1. de) partikel po. dat (1. die) de onbepaalde wijs 
vergezelt, deze verandering door samentrekking van dit (1. deze) 
partikel met het obj. zakelijk voornaamwoord ja of jo.// Nu geeft 
de eerste dezer aanhalingen aanleiding tot eenige bedenkingen. 
Vooreerst is het niet waar, dat bdo en udo met dezelfde letter 
(d. i. klank) aanvangen ; ten tweede is het in strijd met de teksten 
dat po udo, drinken, jo aanneemt, want uit een bereids aan- 
getogen zinsnede in Bijb. Yerh. § 24, 2 blijkt dat men zegt: o 
angguru ja udo, zij drinken wijn. Ten derde is het onjuist, dat 
po bdo^ eten, ja aanneemt. Neen, po bdo is intransitief, en 
kan als zoodanig geen andere vormen aannemen dan to bdo, ik 
eet, no bdo, wo bdo, enz. Daarentegen is pa bdo: het of ze 
eten, zooals in de Spr. zelve blz. 85 voorkomt: o bole wa bdo, 
hij eet pisangs; blz. 86 o bbki o namo ja bdo, de kat eet den 
vogel, en Bijb. Verh. § 2, 1 pa nano po dupa, deo ma sopo 
pa bdo da Ibha, om ze te zien aangenaam, en de vruchten er 
van goed om ze te eten (=. om gegeten te worden). 

De slotsom is, dat de opgaven der Bekn. Spr. aangaande het 
gebruik van po en pa herziening behoeven^ en dat de regel in hoofd- 
zaak is, zooals boven geformuleerd. Waar pa gebruikt wordt, is 
is het een teeken dat het wkw. transitief bedoeld is; waar po staat, 
is het wkw. onovergankelijk , al mocht het overeenkomstige woord 



1 Zoo ten minste leert de Bekn. Spr.; ik vind echter Una ka Wo sid&di 
öna. Hy schiep hen, Byb. Verh. §1,6, waar 6na op personen doelt, en men 
toch niet Wa leest 



KAAR AANLEIDING DIHl BEKNOPTE SPRAAKKUNST. 129 

in onze taal als transitief opgevat worden. Zulke verschillen doen 
zich zelfs tusschen naverwante talen voor; in het Duitsch zegt men 
/g^einem folgen//, is dit werkwoord dns intransitief, doch in onze 
taal is het overgankelijk , want wij zeggen //hij wordt gevolgd. >5^ 
Zoo vereischt rogare in het Latijn eenen accusatief, in het Hollandsch 
eenen datief. Wanneer in 't Gal. sommige als transitief voorkomende 
werkwoorden als gusè, inschenken, bijv. o dalu to^ wo, po guse 
^palmwijn schenk ik, enz. in^ geen objectsexponent vertoonen , dan 
mag men veronderstellen dat dergelijke werkwoorden oorspronkelijk 
zgn. oansatieven zijn of hiermede in constructie gelijkgesteld worden. 

Het tegenwoordig deelwoord onderscheidt zich meestal, gelijk in de 
Filippijnsche talen en het Sangirsch, door de verdubbeling van de 
eerste lettergreep des stams; bijv. i tatSkgi géna, (zij) gaande, 
die, de gaanden; wi lalamo, (hij) de groot zijnde; i nakukulu, 
de zich scherenden; o Johannes wo obsi, Johannes de Dooper; 
WO obho, (hij) de levende. Vgl. voorts Bekn. Spr. 62, vg. , waar 
een aantal goede voorbeelden gegeven zijn. Opmerkelijk is het, dat 
de stam van zulk een tegenw. deelw. soms dezelfde is als die van 
het substantief, bijv. i bi gogëlélo, de zienden. Is het omdat het 
woord hier als substantief gevoeld wordt? De Spr. spreekt er niet van. 

De ontkenning wordt uitgedrukt door wa, geplaatst achter het 
gezegde; in het Tem. door uwah, ri uwah. Dus to mbde wa, 
ik wil niet; Spr. § 100; la i bi gbmahate ja &ku wa ja 2kka 
kbmagéna, en de toovenaars konden niet evenzoo doen. Of dit 
wa eene verkorting is van hiwa, er is niet, gelijk v. Baarda 
wil, laten we daar. Het omgekeerde, dat namelijk hiwa eene 
afleiding is van wa, schijnt evengoed mogelijk. De vraag of dit 
wa denzelfden oorsprong heeft als het laatste bestanddeel van het 
Fidjische tawa, Haruku taha, Timoreesch kafa, Bamusa kawa, 
is vooralsnog evenmin met zekerheid te beantwoorden. Het woordje 
herinnert ook aan Ibanag auan, Iloko aoan //er is niet//, alsook 
aan Maori aua >/ik weet niet// >, doch in al deze talen wijkt de 
plaatsing der partikel in allen gevalle af van het Gal. en Tem. 
spraakgebruik. Daarentegen komt wa èn in vorm èn als eene achter 
het gezegde gevoegde partikel geheel overeen met het Mafoorsche ba*. 



^ Of Maori aua, niet (vetatief) ook met het Tem. af ah, f^^ Galei, upa, 
Tobelosch ufa, mag gelijkgesteld worden, is mm of meer twijfelachtig. 

* Ook in *t Sawoeneesch staat de ontkemiingspartikel do achter het gezegde; 
b^ir. dAka do no, h^ komt niet; en achter een naamfwoord in den zin van ons 
on; byy. ban i-d o, niet moedig, lafhartig. 



130 OPMEBKINGEN OVER T GALELABEESOH 

Uit de verbinding van ka, hetwelk dient om een volmaakt ver- 
leden tijd te kennen te geven, evenals het Jav. wis, wus, met 
wa, niet, ontstaat kawa, niet meer; bijv. to tèkgi kawa, ik ga 
niet meer; Bijb. Verh. § 25, 1: una o Josef i wi dahè k.awa, 
hij kende Jozef niet meer. Daargelaten dat ka en wa een geheel 
anderen oorsprong hebben dan wis en ora, is de verbinding der 
twee begrippen , om ons ffuiet meer// uit te drukken , geheel in 
overeenstemming met het Javaansche wis ora. 

Het onderscheid tusschen enk. en mv. wordt, zooals wij vroeger 
reeds gelegenheid hadden op te merken , duidelijk uitgedrukt , behalve in 
zooverre de 8 ps. enk. onzijdig kan verward worden met den 8 ps 
mv. van alle geslachten. Waar nu de duidelijkheid het gebiedend 
vereischt, of in allen gevalle er door verhoogd wordt, pleegt men 
het mv. aan te duiden door het ook bij substantieven gebruikelijke 
bi. ^Men kan het zoowel gebruiken, wanneer het onderwerp als 
wanneer het voorwerp meervoudig is^, gelijk het te recht in § 101 
der Bekn. Spr. heet. Bijv. o bi w^ma ta bi sJlka, ik stoot de 
pompelmoezen af; o bi w^ma da bi bmu^ de pompelmoezen zijn 
rijp; ani bi ngbpa ta bi sibbso, ik heb uwe kinderen lief; 
o ngèko ka i ma bi bko, zij staan op den weg >. Zoo ook Bijb. 
Verh, § 79, 1: La bna magéna ja ngodu, i mau i bi t^gi 
géna, en zij allen, die gaan wilden; en t. a. p. deo o njawa 
magéna ja ngodu, o Gikimoi Wa bi sigagaro manga 
sininga ka géna, met al de lieden, wier hart God opgewekt had. 

BIJWOORDEN. 

In alle spraakkunsten welke zich slechts ten doel stellen de taal- 
feiten behoorlijk geordend en in een gemakkelijk overzicht voor te 
stellen , zonder zich . te verdiepen in den oorsprong en de geschie- 
denis der taalbestanddeelen , vindt men eene verdeeling van bijwoorden 
in bijwoorden van plaats, tijd, wijze, enz. De Schrijver der Bekn. 
Spr. heeft die praktische indeeling versmaad, en onderscheidt § 129 
oorspronkelijke en samengestelde bijwoorden. Tot de eerste soort 
rekent hij zulke woorden als mahiwa, neen, dat uit drie, of 
minstens twee elementen is samengeteld! Hetzelfde geldt van 
hiwaka, niets meer, hiwJlsi, nog niet, die, zooals ieder ziet, 
samengesteld zijn uit hiwa en ka, si. Nog sterker is het, gansche 

^ Uit dit voorbeeld biykt dat het voonroegsel ma vóór bi geplaatst wordt, als 
vormde bi 6ko een samengesteldoi stam. 



NAAR AANLÜIDINO DER BEKNOPl'E SPRAAKKUNST. 131 

uitdrukkingen als ka putu motbha^ vóór 5 nachten, en dgl. tot 
de /'grondwoorden^ te rekenen! Kortom, die geheele geleerde indee- 
ling ware beter achterwege gelaten. 

Onder de ^samengestelde^ bijwoorden treft men aan nago- 
bnawa, niemand, en bkiawa, niets, terwijl nago-bna en 
bkia § 109 onder de vragende voornaamwoorden genoemd worden, 
en te recht. Moiwa, geen, is natuurlijk ook geen bijwoord. 

VOOB. EN ACHTERZETSELS. 

Als voorzetsels worden § 183 opgesomd: to, dat alleen bij de 
bezittelijke voornaamwoorden voorkomt, en waarvan reeds vroeger 
sprake is geweest; dede, de, met; sidago^ tot, tot aan; sidutu, 
tot. In het Temataansch zijn de meest gebruiklijke voorzetsels 
toma, te, bij, op, in, hetwelk in gebruik overeenkomt met het 
zoo straks te vermelden Galelareesche achterzetsel k a , doch welks 
eerste lettergreep misschien met Gal. to identisch is; voorts si, en, 
in beteekenis, niet in oorsprong gelijk aan het Gal. dede, de; 
voorts sigado, tot, waarvan si dag o eene omzetting is. 

Als achterzetsel wordt ka vermeld; dit beteekent //te, tot, aan, 
bij, naar, in, op.// Voorbeelden van dit meest gebruikte aller 
achterzetsels komen passim vo^r, zoodat ik hier slechts eenige zal 
aanhalen. Bijb. Yerb. 259: La bna i tèmo muna ka, en zij 
zeiden tot haar; La ngo Maria mo gbge ngo Elisabeth ka, 
en Maria verbleef bij Elisabeth; magéna mo liho am i tahu 
ka^ toen keerde zij naar haar huis terug. Ma sima ka is ^aan 
den voorkant er van, voor ^t aangezicht^/ ; bijv. i mabko o Musa 
awi sima ka, zij staan voor ^t aangezicht van Mozes, voor Mozes. 
Deo i wi singangasu una ka moi-moi^ en zij deelden aan 
hem alles mede; La o bare magéna da tobuso i talalu o 
tb na magéna ka^ en de hongersnood was zeer nijpend in dat land. 

Volgens de Spr. § 133 is ka het eenige achterzetsel in het 
Galelareesch , doch dat is onjuist. Behalve ka heeft men ku, no, 
je, ko, sa, die volgens § 82 //achter zelfstandige naamwoorden 
en werkwoorden// staan kunnen. Deze woordjes zijn nu eens voor-, 
dan weer achterzetsels. Het zijn voorzetsels bij voornaamwoordelijke 
stammen, zooals wij reeds gelegenheid hadden op te merken. Als 
achterzetsels komen zij voor: lo bij substantieven, volkomen op 
dezelfde wijze als ka; 2o bij werkwoorden, waarmede zij eene 
samenstelling vormen; vgl. hierboven blz. 1. In beide gevallen doen 
«• Volgp, vn, 9 



l32 OPICE&KINOEN OV£B 't OALELARESSCH 

zij denzelfdeD dienst als onze voorzetsels. Alvorens dit met voor- 
beelden te staven, moet ik in uitweidingen vervallen omtrent het 
gebrnik, dat er gemaakt wordt van den term //voorzetsel.^ 

In de meest gewone beteekenis genomen , is het voorzetsel (Latijn 
praepositio) een afzonderlijk rededeel; bijv. in hij staat bij 
de deur is bij een voorzetsel. Dezelfde term wordt nochtans ook 
dikwijls toegepast op zekere richtingaanduidende woordjes , met werk- 
woorden en naamwoorden samengesteld, zoodat bijv. bij in bijstaan, 
aan in aankomen, aankomst, en dgl., in de meeste Europeesche 
spraakkunsten met den naam van >/ voorzetsel// bestempeld worden. 
Yeel van deze in samenstelling met werk- en naamwoorden gebruikte 
woordjes komen ook voor als zelfstandige rededeelen , en wel als 
eigenlijke voorzetsels, of als bijwoorden van plaats en tijd ; zoodanige 
zijn, om ons tot onze eigene taal te bepalen: aan, bij^ voor, 
tegen, door, op, over. Andere leven alleen nog in samenstelling^ 
zooals ant, be,ont. Eigenlijk zijn al deze woordjes naamvallen, 
meestal verouderde, van naamwoorden. Ze zijn allengs tot bijwoorden 
geworden, en uit hun bijwoordelijk gebruik heeft zich dat van 
eigenlijk voorzetsel eenerzijds, en .dat van richting-aanduidende par- 
tikel in samenstelling anderzijds ontwikkeld. Dat de functie bijv. 
van bij in hij staat bij de deur, eene gansch andere is dan 
in hij staat zijnen vriend bij, is duidelijk genoeg, en dat 
de partikel in samenstelling ten onrechte voorzetsel heet^ kan met 
eene eenvoudige proef gemakkelijk aangetoond worden. Immers, 
wanneer men bijv. afgaan vergelijkt met weggaan, dan gevoelt 
men dat de functie van af en weg dezelfde is, dat af en weg 
tot dezelfde categorie van begrippen behooren. Aangezien weg geen 
voorzetsel is, zoo volgt dat af het evenmin is. De Indiërs wisten 
dit reeds v6<5r meer dan 2000 jaren en onderscheidden behoorlijk 
de eigenlijke voorzetsels, die zij karmaprawacaniya noemden, 
van de in samenstelling gebruikte bijwoordelijke uitdrukkingen , 
door hen gati geheeten. Ik zal hun voorbeeld volgen, en in 
't vervolg de eigenlijke voorzetsels /j^betrekkingswoorden//, de in 
samenstelling gebruikte partikels //richtingaanduiders^ noemen. Al 
drukken deze termen niet ten volle het begrip dat zij vertegen- 
woordigen uit, leveren zij toch ten minste twee voordeelen op. Ten 
eerste wint men er dit bij , dat men de ongerijmdheid vermijdt een 
der rededeelen voorzetsel te noemen, zelfs wanneer dat rededeel niet 
v6<5r, maar achter het geregeerde woord staat. Het is ongerijmd bijv. 
het liatijnsche cum een voorzetsel te noemen in tecum, nobis- 



NAAR AANLEIDING DER BEKNOPTE SPRAAKKUNST. 133 

cnm; of het Sanskrit anu in nadfm ann, enz. Ten tweede 
— en dit is hier het voornaamste — is de term //betrekkings woord// 
ook toepasselijk op de Oalelareesche achterzetsels, die in wezen met 
onze voorzetsels overeenkomen. Het onderscheid tnsschen onze voor- 
zetsels en de Galelareesche achterzetsels is geheel niterlijk, en men 
behoort om het uitwendige verschil de inwendige overeenkomst niet 
over 't hoofd te zien. En niet alleen in betrekking tot onze taal^ 
maar ook tot het Ternataansch is het wenschelijk te doen uitkomen, 
dat er tnsschen voor- en achterzetsel geen wezenlijk verschil bestaat. 
Het Ternataansche voorzetsel toma beantwoordt, gelijk reeds 
gezegd is , in beteekenis volkomen aan het Galelareesche achterzetsel 
ka; het is wenschelijk beide samen te vatten onder ëéne benaming^ 
waarvoor ik, bij gebrek van beter, gekozen heb: betrekkingswoord; 
immers , het duidt de plaatselijke of tijdelijke betrekking aan , die 
twee voorwerpen of groepen van voorwerpen > in den volzin jegens 
elkaar innemen. Door de benaming //richtingaanduider// te bezigen , 
ontsnapt men ook aan de noodzakelijkheid in een zin als hij valt 
aan, dit aan als een voorzetsel te bestempelen^ hoewel ieder weet 
dat het achter het niet-samengestelde werkwoord staat. 

Om aan te toonen, dat ku, no, enz. evengoed betrekkings- 
woordjes (voorzetsels) zijn als ka, en dat zij verder ook kunnen 
voorkomen als richtingaanduidera , zal ik eenige voorbeelden aan- 
voeren. Men vergelijke Bijb. "Verh. § 27, 4: o bi gbmahate lo 
ja ^ku kawa i mabko o Musa awi sima ka, de toovenaars 
konden niet meer staan voor 't aangezicht van Mozes, voor Mozes; 
§ 26, 4: deo o Musa wa ^ka o bi dèken^ko magéna o 
um^ti manga sima ka, en Mozes verrichtte die teekenen voor 
het volk, met § 2,7 , 2: la o Aaron awi didiki wo sip^ka 
ma Farao awi sima ku deo awi bi orangi manga sima 
ku deo i d^diongihia, en Aaron wierp zijn stok neder voor 
't aangezicht van Farao en voor 't aangezicht van diens dienaren 
én (de stok) werd een slang; § 78, 1: o Daniel o bi singa ma 
saha ka, Daniël in de leeuwenkuil, doch bil^su po wi umu 
o bi singa ma saha ku, hij moet in de leeuwenkuil geworpen 
worden. Hierna zal ieder de opmerking kunnen maken dat ma 
sima ka en ma sima ku beide gelijkelijk beteekenen voor, 
Fransch devant^ alsook >/te, in,// en dat zij èn in functie èn in 
constructie overeenkomen, dus tot één en dezelfde klasse van rede- 

1 Onder voorwerpen worden natuurlek ook personen begrepen. 



134 OPMERKINGEN OVEU ^T GALELAKËESCH 

deelen behooren. Zij verschillen alleen in beteekeuis, evenals bijv. 
ook aan en bij verschillen, zonder daarom op te houden beide 
voorzetsels, betrekkingswoordjes, te wezen. Het verschil in betee- 
kenis tasschen ka en ka ligt hierin, dat ka gebraikt wordt wan- 
neer een in den volzin genoemd voorwerp voor een ander neer 
komt, of hooger is ten opzichte van het door ka gevolgde sub- 
stantief * , terwijl bij ka de betrekking tasschen twee voorwerpen 
als eene horizontale of onbepaalde gedacht wordt. In ka ligt dus 
hetzelfde begrip als in het Latijnbche de, en het zal dus in ver- 
schillende gevallen met ons //uit// moeten vertaald worden, wanneer 
namelijk het onmiddellijk voorafgaande substantief een punt aanduidt 
waarbij eene nederwaartsche beweging een aanvang neemt. Derhalve 
zegt men II, § 13, 2: o ili moi o dipa ku i supu, eene stem 
kwam uit den hemel, Latijn de co el o, terwijl o dipa ka i 
supu, kwam ait aan^ bij den hemel, Latijn ad coelum is Evenals 
nu het Lat. de overgaat in den zin van ons ffvsLUv , £ngelsch 
from, zonder dat men aan eene benedenwaartsche richting denkt, 
zoo ook het Galelareesche ku, zoodat men bijv. ook zegt o bbso 
ku WO bdo, hij eet van, uit een pot. 

Het tegenovergestelde van ku is je. Dit duidt aan, dat liet 
eindpunt, waarheen de beweging gericht is, hooger is dan het uit- 
gangspunt. Dus § 6, 2: hino! mia dbku moi pa ^ka deo 
ma raba ku o kbta moi la]amo, sidago ma ide ja ado o 
dipa je, komt! laten wij ons eene stad bouwen en daarna een 
burg, zóó hoog dat hij tot den hemel reikt. Veronderstel eens dat 
men in ^t Gal. moest vertalen //laten wij van den toren een touw 
nederlaten die tot aan de aarde reikt>y, dan zou //tot aan de aarde// 
luiden tbna ku. Een ander voorbeeld U, § 72, 1: to ngbma 
ani bi subajang deo ani bi sadeka, ka ja dola ka o 
Gikimoi je, uwe gebeden en uwe aalmoezen, ze zijn opgestegen 
tot God. Hoewel het begrip van ^opstijgen^ reeds in dole vervat 
is, en wij dus volgens ons spraakgebruik het onnoodig achten nog- 
maals aan te duiden dat het eindpunt hooger is dan het uit- 
gangspunt, is de wijze waarop de Galelarees zich uitdrukt, toch 
ook voor ons volkomen begrijpelijk. Leerzaam zijn de volgende zin- 
sneden II, § 23, 3, waar je en ku beide voorkomen: sëb^bu 
Una ka Awi wange Wa polbte o bi njawa madorba deo 

^ Bijv. § 1; 6: o bi haiwan i tat&se, o töna ku i bi tatiise géna, 
c kruipende dieren, die op de aarde kruipen», omdat de grond lager is dan het 
daarop kruipende dier. 



Ni^AB, AANLEIDING DEK BEKNOPTE SPKAAKKÜNST. 135 

O bi DJawa da lolbha manga dbku je. deo o muura 
Wa hike o bi njawa i adil deo o bi njawa i adil wa 
manga doka ku^ want Hij doet Zijne zon opgaan over de 
woonplaatsen der slechten en der goeden, en schenkt zijnen zegen 
op de woonplaatsen der rechtvaardigen en der onrecht vaardigen. 

Ko beantwoordt evenals ka aan ons //tot, te^ naar/i^, doch tot 
een voorwerp dat aan de zeezijde gelegen is; bijv. o dbro ko wo 
t^gi, hij gaat naar den (aan de zeezijde gelegen) tuin. Het is 
vermoedelijk slechts eene gewijzigde uitspraak van ku, om eene 
bepaalde begripsschakeering van dit laatste nit te drnkken. 

No laat zich het best vergelijken met het Hoogdnitsche her; 
het duidt dus eene beweging aan in de richting van den spreker 
of van het standpunt waarop men zich plaatst. Natuurlijk kan men 
het niet altoos in onze taal met //herwaarts^ weergeven , evenmin 
als het Hoogduitsche her; bijv. zegt de Duitscher wo kommt er 
her, dan is dat door ons te vertalen met waar komt hij van 
daan. Volkomen gelijkwaardig met no is het Sanskrit a, dat naar 
gelang van omstandigheden met //tot aan// en //van-af^ kan vertaald 
worden. De reden is duidelijk. Of bijv. iemand^ die zich te Leiden 
bevindt , zegt //tot Haarlem toe is het zes uur// , dan wel ^van 
Haarlem af is het zes uur//, komt op hetzelfde neer; de afstand, 
de weg dien hij in zijn gedachten doorloopen moet, is één en 
dezelfde. Zoo is ook in H Sanskrit bijv. è. mül&t zoowel i^tot aan 
den wortel toe//^ als //van den wortel af.// Eene zinsnede als 4 mül&d 
wrksam nikrntati beteekent, uit den aard der zaak: hij kapt den 
boom tot den wortel toe; doch k mftl4d wrksasyoccatwam , 
de hoogte des booms van den wortel af. Hetzelfde geldt van het 
Galelareesche no. Aldus II, § 5, 1: ma hino ngohi no, zij 
komt tot mij (herwaarts); I, §27, 5:deonijodjagaupa 
ni ja hino kali ai sima no, en pas op dat gij niet nogmaals 
voor mijn aangezicht (herwaarts) komt. Deze laatste zinsnede toont 
duidelijk hoe sima ka, sima ku en sima no in niets anders 
verschillen dan in de richting der beweging ten opzichte van het 
standpunt waarop men zich in gedachte plaatst. Yan een gramma- 
tisch onderscheid, tengevolge waarvan no tot eene andere klasse 
van rededeelen zou behooren dan ka, kan geen sprake wezen. 

Uit het bo vengezegde heeft men kunnen opmaken dat no in 
eommige gevallen in onze taal met //van ^ uit^ moet weergegeven 
worden. Bijv. o bi njawa i bi tjotjawaro o wange ma 
njonjije ma tbna no (II, § 9, 1) is: de wijze mannen uit het 



136 OFME&KINOEK OVER V GALELABEESCH 

Oosteriand. Hier moet de Galelarees no bezigen, omdat de schrijver 
zich plaatst op het standpunt van iemand die in «Tudea woont; de 
wijzen komen tot zoo iemand //herwaarts.// Daarentegen is tb na 
ka noodzakelijk in de volgende zinsnede: Sêbkba ngomi mi 
ja këlélo ka To Una Awi ngbma o wange ma njonjije 
ma tbna ka, want wij hebben Zijne ster gezien in het Oosterland ; 
immers hier spreken de Wijzen. Niet minder duidelijk is § 79 • 
O um&ti o «Tisrael o Babel no i liho Jerusalem ka, 
het volk Israël keert terug uit Babel (herwaarts) naar Jerusalem. 

Een voorbeeld van sa, landwaarts, als betrekkingswoordje, heb ik 
in de teksten niet aangetroffen, doch dat is niet meer dan toeval. 
Evenmin in de Bekn. Spr. blz. 45 , waar de functies van betrekkings- 
woord en richtingaanduider verward, en daarenboven beide woord- 
soorten verkeerdelijk achtervoegsels genoemd worden. 

Alle bovengemelde betrekkingswoorden (Nederlandsche afzonderlijke 
voorzetsels) doen ook dienst als richtingaanduiders (Nederl. zgn. 
voorzetsels in samenstelling), met uitzondering van ka. Deze uit- 
zondering is even verklaarbaar als dat ook in onze taal wel de 
meeste voorzetsels in samenstelling gebruikelijk zijn , maar niet alle ; 
evenals in \ Gal. ka, zijn bij ons uitgezonderd te, tot, naar, 
die vrij wel in waarde met ka overeenstemmen. 

Yoor het gebruik van ku mogen de volgende, gedeeltelijk reeds 
vroeger aangehaalde voorbeelden spreken. Wo ruba ku, hij valt 
neder; § 30, 1: la o Musa wo uti ku, en Mozes daalde af, 
neder; § 11, 1: o bi onta wa buku ku o sumu mol ma 
dal&to ka, hij liet de kameelen nederknielen in de nabijheid van 
een put; §26, 4: deo i maruku ku manga sahè deo i Wi 
pudji o Gikimoi, en zij bogen hun hoofd neder en loofden God. 
Ofschoon ku eene nederwaartsche beweging veronderstelt, kan men 
niet verwachten dat het altoos bij ons door //neder// of ffhU zou 
kunnen vervangen worden. Om een voorbeeld te geven : wij spreken 
van //iemand aan een galg ophangen// ; de Galelareezen zeggen , 
juister: niemand aan een galg neer hangen//; wij denken dan aan 
de beweging die de verrichter der handeling moet maken om de 
hooge ^alg te bereiken; de Galelarees stelt zich voor den geest 
hoe het te hangen of hangende voorwerp zich bevindt ten opzichte 
van de galg. Derhalve drukt men zich in 't Galelareesch aldus uit, 
§ 80, 2: bil^su i wi liku-ku o Mordëkai o golingèkso 
magéna ma ide ka, ze moeten Mordechai ophangen aan den top 
van die galg. Ylg. blz. 1. 



NAAE AANLEIDING DER BEKNOPTE SPRAAKKUNST. 137 

Je beantwoordt aan ons //op//. Bijv. blz. 286: o tSila moi Wi 
do la-j e, Hij steeg eeuen berg op, steeg op eenen berg; blz. 398: 
no mabko-je ani dbhu ka, sta op op uwe voeten. In plaats 
van //op uwe voeten*^ heeft het Galelareesch eenvoudig den locatief, 
dien ook wij gebraiken, wanneer wij zeggen //te voet gaan^ reizen//; 
onze taal zon dus ook zich beter uitdrukken, indien ze zeide ^sta 
op te uwen voeten^. 

No laat zich gevoegelijk vergelijken met het Hoogduitsche //her//. 
Bijv. ai diha no i gaho-no, breng mij mijn mes hier (herwaarts) ; 
§ 46^ 3: ni wi ngaho-no, brengt hem herwaarts; II, § 3, 4: 
magéna de una wo snpu no, da kam er heraus. Supu op zich 
zelf is ^uitkomen, naar buiten komene; door no wordt aangeduid 
dat de beweging geschiedt in de richting van dengene die zich in 
gedachte buiten plaatst. 

Voorbeelden van k o en sa heb ik niet opgeteekend. 

In ^t algemeen bestaat er in 't Galelareesche spraakgebruik ten 
aanzien der betrekkingswoordjes en richtingaanduiders meer sym- 
metrie dan in onze taal. Terwijl wij zeggen: ^hij daalt af^^, doch 
//hij daalt van den berg//, bezigt het Galelareesch in beide gevallen 
hetzelfde woord ^ ofschoon in verschillende syntactische functie. Dus 
luiden de twee HoUandsche zinsneden van zoo even: wo uti-ku 
enot^lakuwouti. 

Het behoeft nauwelijks opgemerkt te worden dat de behandelde 
achterzetsels, zoowel wat hun plaatsing in den zin als wat hun 
taak in 't zinsverband betreft, aan het Galelareesch een zeer eigen- 
aardig voorkomen geven. 

VOEGWOORDEN. 

Het Galelareesch is tamelijk rijk aan voegwoorden, waaronder 
enkele ontleende, zooals sêb^bu, omdat, dewijl, uit het Maleisch. 
Van vreemden oorsprong zijn ook tanu dan, toen, nu, dat, 
opdat; salantar, salantang, en toch wel, vermits; uit het 
Temataansch moet folui (li), voorts (nog), ingedrongen zijn. 

Het uit den aard der zaak meest voorkomende voegwoord is 
deo, de, en, dan. Als voorzetsel luidt het d e o en d e, en beteekent 
dan ff met ^. In waarde komt dus de geheel overeen met het Oud- 
Javaansche len^ en vermoedelijk is het ook etymologisch hetzelfde 
woord; reeds vroeger heb ik de aandacht gevestigd op de ver- 
moedelijke verwantschap tusschen den Jav* stam lih in k&lih. 



138 OPMBBKINOSN OVEB 't GALELA&ESSOH ENZ. 

N.-Jav. kalih, en Tern. didi, twee, en Gal. kapidiri, eer- 
gisteren 1. 

In de lijst op blz. 106 der Bekn. Spr. worden eenige woordjes 
als voegwoorden aangemerkt , die tot de bijwoorden behooren en dus 
hier misplaatst zijn; o.a. dadobhaso, waarom? hoezoo? ókiaso, 
waarom? ma moi, eens. 

Zelfs na aftrek van de ontleende en de verkeerdelijk in de 'lijst 
opgenomene voegwoorden, blijven er genoeg over. Het veelvuldig 
gebruik dezer woordjes geeft aan den Gulelareeschen stijl eene mate 
van levendigheid, welke ons aan \ Sundaneesch, Bataksch, Makas- 
saarsch herinnert. 

En hiermede meen ik mijne Opmerkingen over ^t Gralelareesch 
naar aanleiding der Beknopte Spraakkunst van den zendeling van 
Baarda te mogen besluiten. Het was mijn hoofddoel, te doen uit- 
komen dat deze taal , en in 't algemeen de groep waartoe ze behoort, 
e ene voortgezette studie overwaard is. Dat ik in mijn opstel tevens 
eenige leemten en gebreken, of wat mij althans als zoodanig voor- 
kwam, in de Spraakkunst aangewezen heb, is bijzaak. Niemand 
kan in billijkheid vergen dat eene eerste proeve feilloos zij, doch 
niemand, die in de zaak belang stelt, zal het ook wraken dat op 
zichtbare gebreken de aandacht gevestigd wordt. Trots alle^ tekort- 
komingen, heeft de vervaardiger der Spraakkunst aanspraak op de 
dankbaarheid van allen die de studie van het Galelareesch willen 
opvatten. In dubbele mate zal hij onzen dank verwerven, wanneer 
hij zijn voornemen , ons met een Galelareesch woordenboek te begif- 
tigen, ten uitvoer brengt. Yerder spreek ik de hoop uit, dat hij 
eene verzameling van vertelsels en overleveringen, uit den mond 
des volks a^eluisterd, moge uitgeven. Zulk eene verzameling toch 
zal niet enkel door taalgeleerden, maar ook door beoefenaars der 
volkenkunde met gretigheid ontvangen worden. 

leiden, Oct. 1891. H. Kern. 



1 Het Gal. li, kali, wederom, nog eens, is zonder twijfel ontleend en wel uit 
Mal. kili. Het is aan het Tem., voor zoover ik weet, geheel vreemd. 



*.Mé^^ 



Cd., 13 Mrt 1847. G(ai. z8 Auj;, ia9r. 



LEVENSBERICHT 

VAN 

Dr. G. A. WIIiKEN. 
(Met portret.) 



Georoe Alxxander Wilken werd op 13 Maart 1847 teMenado 
geboren ait het huwelijk van Nicolaus Philip Wilken en Maria 
Elisabsth Hoedt. Zyne moeder behoorde tot eene onde Indo- 
Nederlandeche &milie, in Amboina gevestigd. Zijn vader, geboren 
in Aurick [Ooêt-Frieêland) ^ was, na te Bannen ^ te Kuttermeer 
en te Rotterdam tot zeudeling-leeraar te zijn opgeleid , door het 
Nederlandsche Zendelinggenootschap naar Indië gezonden, alwaar 
hij achtereenvolgend te Menado en te Tanawangko werkzaam was, 
totdat hij zich op 1 Februari 1843 te lomoAan vestigde, waar 
hij tot zijn dood (22 Februari 1878) ona%ebroken ^ gedurende 
35 jaren als zendeling-leeraar heeft gearbeid ^. Noch leeft in de 
MinahdSêa zijn naam in de meest dankbare herinnering, en door 
zijne, ook door zijn geleerden zoon zeer gewaardeerde geschrift;en ' 
heeft hij ijverig bijgedragen tot de uitbreiding der kennis van de 



1 Met mtsondering van het tijkvak tofleohen 18 Juni en 29 September 1866, 
toen h^y ingevolge eene opdracht van het Nederlandsohe Zendelinggenooteohap , 
met lijn jeugdigen mede-Eendeling J. A. Sohwabtz eene reis deed in het, tot de 
rendentie Menado behoorende rijkje Bolaang^Mongimdo , ter yermeerdering van de 
kennis dier streken, vooral in verband tot de vraag of het te vermoeden was, 
dat aldaar eene lending slagen sou. 

* Zie Maandberigt van het Nederlandsche Zendelinggenootsohap. Jaargang 80, 
bis. 91 vgg. 

* Bijdragen tot de kennis van de seden en gewoonten der Alfoeren in de 
Mïntthsnsn ^Medei. v. h. Ned. Zendelinggen. VII, 117). 

Verhaal eener reis naar BoUumff^Mongotiido (Ib. XI., 41. XII, 225). 
De taal in Bolaamg-Mongofido (Ib. XI, 189). 

Allerlei over het land en volk van Bolaang^Mongondo (Ib. XII, 284). 
Gesprekken in het Alfoersoh van Bokumg-Mimgondo (Ib. XV, 115). 
Qeslaohtsregister in de taal van BoiUumg-Mongando (Ib. XV, 278). 



140 LEYENSBSRICIIT VAN D&. O. A. WILKEN. 

taal, de zeden en gewoonten der Inlandsche bevolking^ te midden 
van welke hij heeft geleefd. 

Het eerste lager onderwijs ontving Gëoboe van dezeü voortref- 
felijken vader, die hem ter verdere opleiding in 1859 met een 
ouderen * en een jongeren broeder zond naar //de Protcstantsche 
kostschool voor kinderen van zendelingen en andere Buropeërs hi 
Indië// te Rotterdam * , aan het hoofd van welke destijds was geplaatst 
de heer B. II. Kool van Kasteel. 

Het bleek toen , dat de vader aan zijne zonen degelijk onderwijs 
had gegeven , want zij werden niet minder goed onderleid bevonden 
dan in den regel jongens van hun leeftijd in Nederland, 

Op de school behoorde George tot de stille , gehoorzame , leer- 
zame knapen , die goede vorderingen maakten in de Ne^derlandsche , 
Fransche, Hoogduitsche en Engelsche talen, in aardrijkskunde, ge- 
schiedenis, enz. , en later heeft hij het daar ontvangen onderwijs 
menigwerf geprezen, evenzeer als de uitnemende verpleging, vooral 
ook bij ziekte, waartoe veel werd bijgedragen door Mevrouw van 
Kasteel. 

Hij wenschte een militaire loopbaan te maken , maar had de teleur- 
stelling tweemalen, in 1863 en 1864, bij het vergelijkend examen 
voor de toelating op de Militaire Academie te Breda niet te behooreu 
onder de gelukkigen, die in de Inrichting konden worden opgenomen. 

Toen besloot hij , op raad van den heer van Kasteel, zich te 
wijden aan het lager onderwijs, daar zijn vader de kosten voor 
hoogere opleiding, bij het groot getal zijner kinderen (4 jongens en 
4 meisjes), niet dragen kon. 

Op uitstekende wijze slaagde hij in 1865 bij het examen voor 
hulponderwijzer , bij welke gelegenheid hij deed blijken van bijzonderen 
aanleg voor de wiskunde, terwijl hij eenige maanden later eene 
aanteekening behaalde voor de Fransche taal. 

Om te beginnen werd hij met het geven van onderwijs op de 
kostschool belast , maar weldra bleek het, dat hij niet de rechte geschikt- 



^ Dese, Philip Dirk Willbm, ii thans kapitein der Infanterie bij het leger in 
Nederlandsoh-Iudië. Hij is een hoogst \erdienstelijk officier, werd in Atjeh twee 
maal gewond en heeft zich door zijn moed, beleid en trouw het ridderkniie der 
Militaire Willemsorde verworven , terwijl hem ook , toen hij zich , gedetacheerd 
by het Nederlandsoh leger, in Amsterdam in garnizoen bevond , wegens het redden 
van een verdriukenden jongen , een.drenkelings-reddings-medaUle is vereerd geworden, 

' Tengevolge van bijzondere omstandigheden is deze school van het Ned. Zendeling- 
genootschap in 1808 door die Vereeniging opgeheven. 



LEVENSBERICHT VAN D&. O. A. WILKEN. 141 

heid bezat om op opgewekte wijze aan kinderen onderwijs te geven ; 
hij was te zeer vervuld met andere ernstige stadiën; zijn geest 
verlangde naar hooger ontwikkeling. 

Dit bracht den man, die zijn vader als zijn voogd in Nederland 
verving , den heer J. C. JN eubdenbueg , den noch steeds met on- 
verzwakte kracht arbeidenden director van het Nederlandsche Zendeling- 
genootschap, die hem na het verlaten der kostschool in zijn gezin 
had opgenomen , tot het verstandig besluit zijn pupil aan te raden 
zich tot hoogere studiën voor te bereiden, en daartoe de lessen te 
volgen aan de hoogste klassen der Hoogere Burgerschool met vijf- 
jarigen cursus te Belft, 

Gretig nam Geobge dezen raad aan , terwijl de heer Neurdenburg, 
met het oog op de meerdere uitgaven die deze opleiding zou ver- 
oorzaken, op zich nam, den vader vrede te doen hebben met deze 
verandering. 

Met onverdroten ijver en stalen volharding toog Gegrox aan den 
arbeid. In 1866 werd hij , na afgelegd examen , toegelaten tot de 
4de klasse, maar ,bij het volgen der lessen in die klasse legde hij 
zich ook toe op de studievakken der 5<le, en dit met zulk goed 
gevolg, dat hij reeds in 1867 slaagde bij het eindexamen der 
Hoogere Burgerschool. 

Nu stond hem de weg open voor de hoogere studiën. Hij liet 
zich inschrijven als student aan de Instelling tot opleiding van 
Indische ambtenaren te Delft ^ en reeds het volgend jaar, in 1868, 
bekwam hij , na op zeer loffelijke wijze > het zoogenaamd groot- 
ambtenaarsexamen te hebben afgelegd , het diploma , dat hem den 
weg opende voor den Indischen staatsdienst, waarop weldra de 
ministerieële beschikking volgde, waarbij hij werd gesteld ter be- 
schikking van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië,om 
te worden benoemd tot ambtenaar bij den burgerlijken dienst daar 
te lande. 

Zoo had hij in buitengewoon korten tijd zijn doel bereikt, maar 
het was ten koste van zijn lichaam ; reusachtige wilskracht , onaf- 
gebroken inspanning, onthouding van alle genoegens waren noodig 



1 De door hem behaalde oijfen waren: 
Gknhiedenia Tan Ned. Indië 8 
Land- en Volkenkunde . • O 
Staalisinfliellingen .... O 
Qodad. wetten enz. ... 10 
Beg. Mal. Taal 10 



142 L£ySNSB£BICHT YANL J)R. G. A. WILKEN. 

geweest, om deze schitterende uitkomst te verkrijgen; hij had zich 
letterlijk afgebeuld; lichamelijk was hij verzwakt; zijn zenuwgestel 
was ernstig aangetast; hij was uitermate stil geworden en in zich 
zelf gekeerd; zelfs tegen eene kleine wandeling zag hij op. 

In dezen droevigen toestand was wederom de heer Neurdenburq 
voor hem de zorgzame, trouwe vaderlijke vriend; hij nam hem 
mede op een uitstapje, dat hij met een deel van zijn gezin maakte 
naar Godesberg, Dit reisje, het verblijf in de schoone, liefelijke 
bergstreken van deri Rijn werkten heilzaam op het gestel van den 
afgezwoegden jongeling. Hij sterkte aan, de zenuwen kwamen tot 
rust , hij werd weder opgewekt en levenslustig , en in het laatst van 
1868 kon hij , naar lichaam en geest gezond , na geneeskundig voor 
den dienst in de tropen te zijn goedgekeurd, de reis naar Java 
aanvaarden. 

Hij verkoos die te doen met een zeilschip (het ijzeren fregat 
Tematey gezagvoerder Th. Cars), liefst als eenige passagier, ten 
einde ook op reis zijne studiën ongestoord te kunnen voortzetten. 

Op 19 Maart 1869 ontscheepte hij te Batavia ^ en ruim drie 
maanden later zag hij zich benoemd tot ambtenaar ter beschikking 
van den resident van Amhoina (Ind. Besl. van 30 Juni 1869). 

Nadat hij eenigen tijd op de hoofdplaats van dit gewest^ zich 
het oflBcieel raderwerk en de eigenaardigheden van den Gouveriiements- 
dienst eigen makende, had doorgebracht, belastte de resident hem 
in October 1869 met de controle der afdeeling Boeroe, 

Met geestdrift aanvaardde hij den hem geopenden werkkring. Wel zou 
hij op Boeroe de eenige Europeaan zijn te midden der Alfoeren ; maar wat 
heerlijke gelegenheid om zich nu in de praktijk aan zijne geliefkoosde 
studiën te wijden , kennis op te doen van land en volk in het land 
zelf, te midden der eigen bevolking, en daarbij werkzaam te kunnen 
zijn tot bevordering van de ontwikkeling, het geluk en het welzijn 
van eenige duizende medemenschen ! 

In dezen zin dan ook vatte hij zijne taak op. Al spoedig schafte 
hij zicli voor eigen rekening een vaartuig aan, ten einde de kust- 
kampongs gemakkelijker te kunnen bezoeken, dan wanneer hij zijn 
weg zou moeten nemen door het zware bosch, waarmede het eiland 
is bedekt. En weldra had hij het vertrouwen der bevolking weten 
te winnen , hetgeen hem de gelegenheid verschafte , een diepen blik 
te slaan in liare huishouding , hare zeden , hare gewoonten , hare 
instellingen , hare denkbeelden , haar karakter. 

Hierdoor werd het hem mogelijk, gedurende zijn verblijf op 



LEVENSBERICHT VAN DK. Q. A. WILKEN. 143 

Boeroe de Bijdrage tot de kennis der Alfoeren van het eiland Boeroe 
te schrijven, die in het 38e Deel der Verhandelingen van het 
Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen het licht 
heeft gezien , en door voUediglieid en op grondig onderzoek steunende 
juistheid uitmunt boven al wat vroeger over het eiland en zijne 
bewoners werd geschreven, terwijl zij in de bijgevoegde //Aan- 
teekeningen/y blijk geeft van de belezenheid van den schrijver 
en van diens besef van het groote nut der vergelijkende volken- 
kunde. 

Nog geen jaar was Wilken in Boeroe werkzaam, toen hij in 
September 1870 door den Goaverneur-Generaal werd aangesteld tot 
kontroleur der derde klasse bij het Binnenlandsch Bestuur in de 
residentie Menado ^ alwaar de resident hem in December 1870 
plaatste in de afdeeling Gorontalo , eerst in de onderafdeeling Boné 
en korten tijd daarna in de onderafdeeling lAmhotto-Kwand^mg , Ook 
daar beijverde hij zich, volkomen bekend te geraken met de be- 
volking in verband met de eischen der Begeeringstaak , die, zooals 
ook hij oordeelde, in de eerste plaats eene grondige kennis vordert 
van het volk, dat men besturen, of, waar het, zooals destijds nog 
met de rijkjes Qorontalo , Limbotto y Boné^ Atüngola en Boalemo het 
geval was, in het recht van zelfbestuur gelaten is, leiden moet, en 
overigens wijdde hij al zijn tijd aan de voortzetting zijner studiën, 
die hij , bewust dat IaI van gebruiken en instellingen bij de stammen 
van den Indischen Archipel slechts volkomen verklaarbaar zijn door 
de vergelijking met die van andere volken , hoe langer zoo meer 
den geheelen omvang der ethnologie deed bevatten. 

In Maart 1872 riep de resident hem naar de afdeeling Belang 
{Ratahan) in de eigenlijke Minakassa, 

Kort te voren had er in zijn leven eene zeer belangrijke gebeur- 
tenis plaats gehad, namelijk de voltrekking bij volmdicht in Neder lufid 
van zijn huwelijk met Mejuflrouw J. J. Neurdenburg , de dochter 
van den man, die in Nederland als een vader voor hem had gezorgd 
en dien hij innig vereerde en liefhad. Hoe heerlijk kwam nu juist 
van pas zijne verplaatsing naar RafaAan^ van waar het ouderlijke 
huis in TomoAon gemakkelijk was te bereiken, en waar nu zijn brave 
vader op 7 Juni 1872 het huwelijk van den zoon kon inzegenen! 

Gelukkige jaren sleet Wilken met zijne jeugdige gade in zijn 
schoon geboorteland, uitmuntende als ambtenaar, onder anderen ook 
door het verbeteren van wegen en het aanleggen van enkele burgerlijke 
werken, zich dagelijks meer en meer vormende tot een degelijk ge- 



144 LEVENSBERICHT VAN DR. G. A. WILKBN. 

leerde ^ , terwijl hij er vier in druk verschenen opstellen * be- 
werkte, die terecht de aandacht van velen vestigden op de nauw- 
gezetheid, den ernst en de scherpzinnigheid zijner ethnologische 
onderzoekingen, vergelijkingen en gevolgtrekkingen. 

Doch slechts weinige waren die aangename jaren , want , nadat hij 
in Juni 1873 was benoemd tot kontroleur der 2e klasse, werd hij 
twee jaren latex (4 Juni 1875) door de Regeering overgeplaatst naar 
het Gouvernement SumaircLS Westkust, 

Met zeer groot leedwezen zag men hem de Minahassa verlaten. De 
toenmalige resident, de Heer P. van der Crab, bijzonder op het 
behoud van dezen bekwamen, ijverigen ambtenaar gesteld, had hem 
gaarne in de Minahassa behouden^ en deed daartoe te vergeefs eene 
poging bij de Eegeering. 

Of dit geschiedde met instemming van Wilken is ons niet bekend , 
maar wij zijn zeer geneigd aan te nemen , dat hij er persoonlijk niet 
in gemoeid is geweest, want het komt ons voor, dat bij hem, in 
verband tot de strekking zijner studiën, een brandend verlangen 
moest bestaan, om ook andere landen en volken van nabij teleeren 
kennen , en wij vermeenen , dat zijne plaatsing in het met opzicht 
tot volksinstellingen en gebruiken zoo buitengewoon merkwaardig 
Gouvernement Sumatrds Westkust voor de ontwikkeling der door 
hem begeerde kennis inderdaad een groote weldaad is geweest. 

In het laatst van 1875 kwam hij te Padang aan en werd op 8 
December door den gouverneur als kontroleur geplaatst in de onder- 
afdeeling Sipiroh (res. lapanolï). 

Eene voor zijne ethnologische studiën meer belovende afdeeling 
had hij moeilijk kunnen treffen ; eene afdeeling, waar zoowel Maleiers 
als Batakkers ingezetenen zijn ; waar de bevolking is samengesteld 
uit Christen-gemeenten , Mahomedanen en Heidenen; een landschap 
grenzende ai^n de onafhankelijke streken der Battaklanden ^ waar de 
oorspronkelijke instellingen en gewoonten nog niet door onze inmen- 
ging waren gewijzigd of zich daarnaar hadden geschikt. 

Al dadelijk begon Wilkbn zich toe te leggen op de taal, die door 
de inheemsche bevolking in zijne afdeeling werd gesproken, en hij 



1 Zijn toenmalige resident, de heer Mr, S. C. W. J. van MtnncHBNBROBK , die 
buitengewoon ingenomen was met mjne kennis en bekwaamheid , zag destijds reeds 
den toekomstigen Professor in hem. 

' Het Landbezit in de Minahoêta, — Landverkoop in de MinahaMêa, — Het 
afplatten van het yoorhoofd bij de Alfoeren yan de Minahtuta. — Iets oTer de 
naamgeving onder de Alfoeren. 



LEVENSBEKXCHT YAN DR. O. A. WILKEN. l45 

liet zich daarin onderrichten door een ouden kundigen Datoe, wiens 
vertrouwen en genegenheid hij spoedig gewonnen had. 

Dat hij weldra goed op de hoogte was van de hem toevertrouwde 
belangrijke ambtstaak behoeft wel niet te worden gezegd. Het mocht 
ook blijken uit het feit dat hem in April 1876, kort voor zijne op 26 
Mei van dat jaar geteekende bevordering tot kontrolear der Ie klasse^ 
door den gouverneur de waarneming werd opgedragen van het ambt van 
assistent-resident van de afdeeling Mandheling en Ankola^ en hij tevens 
wefd belast met de magistratuur in die afdeeling en het praesidium 
van de rapat (inlandsche rechtbank) , waardoor hij , nog beter en vol- 
lediger dan in Sipirok^ in de gelegenheid kwam zich bekend te 
maken met de in November 1875 in het Gouvernement Sumatra's 
Weêtkust ingevoerde nieuwe regeling van het rechtswezen, waarvan 
hij weinige jaren later in een rapport, uitgebracht naar aanleiding 
van een door de Begeering gewenscht onderzoek omtrent hare werking, 
na persoonlijk verkregen ondervinding^ verklaarde, dat er , naar zijne 
meening , nimmer een grooter weldaad aan de bevolking van Sumatra's 
Westhiié was bewezen. 

Ook spraken de tevredenheid en het vertrouwen van den gouver- 
neur zich tegenover hem uit in menige buitengewone opdracht of 
zending. Zoo werd hij, bij voorbeeld, in Januari 1877 in commissie 
gesteld met het larashoofd van Saboefigan^ om, in vereeniging met 
eene door den resident der 6)(7«^^2M^r^« S'^^m^/ra benoemde commissie, 
een onderzoek in te stellen naar de beweerde aanspraken van den 
radja van 8% Moevdoel {JPadang Lawas) op het grondgebied der kam- 
pongs Alk Kanan en Aik Koendoer ^ waarop ook de Sultan van 
Bïla recht meende te hebben. 

Intusschen liet hij bij het vele en vermoeiende dienstwerk de 
studie niet rusten. Ten langen leste was zijn gestel tegen deze 
voortdurende inspanning niet bestand , en op nieuw ontwikkelde zich 
bij hém een zenuwlijden , dat hem noodzaakte wegens ziekte een 
verlof naar Nederland te verzoeken^ dat hem in Januari 1880 door 
den Gouverneur-Generaal werd verleend. 

In Nederland teruggekeerd, bracht hij den eersten tijd van zijn 
verlof door ten huize van zijn schoonvader in RoUerdam^ en toen, 
dank zij de kalme omgeving, gepaard aan het Europeesch klimaat, 
de zenuwziekte voldoende was geweken, verhuisde hij naar Leiden. 
om er de coUegies in het Sanskriet van Professor Dr. J. II. O. Kern, 
en in het Arabisch van Professor Dr. M. J. de Goeje te volgen, 
van welke talen hij de onmisbaarheid voor zijne ethnologische 



146 LEVENSBEKIOHT VAN D£. G. A. WILKJBN. 

studiën gevoelde , terwijl hij zich daardoor tevens de gelegenheid ver- 
schafte , om de voorlichting te kannen bekomen van goede juristen , waar 
hij die op het gebied der vergelijkende rechtswetenschap mocht behoeven. 

Onderwijl had reeds weder eene zeer belangrijke studie van hem 
het licht gezien , namelijk eene verhandeling over de primitieve 
vormen van het kuroeUjk en den oor^ong van het gezin ^, waarin 
hij de theoriën der nieuwe sociologische school toetste aan de maat- 
schappelijke outwikkelings-geschiedenis der Indonesiërs, en waaruit 
dus bleek , dat inderdaad zijne studiën eene algemeene ethnologische 
richting hadden gekregen en dat hij zich in ongeloofelijk korten 
tijd op de hoogte had gesteld van den inhoud der voornaamste 
werken, daarop betrekkelijk. 

Deze belangrijke bijdrage werd al spoedig gevolgd door twee 
andere, niet minder gewichtige, er mede samenhangende over de 
verwQ/ntechwp en het hutoelijkê- en erfrecht hij de volken van het Maleis 
8che ras * en het erfrecht op Nias *. 

Geen wonder dat, toen in 1883 het lectoraat in de land- en 
volkenkunde van Nederlandsch-Indië bij de gemeente-instelling voor 
de opleiding van Oost-Indische ambtenaren te Leiden moest vervuld 
worden , de keus op hem werd gevestigd en het Leidsche gemeente- 
bestuur zich gelukkig achtte , dat hij zich die keus liet welgevallen ^ 
evenzeer als hij zelf daarin eene welverdiende onderscheiding mocht 
zien voor zijn onvermoeid streven in het deel der wetenschap , waaraan 
hij zich had gewijd. 

Met veel ijver en groote ingenomenheid vervulde hij dit lectoraat 
en hij bleef het, ook nadat hij hoogleeraar was geworden, onbezol- 
digd , vervullen , en legde zijn mandaat eerst neder toen het door de 
opheffing der Leidsche Instelling verviel. 

In 1888 zag van hem ook nog eene merkwaardige proeve het 
licht , getiteld : Het straf rOcht hij de volken van het Maleische ras , 
die in groote mate de waarde verhoogde van de feestgave, welke 
het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Yolkenkunde van 
Ned. Indië ter gelegenheid van het in dat jaar te Leiden gehouden 
Oriëntalisten-congres aanbood. 

Hierop volgde in het jaar 1884 zijne verhandeling over het 
Matriarchaat bij de oude Arabieren ' , een gevolg van het bij prof. 
DE GoEjE genoten onderwijs, die de eer eener vertaling in het 

1 ludiBohe Gids, 1880 en 1881. 
s ludiBohe Gids, 1888. 
s Indisohe Gids, 1884. 



LEVSNSBXBICHT VAN DR. G. A. WELKEN. 147 

Uoogdnitsch verwierf, terwijl in 1884 en 1885 de zoo hoogst be- 
langrijke studie , Het Animisme bij de volken vcm den Induchen Archipel ^ 
opnieuw blijk gaf van zijne onvermoeide werkkracht, zijne groote 
kennis en zijne buitengewone scherpzinnigheid. 

Te midden van deze uitgaven zag hij zijne volhardende studiën 
bekroond door de grootste eer, die Neêrlands oudste Universiteit 
schenken kan; door eene op 15 Juli 1884 tot stand gekomen be- 
noeming tot doctor in de taal- en letterhinde van den Oost-IndiseAen 
Arckij)el y honoris causa i en nog was de eer dezer onderscheiding geen 
jaar oud, toen hem reeds weder op andere wijze bleek van de 
waardeering, die hij zoo terecht in de geleerde wereld genoot. 

Dit was, toen de Koning hem op aanbeveling vau de Faculteit 
der letteren en wijsbegeerte en op voordracht van het Curatorium 
der Leidsche Universiteit, bij besluit van 27 April 1885 benoemde 
tot Hoogleeraa/r in de letteren en wijsbegeerte aan de Rijismtiversiteit 
te Leiden y eene onderscheiding des te grooter, omdat hij geroepen 
werd den Hoogleeraar Dr. P. J. Veth te vervangen , die , naar den 
wil der wet, verplicht was wegens 7 O-jarigen leeftijd het zoo lang, 
zoo uitstekend en zoo roemvol vervuld ambt neder te leggen. 

Wat zal hierbij het hart van Wilken gelukkig hebben geklopt! 
Wat zal een heerlijk, volkomen gerechtvaardigd gevoel van zelf- 
voldoening hem hebben doortinteldl 

Hij aanvaardde het Hoogleeraarsambt op 16 September 1885 ^ 
met eene schoone rede , getiteld : De vrucht van de beoefening der 
ethnol^^ie voor de vergelijkende rechtswetenschap, In deze terecht 
zeer geprezene voordracht brak hij eene lans voor de beoefening 
der ethuologie bij de rechtswetenschap en toonde daarvan op heldere , 
overtuigende wijze het nut aan, onder anderen door te verklaren 
hoe een vraagstuk, dat voor den beoefenaar der rechtswetenschap 
lang een raadsel is geweest, namelijk dat over den oorsprong van 
de civielrechtelijke verwantschap bij de oude Romeinen , de agnatio , 
eindelijk door de ethnologie tot eene bevredigende oplossing was 
gebracht. 

Met groote zeggingskracht wees hij bij deze gelegenheid de studenten, 
die, zich als rechterlijk- of administratief-ambtenaar in dienst van 
den Staat naar Indië wenschende te begeven, zijne lessen zouden 



I IndiMhe Giifi, 1984 mi 188S. 

* IM wgang Tan dit tijditip outeloeg de Koning hem op gijn yenoek bij bedoit 
VBO 11 December 1886 eervol uit 'slands dienst in Oost-Indië. 

6« Volgr, Vn. 10 



148 LEVENSBEBIOHT VAN D&. O. A. WILKSN. 

volgen , er op , hoe zij , om met vrucht werkzaam te zijn , eene 
meer dan oppervlakkige voorstelling van het land en het volk zouden 
behooren te bezitten ; hoe de kennis van de godsdienstige denkbeelden 
en gebruiken , van de rechtsbegrippen en instellingen , van de zeden 
en denkwijzen , met één woord van de adat^s des volks , voor hen 
onmisbaar zouden zijn^ opdat zij niet door onvoorzichtige handelingen, 
die den inlander kwetsen zonder dat zij het vermoeden , de belangen 
van het Gouvernement in het Oosten in de waagschaal zouden stellen. 

^De kennis van de adat^s>/, zoo riep hij hun in het laatste ge- 
deelte zijner rede toe , >/is voor U , toekomstige Indische Ambtenaren I 
ffYtkn het grootste belang. Gij zijt bestemd om eenmaal over den 
//inlander recht te spreken, hem te besturen. Welnu, hij zal U 
>ymeer vertrouwen , Uwe bevelen gewilliger opvolgen , Uwe beslissingen 
^/gemakkelijker aannemen, ook waar die lijnrecht indruischen tegen 
//zijne rechtsbegrippen, zoo hij ziet, dat dit niet een gevolg is van 
//onbekendheid met deze laatsten. Doch wederkeerig zal Uwe kennis 
//van de adat^s den inboorling ook van zelf ten goede komen, daar 
//gij , hem daardoor in zijne zoogenaamde vooroordeelen beter kunnende 
//begrijpen, in staat zult zijn hem met meer toegevendheid te be- 
//handelen, want ook hier geldt het //tout comprendre, c^est tout 
//^pardonner.^/y En hij eindigde met deze krachtige aansporing: 
//Gij , hebt U een schoenen werkkring gekozen , Mijne Heeren Stu- 
//denten. Gij , die U bekwamen wilt voor den Indischen dienst I 
////Daar kan in Indië wat groots verricht worden!//^ Deze woorden 
^van den roemruchtigen Stichter van Baüwia zijn nu nog van toe- 
//passing. Gij zult geroepen worden , om mede te werken dat ^groots// 
//tot stand te brengen. Uw aandeel daarbij zal zijn, den Inlander 
^met onze rechtsbegrippen, met onze instellingen te verzoenen, en 
//hem, ook langs dien weg, tot hoogere beschaving te brengen. 
//Daarvoor is weder kennis van de adat's noodig. Want zonder eenige 
//concessie^s hieraan, zal die verzoening moeilijk plaats hebben. Zóó 
ffZült gij kunnen bijdragen om den band tusschen overheerschers en 
//overheerschten te versterken, en op die wijze het Uwe te doen, 
//om het schoone Insulinde te behouden voor het lieve vaderland!// 

Maar ook hij bleef onvermoeid al het zijne doen om te zorgen , dat 
hoe langer zoo meer de kennis, die hij zoo terecht noodzakelijk achtte ter 
behoorlijke volbrenging der bestuurstaak van Nederland in Oost-Indië , 
werd uitgebreid. Trots den arbeid , verbonden aan denauwgezette voorbe- 
reiding tot zijne coUegies en lessen als Hoogleeraar van de beroemde Uni- 
versiteit en als lector aan de Indische Instelling, was hij voortdurend werk- 



LEVENSBERICHT VAN DK. G. A. WTLKEN. Ié9 

zaam tot vermeerderiDg zijner eigene kennis, het verzamelen van gege- 
vens, de oplossing van belangrijke vraagstukken op het gebied der ethno- 
logie; en met snelheid volgden zijne belangwekkende pnblicatien 
elkander op. Kust gunde hij zich niet, en slechts zelden verschafte 
hij zich eenige afleiding, eenige verpozing, door, groot minnaar als 
hij was van zang en muziek , eens een concert bij te wonen , of zijne 
ingenomenheid met de hooge tooneelspelkonst te bevredigen door 
een grooten, beroemden tooneelspeler te gaan zien en hooren. Het 
was inderdaad, vooral in het laatst, alsof hij zich bezwaard achtte 
met elke spanne tijds , die niet was gewijd aan zijn werk , zijne 
studie. 

Geen wonder dat menig wetenschappelijk lichaam het zich tot eene 
eer rekende hem onder zijne leden te tellen. Zoo was hij achter- 
eenvolgend geworden Bestuurslid van het Koninklijk Instituut 
voor de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch- 
Indië^, Lid van de Maatschappij der Nederlandsche 
Letterkunde *, Lid van het Provinciaal Utrechtsch 
Genootschap van Kunsten en Wetenschappen ', Corres- 
pondeerend Lid van het Bataviaasch Genootschap van 
Kunsten en Wetenschappen *, Lid van de Koninklijke 
Academie der Wetenschappen te Amsterdam * , Lid van 
de Anthpropological Society te Londen *. 

De bestuurders van het Koninklijk Instituut stelden er zeer hoogen 
prijs op hem in hun midden te bezitten. Menig belangrijk rapport, 
menig gewichtig advies werd door hem uitgebracht. Nimmer was 
eenige opdracht hem te veel. Zijne welwillendheid evenaarde zijn 
geleerdheid en , sedert hij Bestuurslid werd, heeft hij voortdurend de 
door het Instituut uitgegeven Bijdragen verrijkt met de voortbreng- 
selen van zijne scherpzinnige kennis en zijne onuitputtelijke werk- 
zaamheid. Bijna geen der driemaandelijksche afleveringen, welke van de 
Bijdragen na 1884 in het licht zijn verschenen, of zij bevat een 
belangwekkend stuk van zijne hand. Zoo behelzen de zes deelen, uit- 
gegeven van 1885 tot 1891, van hem 18 belangrijke verhandelingen 
en opstellen , terwijl toch ook nog in andere Tijdschriften belang- 
wekkende bijdragen van hem het licht zagen, waaronder vooral 



i 1884—1887 ; 1888 tot zijii overiijden. 

* Juni 1886. 

* Septembo- 1886. 
« A(nil 1890. 

* 18W. 



130 LSYENSBESICHT VAN DR. G. A. WILKEN. 

mogen worden genoemd de opstellen in 1886 en 1887 opgenomen 
in de Reviie coloniale mtemationale ^ namelijk: Ueher das Haaropfer 
und einige andere IratieTgehrducke hei den Völkem Indonesiens. Mit 
anhang: Bas Verhot der wiederverheiraihimg der Wittwe wahrend der 
Iratierzeit und die conftAsio sa/nguinis. Das Haar ah ZaubermiUeL 

Maar tegen deze rasteloozen inspannenden arbeid was op den langen 
duur zijn gestel niet bestand. Dat onverpoosd denken en werken 
sloopte zijne krachten. Hoe hij ook herhaaldelijk door zijne lief- 
hebbende vroaw, door zijne zorgzame vrienden werd aangespoord, 
gesmeekt toch rust te nemen, het mocht niet baten. Eindelijk meende 
men , zou hij toch gedwongen worden zijne studiën wat te staken, wat 
afleiding en verpozing te genieten, als hij zich naar Oost-Indië zou 
begeven, om van wege en onder leiding van het Instituut^ daartoe 
finantieel door de Begeering in staat gesteld, met den Hoogleeraar 
Dr. K. Martin daar een geognostisch en ethnografisch onderzoek 
der eilanden van de Banda-zee in te stellen ^ iets, waartge hij zich 
gaarne had bereid verklaard, terwijl het zijne onverzadelijke zucht 
naar meerdere kennis zou bevredigen , hij er de oplossing hoopte te 
vinden van vele vragen, die hier, bij gebrek aan juiste gegevens, 
niet konden worden beantwoord, en het tevens voldoening zou 
schenken aan zijn, van lieverlede in heimwee overslaande verlangen 
om zijn vaderland en zijn geliefd^ heerlijk Insulinde terug te zien. 

Doch het mocht niet zoo zijn. Eindelijk weigerde het afgezwoegde 
lichaam verderen dienst. In Juni nam hij als lid der groot-ambtenaars- 
examen-commissie, waartoe hij sedert 1884 jaarlijks door de Begeering 
werd benoemd, deel aan het onderzoek dér candidaten, op de twee 
laatsten na. De laatste maal dat hij de vergaderingen dier commissie 
bijwoonde (1 Juli) was er juist eene bestuursvergadering van het 
Instituut. Hij verscheen aldaar en nam deel aan de beraadslagingen, 
maar met weemoed zagen zijne mede-bestuursleden dat vermagerde 
lichaam, die ingevallen oogen, die holle wangen, die afgematte 
trekken, en zij vreesden dat hun hooggewaardeerde, geleerde vriend 
ernstig ziek zou worden. Hij was H reeds; alleen zijne verbazende 
geestkracht hield hem staande. Dien dag in Leiden teruggekeerd^ 
moest hij zich te bed begeven. Dagelijks nam de ziekte toe. Meer 
en meer sloopte de koorts het lichaam. Lang bleef de geest helder. 
Nog steeds wilde de arme lijder werken en werken. Maar het ging 
niet meer. Zwaar was de strijd. Eindelijk zegevierde, de kwaal.. De 
schoone bruine oogen, die zoo den indruk gaven van weérgalooze 
trouw, van onwrikbare volharding, van diep indringende scherpzinnigheid, 



LEVENSBERICHT VAN DR. G. A. WILKEN. l5l 

verloren hun glans, die vriendelijke mond, zich zoo dikwijls vormende 
tot een glimlach , waardoor zoo menig goed, nuttig woord gesproken 
was, liet bijna geen geluid meer hooren , en op 28 Augustus sloten 
oogen en lippen zich, helaas! voor eeuwig. 

Groot was de smart, groot de deelneming, groot de teleurstelling 
opgewekt bij velen , toen de droeve mare zich verspreidde in Leiden, 
in de naaste steden, door het geheele vaderland, ook daarbuiten. 
En menigeen die den 'goeden overledene persoonlijk had gekend of hem 
kende door zijne werken, riep met weemoed uit: wat heeft de wreede 
Dood daar weder veel goeds , veel edels weggerukt ! welk een ontzachelijk 
verlies heeft die onverbiddelijke gebieder weder toegebracht, niet 
slechts aan de treurende gade, aan familie en vrienden, maar 
bovenal ook aan de wetenschap, een verlies, dat schier onherstelbaar 
heeten mag! 

Op den vierden dag na het overlijden, op 1 September, werd het 
stoffelijk overschot van den betreurden geleerde ter aarde besteld. 
Een breede schaar van verwanten , vrienden , vereerders volgde met 
droef gestemd gemoed de lijkbaar op den doodsakker. 

In roerende, welsprekende bewoordingen herdacht daar bij de open graf- 
kuil de Hoogleeraar Dr. M. J. de Goeje, Voorzitter der letterkundige 
Paculteit, eenmaal zijn leermeester, den geleerde, den vriend, den braven, 
edelen mensch, die reeds op 44 jarigen leeftijd van het aardsche 
tooneel was afgeroepen, waar hij nog zoo gaarne lang zou hebben 
verwijld en waar hij nog zooveel licht had kunnen ontsteken. Daarna 
bracht ook de voorzitter van het Koninklijk Instituut namens dit 
lichaam rechtmatige hulde aan den zoo hoog ge waardeerden overledene, 
hem dankende voor wat hij geweest was voor de Indonesische weten- 
schap en voor het Instituut , vooral ook er op wijzende hoe de Staat , 
hoe allen , aan wie onze Indien ter harte gaan , hem innige erkente- 
lijkheid zijn verschuldigd voor de groote uitbreiding, door zijne 
arbeidzaamheid gegeven aan de voor een goed bestuur onmisbare 
kennis van land en volk. 

Toen bij de bloem- en lauwerkransen, die de lijkkist reedsi ver- 
sierden, de studeerende jongelingschap er nog eene had gevoegd, 
bedankte een der familieleden voor de laatste eer aan den overledene 
bewezen, en verlieten de aanwezigen, diep bewogen , de plek , waar zij 
zoo veel dierbaars hadden zien toevertrouwen aan den schoot der aarde. 



152 LKVBNöBERICHT VAN DR. G. A. WILKEN. 

Belialve de van rouw en waardeering getuigende berichten omtrent 
Wilken's overlijden in dagbladen, zoowel in Nederland als elders, 
zijn in verschillende tijdschriften van tal van schrijvers levens- 
berichten, aanteekeningen , mededeelingen en ontboezemingen ver- 
schenen , die allen zijne geleerdheid prijzen , ook zijn lof als mensch 
verkondigen, en waarin sommigen met veel zaakkennis de groote 
verdiensten van zijne studiën en zijne werken in het licht stellen; 
met name van de Heeren: 

J. D. E. ScHMELTZ, Conservator van 's Eijks ethnographisch Museum 
te Leiden, in het Duitsche Tijdschrift Globus, Bd. LX, no 13, 
en Am. Urquell. II (Red. Dr. Fbiedr. Kraüss, Wien). 

Dr. M. J. DE Gokje, Hoogleeraar voor het Arabisch te Jy^Vsfe» , in 
het Algemeen Nederland se h St'u denten-Weekblad 
Mi her va. Jaarg. 16, n^. 18. 

S. R. Steinmetz, jur. caud., een van Wilken's leerlingen, in 
de Nederlandsche^ Spectator 1891, n». 36. 

Dr. H. Kern^ Hoogleeraar in het Sanskriet en zijne letterkunde, 
alsmede in de Indische Oudheidkunde, te Leiden, in de Indische 
Gids, Jaarg. XIII, blz. 1706 vlg., en in het International 
Archiv für Ethnografie, 1891, Lief. 5. 

Dr. G. M. Plbute Wzn., Conservator van de Ethnographische ver- 
zameling van het genootschap Natura Artis Magistra te Am- 
sterdam, in het tijdschrift Vragen van den dag, 1891. 

Mr. W. VAN DER Vluqt, Hoogleeraar in de Rechten te Leiden, 
mede- redacteur van het Tijdschrift De Gids, in dat Tijdschrift, 
October 1891, blz. 168 vgg. 

Jhr. Mr. J. K. W. Quarles van Ufpord, Bestuurslid van het 
Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde, in de 
Economist van 1891, onder de rubriek Koloniale Kronijk. 
Dr. G. Sghleoel , Hoogleeraar in de Chineesche taal te Leiden, in 
het Tijdschrift T^oung pao. Archives pour ser vi r ^ Tétude 
de rhistoire, des langues, de la géographie et deTeth- 
nographie de TAsie Centrale, 1891. 

Mr. P. A. VAN der Lith, Hoogleeraar in de rechten, en oud- 
Directeur der opgeheven gemeente-inrichting voor de opleiding van 
Oost- Indische Ambtenaren te Leiden , in de Leidsche Studeu- 
tenalmanak van 1892. 



De Hoogleeraar W. van der Vluqt vergunne ons, als slot van deze 
hulde van het Koninklijk Instituut aan de nagedachtenis van onzen 



LEVENSBERICHT VAN DR. O. A. WlLKENT. 153 

onvergetelijken Wilken , met eene kleine variant over te nemen 
de zoo schoone en ware woorden , waarmede hij zijne ontboezeming 
over onzen dierbaren doode eindigt: 

//Wij hebben van Wilken geleerd de oudste dooden vereering der 
^rontwakende menschheid te verklaren uit zekere vrees , die de levenden 
>y koesterden voor de ijverzucht der gestorvenen, Eene hulde in dien 
^rgeest zou hij wel nooit hebben begeerd. Jaloersch zelfbehagen was 
>yhem vreemd, en boven bloot persoonlijke geraaktheid wist ieder 
/rhem verheven. Maar wat hij begeerlijk zou hebben geacht en hem 
i^ten volle toekomt is een rouw, als waaraan «/ allen die met ons 
schriftelijk zijne nagedachtenis hebben vereerd, getracht hebben 
uiting te geven : fften kreet van diep gevoelde deernis met wat zijn 
jTwerk, het studievak zijner keuze ^ in dezen zeldzaam rijkbegaafden 
^arbeider verloor. >ï' 

Mr. T. H. DER Kinderen. 



LIJST DER IN DRUK VERSCHENEN GESCHRIFTEN 

VAN Dr. G. A. WILKEN. 



In de Mededeelingen van het Nederland^ch Zendelijiggenootschap : 
Het landbezit in de Minahasa. XVII (1873) , 107—138. 
Land verkoop in de Minahasa. XVIII (1874), 227—236. 

In de Verhandelingen van hei Bataviaasch Genootschap van Knnaten 
en Wetenschappen. 

Bijdrage tot de kennis der Alfoeren en het eiland Boeroe 
XXXVIII, (1875) 1—57. 

In het tijdschrift voor de Taal- Land- en Volkenkunde van Neder-- 
landsch'Indië y uitg. door het Batavi/msch Genootschap: 

Het afplatten van het voorhoofd bij de Alfoeren van de 
Minahassa. XII (1875), 374—377, 

Iets over de naamgeving onder de Alfoeren. XXII (1875), 
364—390. 

In de Indische Gids: 

Over de primitieve vormen van het huwelijk en den oorsprong 
van het gezin. II* jaarg. II (1880), 601—665, 1177—1206. 
IIP jaarg. II (1881), 232—289 

Over de verwantschap en het huwelijks- en erfrecht bij de 
volken van het Maleische ras. V® jaarg. I (1883), 656—765. 

Het erfrecht op Nias. V« Jaarg. I (1883), 912—914. 

Recensie . van Groneman's Vorstenlandsche toestanden. Ve 
Jaarg. I (1883), 285, 286. 

Het matriarchaat bij de oude Arabieren. VI© Jaarg. 1(1884), 
89—133. (Vertaald in het Hoogduitsch). 

Het animisme bij de volken van den Indischeu Archipel. 
VI« Jaarg. I (1884), 925—1001; II (1884), 19—101; Vlle 
Jaarg. I (3 885), 13—59, 191—243. 



LETEKSBBBIOHT VAN DR. G. A. WILKEX. 155 

I>e betrekking tusschen menschen-, dieren- en plantenleven 
naar het volksgeloof. Vle Jaarg. II (1884), 595—613. 

Tn de Gidê: 

De Simsonsage. 1888. 

Huwelijken tusschen bloedverwanten. 1890. 

Eene nieuwe theorie over den oorsprong der ofiers. 1891. 

In den Catalogus der afd^^lmg Nederlcmdache koloniën van de ten- 
toonstelling van 1883: 

Inleidend artikel over rechtstoestanden en rechtsgebruiken. 

In de Bijdragen van het Koninklijk Instituut voor de laal-^ Land^ 
en Volkenkwnde van Nederlandsch-Indié: 

De besnijdenis bij de volken van den Indischen Archipel. 
IVe Seeks, X, 165—207. 

Eenige opmerkingen naar aanleiding eener critiek van mijn 
//Matriarchaat bij de oude Arabieren.// IV® R. , X, 406 — 431. 

Plechtigheden en gebruiken bij verlovingen en huwelijken bij 
de volken van den Indischen Archipel. V© R. I, 140 — 220. 

Het tellen bij nachten bij de volken van het Maleisch- 
Polynesische ras. Met twee platen. Ve E. I, 378 — 393. 

Iets over de beteekenis van de Ithyphallische beelden bij 
de volken van den Indischen Archipel. Ve R. I. 293 — 401. 

Het Shamanisme bij de volken van den Indischen Archipel. 
Ve R. n, 427—497. 

Iets over de Fapoewa's van de Geelvinkbaai. Opmerkingen 
naar aanleiding van Uhle^s A^Hok-und Bambusgeraethe aus Nord- 
West Neu Quinea.// Ve R. II, 605—641. 

Oostersche en Westersche rechtsbegrippen. Ve R. III, 221-142. 

De verbreiding van het Matriarchaat op Sumatra. Ve E. 
m, 163—216. 

Iets orer de mutilatie der tanden bij de volken van den 
Indischen Archipel. Ve E. III. 472—504. 

Het pandrecht bij de volken van den Indischen Archipel. 
Ve R. III. 555—609. 

Iets over de schedelvorming bij de volken van den Indischen 
Archipel (met aanteekeningen). Ve R. IV. , 89 — 129. 
. De couvade bij de volken van den Indischen Archipel. V® R. 
IV., 250—266. 



156 LIVENSBEBICHT VAN DR. G. A. WILKEN. 

Plechtigheden en gebruiken bij verlovingen en huwelijken 

bij ie volken van den Indischen Archipel. V« R. IV. 380 — 468. 

Albino's in den Indischen Archipel. V® R. V. , 105 — 121. 

Struma en cretinisme in den Indischen Archipel. Y® B. Y.^ 
349—425. 

Over het huwelijks- en erfrecht bij de volken van Zuid-SunuUra. 
Ve E. VI. , 149—286. 

De hagedis en het volksgeloof der Maleijo-Polynesiërs. Met 
2 platen. Ve R. VI., 468—492. 

In de feestgave van het Kon, Instituut bij gelegenheid van het 
0rienialuien~C(mgre8 van 1883: 

Het strafrecht bij de volken van het Maleische ras. II. Land- 
en Volkenkunde. 85 — 153. 

In de Bevue Coloniale Internationale, 

Ueber das Haaropfer und einige andere Trauergebranche bei 
den Völkem Indonesiens. Mit Anhang : Das Verbot der Wieder- 
verheirathung der Wittwe wahrend der Trauerzeit und die Con- 
fusie Sanguinis. — Das Haar als Zaubermittel. — 1886. II. 
225—279; 1887. I. 345—427. 

In de Nieuwe Botterdamsche Courant: 
Vrouwelijke successie. Dec. 1890. 

In het Tijdschrift voor Strafrecht: 

Verkrachting en kinderhu weiijk. Deel V. 1891. 

Afzonderlijk uitgegeven: 

De vrucht van de beoefening der Ethnologie voor de ver- 
gelijkende rechtswetenschap. Bede uitgesproken bij de aanvaarding 
van het Hoogleeraarsambt aan de Rijksuniversiteit te Leiden y 
den 16» September 1885. Leiden, E. J. Brill. 1885, 8vo. 



I 



' De BiUdrageii tan het Koninkjyk Ingtltuat TerscbUnen Ib drie- 

nsandeliljiuehe AfleTerln^en yan S & 10 Tel drnkB. De prQs 
wordt berekend h 20 eeiits per vel dmlüs, en h 10 eents per 
plaat. BQ de 4e AlleTerin^ Tan ieder deeloBtran^ende Inteekenaren 
Ütel en inhoud voor het geheele deel. ledere afieverlvg is afzon» 
derUJk Terkr^grhaar. 



De Bibliotheken Tan het Institaut en het Indisefa Genootsehap 
(Heerengrraeht, no. 21) ztjn Toor de Leden toegankeUIJk dagelQks, 
met nitzondering Tan Zon- en feestdagen, Taii 12 tot 4 ure 
'snamiddagfl. 



Heeren Leden, yooral in IndiS, iv orden dringend Terzoeht, b^ 
Torandering Tan woonplaats of bU niet geregeld^ ontvangst der 
BiU dragen en Werken, daarTan kennis te geven aan den 
Seeretarifi. De leden, die Tan «n naar Kederlandseh Oost-Indië 
Tertrekken» worden OTeneens dringend nitgenoodigd TÓ6r hun 
Tertitftk tlJdlg daanrau aan den Beeretaris berieht te doen toekomen. 



Uitgaven van MARTINÜS NIJHOFF , te 's-Gravenhage. 



DE GOUVERNEMENTS^KOFFIECULTUUR 

OP JAVA. 

ONDERZOEK EN ADVIES, 

DOOB 

JITLIÜS KÜNEMAN. 

201 bladz. gr. 8vo. Prijs / 1.90. 



Het Reglement op het Notarisambt 

iir 

NEDERLANDSen OOST-INDIÈ. 

BENEVENS HET TARIEF VAN HET HONORARIUM 

TOEGELICHT DOOE 

P. YELLEMA. 

217 blz. gr. 8m Prijs / 3.50. 



De psMtenUi k ToMvaaleDOost-IiiÉclieiiArcliipel. 

DOOR 

Mr. G. D. WILLINCK. 

86 blz. gr. 8vo. Prijs 50 cents. 



BIJDRAGEN 



TOT DE 



TAAL- LAND- EN VOLKENKUNDE 



VAN 



NEDERLANDSCH-INDIË 



UITGEGEVEN DOOR HET 



Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde 

van Nederlandsch-IndiS. 



VIJFDE VOLGREEKS. —ZEVENDE DEEL. 
(deel XLI der GEUEELE REEKS.) 

TWEEDK Ari.EirERi:v«. 



•S ORAVENHAGE . 

MARTINUS NIJHOFF 
18 92. 



INHOUD. 



•^ 



Bladiijde 

Sawuneesche Bijdragen. Volzinnen, samenspraken en 

woordenlijst, met een grammatische inleiding. Door 

Prof. Dr. H. Kern 157 

Wijzen de tegenwoordige zeden en gewoonten der Bataks 

nog sporen aan van een oorspronkelijk Matriarchaat? 

Door J H. Meerwaldt 197 

Aanteekeningen omtrent de godsdienstige begrippen der 

Karo-Bataks. Door C. J. Westenberg ^0^08 

Sumatra's Westkust sedert 1850. Door E. B. Kielstra 254» 
Een brief van Anquetil du Perron. Medegedeeld door 

Prof. Dr. H. Kern . . . 8:31 

Notulen van de Algemeene- en Bestuursvergaderingen. 

324ste Bestuursvergadering, li September 1891 . . iii 

;325ste Bestuursvergadering, 17 October 1891 .. . xi 

,326ste Bestuursvergadering, 21 November 1891 . . xvi 

327»te Bestuursvergadering, 19 December 1891 . . xx. 

328ste Bestuursvergadering, 16 Januari 1892 . . . xxiv 

329ste Bestuursvergadering, 20 Februari 1892 . . . xxxn 

Algemeene vergadering, 27 Februari 1892 .... XL 

Buitengewone Bestuursvergadering, 27 Februari 1892 xlvi 

Verslag van den staat en de werkzaamheden over 1891 xLvn 

Bijlage I. Naamlijst der leden lvu 

Bijlage II. Lijst der binnen- en buitenlandsche academiën, 

geleerde genootschappen en instellingen ... Lxxr 



SAWUNEKSCHE BIJDRAGEN: VOLZINNEN, SAMEN- 

SPRAKEN EN WOORDENLIJST, MET EENE 

GRAMMATISCHE INLEIDING. 



DOOR 

H. KERN. 



Inleiding. 

Dank zij de welwillendheid van de Oud-fiesidenten de Yille- 
neuve en Riedel, en van den zendeling Bieger, ben ik in ^t bezit 
gekomen van eenige stukken die bouwstoffen bevatten voor de studie 
der taal van 't eiland Sawu. Ofschoon die stukken mij bij nadere 
beschouwing bleken aan allerlei gebreken te lijden , vond ik het 
toch jammer ze ongebruikt te laten liggen. Ik zag wel in , dat men 
met zulke gegevens geen leerboek kon samenstellen, doch begreep 
tevens , dat juist het hoogst gebrekkige van hetgeen ik leveren kon, 
een spoorslag zou zijn voor zendelingen of ambtenaren op Sawu om 
het onvolledige aan te vullen en het verkeerde te verbeteren. 

De volzinnen en samenspraken geef ik , zooals ik ze vond , met 
weglating van sommige volzinnen, en met wijziging der spelling, 
voor zoover mij zulks noodig toescheen. Naar al te groote eenvor- 
migheid en consequentie heb ik opzettelijk niet gestreefd. In de 
scheiding en verbinding der woorden heerscht in de mij ten dienste 
staande teksten de schromelijkste wanorde ; ook daarin hëb ik eenige 
regelmaat gebracht. 

In de woordenlijst, die ik uit verschillende gegevens samen- 
gesteld heb, zal de lezer telkens de overeenkomstige Sumbasche 
woorden — voor zoover zij mij toegankelijk waren — , vermeld 
vinden; voorts ook verwijzingen naar één of meer verwante talen. 
Die verwijzingen moeten dienen als soort van controle op de voor 
't Sawuneesch opgegeven beteekenissen. Voor het Sumbasch hëb ik 
gebruik gemaakt van het opstel van Roos in Verh. Bat. Gten. XXXVI 
en de Woordenlijst van J. de Roo van Alderwerelt in T. v. N. 
I. XXXTV. 

Met het Sumbasch is het Sawuneesch in klankstelsel , spraak- 

5e Volgr. VIL 41 



15H SAWUNEE90HI BUD&AGEN. 

kun^tigeTi bouw en woordeDSchat ten nauwste verwant. Daarentegen 
wijkt het aanmerkelijk af van het Botineesch, Timoreesch en de 
overige hiermede in nauw verband staande talen. Een van de 
kenmerkende verschillen tasschen de taal van . Sawu en die der 
meer oostelijk gelden eilanden bestaat iq de plaatsing der bestand- 
deelen van eeoe samenstelling, in welk opzicht het Sawuneesch 
zich bij de westelijke verwanten aansluit '). Over 't algemeen kan 
men zeggen dat het Sawnneesch veel punten van aanraking heeft 
met het Makassaarsch en Bugineeseh^ minder met het Javaansch. 



1) Dl heb slechts ééne uitzondering op den regel aangetroffen , nl. in 
bron, waarin de volgorde der bestanddeelen dezelfde is als in 't Rotineesch. Op- 
merkeiyk is het, dat ook in deze laatste taal uitzonderingen voorkomen, bv. 
hade-de, waterrijst. Zoowel 't Saw. dus als het Rot. zijn niet volkomen conse- 
quent. In 't algemeen bestaat er tusschen den woordenschat van het Savnineesch 
en Rotineesch meer overeenkomst dan in de spraakkunst. 



§ 1. KLANKSTELSEL. 
Het Sawaneesch wordt geschreven met de volgende letters: 

A, B, D, E, o, H, I, J, K, L, M, N, O, P, R, T, U, W. 

Hierbij komen als samengestelde teekens , dj , ng en m , waarvan 
*t eerste uitgesproken wordt als een gemoail leerde d^ dus als de 
Javaansche dj; ng stelt de gutturale, »; de palatale nasaal voor , d. i. 
de Sl van ^t Spaansoh , de gn vein 't Fransch. 

De klinkers a, e, i, o, &tL u {yn Hollandsche spelling oé) zijn 
nu eens kort, dan wéér lang. De korte klank wordt gewoonlijk, 
doch zonder consequentie^ in de mij teïi dienste staande stukken, aan- 
^duid door verdubbeling van den volgenden medeklinker: een ver- 
keerde hebbelijkheid, die hare verklaring vindt in de tot voorbeeld 
genomen HoUandsehe spelling. Ik heb die verdubbeling vermeden en 
in plaats daarvan zulke klinkers aangeduid met het teeken der 
gravin. 

De klank die aan de Javaansche Pëpët beantwoordt, wordt nu 
eens weergegeven met ^, dan wéér met & of met <!en zelfs door 
verdubbeling van den medeklinker achter a. Het schijnt, dat be- 
doelde klank in 't Sawuneesch, bij volle uitspraak^ iets dichter bij 
eene korte a staat dan de i in 't Javaansch. Daaroni heb ik ge- 
kozen ^, doch hier en daar zal men ook ^ en ^ vinden, bijv. in 
Véni^ vrouw, dewijl de t hier ontstaan is uit eene toonloos uit- 
gesproken i. In vele gevallen is het onzeker of eene Pëpët dan wel 
eene eenvoudige korte a bedoeld is. 

De klemtoon valt veel vaker op de eindlettergreep dan in 't 

Javaansch of Maleisch. Zulks kan men met zekerheid opmaken uit 

schrijfwijzen als jon, naast phiy pari en j>arri^ hoeveel, := Jav. 

pira; en uit voorbeelden als bovengenoemd è&i*, vrouw, voor bi/ni. 

Ware de klemtoon op 6i gebleven , dan zou de i niet verdoft zijn. 

Vollediger opgaven omtrent den klemtoon en de uitspraak in 't 
algemeen, kunnen alleen verstrekt worden door hen die de taal 
ter plaatse zelve bestudeeren 



§ 2. KL ANK VERSCHIJNSELEN. 

Het Sawuneesch duldt geen sluitmedeklinkers , en evenmin de 
verbinding of verdubbeling van medeklinkers. 



160 SAWUNEESOHE BHDRAGSN. 

De klinkers verschillen in de geaccentueerde lettergrepen weinig 
van de Maleische. Na dezen algemeenen regel valt van eiken klinker 
afzonderlijk het volgende op te merken. 

De a = Mal. ö, bijv. djara^ weg» = Mal djalan; Spa = 
ampat; doch in toonlooze lettergrepen, is zij dikwijls overgegaan in 
e (d. i. /), bijv. duwe^ twee, uit dmoa; dutoe^ palmwijn, mitnitoak; 
in de voorvoegsels ke, me, pCy te, uit ka, ma, pa, ia. Vermoedelijk 
is de a eerst in eene dofie ^ overgegaan , en is deze later verhelderd 
tot e. In dhy reeds, zooals men een enkele maal geschreven vindt 
voor &la^ staat e voor a in een geaccentueerde lettergreep, doch 
dit schijnt dialektisch en is in allen geval niet normaal. Soms is a 
overgegaan in (?, als m no y 3 p. enk.; rt?, 3 p. mv. ; m^one^ man- 
nelijk , voor mane, Sumba m^ni (met Umlaut uit mam). Naast no 
komt echter ook «^, en zelfs, hoewel zeer zeldzaam^ na voor. Ver- 
moedelijk is ne de vorm dien na in eene volstrekt toonlooze letter- 
greep aanneemt. De o in mone is misschien een gevolg van de 
voora%aande lipletter, doch er zijn te weinig zekere voorbeelden 
van dien klankovergang, dan dat men iets wat naar een vasten 
regel lijkt, daaruit kan afleiden. Achter eene y pleegt a, zelfs wan- 
neer ze oorspronkelijk door een medeklinker gevolgd werd, in eind- 
lettergrepen af te vallen; bijv. lai (of lafjy zeil, uit, lajar; mai 
{maf) , beialen , nit mofar , stam loqf'ar. 

De e en i, alsook de o en t^, worden wel eens met elkaar ver- 
ward; bijv. Aarekare^ alle, = harikariy Oj. sarisan; omi^ ^ dichtbij , 
= VMu. Over « en (?, uit oorspronkelijk a ontstaan, is reeds ge- 
sproken. Overgang van u in i is zeldzaam; een voorbeeld daarvan 
is a^i^ regen, met omzetting uit idjay Mal. kud/an. 

De tweeklanken ai en au hebben de oudere uitspraak bewaard, 
hoewel men ook ei en au gespeld vindt; dit laatste is vermoedelijk 
een Uollandisme. Voorbeelden zijn ai, water, = Oj. air; au, gij 
=: Mal. ëngkaUy Oj. ko. Eer als klankverzwakking van, dan als 
gelijkwaardig met ai^ kan de e beschouwd worden in made^ dood 
dat niet rechtstreeks behoeft ontstaan te zijn uit matai, Tagal. 
maêa^y Day. maléiiy maar vergeleken kan worden met Mal., Jav. 
mati. Intusschen blijven er gevallen over, waarin e en o moeielijk 
anders te verklaren zijn dan als rechtstreeksche plaatsvervangers 
van een ouder ai en au; bijv. in we, slechts; mo^ zuiver, naast 
mou^ mau; vgl. Woordenlijst. 

Verzwakking van een vollen klinker tot ^^ of ^ in de voorlaatste 
lettergreep van een woord, wanneer de laatste den klemtoon heeft, 



KLANKVE&SOHUNSELEN. 161 

is zeer gewoon. Dus përi, pêri voor pari^ omzetting van pira; bént 
voor bini. 

De neiging om in een tweelettergrepigen stam de klinkers om te 
zetten — een verschijnsel dat min of meer in alle talen der familie 
is waar te nemen, o. a. in Mal. Aidap voor Audip; Mak. kadeuBLAst 
kida — is in het Sawaneesch bijzonder sterk ontwikkeld. Bijv. 
amu^ huis, voor uma^ Oj. umah; l&mij vijf, Mal. lima; p&ri^ 
hoeveel, Jay. pira; adji, regen, Mal. kiuijan; «^oö&Vï^, oor , Sangirsch 
tuïi; tohru^ maan, Jav. toulan. Nog veel andere voorbeelden kan 
men in de Woordenlijst vinden. 

De medeklinkers geven aanleiding tot de volgende opmerkingen. 

De b komt als plaatsvervangster van eene oudere w betrekkelijk 
zeldzaam voor; bijv. in bani^ dapper, Oj. wdniy Mal. b&rani. Onder 
welke voorwaarden zich uit to eene b ontwikkeld heeft, is uit het 
beschikbare materiaal niet op te maken. 

De d beantwoordt deels aan Mal. 0? = Jav. r of d', Mak. r, als 
dutoe = Mal. dm; para = Mal. padang^ Mak. para/ng ; deels is 
ze eene verzachting der ^, als in dau^ mensch, = Mak. tdu; dai, 
drek, = Jav. taki; mada^ oog, = Mal. mata; wadu, steen, = 
Jav. watu; d&ka komen, =: Jav. (éka. Soms zijn de oudere en 
de jongere vorm beidein gebruik; dus t&bu of «ii^dz^, suikerriet; ^i en 
dui^ oud. Deze verzachting van t in dy nd komt ook voor in het 
Sumbasch , alsook in het Fidjisch , doch de woorden waarin zich dit 
verschijnsel vertoont^ zijn schier zonder uitzondering andere; zoo 
heeft het Sumbasch niet tau = Saw. dau, doch daun^ ndaim^ jaar^ = 
Saw. tau. Het Fidji heeft de --= Saw. dai^ en dovu =: dSbUy doch 
in verreweg de meeste gevallen gaan Fidji en Saw. ten opzichte 
der verzachting hon eigen weg; aan een historisch verband is niet 
te denken. 

De ^' = Mal. dj, bijv, dfara, weg, = Mal. djalan; d;au, 
ver, = Mal. dfauA, Voorts staat het dikwijls voor j; bijv. in adfu, 
hout, = Mal., Jav. tayu; kadja, rijk, uit Mal. kaya. In 't alge- 
meen is de Sawunees geneigd de klanken dj en ; met elkaar te 
verwisselen , zoodat hij djdmiai en Jimiai , morgen^ zegt Daaruit mag 
men opmaken dat de Saw. y, behalve als overgangsletter, niet meer 
de zuivere half klinker is , maar met de HoUandsche j gelijkstaat. 
Ais overgangsletter tusschen twee klinkers, waarvan de eerste een 
i is, wordt de j nu eens geschreven, dan weer weggelaten, bijv. 
in ije naast ie; toiju en toiu; in zulk een geval kan de ^ zuiver 
half klinker wezen. 



162 SAWUNEKSCHE BUDBAGEN. 

De ff is meermalen uit k ontstaan; bijv. kega^na^ rechts, Mal. 
kakanan. Oorspronkelijk is zij m guti^ schaar, Jav. gimting; guru ^ 
leermeester^ overgenomen uit het Mal. of Javaansch. 

De h heeft eene oudere s vervangen , gelijk o. a. ook in het 
Maori. Dus huhu^ vrouwenborst, = Jav. 9usu; he — , een = Jav. 
8a — ; pahay markt, uit Mal. pasar; hekola^ school, uit ëkola^ De 
Sumbaneezen bezitten de s nog , maar zijn toch op weg om die te ver- 
liezen^ want nu reeds gebruiken zij de « en de ^ door elkander i). 
Behalve de ^ uit «, heeft het Saw. nog h als onor&^anischen voor- 
slag vóór eene w, bijv. in hndi^ weinig, = vdi ; hum, ruilen, = 
Mal. «r«p; huni^ verborgen voor uni^ wimi »). De Mal., Mak., 
Jav. ij wordt in het Saw. behandeld alsof het eene 8 was. 

Over de j is reeds gesproken bij de dj. De vorm ji , Ie ps. mv. 
naast di^ moet ontstaan zijn uit dji^ een gemouilleerd di. 

De * = Jav., Mal. k, waar ze niet geheel wegvalt, of, hetgeen 
zelden gebeurt, tot g verzacht wordt. Bijv. prefix ke = Jav ka^ 
kë; kodoy borst. Mak. konro; kuri, huid. Mal. kulit. Dikwijls valt 
de k geheel weg; bijv. in ad/u^ hout, Jav. kayu; kuu^ hoef, nagel, 
Jav. kuku; ai, vrouwenkleed, Jav. ken; laH , mannelfjk wezen. 
Mal. laki; nga'a, eten, Sund. ngahakan. Ook in het Sumbasch 
valt de k wel eens uit, doch zeldzamer, bijv. in ijang, visch. 
Mal. ikan; tau, nagel. Mal. kuku, — Yoor den overgang van k in 
g , zi» bij g. 

De l heeft de neiging om in r over te gaan , beantwoordt anders 
aan Mal. , Jav. /. 

Yan ie m, n en ng is niets bijzonders op te merken. Natuurlijk 
moeten zij vóór een medeklinker verdwijnen volgens de bovenver- 
melde klankwet. 

Op de p is van toepassing wat van de k gezegd is : de oude p 
blijft of onveranderd of valt geheel weg, wordt ook wel eens tot 
b verzacht, hetgeen vaker in 't Sumbasch geschied. Voor- 
beelden zijn: prefix pe = 'i/Lak, pa; p&dUy bitter, Jav. ampëru; 
pudiy wit. Mal. putiA; piduy zeven, Jav. pitu; öpa, vier. Mal. 
ampaty Bataksch opat. Afgevallen of uitgestooten '\s p o, a. in urUy 
tiental, Jtiv. puluA; aV, vul va, MH, puki; uhu, lever, hart, Sumba 
puttiy Jav. pu8uh; aH, vuur. Mal. api; a'w, ao, kalk, Jav. apu. 



1) Volgens de Roo van Alderwerelt, 1. c p. 235. 

') Deze h herinnert aan den onorganischen spiritus asper van het Gneksch vóór 
de ypmlom. 



KLANKTBESOHUNSELSN. 1 68 

Mal. kapur; are^ Hjst, Jav. pari; &du^ gal, naast jd^v ^. Overgang 
in b in rabe^ a&emen, Mal. rampoê. 

De r beantwoordt aan eene Mal. r, voorzoo verre in 't Jav. ook 
eene r daartegenover staat; de gutturale triller, die in H Mal. 
door r, in het Tagalog door y, in het Dayaksch door h ver- 
vangen is, valt in het Saw. , evenals in 't Javaansch^ geheel weg. 
Gewoonlijk vertoont Saw. eene r, waar het Mal. d^ doch het Jav. 
r oi d heeft. Voorbeelden zijn: roa^ holte, Mal. ruang ^ Jav. rong; 
rahoy vergif, Mal. ratjon^ Jav. raigun; doch rau^ blad. Mal d&un^ 
Oj. ron; ari, jongere broeder, Mal. adiq ^ Oj. art; rSngi^ hooren. 
Mal. déngar , Oj. rëngö\ r&pa^ vadem. Mal. dèpa^ Jav. (Upa; amu 
huis. Mal. rumakj Oj. umaA. 

Voorts vervangt in het Saw. de r niet zelden eene oudere l, 
hetgeen in het Sumbasch niet geschiedt. Dus uru^ tiental^ uit 
puluh\ i*ru^ begin ^ eerste. Mak. ulu^ Oj. Aulu\ da/ra ^ binnen, Mal. 
dcdam; arUy acht, Sumba walu; dgara^ ^eg) Mal. djalan; dari ^ 
touw, Jav. tali. 

De t wordt menigmaal zoowel aan 't begin als in *t midden van 
een woord tot d verzacht; anders is het = Jav. of Mal. t. Bijv. 
t&luy drie, Jav. iëlu; tunuy licht ontsteken. Mak. tunu; ti, uit, 
van, Sund. ti; tangiy geween, Jav. tangis. Voorbeelden van d uit 
t zie men bij ^, en in de Woordenlijst. 

De «7 is, in 't algemeen, Jav. Wy Mal. h. Bijv. wadu^ steen, 
Jav. watu ; woe , krokodil , Sumba wuja , Oj. vmaya; tatoa , dingen , Mak. 
tawara; wawiy varken, Mal. babi. Zelden valt een w of uw aan 't 
begin van een woord af, als in aru^ acht, Sumba laalu , Oj.wwalu, 

Tot de zeer ongewone klankovergangen behoort die van a in i 
als in toiuy wiju^ nieuw, = Oj. waiu^ Ibanag bagé; denkelijk heeft 
de i zich hier ontwikkeld uit eene «, welke, zooals wij gezien 
hebben, meermalen uit toonlooze a ontstaan is. Onregelmatig zijn 
verder de vormen woe en wuu voor krokodil, Oj. wuaya, Sumba 
wttja, In woe kan e uit f'a gesproten zijn, doch de tweede vorm, 
wuuy blijft mij onverklaarbaar. De vorm wo, vrucht, in samenstel- 
lingen voor 't vollere wue^ Oj. wwah, is te verklaren als een gevolg 
van klankverzwakking, even als du^ mensch, in oen overeenkomstig 
geval, van dau; vgl. Woordenlijst. 

In sommige woorden is de eerste lettergreep afgeworpen; nuy 
kind, =: ana; ma^ akker, Ibanag umd^ Mal. huma; m», 2 ps. mv. 

1) Niét onmiddellijk is de p weggevallen, maar na eerst in ƒ, voorts in A over- 
gegaan te zijn. In 't Rotineesch is die K gebleven; b^v. hadt^ rijst. 



164 SAWUNEESCHE BUDBAOBN. 

voor kamu; di^ wij, voor idi, kadiy d. i. hidd, kitd met omzetting 
der klinkers. 



§ 3. WOORDVORMING. VOORVOEGSELS. 

Van bestaande wortels en stammen — waarvan de vorming hier 
baiten beschouwing blijft — worden in 't Sawnneesch woorden afge- 
leid door middel van voorvoegsels. Zonder twijfel heeft het Saw. 
ook afleidingen met achtervoegsels bezeten, doch die zijn op enkele 
sporen na, bijv. heng&bi^ bedekken, verdwenen. Hetzelfde is trouwens 
gebeurd in het Sumbasch. 

Als voorvoegsels, die als zoodanig nog herkenbaar zijn, komen 
voor ', ke^ me^ nasaal , meng of meng , pe^ ta^ he^ wo, 

Ke, Sumba ka^ te vergelijken met Jav. ka^ kéy vormt woorden 
die in begrip overeenkomen met verleden deelwoorden in intransitief- 
passieve beteekenis; bijv. keloli^ gevallen; vgl. Sumba kanabu, ge- 
vallen, stam nabu; zoo ook keb&di^ onthutst, verrast; vgl. Jav. 
kaget. Uit den aard der zaak worden zulke woorden vaak geheel en al 
adjectieven; bijv. kelagi^ krom, Sumba kaleka; kemcmgUy droog, 
van mangu, drogen; of abstracte substantieven, als kebuwe, waarde, 
prijs. Verder vindt men het voorvoegsel bij woorden die eene rich- 
ting aanduiden, als kedjwnga^ achterzijde, ^x]iVD\3iSk kadenga em kadjea ; 
kedcmga , rechterzijde, waar het Jav. het stamwoord ténghi gebruikt ; 
kega/na^ rechts, Mal. kakanan ^ van st. gana = Mal. kcman. Zeer 
gewoon is een gelijkluidend voorvoegsel, zoowel in het Sumbasch 
als in *t Sawuneesch, bij namen van dieren, planten, lichaamsdeelen 
en gereedschappen; bijv. kebara, sprinkhaan, Sumba kahalang^ vgl. 
Jav. walang; kebebz , vlinder , Sumba kabeba , vgl. Fidji bebe; ked&ke , 
kikvorsch; kebaki, tor; kebui^ katjang; kela^ areca; kepaka^ zekere 
boom; kébake ^ pens; keluwe ^* ïïi^iqv ^ vezel; kehaiy bezem, veger; 
kel^j boog; kepoke, lans, vgl. Mak. poke; ketaka^ bijl. Of dit 
voorvoegsel bij plant- en diernamen, enz., hetwelk in alle verwante 
talen meer of minder gebruikelijk is , volkomen identisch is met dat 
in keloli enz. , is vooralsnog niet uit te maken. 

Me^ Sumba ma^ in oorsprong één met Oj., Bataksch, Tagalog, 
Mak. , Bug. ma , duidt in 't algemeen aan een // met iets zijn , met 
iets bezig zijn, of in zekeren staat verkeeren./i^ T)\i& msda^u ^ bevreesd, 
angstig, Oj. maiakut; merai, lang, Sumba malai, Tag. malayu^ 
ver; meringi^ koud, Sumba maringi; vgl. Mak. dinging ^ Mal. din- 



W^OORÜVORMING. VOORVOEGSELS. 165 

^; mem^ fijn (ait menTï) , Dayatsch , Bisaya manipis; vgl. Mal. »^w , 
welk laatste als de secandaire stam kan aangemerkt worden; Bis. 
mpisy iets fijns. In het Maleisch is te vergelijken het prefix bür ^ 
ofschoon dit vormelijk niet met Tagal. ma^ maar met mag over- 
eenkomt. 

Het nasale voorvoegsel , in volleren vorm ang enz. , hetwelk uit het 
Jav. , Snnd., Mak. enz. welbekend is, komt* steeds in den zwakken 
vorm in het Sawnneesch in ettelijke afgeleide woorden, en wel niet 
alleen werkwoorden , voor. Nog zeldzamer is het prefix meng of merig. 
De veranderingen die de beginletter van de stammen ondergaat, 
zijn dezelfde als in de verwante talen , waarbij in H oc^ is te hon- 
den dat de A in ^t Saw. oudtijds eene s was. Werkwoorden op deze 
wijze afgeleid zijn o. a. ngd'a , eten , van een stam cCa , hetzij dit 
= KAKAN of = Sund. hakan te stellen is; ngadi^ zien, van adi 
of hhdi^ d. i. omzetting van ita of kita; nghie ^ zwijgen, vgl. Jav. 
mënéng ; nginu^ drinken^ van stam Inum. Het gevoel voor de eigen- 
lijke functie van het nasaalvoorvoegsel , schijnt verloren , daar bijv. 
ngadi niet enkel >/zien^ beteekent, maar ook ^zichtbaar, in ^t gezicht >r, 
evenals Sumba ngitay en nga^a evenzeer subst. als werkw. is. Het 
voorvoegsel më + nasaal is over in enkele , meest transitieve werk- 
woorden, als ménjcte^ bestijgen, van Kde^ oudtijds %dke; na^o^ 
ména^o^ stelen, van stam takau; mëdjadiy zitten i). Yoor zooverre 
de geringe woordvoorraad dien wij kennen, ons veroorlooft een 
oordeel te vellen, moeten ng en meng in het Saw. en Sumbasch als 
verouderde voorvoegsels beschouwd worden , die alleen in bepaalde 
woorden voortleven en dus niet meer in hun eigenaardige kracht 
gevoeld worden. 

Pe^ Sumb. pa^ vormt evenals j»a in 't Madureesch , Makassaarsch , 
Bugineesch, de Filippijnsche talen, va in Mota en Plorida, causa- 
tieven ; dus pengaa , doen eten , voeden , van nga'a , eten ; pemoko , 
bereiden, van moko, gereed; pemahOy temmen, van mabo^ tam; 
peramu, in huis doen zijn, huisvesten, van ramu, d. i. ra hmu^ 
in huis; vgl. Mak. parièalla, van ri balla; pedjudju^ iets aanwijzen; 
vgl. Jav. nuduAake, Nu ligt in pe niet slechfe het begrip van iets 
maken , maar ook van voor iets houden , als iets beschouwen , als iets 
behandelen. Vandaar dat met pe ook bijwoorden van wijze afgeleid 
worden; dus pedjau ^ maken dat iets ver is, en ver, als bijw. ; 
petje, verbeteren, en bijw. goed, beter; petu^ oprechtelijk , juist, 

1) Vgl. Sumba mmdidi, Jav. aiydudvk; de n swyt de df moet in 't Saw. natuurlijk 
yerdw\|nen. 



166 SAWUN£ESCH£ BUDKAOEN. 

van tu^ waarachtig. Vandaar ook dat pengiia beteekent (genees- 
middelen) innemen , een maal nattigen. Verder vormt pe verbaal- 
subetantieven : pedaga^ het handeldrljven , van daga^ handelen; 
pelolco-ngcC a ^ huwelijk, van loko-ngda^ huwen; in samengestelde 
uitdrukkingen is het dikwerf in 't Nederlandsch te vertalen met den 
stam van een werkwoord als eerste lid eemer samenstelling; bijv. 
peludja is : kweeken , verzorgen , verplegen ; ana peltédja , pleeg-kind. 
IvL penatouy reede, duidt het voorvoegsel de plaats aan voor de han- 
deling penawu , voor anker liggen ; in 't Maleisch en Javaansch zou in 
palabuhafiy labuhan het plaatsaanduidende suffix an niet kunnen ge- 
mist worden , wel het voorvoegsel pa, In 't algemeen speelt het 
voorvoegsel pe in het Sawuneesch eene voorname rol , en is eene 
nauwkeurige omschrijving van de verhouding der m^ipe afgeleide vormen 
tot de grondwoorden eene der belangrijkste punten van de spraakkunst. 
Hier kan de functie van het prefix slechts in hoofdtrekken aange- 
geven worden wegens de onvolledigheid der beschikbare teksten. 

Ta komt overeen met het Makass. ta (ïarj^en geeft dus te kennen 
dat iemand of iets in zekeren toestand gekomen is. Bijv. tahuli^ 
van den rechten weg af geraakt, verdwaald^ = Jav. hésasaT\ tabhlu, 
(iets) vergeten zijn; vgl. Mak. tarwrangi^ zich herinneren; tabolo, 
verzonken, verdronken; tadjana^ in den toestand van zinken ge- 
komen, zinken. 

Verder dient ta (soms té geschreven) ter aanduiding van een 
futurum en conjunctief; is zulk een vorm met ta afhankelijk van 
een hoofdpraedicaat, dan wordt hij in onze taal weergegeven door 
eenen infinitief met of zonder ff\^ff. Dus t-akdko ja^ ik zal of wil 
gaan^ maar oö ja takako, ik wensch te gaan; in 't Oj. zou men 
z^gen makywi aku lumahwa, staat dus het aanvullende woord in den 
conjunctief. Feitelijk d]*ukt het voorgevoegde ta in het Saw. dus 
hetzelfde uit als het suffix a in het Oj. De vraag is of ta in dit 
geval als prefix te beschouwen is dan wel als afzonderlijke partikel, 
te vergelijken bijv* met Mal. aka/n en Dayaksch haka. Bedenkt men 
dat een Mal. iérlihat in het Nederlandsch kan uitgedrukt worden 
door >/te zieu>/ en dat ons ffitf een doel aanduidt , dan zal men het 
niet onmogelijk achten dat de twee oogenschijnlijk zoo verschillende 
functies van ia zich toch uit één begrip ontwikkeld hebben. Hoe 
het zij , het schijnt mij niet twijfelachtig dat ta als aanduider van 
het futurum in het Sawuneesch overeenstemt met het als futurum- 
partikel optredende te in de talen van Mota, Mosina, Pak, Gog, 
Lakon^ t op Motlav en Saddle-island. 



WOORDVORMING. VOOBVOEGSELS. 167 

He duidt, evenals het Jav. en Mal. sa, sé^ in samengestelde be- 
namingen van hoeveelheid de eenheid aan; bijv. hev/me^ henme = 
Mal. sdbuwah; hedau, iemand; hedau Aedau^ ieder. Bij de bena- 
mingen van tiental en honderdtal^ wordt he gevolgd door een nasaal ; 
dos Aenguru , tien ; hengaku , honderd. Ook bij de overige telwoorden 
geschiedt dit: duwenguru^ tMungahu^ enz., zoodat de neusklank , 
welks ontstaan wij hier niet hebben te onderzoeken, niet als be- 
standdeel der telwoorden een, twee, enz. kan beschouwd worden. 

Wo komt voor als voorvoegsel van substantieven en adjectieven, 
zonder dat de beteekenis van deze merkbaar gewijzigd wordt. Bijv. 
looroum of roum, beeld; wodilu, oor, Mak. êolé; tcomUy naast «7^2^^ 
nieuw ; woije , goed , evenals ije ; worena en rena , groot. De oorsprong 
van dit too schuilt nog in ^t duister. Opmerkelijk is het dat aan 
wodilu beantwoordt het Sumbasche kasilung , ontstaan uit katilu^ 
waaruit men geneigd zou zijn de gevolgtrekking te maken dat wo 
en ka synoniem zijn. Dezelfde overeenkomst in waarde tusscheu too 
en ka vertoont zich in de benaming voor muis, rat: Saw. kedjou^ 
kedjowe^ Suraba kalau, Fidji kalavo ^ Mota gasutoe^ vergeleken met 
Mak. halawOy Day. halawau^ Malegasi walawOy Biuongko wolawo^ 
Eoti laf o. Ik vermoed dat Saw. wo oorspronkelijk één is metMaori 
po in pouaru^ weduwe, weduwnaar, waarin uaru het bekende Oj. 
waluy Mal. balu is. Ook het O.j. 10a (en bd) in waiiri, baAiri,awa' 
Mrij afgunst^ afgunstig; Day. ba in bakiriy afgunstig, verschilt in 
beteekenis onmerkbaar van Airi, zoodat het vermoedelijk met Saw. 
WO en Maori po verwant is. Of nu dit wa reeds in de grondtaal 
een andere uitspraak vertegenwoordigde van ma (vgl. Mal. bar) , dan 
wel of wa en ka soms in voorhistorischen tijd beide uit een denk- 
baar kwa of als zgn. velaar uitgesproken ka gesproten zijn, is een 
vraagstuk dat thans nog niet voor oplossing vatbaar is. 

Het infix, re.sp. prefix, m, um moet eenmaal in het Saw. bestaan 
hebben; een overblijfsel daarvan is muri ^ leven, nit Aumurip ,Amurip y 
doch muri is geheel en al een stamwoord geworden, zoodat men kan 
zeggen dat het infix als zoodanig verouderd , uit de taal verdwenen is. 



§ 4. ZELFSTANDIGE EN BIJVOEGELIJKE NAAMWOORDEN. 

Er bestaat in het Saw. geen bijzondere vorm of partikel ter 
onderscheiding van enkel- en meervoud. Een zeker meervoud , dat 
evenwel meer eene verscheidenheid dan een veelheid te kennen 
geeft , wordt gevormd door herhaling van het woord ; dus wawi wam. 



168 



SAWUNEESCHE BUDBAQEN. 



varkens (groote en kleine). Het spraakgebruik wijkt te dezen opzichte 
niet af van dat in het Maleisch en Javaansch. 

De adjectieven ondergaan evenmin verandering in het meervoud, 
alleen van samengestelde uitdrukkingen , als n^iii , kindje (eigenlijk 
klein kind) wordt iki herhaald, zoodat nèirihi4ki is verschillende 
kindertjes." 

De genitief betrekking wordt door eenvoudige bijstelling uitge- 
drukt; het bezeten wordende voorwerp wordt het eerst genoemd, 
de "bezitter onmiddellijk daarop. Dus dfara duiaaij het paard van 
den vorst. In veel gevallen draagt deze constructie, als men op de 
beteek enis let, het karakter eener samenstelling; bijv nadu'u dahi, 
zeevisch; fuMu loko, ri viervisch; Aedai wam, varkensvleesch. Een 
voorbeeld van omgekeerde woordschikking in eene samenstelling 
— het eenige mij bekende — is ai mada^ bron, = Mal, nuUa 
ayèr (vgl. de noot blz. 158). Elke verbinding waarin het tweede 
woord niet in de verhouding van een genitief tot het eerste staat, 
is ondubbelzig eene samenstelling; als Vini baluy weduwvrouw. 

Het Saw. bezit geen lidwoord, doch in sommige woorden^ als 
namada^ oog (in samenstelling mada), nadiCu visch, is na moeiel ijk 
anders te verklaren dan als een soort lidwoord , hetzelfde dat als 
na^ enz. in de meeste Melanesische talen nog voortleeft. 







§ 5. 


TELWOORDEN. 


De hoofdgetallen 


zijn: 






1. 


&hi 




40. 


Apangara 


2. 


duwe 




50. 


l&mingara 


3. 


mx\ 




60. 


&nangara 


4. 


Spa 




70. 


pidangara 


5. 


l&ni 




80. 


arangara 


6. 


bia 




90. 


heongara 


7. 


pida 




100. 


hengaha 


8. 


ara 




200. 


dowengaha 


9. 


heo 




1000. 


hetSba. 


10. 


hengara 




10000. 


hengara töba 


11. 


hengara 


Shi 


11000. 


hengara heMba 


12. 


hengara 


dawe 


100000. 


hengaha t&ba 


13. 


hengara 


töla 


101000. 


hengaha het&ba 


20. 


daweugara 


110000. 


hengaha hengara töba 


21. 


dawengu 


ra &hi 


200000. 


dawengaha lAba 


30. 


tülangan 


1 


1000000. 


heriwo herawo 



TELWOOBDXN. 169 

De eenheid wordt daar waar men in onze taal een toonloos uit- 
spreekt, uitgedmkt door he^ verbonden met dau^ mensch , 1^10^, s^i^, 
vracht, ngiuy lichaam, bHla^ plat vlak, lap, en andere zgn. hulp- 
woorden, meestal v66r den naam van ^t voorwerp. Bijv. hedaUy een 
mensch, iemand, ^ Mal. saorang ; iengiu toawi^ een varken; 
Adiéngu kepoke ^ een lans; djaia Aebüla, één net; vgl. 8ximh& saw&la 
louwy een lap stof, dua wila lauw, twee sarongs. Behalve de reeds 
genoemde zijn er nc^ andere zgn. holpwoorden; o. a. b&ia^ bijv. 
duwe hika loodilu, twee ooren. 

De rang- en vermenigvoldigingsgetallen worden in de mij ten 
dienst staande stakken niet opgegeven; evenmin de breuken. Het 
woord vQor f^mtslff is wari; >/tweemaaU vind ik uitgedrukt door 
dutffe loari; 2 X 2 is duwe duwe wariy hetgeen in woordschikking 
afwijkt van het Mal. duwa kali duwa. >rHalf^ is ténga; een half, 
Aetënga; een kwart is hekowa (uit Holl. kwart). 

Onbepaalde telwoorden zijn: Aarihari , alle; kenga^ eenige. 



§ 6. VOORNAAMWOORDEN. 

Pbrsoonluke vooknaamwookden. Deze zijn: 1 ipa, ja; 2 ps. 
au; S ps. Tto; mv. 1 ps. di, ji; 2 ps. mu; S ps. ro. Als vollere 
vorm van 1 ps. mv. di komt op een paar plaatsen in de samen- 
spraken kêdi voor, doch misschien heeft de schrijver ke di, d. i. 
de partikel ke + di bedoeld; in alle gevalle is Xêy waar men kÜ^ 
kë, verwachten zou, verdacht. Instede van ro wordt hier en daar 
no als S ps. mv. gebraikt. Hoewel dit gebruik in strijd is met het 
Sumbasche, lijkt de vorm gewettigd. 

De persoonlijke voornaamwoorden doen ook dienst als bezittelijke r 
ze worden, gelijk gewone substantieven, achter de benaming van de 
bezitting geplaatst; dus hmu-ja^ huis van mij, mijn huis; djarorau^ 
uw paard; ama-di (jijy onze vader; kepo-no^ zijn geweer; kowa^kowa» 
rOy hun prauwen ^ 

Het Saw. heeft dus de possessiefaanhechlsels verloren, tenzij men 
ne (zeldzamer nd)y eenen bijvorm van no, als aanhechtsel wil be- 
schouwen. Het is inderdaad waarschijnlijk dat ne zoo verklaard moet 
worden, omdat het in gebraik van het als bijstelling gebezigde no 

1 Om ede, het m\jne, uwei, enz. uit te drukken, bezigt het Saw. de woorden 
oAa, of «Nm, «Ml gevolgd door 't pers. vnw. Dus oha^ja, de, het m\jne; mm of 
t, de, het uwe. 



170 SAWUNE£S0H£ bijoraoen. 

verschilt. Dit laatste is overal bepaaldelijk z. v. a. >i^zijn , haar/sr , 
terwijl ne {na) meestal optreedt , waar het Javaansche aanhechtsel van 
den 8 ps. niet met een voornaamwoord in 't HoUandsch kan ver- 
taald worden ; bijv. in zinnen als démange 9%ng ëndi^ wie is de DëmangP > 
Zoo zegt men ook in het Saw. ddka Ie Duwai-ne, de vorst komt 
ook. In soortgelijke gevallen bezigt het Sambasch na^ hetwelk zich 
als bezitt. aanhecktsel duidelijk van 't pers. vnw. n^una onder- 
scheidt ; zoo is na ri-na , de beenderen ; pira wili-na djara ija , hoe- 
veel is de prijs van dit paard? Intusschen mag ik niet nalaten op 
te merken dat in 't Saw. ne^ achter het adjectief, hetwelk een sub- 
stantief vergezelt, geplaatst wordt; bijv. toije pa ja bdla do mëdi ne, 
geef mij het zwarte goed; en dat ne ook als aanwijz. vnw. voor- 
komt, bijv. wawi-wam nadu ne? van wien zijn die varkens? 

• 

Aanmerking. Er is een ne , Sumbasch na , dat v66r een woord Ox 
zinsnede, waarop men nadruk leggen wil geplaatst wordt; geheel en 
al als in 't Sondaneesch nja. Bijv. pa mi ne pe-au? wa&r w66nt 
gij? henga ke ne tui p&dcC ? hoel&ng zijt gij al ziek? Zoo ook in 't 
Sumbasch: hu-ita seau na uma^ ik zie een huis; na ri-na^ de been- 
deren; tangaruka êuduk; njuda na mermia^ kijk naar de mieren; 
die zijn vlijtig; in veel gevallen zou men dit na een emphatisch 
lidwoord kunnen noemen : pakadaki na likufepi, steek de lont aan ; 
énggim na lei-mu? waar is uw mdn? Dit ne, na houd ik voor een 
relatief, waaruit zich licht een lidwoord, als hoedanig na, n in ie 
Melanesische talen en het Fidji voorkomt, ontwikkelen kan, en 
ook een relatief voegwoord //dat, omdat «. Inderdaad is na in 't 
Sumbasch ook als voegwoord >/omdat/9'; Saw. ne, omdat, dewijl. 
Het karakter van een relatief is nog duidelijk te herkennen in een 
zin als deze: ënggini na énda havr^engu, hetwelk vertaald kan wor- 
den met: waarom luistert gij niet? doch eigenlijk beteekent: wat 
(is het) dat gij niet luistert? 

Aanwijzende voobnaamwoorden. Het Saw. is betrekkelijk rijk 
aan aanw. voornaamwoorden, waarvan het onderscheid ongelukkiger- 
wijze in . de weinig nauwkeurige Maleische en HoUandsche vertol- 
kingen niet helder uitkomt * . Er zijn kortere en langere vormen ; 
de eersten zijn voornamelijk in gebruik achter de voorzetsels pa , 
/a, enz.; de laatsten zijn blijkbaar ontstaan uit de kortere door 

1 Zie Roorda, Jav. Gramm. § 349. 

^ Ooft met de Sombasche aanw. vnwoorden z\jn de vertolkers in de war; wat 
b^j Roos met «dezei vertaald wordt, heet bij de Roo van AldterwereR tdie», en 
omgekeerd ! 



Voornaamwoorden. 171 

voorvo^ng van het verouderde lidwoord na of van eeuig ander 
woordje. De^ node, nahede, is =r deze, dit; ne^ none, schijnen, 
evenals het Mak. iya en het Fransche ce, niet bepaald //deze^/, 
noch >rdie>/ te kennen te geven, hoewel men ze meermalen nu eens 
met het eene, dan weder met het andere moet vertalen; zoo b'ï- 
doelt men met lodo nane ^deze dag , heden /i^ ; pa ne pa fd wordt 
vertolkt met Mal. sini sana; la ni ^z daarheen. Pune^ punide^ 
xnma9ie en puwe = die, dat gindsche. Hëdey nahéde, AÜre, nahUre 
=: die, dat. 

Ne is klaarblijkelijk het Sumbasche na in ijana, ijena en nma, 
in welke twee woorden het begrip van meerderen of minderen af- 
stand niet in het laatste bestanddeel , maar in ija opgesloten ligt. He , 
is vermoedelijk = he, Jav. sa^ een, gelijk, zoodat hede te ver- 
gelijken is met ons /'dezelfde/)^; vgl. OJ. «an/i^, dezelve, die; «fln'ü, 
deze zelfde, deze. 

Yragbnds voornaamwoorden. Naduy wieP mv. nadu nadu, Nami 
welke? welke plaats? de korte vorm is mi; met het voorzetsel joa , 
te: pa mi y te welker plaatse, waar? Re, wat, y»irf^ Henga, hoe 
groot, quanttta? PHri, përiy hoeveel, ^tf Nenga {ninffa) en «^«, 
welk (van eene reeks) qtuie; bijv. pa tau nga^ in welk jaar? 

Onbepaald voornaamwoord. Als zoodanig doet dienst nenga nenga, 
iets; nga schijnt ook als onbep. vnw. gebruikt te worden. 

Betrekkeluk voornaamwoord. Dit luidt do. Bijv. tudi dowoije, 
een goed mes; nadu do kdko la ni? wie gaat daarheen? amu do tui, 
het oude (vroegere) huis; dau do made taholo dahi, iemand die ge- 
storven is in zee verzonken zijnde, d. i. een in zee verdronkene. 
Met behulp van het relatief kunnen nomina agentia gevormd worden, 
die soms het karakter van gewone appellatieven aannemen ; als dolila , 
vogel, eig. die of dat vliegt ; do pamu , huisvrouw, eig. die thuis is. 
Die uitdrukking jEMï do, welke men den locatief van het relatief zou 
kunnen noemen, kan als voegwoord dienst doen (vgl. Skr.y^^i^a) bijv. 
pa do era tamuhu Meha/ra nga IHmUy ten tijde dat, toen er oorlog 
was tusschen M. en D. 



§ 7. WERKWOORDEN. 

De regels omtrent het gebruik van H actief en passief zijn in het 
8aw. dezelfde als in andere on verbasterde Indonesische talen ; hetgeen 



172 SAWUN£BSCH£ BIJTDRAOEN. 

des te opmerkelijker is, omdat vormelijk actief en passief zich niet 
meer onderscheiden; alleen uit de constructie blijkt of een gezegde 
als actief dan wel als passief gedacht wordt. Vormen die met het 
prefix der bedrijvende werkwoorden voorzien zijn, dienen ook in 
het passief, en andere zonder dat prefix kunnen als actief optreden. 
Bijv. n^adi is niet slechts //zien>/, maar ook //zichtbaar, te zien//; 
nuiu au is //gij komt binnen// , doch amu nuhu ri adfi is //het regent 
in// (het huis) wordt door den regen binnengedrongen. lawHli kit 
Hatpu Ja, ik wil (of zal) een geit koopen//^ doch tatoali ri ja djara 
pu/ne^ ik wil dat paard koopen (eig. dat paard zal door mij gekocht 
worden). Zoo ook is taheleo , ik zal of wil zien ; taheleo ri ja , ik 
wil het zien; kale ro-djara do keb&la, zoek een effen weg; doch 
kale ri au, gij moet het (of ze) zoeken. 

Omtrent de Tijden is op te merken , dat ter aanduiding van han- 
delingen in den Tegenw. en den eenvoudig verbalenden Tijd ééix 
en dezelfde vorm bestaat, gelijk in H Mal. en Jav. Het Perf. en 
Plusq. Ferf. kenmerkt zich door dia, dlake, afgedaan, al afgedaan; 
in overeenstemming met Mal. iélak, sndah, Jav. wis, enz. Bijv. &la 
ie au pehko ngc^a zijt gij al getrouwd? Doch niet altoos kan een 
Ferf. in onze taal met Sla ke weergegeven worden. 

Het Fut. en de Conjunctief heeft tot kenmerk een voorgevoegd 
ta; zie bij de woordvorming. 

Een infinitief bezit het Saw. niet; onze afhankelijke infinitief 
zonder of met te wordt door een conjunctief vervangen. 

De imperatief onderscheidt zich niet van den Tegenw. Tijd. De 
verbodspartikel is hole; bijv. hole hUlu, vergeet niet! 



§ 9. PARTIKELS. 

Bijwoorden van plaats, tijd en wijs bestaan grootendeels uit 
pronominaalstammen ^ meestal verbonden met voorzetsels. Zoodanige 
zijn nakede, hier; nu; jpa de, hier; la ni, daarheen; te mi, waar; 
nune, zoo; ffia de, hierheen; miMre, minaidre, zoo. 

Nog andere bijwoorden zijn : o, ja ; ddo , neen ; de ontkenning do , 
die steeds achter het woord waarop ze betrekking heeft geplaatst 
wordt; ke, wel, al; dia, dia ke, reeds; dai, genoeg; dada, nog 
niet; ko, eens^ nog; we, wata, slechts; ma, namelijk; make, toch 
wel , wel ; omu , umu , nabij , bijna ; mida , gisteren ; balirai , morgen ; 



PARTIKELS. 173 

n&liy overmorgen; dange ^ aanstonds; wdH^ ri, terug; wederom; Ie ^ 
ook; lemuy óók. 

De voorzetsels spelen in het Saw. eene belangrijke rol, hetgeen 
in \ nauwste verband staat met het feit dat de sufSzen in onbruik 
geraakt zijn. De voornaamste voorzetsels zijn pa^ te, op, aan; la, 
naar (bij verwijdering); tala, z. v. e. om te; ma , naar (bij nade- 
ring), — waarts; ti, ngati, uit, van; ri, aan, voor, wegens; bij 
^t passief te vertalen met ff door/i^ ; rowi ^ ri; ie, te, Eng. at ; ra, data, 
binnen, in; la data, Engelsch: into; wije , ten behoeve van, voor, 
aan; nga, met; rai, sedert. Uit het Maleisch overgenomen is hape, 
tot aan. 

De meest gebruikelijke voegwoorden, die gedeeltelijk ook als bij- 
woord beschouwd kannen worden, zijn: nga, en; dje, daarop, en, 
dan; hadi, doch, maar; f'a, omdat; hami, als; hari, alsook; hari nga, 
alsmede; k&ri, ki, ke, indien; wanneer; ne , dewijl, omdat, want; 
nge, dat; wata, maar. 



6e Volgr. VII. 12 



KORTE VOLZINNEN EN SAMENSPRAKEN, 
NEDERLANDSen EN SAWUNEESCH. 



Hoe is uw naam? 

Van waar komt gij? 

Waar gaat gij heen? 

Wie gaat daarheen? 

Wie komt daar aan? 

Ik kom niet; ik kan niet komen. 

Hij blijft hier maar staan. 

Gij moogt niet heengaan. 

.Wilt gij niet heengaan? 

Is het ver van hier? 

Ga, vraag drinkwater. 

Boep uw vader hierheen. 

Ik kom van Holland. 

Hoever is het van hier? 

Wacht eens even. 

Ga naar mijn huis. 

Haal het gezangboek eens 

Neem mijn boek. 

Breng dit naar huis. 

Ik ga naar H strand. 

Hij (zij) komt van 't strand. 

Zet biereneer. 

Een groot schip. 

Ik ben moe. 

Dat is een booswicht. 

Een goed mensch. 

Leg het op den schender. 

Maak een goeden weg. 

De weg is niet goed. 



Nada ngara-au? 

Ngati mi au? 

Tadju la mi au? 

Nadu do kako la ni? 

Nadu do dSka pune? 

DUksk do ja; dai do ja tadSka. 

Titu pa de we no. 

Ije do au takako. 

Oö do au takako. 

Do djau ngati de? 

Kako, mëningi ai loko. 

Pedoë aroa-au ma de. 

D&ka ja ti Wailada. 

Henga ne djau ti de? 

Mate ngara ko. 

Kako la iimu-ja. 

Ago ko buku li-lodo. 

Aba ne buku-ja. 

Pengadu nade lamu. 

Kako ja la dahi. 

DSka no ti dahi. 

l^ka pa de. 

Kapa worena. 

Taroë ja. 

Dan do kenjo punane. 

Dan do je. 

Hkpe pa kolo-gunu, 

Ta'u ro-djara do wbje. 

Bo-djara dodo wbje. 



KORTE VOLZINNEN KN SAMENSPRAKEN. 



175 



Zoek een efien weg. 
'Dat is verkeerd (mis). 
Gij zult (moet) mij vergezellen. 
Gij gaat met hem mee. 
Gij zijt van den rechten weg af. 
Wijs mij den weg. 
Waar (welke) is de weg naar Seba? 
Wat zoekt gij? 
Waar is mijn jongere broer? 
Mijn jongere broer bevindt zich 

hier niet. 
Het eiland Sawa. 
Het gewest iSêba. 
Hoevel kampongs? 
Te Sëba is een vorst. 
De vorst van Sëba. 
Menschen van Ti mor. 
Waar is zijn huis? 
Er is een dief. 
Ik ga alleen (of zelf). 
Pas op dat kind. 
Wij allen. 
Tk zelf wil niet. 
Alsmede hij (niet). 
Hij wil wel (al). 
Ga gij naar H veld. 
Ga gij om hont te hakken. 
Vergeet niet , neem het spoedig op. 
Ja, neem het maar op. 
Dat is H mijne. 
Dat is mijn kip. 

tt verzoek u (mij) te helpen^ Radja. 
Ho.ud mij niet voor den gek. 
Ga snel ! 

Gij gaat voor (eerst). 
Gij gaat achteraan. 
Ga naar achteren. 
Trek niet zoo. 
Volg mij naar Sumba. 
Bind dat eens (even). 



Kale ro-djara do kebSla'. 

Hala pune. 

Tapeduta ja ri au. 

Au peduta nga no. 

Tahuli au. 

Pedelo ro-djara pa ja. 

Nami loro-djara la HSba"*?. 

Kale nenga au? 

Pa mi ari-ja? 

Pee do ari-ja pa de. 

Pulu Hawu. 

£ai EJkW 

P&ri kedjbbo? 

Pa H&ba' hedaa duwai. 

Duwai HSba\ 

Dau Dimu. 

Pa mi ^mu-no? 

Era dau mena'o. 

Kako ja we miha. 

Mêniga na'-iki pune. 

Ji hari-hari. 

Ja we miha dodo oö. 

Hari nga no ma. 

Oö ke no. 

Kako au la pada. 

Kako au Ia para adju. 

Bole bklu , dede mariai. 

Ije ke, tadede. 

Oha-ja punane. 

Manu-ja punane. 

Meningi ja ta ruba-dara, Duwai. 

Bole peako au pa ja. 

Kako laha-laha. 

Kako uru au. 

Kako leto au. 

Kako au la kedjunga. 

Bole nune minahilre. 

Pedutu ja la Wa. 

Aki ngara ko. 



176 



SAWUNEBSCHK BIJDRAGEN. 



Doe het behoorlijk. 

Maak het beter. 

Ik kan niet paardrijden. 

Indien wij langzaam rijden , durf ik 

wel. 
Zadel 't paard. 
Stijg gij eerst op. 
Het is zeer warm. 
Vraag tuwakwater. 
Ik wil (ga) drinken. 
Houd eens even op. 
Vooruit maar! 

Zoek een plaats om te zitten. 
Is er geen plaats om te pleisteren? 
Waar is een koel plekje om te 

bekomen? 
Dit is te zwaar. 
Een mager, wild, mak, schrikachtig 

paard. 
Een ondeugend paard. 
Ik wil (zal) dat paard koopen. 
Te Liai li^t men hongersnood. 
Men krijgt geen eten. 
Waarom niet? 
Te Sëba is eten. 
Seba en Liai zijn in oorlog. 
Het paard eet gras. 
Wij gaan met ons vieren. 
Ik wil ook meegaan. 
Wees niet bekommerd op weg. 
Vergeet mij niet. 
Oij allen. 

Geef mij (eig. ik vraag) drinkwater. 
Lieg niet. 
Drie paarden. 

Ik kan geen Sawuneesch spreken. 
Slechts een paar woorden. 
-Het paard van den vorst. 
Stijg te paard , val niet. 
Ga niet snel; ga langzaam. 



Ta'u pemola. 

NjSga' pewbje. 

Ija do ja mënjaV djara. 

Bani ke ja, k&ri tapelama. 

Kapa djara. 

Mênja'e urn au. 

Tünga-l&Tiga ne pana. 

Mëni]igi ihi-duwe. 

Tanginu ja. 

Pengaha ko hudi. 

Djo we! 

Kale era mëdj^i. 

Do era ne. era-pengaha we ado ? 

Pa mi rai mawo tapehuri ani? 

LSnga-l&Lga medjSni nade. 
Djara melaka, melêi, mabo, kebUi. 

Djara peako. 

Tawëli ri ja djara pune. 

Tamenganga pa Liai. 

Nara do nga'a. 

B»i nenga? 

Pa H&ba' era nga'a. 

Mahu H&ba' nga Liai. 

Djara nga'a dju^u. 

Kako helau-helau di Spa. 

Ja do takako helau-helau. 

Bole hedu'i pa ro-djara. 

Bole b&lu ja. 

Mu hari-hari. 

Meningi ja ai loko. 

Bole uku. 

T&lu ngiu djara. 

Ia do ja pedai li Hawu. 

Wata he üba' duwe üba\ 

Djara duwai. 

Mënja^e djara, bole menawu. 

Bole perai; kako pelamalama. 



KOET£ VOLZINNEN KN SAMENSPRAKEN. 



177 



Een groot paard. 

Hoever is het? 

6e moo^ niet lang uitblijven. 

Ik vrees om lang uit te blijven. 



Djara moniai. 
Henga ne djauP 
Dodo ije taradja. 
Meda'u jataradja. 



Kom binnen! 

Kom naar boven! 

Wie zit daar? 

Zijt gij ziek? 

Oa zitten. 

Kom hier. 

Sta op. 

Groed zoo (of: genoeg!) 

Wat scheelt u? 

Hoelang zijt gij ziek? 

Is het al beter, of niet? 

Drink deze medicijn. 

Driemaal daags. 

Breng dit naar huis. 

Hoe oud is hij wel? 

Ik heb zieke oogen. 

Welk oog is ziek. 

Wees niet bewegelijk. 

Lach niet. 

Beweeg het hoofd niet. 

Laat de tong zien. 

Laat mij uw hand eens aanvoelen 

(aanvatten). 
Ik heb hoofdpijn. 
Buikpijn, tandpijn. 
Waar woont gij? 
Dichtbij. 

Kunt gij slapen? 
Hebt gij eetlust? 
Stel u niet bloot aan den wind. 
Uit een klapperboom gevallen. 
Heeft hij al medicijn gebruikt? 
Gkef hem eten. 



Nuhu! 

Ha'e! 

Nadu do mëdjidi pa pune? 

TapèLda' au? 

MëdjUi. 

Mai ma de. 

KSdi. 

Teje. 

P&da' nenga au ? 

Henga ke ne tui p&da'? 

Do ije ke, we Sdo? 

Nginu amo-adju nade. 

He lodo t&Iu wari. 

Aba nade lamu. 

P&ri wuhe tau ke no? 

Tap&da^ namada-ja. 

Namada nami do p&da^? 

Bole kemuki. 

Bole mari. 

Bole kemuki k&tu. 

Pedelo weo. 

HSko ko ne ruwai-au tap&ru. 

P&da' kStu-ja. 

B^a' dftlu, p&da^ ngutu. 

Pa mi ne pe-au? 

Hed&ra ? 

Ja bJidji? 

Dai tanga^a? 

Bole pel&ka pa ng&lu. 

Bunu' ti kolo-njiu. 

Ala ke penga'a amo-adju? 

Wije no nga'a, 



178 



SAWUNSESCUE BUOBAGEN. 



Knip zijn haar. 

Laat mij eens zien. 

Vergeet niet te drinken. 

Eet veel. 

£ene vrouw of een man. 

Klein of groot (volwassen). 

Oud of jong. 

Zuigt dat (kind) nogp 

Eët hef veel? 

Het heeft wormen. 

Gij moet het spenen. 

Het is al twee jaar oud. 

Heeft het al rijst gegeten? 

Hoeveel kinderen hebt gij? 

Hoeveel meisjes? 

Hebt gij de medicijn al gebruikt? 

Wie gaf ze u? 

Oij moogt geen medicijn van iemand 

anders gebruiken. 
Het is goed (men moet) ze (te) 

gebruiken op tijd. 
^s Morgens, ^s middags en *s avonds. 
Meng deze medicijn met suiker. 
Scheer zijn hoofdhaar af. 
Laat de kinderen bij mij komen. 
Jaag ze niet weg. 
Ik heb de kindertjes lief. 
Ik heb óók kinderen. 
Hij loopt mank. 

Hij heeft een wond aan H hoofd. 
Hebt gij azijn? 

Hij heeft zich in de hand gesneden. 
Komt maar binnen, kindertjes. 
Oaat gij op school? 
Crij zijt reeds groot. 
Hebt gij nog broertjes? 
Hoe laat is het al? 
Welk boek? 
Gauw naar huis! 
Maak niet beschaamd. 



Gute ru-k&tu-no. 

H&ko ko ri ja taheleo. 

Bole hSlxx tanginu. 

Nga'a peaiai. 

Mobeni we momone. 

Na'iki we kepai. 

Weka we ng&ru. 

Do ne tahuhu ko ma? 

Tado ai ke ne nga^a-ne. 

Era-ne kelate. 

Pengaha, bole pehuhu. 

Duwe tau ke ne pemuri. 

Ala ke no penga'a are? 

Do p&ri ana-au? 

Do p&ri ana mobëni? 

Ala ke au pepake amo-adju? 

Nadu do wije pa au? 

Ije do au tapake amo-adju ti daa 

hewala. 
Do ije tapake pa kewahu-no. 

Djemiai , natu lodo nga mëda. 

Amo-adju nade pekiwongadonahu. 

Luhu ru-k&tu-no. 

Hani we na^ki ne tamai nga ja. 

Bole bSgi'. 

Dije ja nga na'iki. 

Era lema ja nga ana'. 

Kako beko no. 

No'e kStu-no. 

Era-au nga do kedoha? 

B»uwai-no l&a ri tudi. 

Nuhu we, anaMki. 

Kako au la hekola? 

Kepai ke au. 

Era au nga a'a-ari momone na'iki ? 

Oba pSri ke? 

Buku nami? 

Laha lamu! 

Bole pemakaidara(of: pemakeadara.) 



KOKTë volzinnen £N saksnspaakjik. 



179 



Zie goed; hoor goed. 

Wat is dat? 

Hoe heet dit? 

Zeg het behoorlijk; nog eeusl 

Hebt ge al gebaad? 

Zie naar het bord (schrijf bord). 

Tiees dit. 

Schrijf deze letter. 

Kom laat ons zingen. 

Laat ons tezamen opzeggen. 

Hoeveel 6<^gen hebt gij? 

Twee. 

Hoeveel óóren? 

Twee. 

Hoe luidt déze? 

Ik weet niet. 

De Meester is reeds naar school 

gegaan. 
Yergeet niet den Meester te zeggen. 

De HoUandsche taal. 

« 

Noem eens eenige dieren. 

De koe, ^t varken, 't paard. 

De kip, de kikvorsch. 

De visschen, de vogels. 

De aap, de hond. 

Noem mij eens eenige dingen in 

huis. 
Bord, kopje, mes. 
Houwer, zwaard, lans. 
Hond op, het is al genoeg. 
Tel tot tien. 
Dat is mis (fout). 
Ja, juist. 
Weet gij het al? 
Ja, Mijnheer. 
Oij zijt dom. 
Een en een is twee. 
Vier min twee, blijft twee. 
Eenmaal, tweemaal. 
Tweemaal twee is vier. 



Heleo ije; rSngi ija. 

Nenga punane? 

Mi ne ngara nade? 

Li pemola; hewari w&ri. 

Ala ke au pedjiu ai? 

Heleo pa b&Ia' papa. 

Le (of baha) nade. 

Buki lète nade. 

Mai we ma djuka lodo. 

Pa li hela'u-hela'u. 

Do p&ri ne namada-au? 

Duwe buwe. 

Do pSri ne wodilu-an? 

Duwe b&ka'. 

Hami nami na li nade? 

Ia do ja. 

Kako ke Guru la hekola. 

Bole b^u tapika pa Guru. 

Li Wailada. 

Pika ko hudi ne ngara bada. 

Hapi, wawi , djara. 

Manu, kedSke. 

Nadu'u, dolila. 

Kode^ ngaka. 

Pika ko pa ja ne worowu pa ra 

hma. 
Kirigi, piga rai, tudi. 
Wela, hemala, kepbke. 
Pengaha , dai ke. 
Kire h&pe la henguru. 
Hala pune. 
O, petu ke. 
Ia ke au? 
O, Tuwai. 
Do b&nga au. 
Ahi nga &hi hako duwe. 
Apa Sgo duwe, rihi duwe. 
Hewari , duwe wari. 
Duwe duwe wari agu Spa. 



180 



SAWUNEESCHE BIJDRAGEN. 



Zes door 3 gedeeld is twee. 

Tel uwe vingers. 

Een en een half; een en driekwart. 

Vijf en een kwart. 

Niet eenmaal, maar honderdmaal. 

Anna gaat hier staan. 

Alsook Helena. 

Help mee zingen. 

Laat ons bidden. 

Heb maar geduld, Meester. 

Ik vraag verschooning. 



Hoeveel vraagt (eischt) gij? 

Wilt gij dit verkoopen of niet? 

Wat vraagt gij? 

Pinang of keper? 

Dat heb ik niet (in voorraad). 

Qa suiker koopen. 

(Ik heb) al véél suiker. 

Zet daar neer, 

Ik wil het zien. 

Bedrieg niet. 

Zet maar neer. 

Ik heb al een paard. 

Ik heb nog geen paard. 

Ik wil eene geit koopen. 

Koop gij mij een varken. 

Dat is te duur. 

Dat is goedkoop (laag). 

Ik heb geen geld (bij mij). 

Ik vraag te leen. 

Het is te smal. 

Het is al te lang. 

Hoe komt dat toch? 

Ik wil geel goed koopen. 

Hebt gij geen groen goed? 

Geef mij het zwarte goed. 

Meet goed. 



Ana pekepala t&Iu duwe. 

Kire kolo-ku'u-au. 

Ahi hetenga ; hewue (heuwe) nga 

tölu kowa\ 
li&mi hekowa\ 

Ado hewari, wata hengahu wari. 
Titu Ana ma de. 
Hari nga Helena. 
Tulu tadjuka lodo. 
Mai di ma hebadja. 
Taw&nge we; Quru. 
Tahuba ja. 



PSri ne mëningi au? 

Tapewije ke nade we ado? 

Aminga nenga au? 

Kela we bkla' kepe? 

Pune bule do pa ja. 

Kako la w&li donahu. 

Ai ke ne donahu. 

T&ka pa pune. 

Taheleo ri ja. 

Bole pote au. 

IHka we. 

Era ke ja nga djara. 

Bule dado ja nga djara. 

TawUi ki'i hawu ja. 

W&li au hengiu wawi pa ja. 

LXnga pune ne haV kebuwe. 

Mura (wawa) pune. 

Bule do ja nga doï. 

Mëningi tapidja ja. 

L&nga ne koba. 

LXuga-l&nga ne merai. 

Bi nenga ke no? 

Taw&li bara do keiara ja. 

Bule do au nga bftia' do meng&ru? 

Wije pa ja b&la^ do mXdi ne. 

Hiiko peïje. 



KORTE VOLZINNEN EN SAMEN SPRAKE ^I. 



181 



Hebt gij sarongs? 

Laat mij hoofddoeken zieu. 

Genoeg! ga maar heen. 

Boep dien man terug. 

Hoe oud is dat paard al? 

Wilt gij het ruilen? 

Hoeveel vraagt gij toe? 

Ik ruil het niet (voor) twee paarden. 

De tabak is op. 

Hoeveel kost die tabak. 

Koop boomvruchten. 

Verkoop mij die sarong. 

Een mooi mes. 

De Butoneezen zullen komen , met 

hunne prauwen. 
Ze brengen katoen , om het voor 

suiker te ruilen. 
Wij gaan daarheen. 
Wat voeren zij nog meer aan? 
Zij verruilen sarongs. 
Gelooven de Butoneezen in den 

Heiland onzen Heer die lichaam 

en ziel redt? 
Neen, ze zijn Mohammedanen. 
Elk jaar komen zij herwaarts. 



Era au nga higi? 

Feheleo pa ja ne lehu. 

Teje, kako we. 

Fedoë ri ne dau ne. 

F&ri buwe tau ke djara pune. 

Tapehuru ri au? 

Henga ne meningi au tabuwe? 

Pehuru ri ja nga duwe ngiu djara. 

Ala ke ne runai. 

Henga ne kebuwe runai pune? 

W&li wo-adju. 

Pewije higi pune pa ja. 

Tudi do wbje. 

Dau Butu tadtka nga kowakowa-ro. 

Peng^u wungu, tapehuru donahu. 

Kako di la nane. 

Nenga Ie oha-ro do pengidu? 

Pehuruhuru higi ro. 

Do p&rhaja ke ne dau Butu pa 

muri-di do pehelama ngiu nga 

hemanga ? 
Ado, ro dau Hela. 
Hewue tau d&ka ma de. 



Waar is uw tuin? 

Wiens tuin is dat? 

Wie verwoesten hier alles? 

* 

De varkens. 

Dan (eig. indien dat zoo is) moet 
gij eene heining maken. 

Dat heb ik gedaan, doch met ge- 
weld komen ze binnen. 

Dan moet gij goed hout nemen. 

Er is geen hout. 

Dan moet gij den haag van levend 
hout maken. 



Pa mi doka-au? 

Doka nadu punide? 

Nadn do peapa nade hari-hari? 

Wawi. 

Ki minkhiire ta'u ri au ne la'u. 

Ala ke ja peta'ü, ta pewiki 

tanuhu. 
Ki ]nin&h&re ago adju do ije. 
Bule do adju. 
Ki minShkre ta'u ri au la^u ri 

adju do muri. 



182 



8AWUN££SGU£ BUO&AGEN. 



Het is zeer lastig. 

De varkens vreten alles weg (wat 
de varkens eten, is alles weg). 

Zij vertrappen en wroeten den 
grond om. 

Van wien zijn die (de) varkens? 

Alle varkens loopen maar los. 

Vergeet niet te gieten. 

Tabak planten. 

Plant djagong, boontjes. 

Bijst planten. 

Qeet mij (eig. ik vraag) een weinig 
bloemen. 

De pisang is nog niet rijp. 

De rijst kan gesneden worden. 

Zoek pëpaja. 

Haal eens klappers uit den boom. 

Hebt gij al tabak gesneden? 

Hebt gij al tabak gedroogd? 

Hij is nog niet droog. 

Hij is nog nat. 

De rijstvelden hebben water ge- 
kregen. 

Alle planten verdorren. 

Niets kan groeien. 

Alles verschroeit door de zon. 

Het is nog onrijp. 

Is de dj&mboe al rijp? 

Pluk tamarinde. 

Plant veel toewakboomen. 

En vmchtboomen. 

En schadnwboomen. 

Haal wat komkommers. 

Hoeveel soorten limoen? 

De mëlati^ de tjampaka. 

De oebi , katala , Spaansohe peper, 

Melongena, siri. 
Suikerriet. 



Lftnga ne heda^i. 

Nga*a nga'a ri wawi ila harihari. 

Dj&le ri djida nga waki-wnki ne 

wo-rai. 
Wawi wawi nadu ne? 
Harihari wawi tagble we. 
Bole hhlvL tabawi. 
H&la nanai (runai). 
Eadja tSra (tSrai) Djawa, kebni. 
Melari are. 
Mëningi ja wila-bunga ndi. 

Mea dado mua ne dai. 
Ije ke ne are tagitn. 
Kale wo-hango. 
Pae ko njiu ti kolo. 
Ala ke an pero^e runai? 
Ala ke au peno'a runai? 
Mangu dado. 
Do bbbo ko. 
Nara ai pa ma-are. 

Made Sle-Ue ru adju. 

Bule do hehi do muri. 

Harihari kepu ri lodo. 

Do mada ko. 

Mea ke ne woko Djawa? 

Ago wo-helagi. 

HSla duwepeai. 

Nga kepue adju do era nga wue. 

Nga kepue adju do era raimawo. 

Ago wo-dimu poro. 

PSri worowu ne wo-djSru? 

Wila-bunga loro , wila-bunga 

hepaka. 
Wo-hiwu Butu, wo-hiwu Djawa, 

wo-hili , wo-t&re , kenana. 
DSbu, 



KOKTS VOLZINNEN £N SAK&NUPRAKEN. 



183 



Kant gij zwemmeup 

Is deze rivier hier diep? 

Hoe diep? 

Meer dan een vadem. 

Neem schelpen. 

Wat zijn die schelpen mooi. 

Hebt gij er al in ^t zicht? 

Is hier veel visch? 

Vroeger veel, na weinig. 

Yroeger kwamen er dikwijls bij 

Sawa heele scholen visch. 
Na komen zij niet meer. 
Waar is uw net? 
En waar aw hengel? 
Haal aw net weer op. 
Zijn er visschen in? 
Groote of kleine? 
Waar is aw vischhaak? 
En waar het tonw? 
Werp het ver uit? 
Biviervisch, zeevisch. 
Varkensvleesch. 
Maak zoo'n leven niet. 
Qij zult de visschen wegjagen. 
Oa een weinig naar 't midden I 
Niet zoo naar den kant, hier! 
Wat zoekt gij? 
Zeewier, Mijnheer. 
Wat doet gij er meê? 
Dat eten wij. 
Doe het in uw mandje. 
Hoe heet die visch? 
Sardijntjes, lëmah. 
Herstel uw net. 
Maak mij een net. 



Ia au uangi? 

Aijae ne loko de? 

Henga ne aijae? 

Biihi ti her&pa. 

Ago kaba' wokepai. 

Hami nami ne wbje kaba' wokepai. 

Ng&di ke ri au? 

Ne de ai nada'a? 

Uru ne ai, nahede hudi ke. 

Uru ne d&ka loro we hedSka ma 

rai Hawa nadu^u anja anja. 
Nahede dSka do ke. 
Nami djala-au? 
Ne pa mi adja-kawa-aa? 
Kebbko we djala-aa? 
Era nga nada'a? 
Monea we na'iki? 
Nami kawa-au? 
Ne pa mi dari-mengadi-aa? 
Pahi (liga) pedjau. 
Nadu'u loko, nadu'a dahi. 
Hëdai wawi. 
Bole kenja'a. 

Tabè(ge ri au nada'u hede. 
La telora ko hudil 
Bole ma teliriliri de! 
Kale nenga aa ? 
Buwadju dahi, Tawai. 
TadjSga nga au? 
Tanga'a ji nah&re. 
T&ka la dara hodi-au. 
Nga ne ngara nadu'a nane? 
Bui-gau, lëma. 
Peïje djala do mkta. 
Ta'u djala hebSla' pa ja. 



184 



SAWUli££SOR£ BUD&AOSN. 



Waar zijt gij geboren? 

Ta88cben Timoe en Sëba. 

Op de grens van Timoe en Sëba. 

Ja, Mijnheer. 

In welk jaarP 

Dat weet ik niet. 

Welk jaar hebben wij nn? 

Wij tellen de jaren niet. 

Hoe ond is de wereld al? 

Dat weet ik nog niet. 

Hoe weet gij dan uw ouderdom? 

Op de gis af. 

Toen die groote storm woei, had 
ik reeds een kind. 

Toen er oorlog was tusschen Mesara 
en Timoe , had ik al een klein- 
kind. 

Gij zijt al oud. 

Nog niet zoo heel oud. 

Hij is zeer oud. 

Wie is er dood? 

Hoeveel dagen is hij reeds oud? 

Waar wordt hij begraven? 

Aan welke ziekte is hij gestorven ? 

Waarom schreit gij? 

Omdat mijn jongere broer (zuster) 
gestorven is. 

Op welke begraafplaats begraaft 
gij hem? 

Gij moet hem spoedig begraven. 

Het lijk niet zoolang laten liggen. 

Het riekt zoo. 

Ik kan het niet uithouden. 

Wil Mijnheer 't lijk zien? 

Yan ganscher harte. 
Zoo (genoeg), dek nu maar toe. 
Zij is in 't kinderbed gestorven. 
Och arme! leeft haar kind nog? 



Pa mi rai metana au? 

Pa telora Dimu nga HSba\ 

Pa pewata Dimu nga H&ba'. 

O, Tuwai. 

Pa tau nga? 

Ia do ja uahilre. 

Tau henga ke nahede? 

Kire do ji tau. 

Henga ke pemuri rai-wawa? 

Ia dado ja dai nane. 

Ki minahilre, hami nami au ngetoi 

ta pemuri-au? 
Fengenge we. 
Pa do era raga ngiJu moniai, 

era ke ja nga ana. 
Pa do era tamuhu Mehara nga 

Dimu, era ke ja nga Spu. 

Weka ke au. 

L&nga dado ne weka. 

Biihi ke ne weka-no. 

Nadu do made? 

P&ri lodo ke ne made-no? 

Tapedana pa mi no? 

Made pXda' nga? 

Ti nga au hako tangi? 

Ta made ari-ja. 

ILai-dare pa mi ne padana no? 

Laha-laha we au ne pedana no. 

Ngiu dau made ne bole hani petui. 

LSnga-lSnga ne wau. 

MSka do ja tawftnge. 

Dei Tuwa taheleo ngiu dau 

made ne? 
Nga hewue deniade-ja. 
Teje, heng&bi we. 
Made metana ja. 
Ina ja! do muri ko ana-no? 



kORTE TOLZINNXN BN SAUENSFRAKBTI. 



185 



De vrouw was drie dagen in arbeid 

om te baren. 
Het léven is k6rt. 
Yertrouw maar op onzen Heer Jezus. 
Hij kan u zalig maken. 
Hij wil ook. 

Wees niet al te bedroefd. 
Wie gaat meê naar 't graf? 
Wij zullen daar zingen. 
Is dat een wees? 
Waar woont die weduwe P 
God is een Vader voor de weezen. 
(En) beschermt de weduwen. 
Hij helpt gaarne. 
De dooden zullen weer opstaan en 

eeuwig leven. 



TRÜu lodo ke mobëni ne hedu'i 

tametanana. 
Do \Ahdk ne keluwe. 
P&rhaja we pa muridi Jesus. 
No do ia pelo<1je (pehelama) au. 
Oö ma. 

Bole l&nga hedu'i deniade. 
Nadu do pedutu la rai-dari 
Tadjuka lodo di pa nane. 
Ana do lalu nanideP 
Fa mi imn beni balu-neP 
Muri Allah Ama ri ana do lalu. 
Pewadje ne bëni balu-ne. 
Do dei No tatulu. 
Dau made tamuri wari, tamuri 

lohe lamimi. 



Er is geen regen (gekomen). 

Er is veel regen (gevallen). 

Er zal veel regen komen. 

Laten wij hard loopen. 

Zoek een huis om op 'te houden. 

Harde wind (de wind is hard). 

Gij zult koud worden. 

Veel wolken. 

Het heeft lang niet geregend. 

Het gras gaat dood. 

De paarden hebben geen eten. 

Er sterven ook veel buffels. 

De zon is niet zichtbaar. 

De maan en de sterren. 

De regen komt uit het westen. 

De zon is bijna weer zichtbaar. 

Nieuwe maan. 

Volle maan. 

Lichte maan. 

Er zal weldra overstrooming komen. 

Vertoef niet langer aan de rivier. 

Ik vraag een regenscherm. 



Nara do adji. 

Nara peai adji. 

Taai ne adji. 

Perai meriai di. 

Kale kinu tapengaha. 

M^u ne ngalu. 

Tameringi au. 

Ai meramu. 

Tui ke adji do. 

Made ne dju^u. 

Bule do nga'a pa djara 

Ai lema ne made kebao. 

Ngèdi do mada-lodo. 

WSru nga moto. 

Adji nga ti wa. 

XJmu ke taha^u mada-lodo. 

WSrn wowiu 

Kewore wSru. 

Weo wftru. 

Umu tad&ka ai-wa 

Bole tui pa loko. 

Mëningi padjo ja. 



186 



SAWUNEKSOHE BUDRAGEN. 



Is het nat? 

Laat het niet aan den regen bloot- 
gesteld zijn. 

Als de lucht niet betrokken is. 

Hij is ziek van een zonnesteek 
(eig. door de zon getrofien). 

Pas op , dat het kind daar niet 
door de zon getroffen worde. 

Waar is het Noorden? het Zuiden? 

Ga naar den oostkant ; naar den 
westkant. 

Het zal onweéren. 

Het is zeer donker. 

Storm. 

Ik ben bang. 

De rivier is vol water. 

Qroote golven. 

Het is vloed (van de zee). 

Ik durf niet. 

Ik ben bang voor den hemelhond. 

Neem een fakkel meé. 

De regen houdt op. 

De regenwolken zijn al weg. 

Het is reeds helder. 

Het huis lekt; het regent in. 

De wind komt in (huis). 

Vergeet God niet. 

Hij geefi; regen en zonneschijn. 

Doe de deur wijd open. 

Doe de deur toe. 

Sluit de deur. 

Kom hier. 

Ga maar. 

Zit gij hier, gij daar! 

Kom hier staan. 

Zijt gij al getrouwd? 

Hebt gij kinderen? 

Hoeveel kinderen hebt gij? 

Hoeveel meisjes, hoeveel jongens? 



Nge tabbbo? 
Bole l&ka pa adji. 

Ki dodo merengi dai. 
F&da^ no l&ka ri lodo. 

Mêniga naMki pune nge tal&ka 

ri lodo. 
Nami budai? nami bulau? 
Kako la bara dimu; la bara wa. 

Do talStia. 

L&ngal&nga ne ker&ba. 
ILaga ng&lu. 
Meda^u ja. 
Tioko tobo ri ai. 
Nawa moneai. 
Ha^e dahi. 
Bani do ja. 

Meda'u ja ri ngaka liru. 
FengSidu huru 
Ala ke adji. 
Ha ke mefSmu. 
Teleo ke. 

Amu wahuti; nuhu ri adji. 
Ng&lu ma. 

Bole b&lu muri AUaw. 
Do wije adji nga teleo. 
Boke kelai peb&la*. 
Dabo (hengSbi) kelai, 
Kuhi kelai. 
Mai ma de. 
Kako we. 

Medj&di au pa de; au pa ni. 
Mai ma titu pa. de. 
Ala ke au peloko ng'a? 
Era au nga ana^? 
Do p&ri ana'-aa? 
Do pfiri ne ana' mobêni , de p&ri 
ne ana^ momone? 



KORTK YOLZINNiSN EN SAMSNRPRAKSÏ4. 



187 



Breng déit hier. 

Neem dat, niet dit. 

Waar is dit vandaan? 

Mijn kind is er niet. 

Veeg schoon. 

Y66t, achter, op zij, onder. 

Gij moogt niet in huis komen. 

Gij moet daar wachten. 

Ik heb het zooeven gezegd. 

Gisteren waart gij niet thuis 

£ergister t)ok niet. 

Overmorgen kom ik (eig. ga ik) bij u. 

Twee kleine varkens. 

Is H. nog niet gekomen? 

Waar is de sleutel? 

Waar is mijn hoed? 

Waar is hij ? (eig. toeft hij). 

Hoeveel monden hebt gij? 

Eën. 

Hoeveel béénen hebt gij? 

Twee. 

Laat mij dat drinkwater zien. 

Waar werkt gij ? wat bezigheid hebt 

gij? 
Ga naar beneden. 

Geef sigaren. 

Steek maar een sigaar op. 

Wat vraagt gij? 

Wien zoekt gij? 

Maak dat eens eerst. 

Wilt gij of wilt gij niet? 

Kook rijst. 

Braad de visch. 

Gij moogt niet zoo slapen. 

Ik vind het niet goed. 

Ik wil het niet hebben (vergun't 

niet.) 

Een nieuw huis. 

Hoofire ouderdom. 



Aba ma ne punane. 

Aba nane, ado nade. 

Ngati mi nade? 

Pee do ana*-ja. 

Penjaro peman. 

Pa h&d&pa, pa kedjunga, pa keriu, 

pa mêngéru. 
Bole nuhu au ma ra hmu. 
Pe pa nane. 

Ala ke ja pepika ngenge. 
Pee do au pa ikmu mida. 
Do hari no'o pee Ie do. 
Kako ja nga au nKli. 
Duwe ngiu wawi na'iki. 
Mai dodo H. dai? 
Ne pa mi (peene-ne) kuhi? 
Ne pa mi tidu ja? 
Pee no. 

P&ri buwe uba au? 
Hebuwe. 

PXri la ne rubebo au. 
Duwe la. 

Pedelo pa ja ai loko punane. 
DjSga pa mi? djSga nenga? 

Puru la rai. 
Wije roko. 
Muhi we roko. 
Kerei nenga au? 
Nadu kale au? 
Ta'u uru ko punane. 
Oö we dodo oö? 
Hogo are. 
Hengi nadu^u.' 
Bole badji dënge. 
Dei do ja. 
Wije do ja. 

Amu wowiju. 
Pemuri medera. 



188 



SAWU7IEESGHE BUDIÏAqE^ 



Een nieuwe vrouwenrok. 

Een oude vroawenrok. 

Een h66g huis. 

Ik ken hem niet. 

Ik herinner het mij niet. 

Als gij niet wilt, zal ik n wel 

dwingen. 
Steek de lamp op. 
Maak koffie. 
Haal het eten. 
Gij zwijgt maar. 
Wascli uw gezicht. 
Wasch uw handen. 
Ga een bad nemen. 
Kam uw haar. 
Zoek de kam. 

Doe er nog een weinig olie bij. 
Zet niet zoo'n grooten mond op. 
De lamp is niet helder. 
Doe de lamp uit. 
Er zijn zeer veel muggen. 
Het zal mij razend maken. 
Mijn lijf is vol. 
Het is altoos zoo. 
Wanneer er veel regen is. 
En geen wind. 
Geef een kopje. 
Breng naar buiten. 
Waar is mijn schaar P 
Die is er niet. 
Eergister was ze er nog. 
Nu is ze weg. 

Wie heeft mijn schaar gestolen? 
Gij moet goed op mijn goed passen. 
Ik heb ze niet gestolen. 
Dat zeg ik niet. 
Waar is mijn mesje? 
Dat is ook weg. 
Straks zal alles weg zijn. 
Vroeger waren er zés vorken. 



Ai wiju. 

Ai dui. 

Amu do dida. 

Tada do ja nga no. 

Hewina do ri ja. 

Ki dodo oö, tapewiki ma ri ja. 

Tunu lapu. 

ê 

Ta'u kowi. 

Ago nga'a. 

Ngëne we au. 

IXhvL tangamada. 

Lonje ruwai. 

Kako la djiu ai. 

Ka*u ruk&tu. 

Kale hutu hktnu, 

Buwe ri hudi ne ai m&nji. 

Bole uba wega. 

Do kura ne weo lapu 

Pemade lapu. 

L&nga-l&nga ne ai l^u. 

Tapewudju ja ri no. 

Tobo ne ihi-j'a. 

Minaharihari we. 

Ori ai adji. 

Nga dodo bule ngSlu. 

Wije mago. 

Tapemahu. 

Nami guti-ja? 

Pee do. 

Era ko hari no^o. 

Nahede ila ke. 

Nadu do mëna'o guti-ja ? 

Mëniga peïje bara-ja ri au. 

Mêna'o do ja. 

Li do ia nane. 

Fa mi tudi-ja do na'iki. 

Nane ila Ie. 

Dèira ke ta-ila hari-hari. 

üru ne Sna woro. 



KORTS VOLZINNEN ËN SAMSNSPKAKSN. 



189 



En zes lepels. 

Na zijn er maar vier. 

Dat gaat zoo niet. 

Gij moet ze zoeken. 

Gij moet ze weérvinden. 

Die vorken zijn zeer vuil. 

En dan de messen slijpen. 

Gij moet ze scharen. 

Haba , kom (eens) hier. 

Zie deze zak met rijst. 

Er is een gat onderin. 

Hoe komt dat? 

Leg er een plaok onder. 

De dieven zijn gekomen. 

Hebben een gat gestoken^ in de 

zak , door de reten der planken. 
En dan de rijst opgevangen in een 

mand. 
En toen zijn zij weggegaan. 
Doch dat is zoo niet goed (dat 

mag niet.) 
Er is hongersnood , Mijnheer. 
Dan komen er veel. 
Laat ze maar komen. 
Liever dan dat ze stelen. 
Ik zal wat rijst koopen. 
(En) aitdeelen. 
De rijke heeren in Holland en op 

Sawa zallen meehelpen. 
Wasch dat goed. 
Hebt gij al zeep? 
Eerst drogen, dan strijken. 
Doe er veel stijfsel in. 
Maak mijn bed gereed. 
Waar is mijn kassen? 
Hang dat goed in de zon 
Zet dezen stoel daar. 
(En) de tafel hier. 
Breng de bank naar baiten. 
Neem de stof eens af. 

5« Volg. vn. 



Nga kaba-hara Una. 

N^hede wata lipa. 

Ije do ta minlihare. 

Kale ri aa. 

Tade ng&di w&ri. 

L&nga ne raM woro nane. 

Dje p&la^ tadi. 

Bohe ri aa. 

Habal mai ma de. 

Heleo karo lai-luda nade. 

Ne dobo pa dai. 

Te nga no nane? 

Tlika l^a^ papa dara dai. 

D&ka ke dau mena^o. 

Febo ri tadi, pa ra karo, pa 

hanga kelaga. 
Dje henata (?) ne lai-lada pa dara 

hope. 
Dje kako. 
Ta minah&re ije do. 

Tamenganga, Tawai. 

Dje d&ka do peai. 

Hani we ro tad&ka. 

Ije minahikre ngëta (?) mena'o. 

TawèUi lai-lada ja. 

Tapekepala. 

Tawa tawa do kadja pa Wailada 

nga pa Hawa tapedata raba-dara. 

Baha bara nah&re. 

Era ke aa nga haba? 

Manga ko, dje têrika. 

Peae ne ai kadji. 

Pemoko era-b&dji-ja. 

Nami nSla-ja? 

Nono bara nahfire. 

Kadera nane t&ka pa pane. 

Medja pa de. 

Peng&da baka la tele. 

DLta Wol ko ne awa. 

13 



190 



SAWUNEESCHE BUDRAOEN. 



Zet de thee klaar. 

Er zullen gasten komen. 

De vorst komt ook. . 

En al de meesters. 

Ga n maar kleeden. 

Hebt gij een mooi huisje? 

Hebt gij een zwart buisje? 

Bind dat paard aan den boom. 

Op een rij zitten op een bank. 

Pas op het huis. 

Daar komt de kommandant. 

Mijnheer komt aanstonds. 

Geef siri en pinang. 

Ik heb honger. 

Breng de siridoos en den siri- 

stamper. 
Zoek pannen om te koken. 
Ik ben al verzadigd. 
Ik heb te weinig eten. 
Hij bewaart geld. 
Maak eten dat lekker is. 
Het is al te blauw. 
Maak het vuur aan in de keuken. 
Maak een badkamer. 
Draag dit goed. 
Diaag die balk. 
Gij moet niet meer spelen. 
Mijn kameraad (vriend) is in den 

hemel. 
Ik wensch hem te zien. 
Breng binnen. 



Pewoko ai the. 

Tad&ka bara. 

D&ka Ie duwai-ne. 

Nga guru hari-hari. 

Tano'u we au. 

Era au nga badju do deijera? 

Era au nga badju wo m^i? 

Aki djara pune pa kepuwe. 

Medj^i pedara pa heuwe baku. 

Meniga &mu. 

DSka komfida. 

D&ka Tuwa nèibo. 

Wije kela nga kenana. 

Tamenganga ja. 

Pengèdu kepepe kenana nga k&dji 

kenana. 
Kale ^ru tahogo nga^a. 
Bfihu ke au. 
Do kura ja ne nga^a. 
ïïlka doi no. 
Ta^u nga^a do deijera. 
li&ngalSnga ne kelere. 
Ta'u aM pa rawu. 
Ta*u ikmu djiu ai. 
Dui bara nade. 
Merei kebië nade. 
Bole manga we. 
Ne pa liru hianga-ja. 

Dei ja taheleo no. 
Tapenuhu. 



Waar zijt ge gisteren avond geweest ? 
Ik ben tehuis gebleven om mijne 

vischnetten te herstellen 
Gij hebt vergeten bij N.N. een 

bezoek te brengen. 



Tê mi au m^a mida hemida? 
Pë pamu ja^ tahè.bi djala-ja. 

Tabttu au tado kako lamanga 
lamu Nee. 



KORTE VOLZINNEN EN SAHENSP&AKEN. 



lÖl 



Neen, ik heb dat niet vergeten 
en heb N.N. dan ook mede- 
gedeeld , dat ik tehuis moest 
blijven. 

Is uw zoontje nog altijd ziekp 

Ja , de jongen heeft nog altijd koorts. 

Gaat uw dochtertje naar school? 

Ja, sedert Januari van dit jaar. 

Gaat ge nu meé naar de markt P 

Ja , als ge wat op mij wilt wachten 
tot ik mijne netten en gereed- 
schappen geborgen heb. 

Laat die zaken daar maar liggen, 
niemand komt toch daaraan. 

Als ik die laat liggen, dan gaan 
de kinderen daarmede spelen , en 
dan raken ze weg. 

Haast u dan, want het is reeds 
n^en uur. 

Ik zal spoedig gereed zijn. 

Hebt ge geld bij u? 

Niet veel , mijne vrouw is met den 
sleutel van mijn kast reeds vroeg 
uitgegaan. 



Ado , bSlu do ri ja nanide , do &la 
make ja peli pa Nee ta pe ja 
pamu. 

Do pSda roro-roro ana-au memone 

ne? 
Tïra make, taëmo roro-roro. 
Ana-au mobëni-ne kako li hekolaP 
O^ rai w&ru djalai pa tau n^e. 
Kako au pedutu ja la paha? 
Ije, kSri oö au tamaie ja t&ka 
ke djala hare nga huwe. 

Hane we nane bara pa h&re,bule 

do dau de budjn. 
Ke hane ri ja pa nëde, moko ke 

tadjamu ri na'iki, ila n^bo. 

Hewfika bale we, &la ke w&ba 

heo. 
Hew&ka ja ne pemoko. 
Era au ago dbi. 
Ae do; ra djimi&e do|^mu-ja 

ngago kuhi-Iamari-ja. 



Goeden morgen , hebt ge goed 
geslapen P 

Jawel. 

Hebt ge reeds ontbeten? 

Ja , maar het eten smaakt mij niet, 
ik ben wat ouwel. 

Laten wij dan eene wandeling maken; 
dit zal u goed doen. 

Ik wil wel, maar ik ben bang dat 
wij spoedig regen zullen krijgen. 

Als ge dat denkt, dan zullen wij 
onze wandeling tot heden na- 
middag uitstellen. 



Helama djimiae, woije bëdji au 

m^a nehineP 
Ije make. 

Ala ke au penga^a djimiae P 
O , kura woije nga'a-ja , ne taapa 

ihi-ja. 
Mai la &ni la tele^ mi ta-era ije. 

Oö make ja, bale meda*u ja, nge 

tabu ri adji. 
KSri minah^re li-au^ kako miUla 

Ibdo we lamanga. 



192 



SAWUNEESCETE BIJDBAOEM. 



Ik geloof, dat dit beter is. 

Wilt ge een kop koflBe gebraiken ? 

Gaarne , maar geef mij eerst een glas 

drinkwater. 
Komt ge morgen bij mij 't middag- 
maal gebruiken? 
Gaarne, maar ik kan dan niet lang 

blijven, want ik krijg gasten; 

zij komen uit het gebergte. 
Zijn ze ook bekenden van mij , 

die gasten van uP 
Ik geloof wel , dat gij die menschen 

kent. 
Dan zal ik u naar huis brengen, 

om uwe gasten te ontmoeten. 



Henge ri ja, minahllre we. 

Oö au tanginu hemago ai kowi? 

Ije make, wije uru ngara ko ja 

ai loko hegla. 
Baliru n^tu Ibdo mai au ma nga'a 

nga ja? 
Ije make, tui do ke ja ne pee, 

ne tad&ka bara-ja, ti lede. 

Do l^da ri ja, ne bara-au? 

Do tada make ri au hine bbke. 

Peng^u ri ja lamu au, tala 
peng^i nga bara-au. 



Ik hoor, dat gij een paard ge- 
kocht hebt. 

Ja, eene merrie met een hengst- 
veulen. 

Hoeveel hebt ge voor die dieren 
betaald ? 

Zij kosten veertig gulden, maar 
de verkooper heeft mij toegestaan 
die som langzamerhand te be- 
talen in maïs, gierst, uien en 
padie. 

Dan hebt ge voor die dieren niet 
te veel betaald. 

Neen, dat meende ik ook. 

Ik heb verleden week twee kar- 
bouwen gekocht, een mannetje 
en een wijQe , mooie jonge dieren , 
maar ik moest den prijs, zestig 
gulden, dadelijk betalen. 

Waarom dat? 

De eigenaar moest den volgenden 
dag met stoomschip vertrekken. 



Ne rSngi-ja, tado Ula pewSli djara 
hengiu. 

Tïira make, hengiu rena, hengiu 
ana' memone. 

M&i henga au pa kebuwe bada 
nah&re? 

Ne kebuwe-ro fipanguru rupia, 
ane dau dau nu djara li-no 
tapem&i pa ja leto-leto nga 
terai Djawa, terai Hawu, la- 
huna nga are. 

Ki mihfire, ae do make ne ke- 
buwe w&li-au. 

Ado, minah&re tftra make. 

Domingu do-wiu &la ke ja pew&li 
duwe ngiu kêbao hengiu rena, 
hengiu mone, këbao do ngikru 
nga do woije ,'[balej ne kebuwe 
Snanguru ja m&i d&nge. 

Ti nga? 

Bale li dau dau këbao tapek&di 
dara jemiae djara k^pa hilbu. 



KORTE VOLZINNEN EN SAHENSPEAKSN. 



193 



Ik zal trachten om zooveel geld bij 
elkaar te krijgen, dat ik in dit 
jaar nog een hengst zal kannen 
koopen. 

Ik zal voor n een mooien hengst 
koopen , dan zullen wij eene 
stoeterij oprichten , en de veulens 
die geboren worden onder elkaar 
verdeden. 

Dat wil ik weh Koop dan maar 
spoedig dien hengst. 



Wat zie ik? gaat gij een huis 
bouwen ? 

Ja, (want) het oude staat op in- 
vallen. 

Dat zal u wéér veel geld kosten, 
en ge hebt reeds zooveel moeten 
uitgeven voor 't huwelijk van 
uwen zoon met de dochter van 
den goudsmid. 

Dat is werkelijk zoo , maar ik heb 
zelf alle materialen (voor dit 
huis) verzameld en de vader van 
mijne schoondochter zal mij rottan 
en atappen geven. 

Ik zal u van tijd tot tijd komen 
helpen. 

Doe dat, want ik vrees, alleen 
werkende, niet voor 't vallen 
der regens gereed te zullen zijn. 

Van waar hebt gij dat mooie hout 
en die groote bamboes gehaald? 

Het komt uit het bosch nabij A. 
en de bamboe van B. 

Dan hebl gij toch veel voor trans- 
portkosten moeten uitgeven. 



Tah&ku ke ja tapeiigahi dbi pa 
dara tau n&de taw&li djara 
moniae hengiu. 

TawSli ke ja djara woije, dje 
djara moniae tawije au , do ije 
di tapeludja djara ; k&ri era ana' 
djara nehine, tape bage kedi 
duwe. 

Oö make ja mih&re. Taw&li me- 
riae ne djara moniae. 



He? tata'o &mu au pa hëde? 

Tftra make, ^mu do tui domu 

tatuwe. 
Dj^ma taae we dbi ne pake-au; 

do-uru do Sla pepake dbi do 

dae au tapeloko-nga'a ana'au 

memoue-ne nga ana' mobêni ana' 

tuka mela. 
TSra make minahfire , ja ke miha 

do pemokeamu (?) nade taheuwe ; 

bale ne rau nga pipa wije ri 

ama dau pa hadapa ana'-ja 

memone. 
Fengaha-pengaha mai make jahine 

ma dj%& taruba-dara nga au. 
Ta'o we minah&re, ta meda'u ke 

ja, ki ja we miha ne djSgS, 

ne taSdo Sle dSka adji nehine. 
Ago ngati mi au adju woije na- 

hêde hari kelaiwu do moniae 

nahêde ? 
Adju nahe (?) &ta ja ngati djami 

do hedfika A. , kelaiwu ilta 

ja ti B. 
Ala ke au pem&i wije dau do ago 

ma ne no. 



194 



sawuneësghe bijdragen. 



Neen, ik heb van de bamboe een 
vlot gemaakt en daarop de balken 
over zee hierheen vervoerd. 



Ado, ta-udju ne kelaiwu, dje 
t&ka ri adja pa ru-d&ni, dje 
nuni djara dahi. 



Ghtat ge op reis? ik zie, dat ge 
uwe pranw gereed maakt. 

Ja, ik ga naar A. om mijne geiten, 
kippen en eenden te verkoopeu. 

Doe mij dan ^t genoegen en neem 
van mij twee varkens mede. 

Wat moet ik met die dieren doen? 

Ik moet den Chinees F. te A. twaalf 
galden betalen. Yerkoop die 
varkens, betaal met het geld den 
Chinees en koop voor het over- 
schietende een sarong, twee kap- 
messen en een bijl voor mij. 



Gaarne wil ik mij met uwe be- 
stellingen belasten. 

Wie gaan met n mede?' 

Mijn oom , mijn neef (1. neven ?) 
en twee zonen van K. 

Neemt gij de zonen van K. mede? 
die jongens zijn zoo wild. 

Zij zijn wel wat wild, maar goede 
zeelieden ; zij weten goed met het 
zeil om te gaan en kannen het 
bij ^t roeien lang aithoaden. 

Wanneer vertrekt gij? 

Heden avond , als de landwind 
doorkomt. 

Ik zal a heden middag die beide 
varkens brengen. 

Goed maar laat die dieren goed 

binden^ anders springen ze mis- 
schien in zee. 



Takako ke aa? Ng^i ma aa 
tapemoko kowa-aa. 

l^ra make, tapek&di la A. tala 
pewije kii Hawa nga mana 
nga bebe. 

Baba ko dara au, ta^ba wawi-ja 
duwe ngia. 

Taèiba ta-nga ke ne bada, he? 

TamILi wi daa Hina ne ngara F. 
la A. hengura dawerapia. Pe- 
wije ne wawi-ne, kire era-ne 
keduwe wawi-ne , je mSi ri dbi 
nah&re pa daa Hina-ne; kire 
era* na do rihi-ne, taw&li ke pa(?) 
higi hüb&la\ duwe bSngawela 
nga hebënga ketaka wije ja. 

Dai make li-aa pa ja. 

Nada-nada do kako nga aa? 
Makemoue-ja, nga a'a-ari-ja nga 

ana' K. do dawe memone. 
Ta^ba je ri aa neana' K. memone 

do dawe? ne ana' do kenja. 
T&ra make, tado kenja, ri dan 

laa do ije, ri daa do ia pa 

]}ti, do daa m&ka pawohe, daa 

do mara. 
P&ri ke ne pek&di-aa? 
MSlda nane ke, k^ri d^ka ngUa 

kolo lede. 
Mada Ibdo ia&go ke ne wawi do 

dawe ngia. 
Ije make , hadi ta&ke peïje ne 

bada, nge taridja dai laa. 



KOATE VOLZINNEN EN SAMENSPRAKEN. 



195 



Jongens, houdt den schoot van 

het zeil in de hand, want wij 

krijgen veel wind. 
Ik heb den schoot in de hand , 

maar houdt het roer goed vast. 
F. gij moet goed toezien , want 

de maan is door de wolken 

verduisterd. 
Ik zie een prauw rechts vooruit. 

Houdt dan wat links af. 

Wij zijn reeds nabij het strand; 
er staat veel branding en in de 
rivier kunnen wij niet: het is 
laag water. 

Dan moeten wij hier voor anker 
blijven liggen, tot het water wast. 
Ijaat het anker vallen. 

Ik ben nog bezig het zeil vast 
te binden. 

Dan moet P. maar het anker uit- 
werpen. 



Na' moniki, kedago dari lai dai, 
ne ta-umu tadüka ngSlu do ae. 

Ne make tapèiro ne dari l&i dSi, 
hSdi tap&ro peb&re ne uli. 

P. heleo ije-ije, ne whm n&ie 
ni do hen^be ri mer^mu. 

Do n&ne je ngiLdi ri ja ne kowa 
heuwe djara-ai kegana. 

Pen&ru djara keriu-na bale hudi. 

Hediira ke di nga lahelae; do ae 
je nawa ; dai do kedi (?) la ra 
loko, do iki. 

Tapee ke di pa de tapenawu tade 
djoro dahi. Hore tenSga n&nede. 

Ne tadjSga ko ja taUi lUi de. 

Ke minah&re, li paP. ke, tahore 
tenSga. 



Weet gij ook waar ik koperdraad 
en wit en blauw katoen kan 
koopen? 

Bij den Chinees L. , maar hij is 
duur, gij moet veel afdingen. 

Waar woont L? 

In de marktstraat hier vlak bij. 

Wilt gij mij zijn huis aanwijzen? 
ik ben hier niet bekend. 

Ik zal u daarheen brengen. 

Ik heb geiten , kippen en eenden 
in mijne prauw om die hier te 
verkoopen. Hoeveel betaalt men 
hier voor eene geit, een kip en 
een eend? 



Pa mi ne do ije taw&li ja lua- 
mara pudi nga bSla' do pudi 
nga b&la' do meng&ru? 

Pa dau Hina do ngara L., do ae 
ne kebuwe, do tadüki peae ri au. 

Pa mi ne pee L? 

Pa rudjara paha do kedika pa de. 

Oö au tapika ne ^u-no? petada 
do nga ja pa de. 

Takbe ke au ri ja la n&ne. 

Henga kii Hawu ja, nga manu 
ja nga bebe ja pa dara ko- 
wa-ja, do tapewije ri ja pa de. 
Hengar ne kebuwe kii, hari 
nga manu hari nga bebe pa de? 



196 



8AWXTNEESCHE BUDRAOEN. 



Voor eene geit kunt gij gemak- 
kelijk zes gulden bekomen. Een 
kip kost hier dertig cent en een 
eend vijf en zeventig cent. 

Baba , ik moet twintig vadem 
koperdraad hebben en een stuk 
wit en een stuk blauw katoen. 

Dit koperdraad kost vijftien cent 
per vadem; dit stuk wit katoen 
negen gulden en dit stuk mooi 
blaauw katoen vijf gulden. 

Gij vraagt veel te veel. Ik wil u 
voor alles elf gulden geven en 
zoo gij daarmede niet tevreden 
zijt^ ga ik bij een ander mijne 
inkoopen doen. 

Neen , ik kan u dat alles niet voor 
elf gulden geven. Ik zoude te 
veel daarop verliezen, maar ik 
zal u alles laten voor veertien 
gulden. 

Goed, hier is vijftien gulden; geef 
mij dus een ^den terug 

Hier is alles bij elkaar ingepakt. 
Wissel mij dit guldenstuk in 

dubbeltjes. 
Ik heb nu geen dubbeltjes, maar 

ik kan n helpen aan vijQes. 



Memude ne kebuwe kii Hawu 
ta-&ia rupia. Kebuwe manu pa 
de t&lunguru dbi hengiu, ke- 
buwe bebe pidungurn l&mi 
hengiu. 

B^ba, ma wSli luamara duwe- 
nguru r&pa, nga hekatn b&la' 
do pudi nga heb&la' do meng&ru. 

Luamara de her&pa ne kebuwe 
henguru ISmi dói , hekatu b&la' 
do pudi nade heo rupia ne ke- 
buwe , hekatn b^a' do menara 
nade l^mi rupia ne kebuwe. 

Ngara ne rihi ae kebuwe menangi 
au. Ne oö ja tawije ke hari- 
hari henguru heuwe rupia; 
henge ri au, ki do dai pa h&re, 
mi tala wffli pa dau do hewala. 

Ado, wije do pa au ri ja hari- 
hari ta henguru heuwe rupia. 
Tamate ri ja tal&nga ja ne 
rogi ; harihari tawije pa au ta- 
henguru &pa rupia. 

Tje Ie ma. Ne hëde do hengurn 
Ifimi rupia; pebale pa ja heuwe 
rupia. 

Ne hëde hari>hari moke ke. 

Pehuru ko dbi-ja do heuwe rupia, 
je wije ja dbi do henguru he. 

Bule do ja nga dbi do henguru 
he, ruba make dara ja nga au 
nga dbi do he koa. 

{Wordt vervolga). 



WIJZEN DE TEGENWOORDIGE ZEDEN EN 

GEWOONTEN DER BATAKS NOG SPOREN AAN 

VAN EEN OORSPRONKELIJK MATRIARCHAAT? 



DOOB 

J. H. ME£RWALDT. 



Door het hoofd van gewesteiijk bestuur der residentie werd ons 
voor eenigen tijd geleden de brochure over rtBe verbreiding van het 
mtUriaTchaat op SunuUrav van den hoogleeraar Dr. G. A. Wilken, 
uitgegeven door het Koninklijk Instituut voor de- taal-, land- en 
volkenkunde van Ned. Indië , toegezonden met het verzoek , het 
daarin behandelde onderwerp nader toe te lichten. Met genoegen 
voldoen wij daaraan , doch moeten , eer wij daartoe overgaan , doen 
opmerken , dat ons zulks alleen mogelijk is voorzoover het onderwerp 
betrekking heeft op de Bataks , hetgeen uit den aard van onzen 
werkkring wel als van zelf spreekt. 

De geachte schrijver van bovengenoemde brochure wijdt aan de 
gestelde vraag de blz. 28 — 33 en beantwoordt haar volkomen be- 
vestigend, /y Duidelijke bewijzen^, lezen wij op blz. 28, ^ontmoet men 
echter bij de Bataks, dat zij voorheen deze instelling (het matriar- 
chaat) hebben gehad.// Een drietal gronden worden verder daarvoor 
aangevoerd. Naar onze meening kunnen wij geen daarvan laten 
gelden ; voorzoover onze kennis van taal en zeden der Bataks reikt ^ 
kunnen wij in de door den heer Dr. Wilken aangehaalde feiten 
geen spoor van het matriarchaat zien; veelmeer vloeien zij geheel 
en al uit den agnatischen toestand voort. Doch laat ons Dr. Wilken^s 
bewijzen aan eene nadere beschouwing onderwerpen. 

Het eerste bewijs is van taalkundigen aard. //In het Daïrisch dialect 
noemen zij ^ die tot dezelfde marga , denzelfden stam behooren , elkander 
êHmnUy letterlijk //moedergenooten.»^ Wij nemen dit met Dr. Wilken 



198 WUZEN DB TEGEN WOOBDIGË ZEDEN EN GEWOONTEN DEE BATAKS 

op gezag van den heer van der Tuuk gaarne aan , maar kannen tot ver- 
klaring van die uitdrukking niet uit de hoofdbron putten, omdat wij 
met Daïri-Bataks nooit in persoonlijke aanraking kwamen. Wij moeten 
ons dus bij gebrek aan beter aan het met die uitdrukking analoge 
in het Tobadialect houden , en hebben dan daar de uitdrukking dongan 
saina^ welke eveneens moedergenooten beteekent, maar hier alleen 
gebezigd wordt door hen, die van dezelfde ondermarga zijn. Daarin 
ligt dus verschil. Immers de heer Wilken zegt (blz. 29), dat de 
ondermarga^s elkander dongan saina noemen ter aanduiding hunner 
gemeenschappelijke afkomst, en dit is, naar wij uit zeer betrouw- 
bare bron vernemen, niet het geval; integendeel noemen aan de 
boorden van het Tobameer, bakermat van het gansche volk, alleen 
zij , die tot dezelfde ondermarga behooren, zich onderling dongan 
saina. Wijst dan die uitdrukking niet op eene gemeenschappelijke 
stammoeder en op een vroeger bestaan hebbend matriarchaat? Op 
eene gemeenschappelijke stammoeder zeker, maar geenszins op het 
matriarchaat. Die uitdrukking is niet anders dan een gevolg van de 
polygamie. De ondermarga^s , die tot dezelfde hoofd marga behooren, 
zijn van een stamvader, maar veelal uit verschillende vrouwen ge- 
sproten , en hebben zich daarom gesplitst. Immers twee of meer vrouwen 
van denzelfden man verdragen zich gemeenlijk als kat en hond, en 
deze vijandschap gaat ook op de kinderen over, daar zij elkander 
steeds in hun erfdeel zoeken te benadeelen. Vandaar dan ook, dat 
zij zich gesplitst hebben, en dat zij, die van dezelfde ondermarga 
zijn, zich dongan saina noemen. Hoe zouden zij hunne nadere 
verwantschap ook anders hebben kunnen uitdrukken? Saama en 
ook sabutuha zijn de ondermarga^s van dezelfde hoofdmarga, dus 
bleef er voor de leden derzelfde ondermarga niet anders over, dan 
zich onderling saina te noemen, wat echter geenszins op een matri- 
archale inrichting der familie wijst. 

Naar analogie van het bovenstaande laat zich uu ook de Daïrische 
uitdrukking sinnina wel verklaren. Dat zij , die tot dezelfde hoofd- 
marga behooren, elkander alzoo noemen, is daarbij geen bezwaar. 
Er zijn nog hoofdmarga^s , wier namen op vrouwen als oorsprong 
wijzen, zooals Nai Fospos en Nai fiasaon, terwijl men ook van de 
marga^s Borbor en fjonfcoeng zegt , dat zij oorspronkelijk. Nai Borbor 
en Nai Lontoengan geheeten hebben. Het woordje nai is samen- 
getrokken uit ina ni (moeder van) en beteekent Nai Fospos dus 
ina ni Pospos = moeder van Pospos. Oppervlakkig beschouwd 
zou men dus ook uit deze stamnamen kunnen afleiden , dat het matri- 



NOG SPOREN AAN VAN EEN OORSPRONKELIJK MATRIARCHAAT? 199 

archaat vroeger bij de Bataks heerschend geweest is. Naar de ge- 
tuigenis der oadste thans nog levende Bataks en ook naar de ge- 
tuigenis van hen, die de oudste zendelingen reeds als stokoude 
mannen hier aantroffen, hebben die namen alléén hun ontstaan te 
danken aan de vroeger bij de grooten des volks algemeen in zwang 
geweest zijnde polygamie. 

Ook de uitdrukking dongan sabutuia wijst onzes inziens geens- 
zins op het matriarchaat. Beeds hebben wij aangestipt, dat 
zij uitsluitend gebezigd wordt, om de afkomst van een stamvader 
aan te duiden. Haar als een ouden naam voor een nieuwe zaak op te 
vatten , gelijk de heer Wilken wil , gaat niet wel aan, omdat de Bataks 
van oudsher eene geheel andere zienswijze ten opzichte van het aandeel 
van man en vrouw bij de voortplanting van hun geslacht gehad 
hebben, dan de Maleiers. Een slap en verwijfd Maleisch geslacht 
moge zich tevreden stellen met te zeggen: ffajam djam djantan tida 
hériêlorff , de Batak weet te goed , dat van honderd kippen zonder 
haan geen kuiken ter wereld komt. Hij beschouwt zich dan ook op 
dat punt evenals op alle andere als de hoofdpersoon; de vrouw is 
voor hem slechts het onmisbaar medium, om tot nakomelingen te 
geraken, en indien hij te lang naar zijn zin daarop wachten moet, 
geeft hij zijne vrouw als een onnut instrument aan hare bloedver- 
wanten terug, of hij neemt nog een tweede vrouw er bij , indien hij 
daartoe vermogend genoeg is. Dit laatste werd ook steeds gedaan, 
wanneer de eerste vrouw een aantal meisjes ter wereld gebracht had , 
zonder nog aan een zoon het leven geschonken te hebben. Ook dit 
karakteriseert den Batak, en doet het scherp uitkomen, dat naar 
zijne zienswijze in het mannelijk geslacht de kracht van het volk zit. 
Wij zien uit dien hoofde in de uitdrukkingen dongan sabuUiha en 
morsabutuha niets anders dan een verbloemde spreekwijze, om het 
êodma of saompoe =z van een vader of van een grootvader 
nog scherper te doen uitkomen. Apdla na morsabutitia := werke- 
lijk van een vader zegt de Batak, om het zoo scherp mogelijk 
uittedrukken , dat twee of meer personen broeders of zusters van 
een vader zijn, en zeker gebruikt hij deze uitdrukking, om andere 
te vermijden, die heel leelijk zouden zijn, op dezelfde wijze als 
bijv. in den bijbel van «^lendenen^^ gesproken wordt. Trouwens de 
Batak bedient zich gaarne van verbloemde spreekwijzen, inzonder- 
heid waar het op den echtelijken omgang aankomt. Zij bezitten 
dan ook tal van verbloemde uitdrukkingen, om te kennen te geven , 
dat een vrouw zich in gezegende omstandigheden bevindt, als daar 



200 WUZEK DE TEGENWOORDIGE ZEDEN EN GEWOONTEN DER BATAKS 

zijn: djoemoedjoeng Aoenik = zij draagt curcuma op het hoofd, na 
mcmygora pamoero di ibana zr de wachters in het rijstveld roepen 
haar aan, na managam haroan zzz zij verwacht een feest, of na 
managam tamoevoe ^ zij verwacht een gast, en andere meer. In 
geen van die uitdrukkingen gebruikt de Batak het woord huiuka = 
buik , integendeel vermijdt hij het steeds ten opzichte van eene vrouw 
van haar buik te spreken. Wij mogen dus hieruit wel de gevolg- 
trekking maken , dat het pantang z= verboden zou zijn , van dongan 
8(ümtuha te spreken indien daarbij eenigszins aan de moederschoot 
werd gedacht. 

Ook op het gebruik van het woord toeboe (ontspruiten , ont- 
kiemen, geboren worden, ontstaan) en de daarvan afgeleide vormen 
manoeboehon , fnangintoeboe en pangmtoeboe mogen wij wijzen , want 
het doet evenzeer duidelijk zien , dat de Batak zich zelf als de 
hoofdpersoon bij de voortplanting van zijn geslacht beschouwt. 

Zijne eigene kinderen noemt hij toeboengioe^ om ze van 
broerskinderen, die hij ook als zijne kinderen aanziet, te onder- 
scheiden. Evenzoo zegt hij van zijne eigene kinderen no hoetoeboekon = 
zij zijn door mij ter wereld gebracht, en noemt zich zelf ten 
opzichte van zijne kinderen pangintoeboe = de voortbrenger. 

Wij kunnen er daarom geenszins meé instemmen, wanneer de 
heer Wilken zegt, dat de boven verklaarde uitdrukkingen zich alleen 
onder het matriarchaat kunnen gevormd hebben. Ons leveren zij 
veelmeer het bewijs, dat het patriarchaat bij de Bataks het oor- 
spronkelijke is geweest. Zij doen het bewustzijn van mannelijke kracht 
en waarde, dat bij de Bataks zoozeer ontwikkeld is, ten sterkste 
uitkomen. 

Als tweede bewijs voor de oorspronkelijkheid van het matriar- 
chaat bij de Bataks voert de heer Wilken aan ffde bepalingen 
omtrent de indeeling bij en de vrijstelling van de verplichte diensten 
ten behoeve van de hoofden. «^ Het is volkomen juist, dat alleen 
gehuwde mannen tot die diensten verplicht gerekend worden , zoo- 
dat een man, die zijne vrouw door den dood verloor, vrijgesteld 
werd , terwijl eene weduwe , wanneer zij namelijk , gelijk de heer 
Wilken terecht zegt, een volwassen , ongehuwden zoon had , steeds als 
tot die diensten verplicht werd aangezien. Maar mogen wij daaruit 
nu besluiten, dat het al ot niet ripe zijn eenigszins van de vrouw 
afhangt, gelijk de heer Wilken doet? In geenen deele. Immers de heer 
Wilken heefb bij het maken van zijne gevolgtrekking geheel en al uit 
het oog verloren, dat er een volwassen, ongehuwde zoon in huis 



NOO SPOAEN AAN VAN ÏBEN OOBSPRONKEIJJK MATBIAECHAAT P 20i 

zijn moet, om het gezin in stand te doen blijven, hoewel hij zelf 
niet zonder nadruk daarop wijst. Het zwaartepunt ligt dan ook 
volstrekt niet bij de vrouw, maar wel degelijk bij het aan- 
wezig zijn van dien volwassen^ ongehuwden zoon. Alleen omdat die 
er is en bij den dood zijns vaders hoofd van het gezin werd, blijfb 
de ripe als zoodanig in stand. Er is dus hier volstrekt geen 
regeling ^zoo vreemd aan het wezen en het karakter van de agna- 
tische verwantschap 4^ te bespeuren; veel meer vloeit deze regeling 
geheel en al uit de zuiverheid van den agnatischen toestand voort. 
Laat ons ter nadere verklaring daarvan den blik een weinig 
dieper in het Bataksche familieleven slaan. Wanneer de Batak eene 
vrouw koopt, dan wordt deze daardoor tevens ook het eigendom 
van de marga, waartoe de man behoort, resp. het eigendom van 
hen, die de man in engeren zin zijn dongcm sahvtuha noemt. 
Het gevolg daarvan is , dat de vrouw bij overlijden van haren man 
even als alle andere eigendommen op den naasten erfgenaam overgaat. 
Was het door den dood des mans ontbonden huwelijk met een zoon 
of zonen gezegend, dan wordt de moeder het eigendom harer kin- 
deren, onverschillig of deze al dan niet mondig zijn. Deze toestand 
is voor de moeder verreweg de verkieslijkste , want daarbij blijft 
het gezin voortbestaan , en niemand kan haar iets ontnemen noch 
van de roerende noch van de onroerende goederen, die haar man 
bezeten heeft , omdat alles het eigendom is van haar zoon of zonen, 
over welke zij de voogdij uitoefent. Zijn de zoons volwassen en 
huwen zij, dan ontvangen zij hun erfdeel en de moeder blijft als 
weduwe bij een van hen. Huwt een der zoons, dan blijven zij toch 
meestal allen bij elkaftr en vormen eene ripe. Zulk eene weduwe 
blijft dan ook meestal in haren weduwstaat , ten minste indien hare 
zoons reeds zoover zijn, dat zij mede op het veld kunnen werken, 
en dan is de Bataksche vrouw over het algemeen laat mij maar 
zeggen mans genoeg, om hare huishouding te bestieren en zelfs 
voor de rechten harer onmondigen op te komen , indien deze mochten 
gekrenkt worden. Geheel anders echter is het, wanneer een huwelijk 
door den dood des mans ontbonden wordt, zonder dat er mannelijk 
oir aanwezig is. Dan wordt de weduwe, of zij dochters heeft of 
. niet , het eigendom van den naasten erfgenaam of er%enamen , zij 
het van haar mans broeders of hunne zonen , en deze kunnen met 
haar geheel naar willekeur handelen. Een van hen kan haar tot 
vrouw nemen, of zij kunnen haar aan een ander van hunne marga 
uithuwelijken. Heeft zij doch<.eTs, die de moederlijke zorg nog be- 



202 WUZIN DB TE06NW00BDI0E ZEDEN EN GEWOONTEN DEB BATAKS 

hoeven , dan laten de er%enamen haar wel met hare kinderen bij 
elka&r en mag zij ook een deel van de roerende en onroerende 
goederen behouden, om in het onderhoud harer dochters te voorzien. 
Later echter, wanneer hare dochters in het huwelijk getreden zijn, 
en zij zelf alleen gebleven is, kan zij een goed heenkomen zoeken. 
Het ongelukkigste echter is de vrouw er aan toe, die, reeds wei- 
bedaagd en kinderloos zijnde, weduwe wordt, want dan wordt zij 
eenvoudig met niet meer dan het slechtste kleedingstuk om het lijf 
weggezonden en kan hare eigene nabestaanden gaan opzoeken. 
Edoch die toestand bestaat nog alleen, waar het heidendom of het 
mohammedanisme heerscht. Onder den invloed van het Christendom 
is het lot der kinderloos achterblijvende weduwe in dier voege ver- 
beterd, dat haar een door de hoofden bepaald deel zoowel van de 
roerende als van de onroerende goederen in leenbruik moet worden 
toegekend. 

Uit het bovenstaande blijkt voldoende, dat het niet aangaat te 
^g^^ ) dat het Bataksche gezin staat of valt met de vrouw. Een gezin 
is slechts daar, waar man en vrouw te zamen zijn, of waar bij 
ontstentenis van den man de zoon in de plaats zijns vaders treedt. 
Daaruit volgt echter ook, dat de man zonder vrouw evenmin een 
gezin kan vormen, zoodat ook bij overlijden van de vrouw het 
gezin wordt opgelost , en de man , nu geen pater familias meer 
zijnde, ook van de verplichte diensten ten behoeve van zijn hoofd 
wordt vrijgesteld. De oorzaak daarvan is niet moeilijk te vinden, 
wanneer men eenigszins met de Bataksche huishouding bekend is. 
Twee dingen zijn er^ die de Batak absoluut niet kan, t. w. zijn 
rijstveld wieden en kleine kinderen verzorgen. Dat is het werk 
zijner vrouw, en daar hij nu, wanneer hij zijne vrouw door den 
dood verliest, geen andere vrouwelijke hulp voor zijn gezin kan 
krijgen, spreekt het van zelf, dat het gezin zich voor korten of 
langen tijd moet oplossen. De man trekt met zijne kinderen bij 
zijne ouders in, wanneer hij die nog heeft, en vormt met deze 
wéér een gezin, of hij brengt zijne kinderen bij zijne broeders of 
zusters onder en laat ook zijn rijstveld aan deze over, terwijl hij 
zelfs dikwijls een zwervend leven gaat leiden. De Batak , die zijne 
vrouw door den dood verliest, is er dus rampzalig aan toe, en 
heeft in dat geval geen beteren troost dan het bezit van geld of 
goed , waarvoor hij zich direct wéér eene levensgezellin kan ver- 
schaffen. Hij kan dan ook zonder het minste bewustzijn van onwel- 
voegelijkheid aanstonds, nadat hij zijne vrouw ten grave gedragen 



NOG SPOKEN AAN VAN EIN OORSPRONRELUK MATRIARCHAAT? 203 

heeft, over de koopsom eener andere gaan onderhandelen. Heeft hij 
echter geen geld en ook geen kans, het van zijne naaste bloed- 
verwanten te krijgen, dan voelt hij zich diep ongelukkig en doet 
gelijk boven gezegd is. Dan is hij een zwerver, gelijk hij zelf zegt, 
en daarom een man , op wien niet te rekenen valt , en dit is de 
oorzaak, dat men hem in de koeta niet meer meetelt en van 
alle verplichte diensten ook van de rodi of heerendienst van het 
gouvernement ontslaat. 

Wi] vinden dus ook hierin geen spoor van het matriarchaat, 
maar veel meer ook hier bewijzen voor het oorspronkelijke van den 
agnatischen toestand. 

Wij komen nu tot de beschouwing van hetgeen door den heer 
Wilken als derde bewijs voor een oorpronkelijk matriarchaat bij de 
Bataks wordt aangevoerd. De zaak op zich zelf is volkomen juist; 
de Batak neemt bij voorkeur de dochter van zijns moeders broeder 
tot vrouw ƒ terwijl hij de dochter van zijns vaders zuster niet nemen 
mag. Wij mogen het eerste echter niet als een vaststaanden regel 
opvatten , want de huwelijken tusschen neef en nicht staan verreweg 
in de minderheid. Immers er is nog al veel kans bij, dat zulke 
verbintenissen kunnen gesloten worden, want het moet dan juist 
zoo uitkomen, dat de broeder eene dochter en de zuster een zoon 
heeft, die elkanders 8(vp% (woordelijk ^ rijm) en ook elkander 
wederzijds genegen zijn. Daar nu echter aan zulke verbintenissen 
tusschen neef en nicht de voorkeur gegeven wordt, spreekt het wel 
van zelf, dat het als eene veronachtzaming der familiebetrekking 
wordt aangemerkt^ indien iemand een ander tot vrouw neemt, 
terwijl hij eene nicht {bormi ni-datulang) heeft, die wat ouderdom 
of lichamelijke ontwikkeling betreft bij hem past. In zulk een geval 
brengt hij zijn oom een geschenk en zoekt dezen door goede woorden 
er van te overtuigen, dat hij geenszins uit minachting der familie- 
banden alzoo handelt. Het is dus juist geen wet, maar een inge- 
burgerde gewoonte^ waarop moet worden geacht, om den vrede te 
bewaren. Ook wat de heer Wilken over het huwelijk tusschen neef en 
nicht (broerszoon en zustersdochter) zegt, is volkomen juist. Zulks 
geldt als bloedschande even als het huwelijk tusschen zoon en dochter 
van twee broeders of de verboden omgang van eigen broeder en zuster. 
Dit laatste voornamelijk is het, wat het eerste zonderling doet 
schijnen , en de verklaring er van is ook niet gemakkelijk. De heer 
Wilken zoekt haar in het oorspronkelijk matriarchaat; zien wij of 
zij de proef kan doorstaan. Om niet in langdradige herhalingen te 



^04 WUZEN DE TEGEKWOORDIOE ZtJDËN EN GEWOONTEN DEK BATAKÓ 

vervallen , verwijzen wij naar hetgeen de heer Wilken blz. 33 zijner bro- 
chnre schrijft. ^De broeder zag even als tijdens het matriarchaat op 
de znsterskinderen als op zijne eigen kinderen neer// y lezen wij , 
^j'terwijl de broerskinderen voor de zuster vreemden bleven.// Toe- 
gegeven, dat dit juist ware, maar dan rijst bij ons onwillekeurig 
de vraag op: Hoe kon dan de broeder zijne dochter ter vrouw geven 
aan iemand, dien hij als zijn eigen zoon beschouwt? Dat zou 
immers bloedschande zijn. Yolgens de regelen van het matriarchaat 
toch is het juist de znsterszoon, dien de oom als eigen zoon aanziet, 
terwijl bij de Bataks juist het omgekeerde het geval is. Daar ziet 
de oom van moederszijde de zonen zijner zuster als vreemden aan , 
daar zij tot een andere marga behooren , maar de dochters zijner 
zuster gelden hem als eigene. Yandaar dan ook , dat hij zijne dochter 
aan den zusterszoon ter vrouw kan geven, terwijl zijn eigen zoon 
geene zustersdochter tot vrouw nemen mag , veelmeer ontvangt hij , 
wanneer er eene dochter zijner zuster uitgehuwelijkt wordt , een deel 
van de boli (Angkola) of sinamot (Toba)^ welk deel oepa tu- 
lang wordt genoemd. Ons dunkt, dat hieruit duidelijk geno^ 
blijkt, dat het aannemen van een oorsprokelijk matriarchaat ons 
geen voetstap verder brengt tot opheldering van het feit in kwestie. 
Integendeel laat zich de oorspronkelijkheid van het patriarchaat 
veeleer daarmee bewijzen. Waarom toch kan de Batak de zoons 
zijner zuster niet en de dochters wel als eigen kinderen aanzien^ 
daar zij toch beiden tot een andere marga behooren? Hierop kan 
niet anders geantwoord worden dan dat de zoons zijner zuster geheel 
en al tot de marga huns vaders behooren , d. w. z. als mannelijke 
leden dier marga ook geroepen zijn tot de instandhouding er van 
bij te dragen. Daarom kan hun tulang ook volstrekt niet het 
minste recht van bloedverwantschap op hen doen gelden, hij kan 
ze alleen nog door aanverwantschap aan zich verbinden , en dit doet 
hij door hun zijne dochters tot vrouwen te geven. Maar ook van 
de andere zijde heeft men die verbintenis gaarne^ omdat de 'neefs 
zijns oomsdochter altoos een weinig goedkooper krijgt dan een ander , 
en ook omdat de oom aan de vereenigde smeekingen van eigen 
dochter en neef geen weerstand kan bieden, en zijne huwelijksgift 
vergrooten moet. Met de zusters dochters is het echter anders. Die 
zijn reeds bestemd , om aan een andere marga over te gaan , 
en daar hij nu reeds voor zijne zuster êinamoi ontvangen heeft, 
breidt hij dat recht ook Hog tot hare dochters uit, hij beschouwt 
ze als zijne eigene en ontvangt nu, wanneer zij uitgehuwelijkt worden , 



NOO SPOBEN AAN VAN EEN OOKSPRONKELUK KATKIAKCHAATp 205 

ziJD oepa tulang. Zijn zwager, de vader der meisjes, heeft daarbij 
geen schade, want hetgeen hij moet hebben, wordt altijd het eerst 
bepaald, en dan komt de oepa tula/ng er nog boven op. Daarom 
doren de onderhandelingen over een hnwelijk vaak zeer lang. 

Met den vader van het meisje is de zaak gewoonlijk spoedig be- 
klonken , maar dan eerst komen de porlamboeng d. i. >/de ter 
zijde staanden// namelijk de ooms van vaders en moederszijde, om 
zooveel mogelijk voor zich er uit te kloppen, en kunnen dan vaak 
zeer hardnekkig zijn, terwijl er aan de zijde van den bruidegom 
niet veel geld meer over is. Wij zien dus, dat deze adat alleen op 
welbegrepen eigenbelang rust. Toch m(^en wij daaruit niet besluiten, 
want hij ontvangt na lang loven en bieden vaak niet meer dan 
dat het den Batak daarbij alleen om dat weinige geld te doen is; 
een paar ringgit (Spaansche matten). Neen, de Batak ziet en zoekt 
zijn voordeel veel verder. Door de dochters zijner zuster als eigene 
te beschouwen , blijft hij niet alleen met hen in bloedverwantschap, 
wanneer zij aan een andere marga door het huwelijk overgaan , maar 
hij komt ook met deze marga zelf in aanverwantschap, en dat be- 
teekent voor hem vermeerdering van aanzien en macht. Een groote 
aanverwantschap {tondong) te bezitten, is van veel gewicht, want 
dat is de bron van hulp in tijd van nood. Daarom zoekt hij dan 
ook steeds zijne aanverwantschap te bevestigen en uittebreiden en 
moeten ook de kinderen van broers en zusters daartoe meewerken. 
Om de eenmaal bij het huwelijk zijner zuster aangeknoopte aan- 
verwantschap te bestendigen, geeft hij zijne dochters den zonen 
zijner zuster tot vrouwen, en om zijne aanverwantschap nog tot 
andere marga^s uittebreiden, beschouwt hij de dochters zijner zusters 
als zijne eigene , en neemt ze niet voor zich zelf töt schoondochters. 

Wij noemden dus deze adat terecht een gebruik, dat uit wel- 
begrepen eigenbelang voortvloeit. Immers, indien hij de dochters 
zijner zuster eens niet als eigen kinderen beschouwde en ze tot 
schoondochters nam , dan zou he%een van hem uit kon gaan , om 
zijn rijkdom en aanzien te vermeerderen, eenvoudig tot hem terug- 
keeren , en dat komt hem zoo verkeerd voor als /i^water dat tegen 
den berg oploopt'/ {fiuirstmtjang do tiek pahulu) zooals de Ang- 
kolaër zegt , hetgeen in Toba wordt uitgedrukt met pasoehar toe- 
toer = de familiebetrekking omkeeren. Zijn dochter (zustersdochter) 
zou zijn schoondochter worden en dus ook zijn eigen zoon zijn 
schoonzoon. Dat is hem al te averechts. 

Toch is het niet altijd zoo geweest. Naar de getuigenis veler 

5'' \o]s- vn. u 



206 WUZEN DB TEGENWOORDIGE ZEDEN EN GEWOONTEN DER BATAKS 

Bataks was het in vroegere tijden, toen het volk nog klein was, 
ook geoorloofd , de dochter van vaders zuster tot vrouw te nemen , 
en het schijnt nog al moeite gekost te" hebben , dit gebruik op te 
heften. Dat bewijzen de legenden (toeriioerian) ^ die verhalen, hoe 
de wraak der goden hen getroffen heeft, die zulk eene echtverbintenis 
aangegaan hadden. Zoo bijv. de beeldjes, die van onder tot boven 
den toenggal panahean versieren, zijn niet anders dan een plas- 
tische voorstelling van de lotgevallen van zulk een echtpaar, dat 
door de wraak der goden overal vervolgd wordt. Ook ligt er, naar 
men ons mededeelt, aan den voet van de westelijke helling van 
den berg Si Himon een groote zwarte steen, die de gedaante heeft 
van twee op elkander liggende menschen , en waarop ieder voorbij- 
ganger een klein ofier brengt van tabak of napoeran of van 
hetgeen hij anders bij zich heeft. Dat is Datoe Poring en zijn zuster 
(tantes dochter), welke aldaar door den bliksem getroffen zijn, zegt 
men , jaist toen zij met elkander in ongeoorloofde gemeenschap waren. 
Zulke verhalen zijn toch zeker met geen ander doel verdicht, dan 
om een ingeworteld gebruik bij het volk gehaat te maken. Dat 
daartoe zelfs de dreigende wraak der goden noodig was , bewijst hoe 
moeielijk het volk zijn eenmaal aangenomen adat wQ^r loslaat. 

Daarom dan ook is het ons moeielijk aan te nemen , dat het 
matriachaat ooit bij de Bataks zou geheerscht hebben en door het 
thans heerschende patriarchaat verdrongen zijn, en dit wordt ons 
daardoor geheel onmogelijk gemaakt, dat wij in de tegenwoordige 
adat ook hoegenaamd niets kunnen vinden , hetwelk op een oorspon- 
keiijk matriarchaat wijst. Immers alles , wat de heer Wilken als bewijs 
voor het oorspronkelijke van het matriarchaat aanvoert, kewijst bij 
nadere beschouwing slechts het tegendeel , en andere daarop wijzende 
gebruiken zijn noch ons noch onzen oudsten coUega^s bekend. Trouwens 
zulk een tolale omkeer in de adat zou nooit anders dan onder vreem- 
den (in casu Maleischeu) invloed hebben kunnen plaats grijpen. Dit 
is echter onmogelijk, ten eerste omdat de Maleiers zelf de matriar- 
chale inrichting der familie hebben en ten andere omdat de Bataks 
tot hun geluk grootendeels voor dien invloed zijn bewaard gebleven. 
Wij voor ons beschouwen dan ook het matriarchaat op Sumatra als 
iets, dat specifiek bij de Maleiers thuis behoort, en kunnen ook de 
meening van den heer Wilken ten opzichte van die volken op dit 
eiland, die reeds min of meer onder Maleischen invloed gekomen 
zijn , en bij welke zoowel de agnatische toestand als het matriarchaat 
gevonden wordt, niet deelen. Ons komt het veel waarschijnlijker 



KOO SPOREN AAN VAN EEN OOBSPBONKELUK MATKIABCHAAT P 207 

voor , dat ook bij hen even als bij de Bataks de agnatische toestand 
oorspronkelijk is en het matriarchaat zich onder Maleischen invloed 
ingang bij hen verschaft heeft. Daarover meer licht ie verspreiden, 
blijft de taak van hen, die met die volken in aanraking komen. 
Wij beschouwen onze taak voor ditmaal als volbracht en hopen 
met dit opstel ook iete tot meerdere kennis van de inrichting der 
familie bij ket volk, aan wien^ welzijn wij ons leven wijden, te 
hebben bijgedragen. 

Panêoemapitoe ^ Silindoeng, 9 Juli 1889. 



AANTEEKENINGEN OMTRENT DB GODSDIENSTIGE 
BEGRIPPEN DER KARO-BATAKS. 



DOOR 

C. J. WESTENBERG. 



Weinige volken in den Indischen archipel zijn later met de 
Europeesche beschaving in aanraking gekomen , en hebben later de 
aandacht onzer onderzoekers en ethnografen getrokken dan de Karo- 
Bataks, oorspronkelijk de bewoners der hoogvlakte noordelijk van 
het Tobameer, van waar zij zich echter, vermoedelijk reeds vóór 
eeuwen, ook over de bovenstreken der aangrenzende kastlanden 
der tegenwoordige rijkjes Langkat, Deli en Serdang hebben 
verspreid. 

Een klein deel van hen vermengde zich daar met de aan de knsten 
en langs den benedenloop der rivieren gevestigde Maleische elementen , 
eene vermenging waaraan de overgang van het heidendom tot. den 
Islam onvermijdelijk was verbonden; de overgroote meerderheid 
bleef echter de zeden en gewoonten der vaderen getrouw en erkende , 
hoewel niet zonder tegenstand, tot zekere hoogte de souvereiniteit 
der Maleische sultans of pangerans en het eenigszins meer krachtige 
gezag der Datoe^s, die, oorspronkelijk van vorstelijk Bataksche afkomst , 
maar tot den Islam overgegaan, de natuurlijke en invloedrijke 
tusschenpersonen waren tusschen de Bataksche bevolking der binnen- 
landen en de Maleische kustbewoners. 

Met het moederland, de hoogvlakte, werden door deze Bataksche 
kolonisten steeds zeer levendige betrekkingen onderhouden , en indien 
men de Karo-Bataks langzamerhand ook ging onderscheiden in Kalak 
goenoeng (bergmenschen) en Kalak doesoen (doesoenmenschen) , deze 
verdeeling berustte uitsluitend op de woonplaatsen^ geenszins op 
eenig gewichtig onderscheid in voorkomen, adat of begrippen. ^ 



' Uit het hier gezegde begr\jpt men gemakkelijk wat men moet verstaan onder 
de benamingen Doesoen en Doesoen-Bataks , die in het yervolg van dit opstel hier 
en daar voorkomen. Vergl. voorts de Nota over de onafhankelijke Bataklanden, 



AANTEEKENINOEN OMTRENT DE GODSDIENSTIGE BEOBIPPEN 209 

Intasschen wisten de Nederlandsche ethnografen nauwelijks of in 
het geheel niet dat in deze verwijderde streken een talrijke Batak- 
stam werd aangetroffen, die naast vele aanrakingspunten ook groote 
verschillen vertoonde met de beter bekende Mandailingers en Tobas. 

Het was toch gedurende langen tijd bijna uitsluitend van de West- 
kust uitgaande dat het Nederlandsch-lndische Grouvemement den 
kring van zijn gezag en zijn invloed in Sumatra^s binnenlanden 
poogde uit te breiden. Eerst veel later bracht onze vestiging ter 
Oostkust, vooral in Deli, ons eindelijk met de Oostelijke Bataks, 
de orang Timor, en met de meer Noordelijk wonende orang Karo 
in aanraking. Yan daar dan ook dat omtrent de Tobas reeds tal 
van inlichtingen waren verkregen, en reeds tal van schrijvers, met 
den beroemden Junghuhn aan het hoofd ^ belangrijke bizonderheden 
omtrent hen hadden meegedeeld^ toen nog niemand aan de Karo- 
Bataks dacht. 

Wel is er in den laat^ten tijd eene merkbare verandering ten 
goede gekomen, zijn ook de onafhankelijke Karo- en Timorlanden 
ten deele door verschillende reizigers doorkruist, en telt de ethno- 
grafie dier streken, vooral in het Delische, enkele belangstellende 
beoefenaars; maar tegenover de talrijke geschriften 'betreffende de 
meer Westelijke stammen maakt het weinige dat over Karo- en 
Timor-Bataks in druk verscheen, ten minste wat de hoeveelheitl 
betreft, nog steeds een weinig schitterende figuur. Greldt dit in het 
algemeen , het geldt ook in liet bizonder voor het onderwerp aan het 
hoofd van dit opstel aangeduid. Toch is het niet dan na lange aarze- 
ling dat ik het waag mijne aanteekeningen omtrent de godsdienstige 
begrippen der Karo-Bataks reeds thans aan te bieden. In de be- 
richten die ik mij kon verschaffen bleven nog vele leemten , sommige 
punten bleven nc^ duister, omtrent andere zijn de mij geworden 
inlichtingen nog oppervlakkig en onvolledig: kortom, het is er 
nog verre van dat ik het door mij betreden gebied in alle richtingen 
heb doorkruist en het dus in al zijne uitgestrektheid kan behan- 
delen. In groote trekken meen ik echter het beeld van het land 
reeds thans met tamelijke nauwkeurigheid te kunnen teekenen en 
al zal hier en daar wellicht eene lijn verkeerd loopen , niets belet 
later die fout ie herstellen en tevens bij te schetsen wat er nog 
ontbreekt. Want zoo ergens , dan geldt op het gebied der ethnografie 

door den heer W. geplaatst in Tiidêchr, v. h. Bat. Oen. Dl. XXXIY blz. 105 en de 
kaarten, begoorende bij de berichten van den zendeling H. G. Kru\jt in de Medêd, 
9. h. Nederl ZmiMiggenootêcha^ Dl. XXXIV bl. 325 en Dl. XXXV Uz. 309. 



210 DEB KABO-BATAKS. 

dat men het ijzer moet smeden , terwijl het heet ia. Zelfs de aitgebreidste 
en zorgvuldigst verzamelde aan teekeningen hebben nog aanvulling noodig^ 
en die aanvulling is slechts te verkrijgen waar de aanteekeningen 
ontstonden, in het land en onder het volk welke de stadie geldt. 

De belangrijkste mededeelingen op dit gebied dankt men zeer 
zeker aan Dr. B. Hagen, wiens opstel: Beii/rage zur Kentnisa der 
Baéèareligion eene plaats vond in deel XXVIII , aflevering 6 , 
van het lijdschrift voor de Indische Taal-, Latid- en Volkenhmde. 
In dat opstel vindt men tal van wèl niet altijd even juiste^ maar 
toch over het algemeen zeer belangwekkende bizonderheden. Van 
de onjuistheden kan men trouwens den geachten schrijver moeilijk 
een ernstig verwijt maken , daar de mondelinge berichten der be- 
volking, waarop elk onderzoeker op ethnografisch gebied wel in 
hoofdzaak moet afgaan, dikwijls tegenstrijdig en weinig vertrouw- 
baar blijken, zoodat eene nauwkeurige zifting der ingewonnen be- 
richten eene eerste vereischte is. Wil men die zifting met goed 
gevolg volbrengen , dan moet men zich eerst vertrouwd hebben gemaakt 
met het karakter . de begrippen en de denkwijze van het volk , waartoe 
men met den besten wil van de wereld zonder onder dat volk ge- 
vestigd te zijn^ en er dagelijks en vertrouwelijk meé om te gaan , niet 
kan geraken. Men komt er zoo licht toe aan de verhalen van een 
enkel misschien leugenachtig of slecht ingelicht individu veel meer 
waarde te hechten dan daaraan toekomt. 

£en voorbeeld slechts. Op mijne vragen omtrent de begrippen, 
die de Karo-Bataks zich betrekkelijk een toekomstig leven vormen, 
kreeg ik, vooral wanneer ik eenigszins aandrong, herhaaldelijk een 
antwoord waarin van swa/rga en naraka werd gesproken. Oppervlakkig 
zou men dus tot het besluit komen dat de Bataks aan een hemel 
en een hel gelooven, maar ging ik dieper op het onderwerp door, 
dan bleek het al heel spoedig dat de berichtgevers niets deden dan 
de Maleiers napraten , bij wie deze woorden nu eenmaal burgerrecht 
hebben gekregen. 

Ik acht het niet alleen hoc^st waarschijnlijk, maar zel& zoo goed 
als zeker dat de berichten van Dr. Hagen omtrent het vereeren door 
de Bataks van de goden Nabi Mohammed en Padi Allah op denzelfden 
zwakken grond berusten. Dr. Hagen zegt daaromtrent: i^Den beiden 
letzten Gtöttem ist ihr islamitischer Ursprung deutlich genugaufdie 
Stim geschrieben und ihre Verehrung selbst im Herzen von Tobah 
am gleichnahmjgen 8ee beweist das unaufhaltsarae Verdringen des 
Mohamedanismus unter den Batta's,// 



AANTEEKEKINQKN OMTRENT DE GODSDIENSTIOE BEGRIPPSN 211 

Het schijnt niet twijfelachtige dat de mededeelingen die dr. Hagen 
tot deze beschouwing aanleiding gaven uit den koker kwamen hetzij 
van een Batak die zelf lang onder de Maleiers verkeerd en hunne 
denkbeelden ten deele overgenomen had , hetzij van een Tobanees die , 
wel eens iets van Allah en van Mohamed gehoord hebbende, zijne 
geleerdheid tegenover den vreemdeling wilde luchten. 

Feitelijk is van een ^Yordringen des Mohamedanismus// in de 
doesoens der Maleische rijkjes^ laat staan ffim Herzen von Tobah^^ 
(of liever in de streken die dr. Hagen bedoelt en met die benaming 
minder juist aanduidt) al zeer weinig te bespeuren. In vroegere 
tijden heeft de Islam in die doesoens zeer zeker wel vorderingen 
gemaakt , zelfs aanzienlijke vorderingen ook , maar die beweging kwam 
sinds jaren tot bijna algeheelen stilstand en tegenwoordig is de 
godsdienst der Maleiers onder de heidensche Bataks even impopulair 
als hun gezag. Herhaaldelijk zag ik zelfs voorbeelden dat pensonen , 
die vroeger de leer van Mohamed hadden aangenomen , wéér terug- 
keerden tot het heidendom. 

Een gewichtiger bezwaar, dat tegen het opstel van dr. Hagen 
aangevoerd kan worden, is dat het aanleiding geeft tot verwarring ^ 
in zoover als de geachte schrijver de godsdienstige meeningen van 
verschillende stammen als Toba- , Timor- en Karo-Bataks niet genoeg 
gescheiden houdt en dan ook van eene //Battareligion// spreekt, 
eene uitdrukking die door hare algemeenheid geheel onjuist is. 

Bij de verschillende Batakstammen treft men in dit opzicht wel 
degelijk groote verschillen aan, hoewel minder in de algemeene 
beginselen, in de richting van het zieleleven, dan in bizonder- 
heden, in namen en overleveringen. Hierbij moet in aanmerking 
worden genomen dat de Karo-Bataks beweren tot de Toba- en 
Timor-Batak^ slechts in verwijderde betrekking te staan ^ maar 
daarentegen rechtstreeks -af te stammen van de menscheuvleesch- 
lievende Pakpak in de Bovenlanden van Singkel. 

Dr, Hagen schijnt zijne inlichtingen uit Toba- en vooral uit 
Timor-bronnen te hebben verkregen en niet te hebben geweten, dat 
de Karo-Bataks in bijna alle opzichten afwijkende voorstellingen 
huldigen. Yan de drie hoofdgoden die hij noemt : Batara Gberoe , 
Sori en Balaboelan^ zijn de beide laatsten bij de Karo-Bataks, niet 
alleen bij den kleinen man en bij de hoofden , maar zelfs bij de 
grootste goeroes geheel onbekende grootheden , om van Nabi Moham- 
med en Padi Allah niet te spreken. Hetzelfde is het geval met on- 
geveer alle namen die in dr. Hagen's opstel voorkomen. 



212 AANTEEKEKINGEN OMTKENT DE öODSDlENSnOE BSGfilPPEN 

Ten einde deze klip te vermijden, ben ik bij het verzamelen dezer 
aanteekeningen uitsluitend met Karo-Bataks te rade gegaan. Mijn 
voornaamste zegsman was daarbij de nu sedert ongeveer een half 
jaar overleden goeroe Si Beleilei van Ketangkoehan in i9oekapiring, 
die niet alleen onder de Doesoen-Bataks , maar eveneens onder de 
bewoners der hoogvlakte een grooten naam had van kunde, macht 
en geleerdheid. Zijne berichten werden door mij steeds zoo nauw- 
keurig mogelijk getoetst aan die van verschillende goeroes, hoofden 
en andere ontwikkelde Bataks. 

In het godsdienstige leven van het volk der Karo-Bataks moet 
men twee hoofdelementen nauwkeuiig onderscheiden, hoofdelementen 
waartusschen bijna elk onderling verband ontbreekt. 

In de eerste plaats treffen wij eene soort mythologie aan van 
waarschijnlijk Hindoeschen of ten minste 4)uitenlandschen oorsprong. 

Deze mythologie, door mondelinge overleveringen en' wellicht 
door enkele geschriften {poestaka) in sommige goeroe-geslachten 
bewaard , weet te verhalen van eene geheele reeks goden en godin- 
nen , van de schepping der wereld en van den legendairen oorsprong 
van verschillende natuurverschijnselen. Niet alleen het eigenlijke 
volk, maar ook de groote massa der hoofden is aan deze overleveringen 
vreemd en heeft er zelfs nooit van hooren spreken dan zeer frag- 
mentarisch in enkele toover- en bezweringsformules, door de goeroes 
bij plechtige gelegenheden opgedreund. 

Practisch stoort niemand zich aan deze gode», noch laten de 
Bataks zich door de gedachte aan en de vrees voor hen van eenige 
daad terughouden, uitgezonderd wellicht van meineed. Niet dat de 
massa der Bataks zoo weinig liberaal is om daartegen op te zien. 
Verreweg de meeste hunner zijn bereid voor enkele dollars alles te 
zweren wat men verkiest, maar in theorie zijn het toch zeer zeker 
de goden (débata) die den meineed straffen , al worden zij bij den 
gebruikelijken , hoogst eenvoudigen eedsvorm ook niet rechtstreeks aan- 
geroepen. Zeer waarschijnlijk was deze eeredienst vroeger veel alge- 
meener verspreid , waarbij zich twee mogelijkheden voordoen : 

ten eerste, dat het plateau van Toba vroeger door een ander volk 
werd bewoond, dat om de eene of andere reden te gronde ging en 
door de van elders gekomen Bataks werd verdrongen, waarbij die 
Bataks enkele van de mythen der verdrevenen overnamen; 

ten tweede , dat het Batakvolk een tijd lang moest bukken onder 
vreemde overheerschers die hun eigen godsdienst op het plateau 



DER KARO-BATAKS. 213 

verbreidden tot tijd en wijle de Bataks het juk afwierpen en de vreem- 
delingen verjoegen, waardoor tevens de van elders ingevoerde eere- 
dienst meer en meer in verval raakte. 

De laatste theorie luidt zeker niet onwaarschijnlijk. In allen gevalle 
kan men zeer zeker gerust aannemen, dat de mythologische verhalen , 
bij de goeroes bewaard , van vreemden oorsprong zijn , en daarentegen 
de nog ten huidigen dage zoo algemeene vereering van de geesten 
der voorouders en van andere afgestorvenen als bij zoovele andere 
natuurvolken ook bij de Karo-Bataks de eenig oorspronkelijke 
eeredienst uitmaakte. 

Eene zwakke verbinding tusschen deze beide godsdienstige elementen, 
de ingevoerde mythologie en de oorspronkelijke vereering der 
geesten, wordt gevormd door de bovenbedoelde oude tooverformules, 
waarvan dikwijls gebruik wordt gemaakt bij plechtigheden die ge- 
heel op het oude geestengeloof berusten^ en verder door enkele 
verhalen en overleveringen, waarin van den invloed van beide 
elementen sporen worden aangetrofien. 

Wat enkele goeroes mij omtrent het meer en meer verloren gaande 
polytheisme wisten te vertellen, komt in hoofdzaak op het volgende neer. 

In de allereerste tijden , lang voor de schepping der aarde , waren 
er slechts twee godheden : Ompong batara goeroe di atas , zetelende 
in wat wij den hemel zouden noemen^ en Ompong débata Teroeh 
die in de benedenwereld den scepter voerde. ^ 

De schoone dochter van dezen Indischen Pluto was door Ompong 
batara goeroe di'^^tas tot gemalin verheven, en door hem naar zijn 
wolkenrijk meegevoerd.' De beide echtgenooten konden het best met 
elka&r vinden en voerden een idyllisch leven, al te idyllisch zelfs, 
in zoover als de lasten en zorgen van de zwangerschap der vorstin 
langer bespaard bleven als zij zelve en haar man wel wenschelijk 
achtten. Toen hun huwelijk zoo vier jaren had geduurd en nog 

I In dit opstel is de letter e doorgaans zonder toonteeken geschreven en slechts 
enkele malen van het teeken ^ voorzien. Dit laatste is duideiykheidshalve weggelaten 
waar het voorkwam, b^v. op het woord téndi, dat echter door den schrijver veelal 
met tmdi getranscribeerd is. In het Tobasch is het tondi. Daar de o van het Tobasch in 
het Dairisch dialect gewoonlijk in eene toonlooze e verandert en het Karo-Bataksch 
in zoovele opzichten met dit dialect overeenkomt, zal men deze letter hier wel 
bijna overal evenzoo moeten uitspreken. Woorden zooals deftoto en hegoe en nog 
een paar andere zullen hier echter zeker met een zacht-lange 0, zooals b\jv. in 
ons woord t bezig • worden uitgesproken, weshalve die van een accent aigu zqn 
voorzien (bégoe, débata). Slechts omtrent zeer enkele woorden in dit stuk kan 
twijfel bestaan nl. omtrent de uitspraak der e. Of débata ook bij de Karo*s den klem- 
toon op de laatste lettergreep heeft, zooals bij de Tobas, is nog niet bekend. 



214 DER KABO-BATAKS. 

altijd geenerlei teekenen de naderende geboorte van eene godensprait 
voorspelden, liet Batara Goeroe het hoofd hangen en verviel tot de 
zwartste misanthropie. Het luie en lekkere leven, zoolang door hem 
gevoerd^ werd hatelijk in zijn oog; hij besloot afstand te doen van 
al die niet langer gewaardeerde heerlijkheden, en in de ontberingen 
van een kluizenaarsleven rust te zoeken voor zijn ontstemd gemoed. 

Zoo gezegd , zoo gedaan. In oude, afgedragen kleederen gehuld, niets 
meenemende dan enkele landbouwgereedschappen en ietwat rijst 
om onder weg hun honger te stillen, verlieten Batara Goeroe en 
zijne gemalin het schouwtooneel hunner onbekroonde huwelijksvreugde, 
om ergens aan het strand der zee (zeker eene hemelsche zee, want, 
zooals gezegd bestond de aarde nog niet) een hutje te bouwen. In 
die nederige woning brachten zij nu hunne vrije uren door, het 
grootste deel van hun tijd wijdende aan den aanleg van eene fraaie 
ladang, die zij met meer zin voor natuurschoon dan voor practisch 
aut met allerlei fraaie bloemen beplantten. 

Zij zouden echter niet veel voldoening van hun arbeid hebben. 

Op eeu goeden middag toen zij onder het bescheiden atapdak 
van hun huisje sliepen, verrees er uit den oceaan een kolossaal 
monster, eene zeeslang, Toemoeldang di bosi geheeten, die zonder 
den minsten eerbied voor Batara Goeroe^s hooge waardigheid de 
heele ladang omwoelde en alle bloemen opvrat, waarna hij op zijne 
beurt tot bevordering zijner digestie eene siësta ging nemen. 

Bij het ontwaken werd Batara Goeroe met evenveel schrik als ver- 
ontwaardiging de verwoesting van zijn bloemenhof gewaar , en in 
de verte den draak bespeurende, zond hij terstond een djoewa 
(hoeloebalang) uit om het ondier te dooden. De djoewa vond de hem 
opgedragen taak maar half aardig en achtte het, na Toemoeldang 
di bosi's eerbiedwaardig gebit en geweldigen lichaamsbouw op eenigen 
afstand te hebben opgenomen , veel raadzamer, alvorens tot dadelijk- 
heden over te gaan , den weg der onderhandelingen in te slaan. 

Hij begon dus met de slang wegens zijn hoogst lakenswaafdig 
gedrag om ialiohtingen te verzoeken. 

Het in zijn middagrust gestoorde monster zag den lastigen vrager 
alles behalve vriendelijk aan en maakte reeds eenige happende 
bewegingen, terwyl het brommend antwoordde, dat Batara Goeroe de 
geheele ellende aan zich zelven had te wijten, daar het hoegenaamd 
niet te pas kwam voor een zoo machtigen vorst om als een arme 
stakkert van een landbouwer zelf eene ladang te gaan bewerken en 
zoo zijne waardigheid met voeten te treden. Hij verklaarde grooten 



AANTEEKENIN&EN OMT&ENT DS GODBI>£KNSTIOE BieMPPEN 215 

last te hebben om zijn bloemendéjeaner met het nuttigen van den 
djoewa te besluiten en slechts van dat smakelijk brokje afstand te 
zullen doen , als de djoewa beloofde met den uitersten spoed Batara 
Qoeroe en diens gemalin te zullen roepen , met welke hij een appeltje 
had te schillen. De vorst zou wijs doen daarbij een goed aantal 
pisangs en een fiinken schotel boemboeën (een soort geesten voedsel, 
bestaande uit padi, ei^ sirih, pisang, enz.) mee te brengen. De djoewa 
had geene herhaling van dit bevel noodig om met den uitersten 
spoed huiswaarts te keeren. Hij bracht de boodschap getrouw 
aas zijn meester over die, onbevreesd van aard, de pisang en de 
boemboeën in orde bracht, en daarop in gezelschap van zijne echt- 
genoote Toemoeldang di bosi ging opzoeken. 

Batara Gberoe opende het gesprek en klaagde over de alles 
behalve nette manier waarop zijn geëerde gast in zijn rijk was 
gekomen. Doch Toemoeldang di bosi liet zich daardoor niet van 
zijn stuk brengen. 

/i^Edele vorst ,4r zeide het monster, ^^wat ik heb gedaan was niet 
#meer dan mijn plicht. Ge verdiendet nog erger lot, want ge hebt 
ffzoer gezondigd door niet te zorgen voor de behoorlijke voortplanting 
^van uw geslacht. >/ 

»Qe hebt mooi spreken,// antwoordde Batara Ooeroe. >/Geloof me, 
//het heeft niet aan mijn goeden wil gelegen. Als ge er intusschen 
^iets op weet, houd ik me ten zeerste aanbevolen.// 

De slang verklaarde gegronde hoop te hebben de zaak in orde te 
kunnen brengen, mits Batara Qoeroe zijn raad getrouw opvolgde. 

/r Begin maar eens,'!' vervolgde het monster, //met de pisangs en 
^de boemboeën die gij hebt meegebracht in mijn muil te stoppen. /r 

Doch dit voorstel lachte den god sle-chts matig toe en scheen hem 
erg naar eene krijgslist te rieken. 

^Grootvader, /^^ zeide hij tot de slang, /ruw mail is wel zeven 
//esta's wijd , en voorzien van een zoo fraai en zeer scherp gebit dat 
ffïk ril wanneer ik er maar naar kijk. Neem me dus niet kwalijk 
ff9kh ik tegen uw voorstel eenige bescheiden bedenkingen heb.// ' 

Yerre van zich geërgerd te betoonen, verklaarde Toemoeldang di 
bosi zich gaarne bereid aan dit wantrouwen tegemoet te komen. 

^Neem uw zwaard, /t^ zeide hij, ven plaats het rechtstandig tus- 
^Bchen mijne kaken. Dan kan ik mijn mond niet sluiten en kunt 

I Het woord Mfti is hier wel » het Tobasch , hasta , dat volgens het Woordenb. 
Tan Dr. v. d. Tuuk beteekent ede lengte van den voorarm als maat gebezigd • 
(vgl. het Sanskr., Mal. enz. hukt,) 



216 AANTSEKENINGEN OKT&SNT DE GODSDIENSTIGE BEGRIPPEN 

^ge onbevreesd voor eene niesbai of onwillekeurige beweging mijner- 
^/zijds uwe hand naar binnen brengen. /r 

Batara Goeroe vond dit denkbeeld ]ang niet kwaad ; hij plaatste het 
zwaard tusschen de opgesperde kaken en bracht daarop de mee- 
gebrachte spijzen in den muil van het ondier. 

Toen hij zijne hand terugtrok , zat er een ring aan een der vingers. 

Batara Goeroe zag dit met verbazing en haastte zich het zwaard 
terug te nemen en daardoor Toemoeldang di bosi gelegenheid te 
geven zijne vragen te beantwoorden. 

//Kijk eens , grootvader , die ring is mij daarbinnen aan den vinger 
^geschoten, waar dient die voor?>r 

>/Wel, dat is eene sinêing pirUa pinta (wenschring). Nu kunt ge 
/f vragen wat ge wilt, een zoon, of eene dochter, of varkens vleesch , of 
>/paula (palmwijn) of wat ook, en ge zult uw wensch vervuld zien.// 

De god en zijne vrouw waren over dit buitenkansje niet weinig 
verheugd en begonnen van vreugde te tandakkeu. Toen zij wat kal- 
mer waren geworden , legde Toemoeldang di bosi hun uit hoe zij den 
ring moesten gebruiken , en nam daarop een hartelijk afscheid. Een 
oogenblik later was hij in de golven verdwenen. 

Met een verlicht gemoed verlieten de echtgenooten nu hunne 
kluis en togen weer naar de vorstelijke woning. Toen het volle 
maan was , poetste de god volgens de instructiën van hunnen wel- 
doener den ring met limoensap en wenschte zich een zoon^ die 
dan ook negen maanden later op natuurlijke wijze ter wereld kwam. 
Hij herhaalde die handeling verscheidene malen en kwam in het 
bezit van drie zoons en twee dochters. 

De zoons heetten : 

lo. Padoeka di adji, die in de benedenwereld bij zijn grootouder 
ging wonen. 

2o. Toean Benoewa Koling, schepper van deze aarde. 

3<^. Toean Radja Samsei Sahinahina, die boven bij zijn vaders 
bleef. 

De dochters waren : 

10. Toean Benoewa Katji, die in de buurt woont waar de zon 
opgaat en naar welke de gebeden der Bataks gaan. 

20. Toean Badja Mangili Boenga (misschien dezelfde als de 
Mangala Boelan waarvan dr. Hagen spreekt?) wonende waar de 
maan opgaat en, volgens de Bataks, degene die hoort naar de 
gebeden der Maleicrs. 

Toean Benoewa Koling werd de schepper van deze aarde, die liij 



DKR KARO-BATAKS. 217 

vervaardigde van zeven handenvol aarde , en die vervolgens door 
Batara Goeroe met een zijden draad aan den hemel werd opgehangen. 

Daar dit nieuwe hemellichaam intosschen in de benedenwereld 
eene groote duisternis veroorzaakte, zoodat men er geen hand voor 
de oogen meer kon zien, werd Fadoeka di adji, die daaronder zijn 
woning had opgeslagen^ zeer vertoornd en deed door het veroor- 
zaken van hevige stormen de schepping van zijn broeder zeven malen 
mislukken. 

Toean Benoewa Koling beklaagde zich bij hun gemeenschappelijken 
vader, en toen deze zag hoe zijne berispingen en vermaningen 
hoegenaamd niets baatten, besloot hij tot krachtiger maatregelen 
over te gaan. 

Terwijl Padoeka di adji sliep , kwam Batara Goeroe naar 
beneden, en maakte boven den weerspannigen zoon een grooten 
ijzeren rooster [best maléla)^ bestaande uit vier kruiselings geplaatste 
staven, waarvan de acht uiteinden naar de voornaamste windstreken 
waren gericht. In de richting dier uiteinden lagen volgens de over- 
levering Êtbelachtige rijken , die bestuurd werden door a&tammelingen 
der goden. 

Die rijken zijn^ gerekend van het Oosten door het Noorden naar 
het Westen en Zuiden: 

Poerba (Oost). 

Agoeni (Noord-Oost). 

Irissen (Noord). 

Pestima (Noord- West). 

Daksina (West). 

Narita (Zuid- West). 

Mangabia (Zuid). 

Nariti (Zuid-Oost). 

Ook de aarde werd door Batara Goeroe hersteld en geheel vlak 
gemaakt. 

Maar toen Padoeka di adji uit zijn slaap ontwaakte, zich eens 
uitrekte en wilde opstaan, schudden de bed maléla en de aarde 
daarboven op zulk eene wijze dat allerwege bergen en valleien ont- 
stonden. Intusschen , de hen rtudéla was hecht en sterk , en ondanks 
alle later ondernomen pogingen gelukte het den gevangene niet 
zich te bevrijden. Tot op den huidigen dag ligt hij onder zijn 
rooster, en wanneer hij nu en dan kwaad wordt en beproeft zich 
aan den ijzeren greep te ontworstelen, beeft deze^aarde. 

Is dus Padoeka di adji een lastig en kwaadaardig machthebbende , 



218 BEK KARO'BATA&S. 

aan w^ien noch het menschdom , noch zijne familie veel genoegen beleeft , 
Toean Benoewa Koling houdt op deze aarde alles gaande, en zorgt 
voor den plantengroei, enz. , terwijl Toean Badja Satnsei Sahinahina 
van boven uit over den regen beschikt en hunne beide zusters, 
zooals reeds gezegd, verondersteld worden een aandachtig oor te leenen 
aan de gebeden respectievelijk van Bataks en niet-Bataks. 

Het scheppingsverhaal, opgenomen in het reisverslag van den 
heer de Haan {Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap , 
deel XXXVIII) komt met het door mij meegedeelde in menig 
opzicht overeen. Omtrent de geheimzinnige kip, waarover de schrijver 
spreekt en uit wier bloed, veeren, enz. het water ^ de planten , enz. 
zouden zijn ontstaan , werd mij eene eenigszins afwijkende legende 
meegedeeld , die tevens eenige opheldering geeft over de wi)ze waarop 
Batara Goeroe aan zijne vrouw kwam. 

De vader der goden was namelijk indertijd een zeer bescheiden 
jongeling, die ondanks het aandringen zijner onderdanen er maar 
niet toe wilde overgaan eene vrouw te nemen , omdat hij , als hebbende 
nog nooit iets werkelijk fraais tot stand gebracht , zich den echtelijken 
staat niet waardig achtte. Daar het leven van vrijgezel hem echter 
op den duur verveelde en hij bovendien gaarne het verlangen zijns 
volks te gemoet wilde komen , besloot hij een kunstwerk te ver- 
vaardigen dat hem in ieders oog recht zou geven op de genietingen 
der huwelijksvreugde. Hij toog dus aan den arbeid en vervaardigde 
een fraaien gouden vogel , dien hij vervolgens den volke vertoonde 
vragende of de man die tot zulk een arbeid in staat was niet met 
recht een groot vorst kan worden genoemd. Zijne onderzaten deelden 
deze eenigszins vreemde opvatting van de hoedanigheden die aan een vorst 
het kenmerk van grootheid geven. Geheel voldaan waren zij echter 
nog niet. Het beest was wel heel mooi , maar het miste twee voorname 
eigenschappen van een vogel: het kon noch zingen, noch vliegen. 

Doch ook daarop wist de god raad. Hij deed den vogel in een 
grooten pot in gezelschap van een massa krekels en liet hem daarin 
tot hij behoorlijk vliegen en zingen had geleerd. Het volk was nu 
opgetogen en Batara Goeroe haastte zich den vogel , Manoek Sinang- 
goer dawa dawa als gezant naar de onderwereld te zenden , 
waar hij de hand van Si Beroe Poeang Sinder Mataniari voor zijn 
meester wist te verwerven. Met den vogel echter liep het treurig 
af; want toen, na het ontstaan der aarde, het dier zich niet ontzag 
den vijver van Toean Benoewa Koling herhaaldelijk te bevuilen, 
sloeg deze hem dood en deed uit sïijn veeren , lichaam , enz. allerlei 



AANTÏEKBNINGEN OlfTUBNT Dt OODSDIBT*STIGE BEGEIPPEN ^l9 

geneeskrachtige planten als: aalindjoeang , ainampireti, enz. ontstaan 

Het scheppingsverhaal^ door dr. Hagen opgenomen in het rapport 
zijner in December 1883 gedane reis naar het Tobameer, heeft 
mijns inziens weinig waarde, te minder omdat Nabi Mohammed er 
eene rol in speelt. Een enkele Batak moge zich vermaken met, 
onder den invloed van een verblijf in Mahomedaansche landen, zulk 
een sprookje te vertellen ; dat het een beeld zou geven van het oude 
volksgeloof ia eenvoudig onaanneemlijk. De gezamentlijke godheden 
worden naar hunne woonplaatsen onderscheiden in débata éü atoê, 
débata d% tengah en debata di teroeh) beneden), onder welke bena- 
ming zij bijna uitsluitend worden aangeroepen en bij het volk uit de 
gezangen der goeroes bekend zijn. Welke godheden tot elk dezer 
categoriën worden gerekend, volgt uit het bovenstaande yan zelf. 

Dit is in hoofdzaak wat ik tot nu toe over het Bataksche poly- 
theisme te weten heb kunnen komen. Hoogstwaarschijnlijk zijn er 
vroeger meerdere overleveringen , zich bij^ deze hoofdmythe aanslui- 
tende, in omloop geweest en zullen sommigen daarvan nog wel hier 
en daar in enkele goeroefamilies bewaard zijn gebleven. Een bewijs 
daarvan vond ik in het verhaal van den tooverstok van den goeroe 
Beleilei, dat ik hieronder meedeel. 

De oorspronkelijke beteekenis van het woord débata .(ook wel 
nebata) is voor de Bataks zeer zeker god, godheid. Toch verstaan 
zij er bovendien uog iets anders onder. Débata di atas noemen de 
Bataks niet alleen de in eene denkbeeldige bovenwereld vertoevende 
godheden, maar ook die bovenwereld zelve. Op dezelfde wijze wordt 
deze aarde débata di tengah^ de onderwereld débata di teroeh ge- 
naamd. De débata di atas zou bevolkt zijn door menschen, die de 
maag in den hals, de débata di teroeh door menschen die de maag 
in de kuiten hebben. 

De mededeelingen omtrent die fabelachtige lieden dragen echter 
geheel het karakter van volkssprookjes, en staan waarschijnliik met 
de oorspronkelijke godenleer in geen verband. 

Yeel meer dan over deze Indisch getinte, polytheistische 
leer kan medegedeeld worden over de vereering der a^storvenen , 
vooral der voorouders , eene vereering die met ,het geheele bestaan 
der Bataks innig is saamgeweven en bij elke plechtigheid, bij elk 
bijgeloof, bij elke ramp of gewichtige gebeurtenis om den hoek 
komt kijken. 

Yan eenige zedelijke verheffing, van voorschriften omtrent een 
goeden en rechtvaardigen levenswandel, van waarschuwing tegen 



220 AAKTBIKENINGEN OMTRENT DE GODSDIENSTIGE BEG&IPPSN 

het kwade, ja zelfs van eenig onderscheid maken tnsschen goed en 
kwaad is ook bij dezen //Ahnendienst,// niets te bespeuren. 

üe grondslagen van het stelsel, wanneer men deze weinig inge- 
wikkelde begrippen een stelsel noemen wil^ zijn hoogst eenvoudig 
en van zeer cjnischen en plat prozaischen aard. 

In het kort komen zij op het volgende neer. 

De zielen der afgestorvenen blijven onder den algemeenen naam 
h^oe op deze aarde ronddwalen. Meest zijn zij onzichtbaar, doch 
het staat in hun vermogen in de menschen te varen, geheel dus 
volgens de spiritistische leer der mediums, terwijl zij zich ook wel 
een enkelen keer in dezelfde gedaante als hun vleeschelijk omhulsel 
eenmaal droeg aan de levenden vertoonen. Hoewel geesten, hebben 
de b^e's geenszins afstand gedaan van alle stoffelijke begeerten. 
Integendeel steeds hebben zij honger en dorst, en voorzien de 
achtergebleven bloedverwanten niet van tijd tot tijd door offers in 
hunne behoeften, dan wreken zij zich door de schuldigen met 
ziekten, kwalen en rampen te bezoeken. Slechts een flinke maaltijd 
kan hen verzoenen. Andere b^oe^s hebben het minder bepaald op 
hun nagelaten betrekkingen voorzien , maar vallen ieder aan die hen 
op eenige wijze, bijvoorbeeld door het betreden van hun gebied, 
beleedigt. 

Doch al kiezen zij andere slachtoffers , het doel waarnaar zij streven 
is hetzelfde, een ofier van eene geit, eene kip, rijst, pisang, sirih 
en vooral veel palmwijn. 

De Batak , die de geesten voldoende spijzigt, is van een godsdienstig 
standpunt beschouwd een braaf man. Moge hij verder een dief zijn , 
een moordenaar en een brandstichter, zoo zal hem dit wellicht de 
wereldsche gerechtigheid op den hals halen , doch de geesten laat 
het koud. Zij toch raadplegen slechts de belangen hunner magen. 
Zijn die gevuld, dan is alles pour Ie mieux dans Ie meilleur des 
mondes. Dat dergelijke godsdienstige begrippen op de moraliteit en 
het karakter van een volk slechts een nadeeligen, nimmer een 
heilzamen invloed vermogen uit te oefenen^ ligt voor de hand. Het 
zou dan ook moeielijk zijn nationale deugden der Karo-Bataks op 
te noemen oi men moest vroolijkheid en spraakzaamheid, zekere 
aan koppigheid grenzende volharding bij de verdediging hunner be- 
langen , en een uit onbekendheid met de waarde van den tijd voort- 
spruitend geduld als deugden beschouwen; daarentegen strekken 
hunne vele ondeugden dikwijls om elka^ te neutraliseeren , en is 
vooral hunne groote lafhartigheid een machtige drawback , die hen 



D£R KABO-BATAKS. 221 

menigmaal terughoudt van misdaden , welke zij anders zonder eenig 
gemoedsbezwaar zouden plegen. 

Hierboven heb ik de geesten der afgestorvenen bégoe genoemd. 
Tk gebruikte dat woord daar slechts in eene algemeene beteekenis. 

De Batak toch onderscheidt bij die geesten verschillende klassen , 
en slechts eene dier klassen , trouwens zooal niet de belangrijkste, 
dan toch verreweg de uitgebreidste , wordt door hem steeds als b<^goe 
vermeld. 

Men kan de geesten der afgestorvenen onderscheiden in : 

lo. Bitjara goeroe; 

20. Matei sadawari ; 

8». Toengkoeb; 

4o. Bégoe. 

Van anderen oorsprong en geaardheid zijn : 

10. De Hantoe; 

2o. de Omang; 

4o. de Orang boenian, 
welke drie klassen van geheimzinnige wezens ik in het vervolg 
zal behandelen. 

Onder bitjara goeroe verstaat de Karo-Batak de geesten van kin- 
deren die dood ter wereld kwamen (hetzij tijdig of onvoldragen) of 
die stierven vóór het tanden krijgen. 

Dr. Hagen noemt deze geesten Batara goeroe, neemt aan, dat zij 
homogeen zijn met den gelijknamigen God van het Bataksche 
polytheisme, en leidt daaruit tamelijk verreikende gevolgtrekkingen af. 

Ik voor mij heb in de Karolanden die kindergeesten steeds 
bitjara goeroe hooren noemen, en van eenig verband tusschen hen 
en den hemelgod wist niemand mij iets te vertellen. 

De stelling van den heer Hagen , gegrond op de waarschijnlijk 
toevallige gelijkluidendheid van twee namen, komt mij dan ook 
tamelijk gewaagd voor, te meer daar de oorsprong der uit- 
drukking bitjara goeroe niet ver te zoeken is. Wel is waar 
beteekent bitjara in het Bataksch meer speciaal adat, de uitspraken 
der adat, maar toch kan aan bitjara goeroe best eene zekere 
beteekenis worden toegekend, wanneer men in het oog houdt dat 
deze geesten , steeds sprekend , hunne uitspraken doen door den 
mond der goeroes (priesters). De naam verklaart zich dus van 
zelf, evenals dat het geval is met de uitdrukking matei sada- 
wari (in één dag en dus plotseling gestorvenen). 

Men moet evenwel niet meenen dat elk kind, dat in de boven- 
5e Volg. vn. 15 



2Zi AANTESItBNINOEN OHtftENT DlB dfbÓbblCENSTIGE BEORIPPEI^ 

genoemde omstandigheden sterft , èdaróm later als biijkrd go'eVöê wordt 
vereerd. Of zalks al dan niet geschiedt, zbl grobteiidëèls dsLiarvaii 
afhèingën óf de fi&n!iilieleden van het schepseltje in de eerslié tijden 
na het sterfgeval door zielten worden geplaagd^ en zob ja^ of er 
dan een goeroe in de buurt is, handig genoeg om zich de omstan- 
digheden ten nutte te maken. 

m 1 

Bdvdlt eene Batak-vrouw van eeh d'óöd kind, da^ wel sterft eën 
zuigeling v66r het tanden krijgen , dan wordt het lijkje meestal dés 
nachts en steeds oiider de wonióg der ouderó begraven: éene 
gewoonte die oorspronkelijk wel haren grond z41 hebben gevonden 
in de vrees voor het stelen der lijkjes, waarvan de beétarld(ïeélen voor 
het bereiden van toovermiddelen bizondere waarde hébben. 

Voelen nu in den eerstvolgenden tijd na de begrafenis de ouders 
of bloedverwanten van het kindje zidh èrnstijg ongesteld, dan Wordt 
de hulp eener vrouwelijke goeroe ingeroepen, die tiiétï onder aan- 
bieding van sirih vraagt aan welke oorzaak de ziekte is toe te 
schrijven. 

Yeelal Iaat zich dah in dè keel van de goeroe een geheimzinnig 
gefluit hooren, waarop zij verklaart dat de ziekte geweten moet 
worden aan de b^oe van het gesiorven kind, welke b^goe tevreden 
dient gesteld te worden en anders verder onheil over de fabilie 
zal brengen. 

Door haar werkdadig optreden is die bégoe nü zeer in de achting 
van de beangstigde verwanten gerezen, en heeft zich het recht ver- 
worven voortaan als bitjara goeroe te worden vereerd. 

Daartoe is het in de eerste plaats noodig voor de ontevreden 
ziel eene passende woonplaats in gereedheid te btengen. 

In de nabijheid der woning, nieest op eenigen afstand daarvódr, 
wordt eene plek gronds schoon gemaakt, wiltairna enkele oj^gegraven 
beenderen van het lijkje of ook wel eenvoudig eenige aarde van 
het oorspronkelijke graf derwaarts worden ovei'gebracht. Het niétiwe 
grafje wordt beplant met pisangs en met siergewassen en veelal mét 
eene bamboezen pagger omringd , terwijl er een ofier wordt gebracht 
van een ei, fijngestampte rijst, boemboeën. Daarmee is de ingan 
(plaats) bitjara goeroe gereed. 

Aan de goeroe worden als belooning eene .kip, eene tikar en 
pisang vereerd , soms ook wel een dollar. 

Yan dien dag af is de bitjara goeroe, de ziel van het kind, tot 
beschermgeest geworden, en wordt nu geacht verder de familie in 
hare nooden bij te staan. 



Tntasschen is die behandeling die de bitjara goeroe ondervindt 
geheel afhankelijk van de diensten die zij bewijst. 

Gedraagt zij zich goed, dat is te zeggen, gaat het de familie 
naar den vleesche, dan weet deze dankbaar te zijn, de ingan 
bitjara goeroe wordt onderhouden , en bij het nattigen van lek- 
kernijen zonderen de bloedverwanten nu en dan wat voor den 
beachermgeest af, en leggen dat op zij (tjibal ijibalSan) welke stukjes , 
na afloop van het maal worden weggegooid 

Heeft de familie bizondere redenen tot tevredenheid en ziet zij 
haren welstand vermeerderen , dan gaat men verder en wordt er eens 
in bet jaar tér eere van den bitjani goeroe een min of meer schit- 
terend feest gegeven. Op den bepaalden dag verzamelen zich al de 
bloed verwai3ften en openen het feest met in processie naar de rivier 
te gaan en daar met het sap van limau's en van gewijde kruiden 
hunne haren te wasschen (erpangger pangger) , eene plechtigheid , die 
bij de meeste Bataksche feesten op het programma staat. Vervolgens 
nemen allen deel aan een gemeenschappelijken maaltijd. STaar het 
glanspunt van het feest is het zingen der vrouwelijke goeroe , in 
wier lichaam de 'bitjara goeroe bij deze gelegenheid geacht wordt 
te varen. Het is dan ook niet de goeroe die zingt, het is de geest 
des afgestorvenen die door haren mond zijne klachten en wenschen 
uity en dat dikwijls in zoo aandoenlijke tonen dat de toehoorders, 
vooral die van h«t zwakke geslacht, zich door hunne gevoelens over- 
meesterd zien en in een erbarmelijk gesnik en gehuil losbarsten. 

üe bitjara goeroe trekt het fiaeeste voordeel van die gevoelvolle 
uitingen zijner bloedverwanten om met verschillende verzoeken voor 
den dag te komen , van wier inwilliging natuurlijk slechts de goeroe 
eenig voordeel heeft. 

Soms ook vraagt de beschermgeest om kain (kleedjes), die dan 
gedurende de verdere séance door de goeroe worden gedragen, en 
na afloop van het feest tot een volgend jaar ter zijde worden gelegd. 

Blijkt daarentegen de bitjara goeroe lui en nutteloos, en loopt 
het de familie tegen, dan wordt er verder geen notitie van haar 
genomen en laat men hare woonplaats meer en meer vervallen, 
uitgezonderd wanneer bij eenig nieuw zieKtegeval de goeroe die 
ongesteldheid op rekcTiing van den gekrenkten beschermgeest stelt, 
wat dan eene verzoening met den bitjara goeroe noodig maakt. 

Naast dezen bitjara goeroe zijn de matei sadawari de machtigste 
bescherrageesten. Onder matei sadawari verstaat men de geesten tan 
hen die in één dag, en dus een plotseiingen dood, zijn gfestorveu. 



2^4 AAKTEEKENINGEN' OlfTRENT DS GODSDIENSTIGE REGHIPPEN 

Is iemand in den krijg gesneuveld, is hij vermoord, is hij een 
tijger ten prooi geworden of heeft hij zichzelf om het leven gebracht, 
zoo heeft zijn geest kans als matei sadawari te worden vereerd. 
Maar het is een absoluut vereischte dat de dood een plotselinge 
zij en voor de ziei van iemand die bijvoorbeeld, na in een gevecht 
verwond te zijn, eenige dagen later aan zijne wonden bezwijkt, is 
alle uitzicht ontnomen op een meer verheven rang dan die van 
gewone b^oe. 

Van de matei sadawari kan over het algemeen hetzelfde worden 
gezegd als van de bitjaia goeroe. Ook zij worden zelden of nooit 
vereerd , wanneer niet eenigen tijd na hunnen dood de gezondheids- 
toestand hunner bloedverwanten te wenschen overlaat. Hun ingan 
wordt op dezelfde wijze in orde gebracht als die der bitjara goeroe, 
en hunne vereering is van dezelfde voorwaarden afhankelijk en 
heeft op dezelfde wijze plaats. 

Beide soorten van geesten eten geen varkensvleesch , dat hun dus 
ook niet als oSer kan worden aangeboden. 

Een enkele persoon wist mij te vertellen dat deze beide cat^oriën 
van geesten volgens de Bataksche begrippen direkt in den hemel 
bij Batara Goeroe worden opgenomen, doch ten eerste is dit ver- 
haal blijkbaar in strijd met het bovenstaande en t-en tweede was 
de verteller, hoewel van zeer nabij met de Bataks bekend, een 
Maleier. Ik geloof dan ook zeer stellig niet dat dit bericht een 
beeld geeft van de algemeene opvatting der Karo-Bataks, die 
integendeel van een hemel in den geest van den christelijken 
geenerlei voorstelling hebben en wier begrippen van een leven hier 
namaals steeds met deze aarde blijven verbonden. Intusschen is het 
niet onmogelijk dat onder den invloed van den Islam hier en daar 
eenige verwarde denkbeelden ingang hebben gevonden omtrent een 
toekomstig leven in een daartoe bestemd paradijs. 

Bij de bitjara goeroe en de matei sadawari sluiten zich aan de 
toengkoeb. Dit zijn de geesten van vrouwen die gedurende geheel 
haar leven haren maagdelijken staat wisten te bewaren , een helden- 
feit waaraan inderdaad voor eene in geslachtelijke vrijheid opgewassen 
Bataksche jonkvrouw heel wat verbonden is. Het kan dan ook geene 
verwondering baren dat de ingan toengkoeb slechts weinige zijn. 
Ook deze heilige plaatsen worden met siergewassen beplant, terwijl 
er nu en dan ofiers worden gebracht, en de toengkoeb beschouwd 
worden als volkomen bij machte hare achtergelaten betrekkingen 
een aangenaam en voorspoedig bestaan te verzekeren. Over het 



DEB KABO-BATAKS. 225 

algemeen komt het mij voor dat de toengkooeb , waarschijnlijk als 
groote zeldzaamheden , langer en algemeener in aandenken blijven 
dan de bitjara goeroe en matei sadawari, die bijna altijd na den 
dood hunner naaste bloedverwanten verwaarloosd worden en spoedig 
geheel vergeten zijn. 

Een i^an toengkoeb vindt men o. a. nabij de kampoeng Tiga 
Lingga in het Delische landschap Sepoeloeh doewa kola. 

De ingan bitjara goeroe van hoofden zijn dikwijls nabij de bad- 
plaats der koeta gelegen. 

Ghtan de bewoners van het dorp ten oorlog , dan versieren zij zich 
met daar geplakte bloemen en bladeren, die, naar zij meenen, hen 
tegen vijandelijke kogels zullen beschermen. 

De bitjara goeroe, matei sadawari en toengkoeb hebben dit ge- 
meen^ en hierin ligt tevens hun voornaamste onderscheid van de 
gewone bégoe, dat zij veelal de menschen, speciaal hunne bloed- 
verwanten welgezind zijn, en op hun lot een gunstigen invoed 
plegen uit te oefenen , terwijl daarentegen de aanraking met andere 
geesten , afgezien van de vooral door vrouwen dikwijls zeer gewaardeerde 
weemoedige vreugde verbonden aan het houden van communicatie 
met dierbare afgestorvenen , den menschen niet dan schade en last 
veroorzaakt. 

Alle zielen van afgestorvenen, die niet onder de drie reeds behan- 
delde categoriën vallen, verkeereu in den staat van bégoe. Deze 
bëgoe zwerven, onzichtbaar voor het menschelijk oog, overal op de 
aarde rond. Daarbij blijft de schuld der boozen op hen rusten, 
zonder echter naar het schijnt op eenige andere wijze aan hen be- 
zocht te worden dan doordat zij meer moeten reizen en trekken, 
terwijl de braven een wat kalmer bestaan voeren en veelal ergens 
in het bosch of op de bergen een vast verblijf hebben (kramat). 
Zoo wonen op den Goenoeng Sibajak de zielen der beide zusters 
Siberoe Tandang Maria en Siberoe Tandang Karo^ dochters van 
den penawar (groote goeroe) Kandebata, die beide aan de pokken 
bezweken, en met haar de geesten van alle andere menschen die 
aan die ziekte ten ofler vielen. 

Alle bégoes kunnen om voedsel vragen, wat zij uitsluitend 
doen, door hem of haar tot wien zij hun verzoek willen richten 
eene ziekte op het lijf te jagen. Wien zij daarbij krijgen is hun 
tamelijk onverschillig. Hoewel minder absoluut dan de bitjara 
goeroe enz., geven zij de voorkeur aan hunne bloedverwanten, doch 
wanneer zij erg hongerig zijn , grijpen zij aan wie hen tegenkomt. 



22d AANTE£KENINOEN OMTRENT DE GODSDIENSTIGE BEGRIPPEK 

Beleedigingeii 9 bijvoorbeeld het kappen van hout op plaatsen waar 
zij hun gewooü verblijf hebben, vergeven zij evenmin als ie straks 
te behandelen hantoe, maar bezoeken den overtreder met kivralen 
tot hij hen door een groot offer weet te verzoenen. 

Dr Hagen deelt in zijn meergenoemd geschrüt ook omtrent de 
b^oe^s een en ander mede, doch beschouwt hen Uijkbaar aU een 
soort kobolden^ bosch- en beiggeesten, geenszins als de zielen van 
afgedtorveuen. Misschien , hoewel niet erg waarschijnlijk , wijken in 
dit opzicht de begrippen van Toba- en Timor-Bataks van die der 
Karo's af. Een overtuigend bewijs dat deze laatsten in de b^e's 
werkelijk de zielen hunner dooden zien, vindt men in het hit dat 
in de zoogenaamde moesoeh berengi telkens wéér de b%oe van 
een vermoorde om recht vraagt, of met wraak, met moord en 
brandstichting dreigt. Zooals bekend is, verstaat men onder moesoeh 
berengi (woordelijk vertaald: nachtelijke vijanden) of poelas, de op 
bamboe geschreven brieven, die door zich verongelijkt achtende 
Batakfl in of nabij de kampongs hunner tegenstanders en tegenwoordig 
helaas! ook dikwijls op de plantages der Europeesche oBdernemars 
worden opgehangen, en waarin zij gewoonlijk onder bedreigingen 
op wegneming hunner grieven aandringen. Gttldt het nu <eene zaak 
waarin een sedert overleden persoon oorspronkelijk partij was, zoo 
noemt de opsteller van den brief, meest een bloedverwant van den 
doode, zelden zijn eigen naam, maar laat het voorkomen alsof de 
poelas door den bégoe van den doode was geschreven. Zoo werd nog 
voor weinige maanden nabij eene koeta van het landschap Serba- 
njaman de volgende brandbrief opgehangen gevonden. 

^Eindah soerat koe tjanggoeng nina bégoena 8i Ikoet kataken 
ffii laang ioelihkenna Si fjantak djelmankoe doewa di laang ioelih 
//kenna koe soeloeh koe boenoeh djelma nina bëgoena Si Ikoet. «^ 

Dit beteekent, zooveel mogelijk woordelijk vertaald: 

ir Dezen brief hang ik op, zegt de b^oe van Si Ikoet, om. te 
ffZQgg&i dat, wanneer Si Lankat niet terug doet keeren mijne twee 
«^mensehen (bijv. Si Ikoets vrouw en kind), wanneer hij die niet 
//terug doet keeren , dan sticht ik brand en dood ik menschen , zegt 
/rde b^poe van Si Ikoet. // 

Intussohen schijnt toch in enkele bizondere gevallen het grond- 
denfkbeeld dat een bégoe de geest van een ikfgestcwvene is bij de Karo- 
Bataks verloren te zijn gegaan. Zoo weten zij veel te vertellen van 
den b^e Sidangbeila , ook b^oe Menggep of b^oe Lagaloemajaog 
genoemd, die in de kampongs woont, liefst in nieuwe huizen^ en 



DSK KABO-BATAKS. ^$^7 

d§Ar uu een3 in de denr, d»n we^r in het h^is of op het dak, ook 
wel aan de bron verblijf hondt. 

Behalve in het ^iek m^ken en d9en steryen der bewoners, waarbij 
hij het yoo^l op kr^amvrQüweu voorzien heeft, munt deze b^oe 
nog vooral uit in het verpfojren van den hniseliyken vrede. 

Het ia ^e vrees voor de^en kwaad^tardigen gee^t die den Karo- 
Bfktak verhiudert een nieaw huis te toetrekken alvoceQs .het door den 
gQeroe te h^l^ben laten on ttoo veren. Daartoe wordt door den wijzen 
man zeker ^(ooyermiddel b^^eid, toepoeng tawar genoemd. Schoteltjes 
met dit n^engsei worden aan de beide deuren op een sooii; bam- 
boezen stai^aardjes geplaatst. Elk die de woning betri^dt, doopt een 
vinger in de toepoeng tawar en bestipt z^qh daarmede voorhoofd , 
wangen en bprst. 

{Bij de vei^ri.ng van dezen bégoe Sidangbeila, die om zoo te 
ifiggen in elke kampoijig zijne kunsten verkoopt, en oopitrent wiens 
koii)3t niejna^d eeuige kennis schijn^ te hebben, is blijkbaar olke 
gqiachte aan de zieJ van een afgestorvene lai^ verloren gegaan. 
XAt^ssoh^p is hqt niet onmogelijk d^ het geloof a^n dezen plaag- 
geea^ dtP.Qi' de K^rp^s vfin een and^^en Batakstam is overgenomen. 
Alle bégpe^ , jiie inderdaad als de geesten van a^qstorvenen worden 
be^houwd, kmpnen door de gperoqs worden opgeroepen en door tus- 
sch^nkomat die^r mqdiums hunne wenschen kenbaar m^ken of horne 
groeten aan ^unne nog ond^r de levenden wapdeleQ4e betrekkingen 
ovcorbrengiep. Dit geschiedt echter alechts incideiite^l , eene ingan als 
die der bitjiara goeroe enz. ]woidt niat voor hen in orde gemakt, 
en van qene geregelde v.ereering is geen spiake. 

Eene uitzonderifig op dien regel wordt echter dikwijls gemaakt 
vopr de b^oe's van ,gropte hoofden en berpen^e goeroes. Op hunne 
g^yep WQrc|t algen^een geofferd en hun goede wil wordt gestoht van 
gjicoot n^t.te zijp. Zelfs de Maleische paardenhandielaars.die de hoog- 
vlakten bezoeken offeren op de graven der sibajaks van Kaban 
Djs^he en iBaix)e Djahe, eer^t, bij den aanvang hunner reis, sloohts 
^irih , .latqr wiipneer alles goed is a^]oopen, eene geit of witte kip. 

,In bijna alle eenigszins aanzienlijke koetas vindt men .dooden- 
huisjes (griten) waarin het dorpshoofd de beenderen of ten minste 
de schedels zijner voorvaderen bewaart. Bij de oprichting dezer griten 
verzuimt n^en nimmer de bégoe's op te roepen van de laatst gQ9tor- 
veuen onder hen, wier gebeente hier zijn laatste rustplaats zal vinden. 
Yerder wordt er echter meestal weinig notitie van genomen. 

Xh Karo-Bf^t^ks vereeren hunne voorouders nimmer in de gedaante 



2^8 A^KTBEKBNINOEK OMTRENT DE GODSDIENSTIGE BEGRIPPEN 

van steenen beelden , maar dat gebruik schijnt volgens dr. Hagen bij 
de Toba-Bataks algemeen te bestaan. 

Toch waag ik het hier de juistheid dezer laatste mededeeling 
eenigszins in twijfel te trekken. Dr. Hagen toch zegt o. a. : ^Diese 
steinenien Ahnenbilder heiszen pengoeloebalang.// 

Aan het woord pengoeloebalang hecht niet alleen de Karo-, maar 
ook de Toba-Batak^ zooals wij in het vervolg zien zullen, eene 
geheel andere beteekenis. Het is weliswaar een steenen beeld . maar 
de kracht die er in schuilt ontleeent het uitsluitend aan de tooverbrij 
hier en daar er in aangebracht, en die tooverbrij heeft met de 
voorvaderen van hem , voor wien de pengoeloebalang wordt ver- 
vaardigd, hoegenaamd niets uit te staan. 

Het is hier de plaats om een enkel woord te wijden aan een 
onderwerp , waarvan de behandeling eigenaardige moeilijkheden ople- 
vert , en dat vooral omdat het hier een Bataksch geloof of bijgeloof 
geldt, waarvan onder Europeanen ook geen enkel spoor wordt aan- 
getroffen en dat aan hun geestesleven ten eenenmale vreemd is. Ik 
bedoel het geloof aan de lendi (in het Tobasch dialect tondi), een 
Bataksch woord dat niet met juistheid te vertalen is, waarvan de 
beteekenis ligt tusschen onze begrippen: ziel en geleidegeest. 

Het woord ziel op zich zelf kan het Bataksche begrip niet met 
voldoende juistheid weergeven. Ten eerste beschouwen wij de ziel 
als haar verblijf houdende in het menschelijk lichaam, de tendi 
houdt zich daarbuiten op en van de plaats die zij naast, voor, 
achter^ boven of beneden ons inneemt^ hangt voor een groot deel 
onze welstand af. Verder hangt volgens Westersche begrippen de 
ziel allernauwst samen met het leven en het bewustzijn; men zegt 
bijv. een zielloos lichaam, wat dan beteekent een levenloos lichaam. 
Een Batak daarentegen kan zeer goed zijn tendi verliezen zonder 
daarom direct te sterven of zelfs krankzinnig te worden , al blijft dat 
verlies, vooral op den duur, toch eene ernstiefe en gevaarlijke zaak. 

Wanneer een Batak hevig schrikt van een tijger of eene slang, 
of hij bij het oversteken eener rivier bijna verdrinkt en daardoor 
in grooten angst geraakt, pleegt zijne tendi er van door te gaan. 
De gevolgen blijven niet uit, de man wordt ziek en slechts de 
goeroe kan raad schaffen. Is deze knap in zijn vak , dan heeft hij de 
oorzaak der ongesteldheid spoedig ontdekt. De tendi is op den loop , 
en gelukt het niet haar terug te lokken^ dan ziet het er voor den 
patiënt slecht uit. Men neemt daarom een gantang beras, een ei, 
eene ikan senangin, enz. en doet die in eene pernakan (gevlochten 



PKR KARO-BATAKS. 229 

rijstzakje). Dit plaatst men wéér in eene soempit (een dergelijk 
maar grooier zakje) samen met een zilveren kalkdoosje , een armband , 
een mes, enz. De soempit wordt toegebonden en bovenop legt 
men bladeren van elf bepaalde planten , alsmede merg van een 
pinang. Twee personen honden de soempit boven den zieke vast, 
terwijl de goeroe in een plechtig gezang de tendi verzoekt terng 
te komen. Geeft deze aan het verzoek gehoor, dan is dit kenbaar 
door een hevig trillen van de soempit. Komt daarent^en de tendi 
niet terug, dan volgt de dood van den lijder. 

Op de vraag of het al dan niet de tendi is die na den dood 
van eeuig persoon hégoe wordt, wist geen enkele Batak mij met 
volkomen zekerheid te antwoorden. De meesten meenden dat zulks 
wel het geval zou zijn. 

Volgens dr. Hagen zouden de Bataks gelooven in het bezit te 
zijn van drie tendis. Ook deze bewering moet uitsluitend berusten 
op de mededeelingen van Toba- en Timor-Bataks. Bij mijne onder- 
zoekingen vond ik geen enkelen Karo die op meer dan ééne tendi 
aanspraak maakte. 

Toch is er iets dat hier licht tot verwarring aanleiding zou 
kunnen geven. 

Elke Karo-Batak namelijk gaat door het leven vergezeld door 
twee onzichtbare beschermgeesten , die hij in gewone omstandigheden 
vrij wel verwaarloost en negeert, maar die hij in groote gevaren te 
hulp roept. Het zijn zijn kaka en zijn agi. Daaronder verstaat hij 
respectievelijk het vocht, waarvan de uitvloeiing zijne geboorte vooraf- 
ging en de nageboorte (poesat samadaura) die de bevalling besloot. 
Van die beide broertjes meent hij in geval van nood krachtige on- 
dersteuning te wachten te hebben en roept hen dan aan in de 
formule: /srMari kam kakankoe aginkoe si ras akoe toeboeh doebei 
#kakankoe erkoeta i poentja papan agin koe erkoeta teroeh karang;^ 
dat beteekent: /i'komt hier, mijn //oudere en mijn jongere broer, 
die samen met mij zijt geworden, //mijn oudere broer die woont op 
het uiteinde van de plank// (met deze plank wordt de zoogenaamde 
anak laoe bedoeld die in de Bataksche huizen van de eene deur naar 
de andere loopt en als een soort gootsteen dient) //mijn jongere 
broer die woont onder //het huis// (waar de nageboorte begraven wordt). 

Het zal niemand verwonderen dat de Batak er den hoogsten prijs 
op stelt met zijne tendi die, hoewel het beste deel van zijn ik uit- 
makende, geheel onafhankelijk is van wat wij den wil noemen, op 
een goeden voet te blijven. 



230 AANTEEKENINOBN OMXJUiNï DE QQDaOIlBXSTIGE BEGBIPPEN 

.tiebikkig bestak daartoe een eenvoodig ,eia kraohtig werkend n^idldel , 
namelijk het zioh aausohafiien van eene oepab (endi. Om te .weten te 
komen waaruit die oepah tendi i^oor elk bizoud^r iadividn dient 
te bestaan, wordt weder de hulp van een goeroe ingeroepen. Sgms 
doet deee de wetenschap 9p uit de lijnen in d^ band van den vrager, 
sioms beveelt hij het erpangger (wadschen der haren) aan en 
trekt dan zijne conclusie uit het vallen der gebruikte limau^ soms 
ook gaat h^j op nog andere wijze te werk. Als resultaat zijner 
onderzoekingen deelt hij na langer of korter tijd aan zijn cliënt 
mede welk voorwerp door diens teudi wordt yerlangd. Die yoor- 
werpep zijn van den meest verschillouden aard. Een mes, e^ne gong, 
een kleedje , een karbouw , enz. eaiz. worden dikwijls bij monde van 
den goeroe door den tendi geëischt. De betrokj^ien persopn /oat dan 
niet .v^oor hij genoeg dollars beeft verzameld om de b^eerige ziel 
tevreden te stellen. Het voorwerp wordt gekocht en zorgvuldig be- 
waard , 'terwijl de eigenaar zich hoogst gelukkig gevoelt in het 
bewustzijn dat zijne itendi, vol gebechtheiid iian de hem .tan ge- 
schenke gegeven oepah, nu aan elke verleiding ojn op den loop te 
gaan weerstand ^ w«ten te bieden. Yoor sommige personen is de 
oepah tendi van andereu aard , en bestaat uit eene kleine aanplaotïiug 
v<an pisang?, sierplanten, enz. enz.; uitjsrlijk geheel oveireenkomende 
met de ingan bitjaca goeroe , en evenals .deze min of meer goed on- 
derhouden naarmate v^n den voor- of ^tegenspoed die den betrokken 
persoon ten deel valt. Voon^l aan lieden die pp het punt staan ite 
trouwen wordt bet aanlagen van zulk .een tuintje doqr den goeroe 
nog al eens als een lievelingswensoh der ,tendi opgegeven. 

Wij ikunnen hiermee de zielen der ,a%estorjirenan voodoopig met 
rust laten om er straks bij de behandeling der pengoeloebalangs , enz. 
nog eens op terug te komen, en onze aandan^ht wijden aan de beschou- 
wing van wezens, wier natuur veel vagier en veel geheimzinniger 
is dan die door 4en dood van vleeschelijke menschen ontstane b^goe's. 

Wie en wat eigenlijk de hantoe's zijn^ wist geen Batak mij 
te vecklaren. Slechts een enkele goeroe kwam na lang aarzelen voor 
den dag met de meening dat zij wel gestorven b^e's konden wezen. 

Wel zoo waarschijnlijk dunkt mij de onderstelling dat men hier 
met .bepaalde natuurgeesjten te doen heeft, met de vertegenwoordigers 
van bergen en wouden, van beken en stroomen. Zeker is het dat 
de hantoes de bewoonde streken en de nabijheid der menschen 
vermijden en zich uitsluitend in de wildernis ophouden. Zoo lang 
men hen ongemoeid laat en hun terrein eerbiedigt^ zijn ^ij on- 



p£E KA&Ü-BATAJÜ9. 231 

gevaarlijk. Wee echter dep overmo^ige die het wastigt heu iu 
hunne schuilplaatsen te storen. Hun wraak is niet minder snel dan 
die der hégoe's, hoewel van eeuigszins anderen aaxd. Want terwijl 
de laatste inwendige ziekten tewe^brengen , zijn hantoes er op uit 
hnnne slachtoffers te misvormen, terwijl zij zich bij minder ernstige 
beleedigiogen ook wel wreken door het vero^zaken van slechte 
drooinen, waajrvoor de Bataks eene groote vrees koesteren. 

Hoewel zij gewoonlijk onzichtbaar zijn, staat het toch in hunne 
macht ffich dasverkiezende aan het menschelijk oog te vertoonen, en 
hebben dan ook enkele goeroes , meest vrouwen, het genoegen ge- 
smakt hen te aanschouwen. 

Zop is men tot de wetenschap geraakt dat onder de hantoes niet 
alleen beide geslachten zijn vertegenwoordigd , maar ook dierge^talt(9n 
niet zeldzaam zijp. De menschelijk gevormde hantoes zijn .in,eest 
gekleed in wit of rood. 

£ene geliefde verblijfplaats dpzer geesten is de berg Sampo^an 
Poetih bij Besoekoein, waar zij samen leven met de a^knatpnds te 
behandelen omangs. Een Batak, die daar bosch had geklapt en gcr 
brand, zag zijn nek 90 graden oipgcdjraaid ; eep ander kon zijn 
mond niet meer open^p tot hij een geit ;als zoiepoffer had gegeven. 

De hantoes van den Sa^ip^eran Poetih zijn van reusachtige ge- 
stalte en rijk aan karbouwen. De mannen dragen lange ^ witte 
baarden. Weldaden worden door de hantoes nimmer aan de men^ohen 
bewezen. 

Yan Sombaons en Soemangots, waarvan dr. Hagen uitvoerig 
verhaalt, heb in de £aro-landen nooit hoorjen spreken, en op.myne 
navraag idaaromtrent nimmer eenig uitsluitsel gekregen. .Daarentegen 
is het woord soemangot wel bekend bij vele Maleiers in Dieli en 
Serdang, die er eene beteekeuis aan hechten min of meer overeen- 
komende met die van het Bataksche tendi. 

Algemeen is onder de Karo-^Bataks het geloof aan de omapg , die 
door dr. Hagen ten onrechte verward worden met de orang boenian. 

De omang komen tamelijk wel overeen met onze ipiddepoei^wsche 
Kabouterman^netjes. Het zijn dwergen die huwen en, zich voortplanten 
eji meest bij of op de hergen wonen Hunne gestalte wijkt in zoover 
van die der menschen af dat zij hunne voeten verkeerd dragen. Hun 
karakter vertoont eene sterke mengelipg van goed en kwaad. Zij zien 
niet gaarne 4at men, hun gebied betredende, verzuimt een behoorlijk 
offer te brengen. Wie bijvoorbeeld den goenoeng Sibajak beklimt > 
doet wel eesxe witte kip te ofieren , anders kan hij er :qeker van ^ijn 



232 AANTSfilUNINGEN OMT&KNT D£ GODSDUBNBXiaE BBOUPPSN 

dat de daar zeer talrijke omangs hem van boven af met steenen 
zullen bombardeeren. 

De Bataks , die voor den eersten keer op eene reis van of naar 
het plateaa de passen doortrekken, plegen, op het hoogst punt 
gekomen , een weinig sirih te kauwen samen met wat aarde of een 
opgeraapt blad en zich met die brij het gelaat te besmeeren. Even- 
min als dr. Hagen vermocht ik er achter te komen wat deze ceremonie 
eigen tlijk te beduiden heeft. 

De omang zijn zeer diefachtig en ontvoeren gaarne menschen, 
waarbij de mannelijke omang het vooral op aardige meisjes en de 
vrouwelijke het meer op knappe jongens hebben voorzien. De zoo 
geschaakte personen worden dikwijls jaren lang in gevangenschap 
gehouden. 

Eene eigenaardige illustratie van deze eigenschap der omang 
geeft de volgende legende. 

Perasi, een der voorvaderen van het tegenwoordige hoofd der 
kampong Penoengkiran in de doesoen van Soekapiring^ had eene 
beeldschoone dochter die de begeerte opwekte van den vorst der 
omangs te Oeroek Bintang Maria. Deze begreep evenwei dat de 
vader der jonge maagd haar niet zoo licht aan een omang zou afstaan, 
en hij dus door list zijn doel kon bereiken. Daarom trok hij naar 
Penoengkiran en sloeg aan het hoofd een bondgenootschap voor. 

Perasi zou hem het meisje ten huwelijk geven , maar daarentegen 
zou de omangvorst niets meer of minder bewerken dan dat de 
sultan van Deli Perasi als zijn heer en meester zou erkennen, 
waartoe hij de Soengei Deli in de Soengei Seroewai zou leiden, en 
niet in hare oude bedding terug zou laten keeren v66r de Sultan 
zich aan Perasi had onderworpen. Mocht de Sultan boos worden eu 
met een leger naar boven trekken, dan zouden alle giftige dieren en 
giftige planten op dat leger worden losgelaten. 

Ëene zevendaagsohe duisternis, gedurende welke de omangvorst 
zijne toebereidselen zou maken, zou de uitvoering van het contract 
voora^aan. Perasi was hoogelijk met dit plan ingenomen en be- 
loofde het meisje aan zijn bondgenoot te zullen afstaan. Terstond 
viel nu de duisternis in die men met recht eene pikzwarte kon 
noemen. Toen het nu echter vijf etmalen zoo donker bleef en men 
geen hand voor de oogen kon zien, werd Perasi bang eu nam zijn 
toevlucht tot geweerschoten en bekkenslag om het licht te doen 
terugkeeren. Dit gelukte ook, maar helaas te laat. De listige omang 
had van den langen nacht gebruik gemaakt om de maagd te rooven« 



BCH KAltO-BATAItS. 23S 

terwijl hrj de Delirivier in hare bedding had gelaten. De jonkvrouw 
was verdwenen en nooit werd weder iets meer van haar gehoord. 

Tot op den hnidigen dag durven de meisjes uit het geslacht van 
Perasi, voor zoover zij er goed uitzien en wat blank zijn, niet meer 
langs den Oeroek Bintang Maria gaan zonder zich eerst zwart te 
hebben gemaakt. 

De omang wonen gaarne in steenen huizen. Eene zoodanige roemah 
omang is de uitgeholde rots, waarvan dr. Hagen teekeningen en eene 
beschrijving geeft en die ook dojr mij werd bezocht. De inlichtingen, 
aan dr. Hagen omtrent dat gedenkteeken verstrekt, zijn niet geheel juist. 

Eene bepaalde nis vindt men daar binnen slechts rechts van den 
ingang, volgens de Bataks was dat de slaapplaats van den vorst 
der omangs. Aan den achterwand vindt men ook eene dergelijke uit- 
holling^ doch die slechts enkele duimen diep is. Onder het gewelf 
loopt langs den geheelen binnenkant een soort richel. Aan den 
ingang zijn uitwendig nog zeer merkbare teekenen van versieringen 
aan de oppervlakte van het rotsblok vindt men eene ongeveer vier 
voet hooge menschenfiguur zeer ruw uitgehouwen. Het geheel is zeer 
merkwaardig, een dier raadselen die ons door lang vervlogen eeuwen 
worden opgegeven. 

Ook aan dezen steen en de omangs, die gezegd worden er een- 
maal te hebben gehuisd, is eene legende verbonden. 

Lang geleden ging een Batak van het naburige Soerian Tani 
vissclien in de Laoe (Soengei) Petani. Aan de rivier vond hij in 
twee uithollingen in den oever een gantang beras en een gantang 
djagoeng, 

Hij nam ze meé naar huis, en zie, den volgenden morgen was 
de rijst goud geworden en de maïs zilver. Toen dacht hij ver- 
heugd: als men in dien stroom zulke visschen vangt, zal ik er eiken 
dag maar gaan hengelen. En hij trok er weer heen. Op de plaats 
waar hij den vorigen dag zijne vondst had gedaan, ontmoette hij 
nu een omang. Begrijpende dat hij aan dezen het goud en het zilver 
had te danken, riep hij ook voor het vervolg zijne gunsten in. De 
omang antwoordde hem zeer welwillend; hij beloofde voor den 
Batak eene ladang te zullen aanleggen nabij het omanghuis, mits de 
begunstigde er t^en niemand van repte en nooit anders dan alleen 
de ladang naderde. De Batak beloofde dit en de omang ging aan 
het werk. 

Toen echter de padi rijp was, werd de vrouw van den Batak 
nieuwsgierig en verlangde de mooie ladang te zien die haar man 



234 AAÏVTEEKENINOEN OAtEElfT I>% G01>bbtKKSTI6E BEORIPPE^ 

bèirèértlë tö berittfeff, maar waarvan zij' nooit iete ftad bespeurt. Zij 
smeekte hafefh echtgeüoót haar ééns meê té nemen, maar deze 
#eigérte h^rdtaekkig. Nn verzon zij eene list eti toen haar man weer 
naat* d^ lafdatig wilde gaan, naaide zij zéker pbeder in zijne kleederen , 
Welk Jjoeder dooi* eetie kleine openitilg esen' uitweg kon vinden. Langs 
het dus verkregen spoor volgde zij haren echtgenoot en bereikte 
dfe Jadang. Dte ofmiwi^ echter was verwoed over hai^ verschijning; 
hij' bèschötiwdfe dèardóor het contraét bIs trerbï'oken én verliet ter- 
e/ftond met; z^ne geheelé falnüie de ladatig en zijne steenen vroning 
om èf nimm-éf Wöêf té kéeren. 

Wttt dé Oratig bbeni&ti betreft, deze zgn vóór hcÜ^uiterlfjke 
gé^^rtHitfe itaéttsfchen, Ut iütüöscben het vermogen bezitten niet alleen 
siich ielven , maar ook hunne hniseen , hunne ladangs eti tuinen 
onzichtbatar te maken. Zij Worten meest hoog op de bérg^en , en er is 
iil A\6 omtrent heü in omloop zijnde vei'halên iets Waarin men 
tóttïeiding zott kütfnen vinden tot de ve^ndefsteJling dat men hier 
nriet geheel met pïoducté& dei^ Bataksche fantasie heeft te doen , 
ma^f dat wellicht in de hóög^e en minst genaakbare bergstréken 
èrtkëlfe tondzwervendè B&taks woVAen of Werden aangetroffen , die om 
de eene of andere misschien zeer geldige reden , httnne stamgenooten 
zooveel mogelijk vermijdende, zich dientengevolge langsiamerhand 
met een nimbois van geheimssinnigheid omgeven zagen, en zoo 
aaJnleiding gavén tot de legende der Orang boenian. 

Wat voorïtl aan de^ me^ening grond geeft, is dat de Bataks, 
^Hid^éÉt) zoo geneigd allés té overdrijven , de orang boeniin steeds 
bepaald als menschen voorstellen , en hen , behalve de macht zich 
oifziéhtfoadir té md:ken. geenerlei bovennatuurlijke eigenschappen 
töfekennen. Algemeen Wctfdt zelfs door hen beweerd dat de orang 
boéniah V^roegei* in betrekkelijk tédr^ke groepen naar de knstplaatsen 
plsichten té trekken öto daar zout te koopen. 

N^ geëlöten handel trokken zij wéér nó;ar boven, doch in het 
gébeVgte ging elk spoor vah hen verloren. Later verminderde hun 
getal en in de laatste jaren werden zij op de gewone wt^en waar- 
langs het verkeer tdsschen de hoogvlakte en de kusftlanden wofdt 
öndef hoüdem , niét meer waargenomen. 

Dit Verhaal heeft zéker nietö buitensporige. Er is niets on- 
mogelijks of «elfe onwaartTchijnlijks in dat nu en dan voortvluchtige 
misdadigers of door machtige vijanden vervolgde bannelingen in 
hfet hooggebergte, dat door hunne ^mgenooten uit vrees voor 
'begoes, hantoes en omangs slechts noode betreden werd, en waar 



zij , mifó zich feooveél tóógelfjlt veirboVgeh hoticféhdë ééhè Bëïretkèlijlt 
volkomen veiBgftfeifl géiioten, eeiife écTrailjJlaaïs zochtefn, wèlte zij 
nog zekerder wYsten té maken dbor na eens hier da^ eens daiet'r 
hütirie Tddalfig^ a^in të lë'gge^. 

Géhéèl l)uïfceü kaïVrakftig itiet het verdere ittensJehdoth kondfeh 2?ij 
ech'tër ^iet l^liji^ën; eitkeTë tifialeii thoestéis zij n^^^ benden Vöör 
den irikoop vai^ zöiit én aiad'eré bèriooflIgdHéflfen. Eène èlikelë thaal 
^rièh Ti^n'ié wtiüM^éïl óf vëldèn bxMèU iïöbr ëéii ^ëtd^aaW^ 
zoeker van rotan of zwavel die later óf de ^afté riiët tneër kbfi 
tëi^è^vüden 6f hkjtr vëflètéüi ëti w'éêr in boöóh héi*éc1i'éipen vortd , en 
da* , a zijftè któpóïïg feraggëkeërd , ^ehieitóaiiitti'èe Vèrtilalën ó^difechtè. 

't Td litéfs ddn eëtië hypothëte , tnaar dië , dunki tnij , de l'ég^rtde 
d'éV bratfè bÖéniüfi ü^ ëénVoHaige <^ vefkltórt. « 

ffiernótedè knnrien '^ij fle béhandélffig besluite* dë^ böVcfirttóttttlrïijke 
wétens, aaü welke 'hel Vdlkfeg-elóof Aer KaVo-mtilcS eeri péi^oni^k 
efi :^ëlfst&ii'dl^ bestdiiïi toekent, ën die Mj besch(^wt th de 
bewerkers van een deel van zijn vooWpöféd en tin Hl «ijne 
vÉtiïpcti. 

Wanneer ziiraar 1'efed hetii tVeft of ee* lleihë tégeriijMSed htitï 
overkomt, ^tëedls is 'rfe éen of aiidere hê^e ót hahtoe daiartan de 
Bëlterkër, en is de ^eraAièöinJg vah dien geest zijn eer^ zofi^g. Ge- 
lukkig dat 7ij in den aard hunner eischén heel wbt b'ei^hëidener 
zijn dein in het ifitóntal, eh Het öfter van eënë kiji, iii zèër énkiélfe 
gevallen vata eene geit, al het koétbaatste is, wat zij vorderen. 
Gewoonlijk kórrit het slachloflfér ér af ftiet wat i^it , flfkwljb 1»t 
meel gestampt , w^t sirih , {Pisang , bloemen én vooral wal boetobèeën , 
der geesteh liévelin^sspijs. 

Schijnbaar vereert de Batek behiilve Öit ^èëstéhhieif Hóg t^ vAn 
sftoffelifjke vóbr^erpen; sfteënen rtiehschenfl^rën (pléngöëloebitti*rg), 
tóóvérstökken (töhgf ^1 penaloean , tönj^kat nfalêhut , pëH$ng 'èjMn) , 
pagar en amaletten van verschillenden aard (pfèndiMk^n , peh'da- 
|iattan). Maar drirt^^èn wg door tot op de$n gttmd dfer tè^efering, 
dan stuiten wij overal op de bég^'é, Öè zieleti dër ^Ig^storvetteli. 
In het Algemeen toch kaii meh neggen dal met uitzondering d^r 



1 In het Woordeni). van v. d. Tuuk leest men s. v. Smim s verborgen, 
béwaèrd) coerang boenQan, Men. Mal., zekere onzichi'barê gë^slén, die denMensch 
meestal iNsgiuistigen» (Mandailingsch dialect) Volgens v«u Hasselt <tfidden ^nastra 
Dl. IIX blz. 78) zijn b\j de Mena ngkabausche Maleiers de ho i mkm de geesten der 
m\}ne&. Hiermede stemt de mededeeling van v. d. Toorn overeen (Bijdragen Vde 
Reeks ï». V bh. iCftf). 



i36 AANTERKÏNINOBN OMTRENT bE GK)i:»SDIENSTiaE BEOIUPPE^ 

boven besproken oepah tendi en van sommige amuletten (pen- 
dapattan), geen van de fetischen der Karo-Bataks eenige macht 
bezit uit zich zelve, maar alle geacht moeten worden die slechts 
gekregen te hebben door de gedeeltelijke valling met eene tooverbrij 
(poepoek) waarvan zekere deelen van het roenschelijk lichaam, de 
oogen , de lippen , de neus , de geslachtsdeelen , enz. de voornaamste 
best<anddeelen zijn. Met die deelen wordt de begoe van hun voor- 
maligen eigenaar beschouwd in de pengoeloebalang, of in den toover- 
stok te zijn gevaren. 

Fengoeloebalang^s worden in de Karolanden zoowel op het plateau 
als in de Doesoen nog overal aangetroffen , in de Doesoen echter uit- 
sluitend bij oude kampongs. Ze zijn ruw uit steen gehouwen en 
vertoonen soms een menschenfiguur ^ meest echter slechts een hoofd. 
Het ondereinde loopt min of meer spits uit , zoodat het in den grond 
kan worden gestoken. Plaat ITI behoorende bij dr. Hagen's meer- 
genoemd geschrift geeft van verschillende dezer kunstelooze beelden 
eene duidelijke voorstelling. 

Pengoeloebalang's kunnen slechts door de goeroes worden vervaar- 
digd. Van oudsher schijnen inzonderheid de Timor- en Toba-Bataks 
in dit deel van het toovenaarsvak te hebben uitgemunt. Daaren- 
tegen leggen de goeroes der Karo-Bataks zich zelden op deze industrie 
toe, waarschijnlijk vooral omdat de zeden van dezen stam steeds 
zachter en menschelijker waren dan die zijner Oostelijke en Zuidelijke 
buren, en het verkrijgen van de lijken voor de vervaardiging der 
beelden benoodigd, daardoor met vele bezwaren gepaard gaat. 

En toch is zulk een lijk een absoluut vereischte voor het samen- 
stellen van de tooverbrij die het eenige werkzame bestanddeel van 
de pengoeloebalang uitmaakt en hier of daar in eene kleine daartoe 
geboorde en min of meer verborgen holte in het beeld wordt aan- 
gebracht. Soms ook bepaalt men zich er wel toe de pengoeloebalang 
met de poepoek et bestrijken. 

Eenvoudige lijkendiefstal kan over het algemeen aan het door de 
goeroes beoogde doel niet beantwoorden, daar slechts de licliamen 
van bitjara goeroe, matei sadawari en voor het samenstellen van 
andere fetischen ook wel van in het kraambed gestorven vrouwen 
eene geschikte grondstof voor hunne preparatiën opleveren. 

De lijken van in den strijd gevallen vijanden leveren nog het 
best bereikbaar materiaal, maar ook deze komen niet dagelijks voor, 
de overblijfselen van zuigelingen en kraamvrouwen worden door de 
achtergebleven betrekkingen steeds heimelijk en op veilige plaatsen 



1)EE KABO-BATAKS. 237 

ter aarde besteld, zoodat zij voor de aanslagen der goeroes zooveel 
mogelijk beveiligd zijn. Geen wonder dus dat deze er wel eens toe 
overgaan zich door een heimelijken moord het lichaam van een 
matei sadawari te verschaöen. Nog voor enkele jaren werd in de 
Soengei Seroewai nabij de kampong Teromboe een lijk gevonden 
ontdaan van al die deelen die voor den Batakschen toovenaar van 
waarde zijn. De algemeene opinie wees dan ook een in de nabijheid 
won enden goeroe als moordenaar aan, doch daar de zaak eerst na ge- 
mimen tijd ter oore van de justitie kwam, leverde een gehouden 
onderzoek geenerlei resultaten op. Ook bij een te Namoe Bahara ge- 
pleegden moord werd het lijk van het slachtoffer op dergelijke wijze 
verminkt gevonden (1890). Bij beide misdaden bestonden waar- 
schijnlijk andere hoofddrijfveren, doch de daders trokken tevens 
partij van de gelegenheid om de materialen voor het vervaardigen 
der zoo gewaardeerde too vermiddel en te verkrijgen. 

Men onderscheidt verschillende soorten van poepoek, als: poepoek 
toelbas , poepoek perminakan, poepoek penergang. Bij de bereiding der 
laatste komen geene lijken in het spel , doch heeft men vooral de versche 
asch en splinters noodig van een door den bliksem getroffen boom. 

Bij de Doesoenbevolking zijn de pengoeloebalang^s gedurende de 
laatste jaren met rassche schreden in aanzien gedaald, een natuurlijk 
gevolg van de toeneming van onzen invloed en van de daarmee 
gepaard gaande vermeerdering der veiligheid. Een pengoeloebalang 
toch dient in de eerste en voornaamste plaats als waarschuwing tegen 
oorlogsgevaar. Dreigt van buiten een nijdige vijand met krijg en 
overval , dan is het de plicht van een pengoeloebalang daarvan door 
nachtelijk geschreeuw, door slaan op eene gong, door kloppen op 
de karebangan (deur van de pagger die de kota omgeeft), enz. 
mededeeling te doen. 

Verder zijn zij eigenlijk nergens goed voor, hoewel hun hier en 
daar in sommige gevallen qffers worden gebracht, bijvoorbeeld 
wanneer de te veld staande oogst veel van de muizen te lijden 
heeft of de klappers door kevers worden opgevreten. 

Voor eene kóta, die niets van vijanden te vreezen heeft, bestaat 
dau ook weinig behoefte aan een pengoeloebalang, en zoo worden 
deze beelden tegenwoordig in de Doesoen bijna overal verwaarloosd, 
terwijl hun in de onafhankelijke landen nog veel eer wordt bewezen. 

Zij bevinden zich meest op eenigen afstand van het dorp in een 
boschje van sierplanten. Eens in het jaar of om de twee jaren wordt 
hun te eten gegeven en wel een roode hond of eene roode kip. Ook 

5« Volgr. Vn. 16 



id38 AANTEEKENINGEN OMTEENT DE GODSDIENSTIGE BEGRIPPEN 

in het geval van dreigenden oorlog brengt men hun offers om hen 
tot grootere oplettendheid te bewegen. 

Uit het bovenstaande blijkt dat de Karo-Bataks in de pengoeloe- 
balang's geenszins de vertegenwoordigers zien van de geesten hunner 
voorvaderen, maar uitsluitend de omhulsels van de poepoek, welke 
poepoek den geest of een deel van den geest bevat of gebonden 
houdt van dien enkelen afgestorvene, wiens lijk bij de vervaardiging 
der brij eene rol heeft gespeeld. (Deze opvatting is ook die van 
dr. G. A. Wilken; zie Het animisme bij de volken van den Indischen 
archipel^ bladz. 172, nootV 

//Den geest of een deel van den geest ^^ , zeg ik. 

Het verdient namelijk opgemerkt te worden dat met de uit één 
lijk vervaardigde poepoek aan tal van -pengoeloebalangs , tongkat 
malaekat, ' pagar perminakan^ enz. tooverkracht kan worden verleend. 
Of dit komt doordat de goeroes in het belang hunner broodwinning 
zoo nauw niet zien en dus deze kwestie steeds onaangeroerd hebben 
gelaten , of wel doordien de bégoe van den doode wordt beschouwd 
niet in een der voorwerpen zijn intrek te hebben genomen , maar de 
verspreide overblijfselen van zijn lichaam om beurten te bezoeken, 
ziedaar eene vraag waarop ik geen antwoord durf geven. 

Een dorp heeft dikwijls twee of meer dezer steenen figuren, die 
worden beschouwd als gemeenschappelijk eigendom van de koeta- 
bewoners, of ook wel van een deel daarvan, wanneer het dorp bijv. 
door meerdere naast elkaar staande hoofden wordt bestuurd. 

Veelvuldig komt het vóér dat een pengoeloebalang na den dood 
van den goeroe die haar vervaardigde wordt verwaarloosd en dat uit 
vrees. Wanneer namelijk hij , die tusschen de dorpsbevolking en den 
schutsgeest als middelaar optrad, niet meer onder de levenden is, 
waagt niemand het meer de verblijfplaats van den pengoeloebalang 
te betreden. Ik deed er persoonlijk de ondervinding van op. 

Op zekeren middag bracht ik van uit de kampong Namoe 
Bambei een bezoek aan de pengoeloebalang van het nabijgelegen Goe- 
noeng Berita. Deze pengoeloebalang werd reeds lang niet meer vereerd , 
zijn goeroe was gestorven en er had zich geen vervanger opgedaan. 

Intusschen stond het boschje dat de vervallen grootheid omgaf, 
nog altijd in een reuk van heiligheid. Men vreesde zoowel de niet 
meer vereerde pengoeloebalang als de bégoe van zijn' goeroe, die ver- 
ondersteld werd hier rond te zwerven. Niemand durfde met mij het 



* In het Tobasch-diakct heet dit voorwerp ioekkot wtaléhai. 



ÜEH Karo-bataks. 23Ö 

boschje binnendringen en de Bataks raadden ook mij af de geesten 
zoozeer te trotseeren. Ik liet mij natnurlijk niet weerhouden , kroop 
naar binnen en vond na lang zoeken het beeld dat intusschen in 
verscheidene stukken bleek gebroken. Maar de straf voor mijne ver- 
metelheid bleef niet uit. Ik had namelijk mijn horloge te Namoe Bambei 
laten liggen , en toen ik daar nu in de d jam boer (het vreemdelingen- 
huis) terugkeerde, vond ik dat het uurwerk gedurende mijne afwe- 
zigheid stil was blijven staan , waarschijnlijk doordat een der aan- 
wezigen er aan had gepeuterd. Maar de brave Bataks vatten de 
zaak anders op. Hier was geene raenschenhand ^ neen^ hier waren 
de geesten in het spel geweest. Hen had ik beleedigd, verwaten 
was ik in hunne schuilplaats doorgedrongen en hun wrekende arm 
had mi] weten te vinden. In mijn horloge hadden zij mij getroffen. 

Het afleggen van eeden op de pengoeloebalang's is bij dè Karo- 
Bataks onbekend. 

Aan hetgeen ik reeds mededeelde omtrent de vervaardiging 
dezer beelden dien ik nog toe te voegen dat het plegen van zoo 
beestachtige wreedheden als het doodmart«len van jonge knapen , door 
dr. Hagen vermeld , bij de Karo-goeroes niet schijnt voor te komen. 
Het zijn overigens ook niet uitsluitend de pengoeloebalang's welke als 
waarschuwers bij oorlogsgevaar belangrijke diensten kunnen bewijzen. 

Zoo vervalt voor verscheidene koetas in Soekapiring een heilige 
rots , de Batoe Pikpik bij Boeloe Auer. dezelfde rol. De leende ver- 
haalt daaromtrent dat in vroeger tijd een groote goeroe van de marga 
Karo karo Kemit, Si ïUhani genaamd^ nabij de kampong Sajoem zoo- 
danig door een neervallenden boomtak werd getroffen , dat deze door 
zijn nek in zijn lichaam drong. Maar de goeroe droeg een bizonder 
soort amulet (bekom bekom) van geweldige kracht, en zag zich 
daardoor in staat nog een uur of vier naar boven te wandelen , tot 
aan den Batoe Pikpik. Hier echter ontdeed een onhandig vriend , 
begaan met zijn treurigen toestand en niet bekend met den aard 
van de bekom bekom, hem van het vrij zwaar schijnende amulet, 
wat tengevolge had dat de goeroe aanstonds den geest gaf. Sedert woont 
hij in den Batoe Pikpik en waarschuwt zoo noodig de omliggende 
koetas ^ waarvan de hoofden ook tot de marga Karo karo Kemit be- 
hooren, tegen naderend onheil. Hierbij is niet te vergeten dat de 
voornaamste der door hem beschermde dorpen Sala Boelan en Boeloe 
Auer steeds met elka&r over hoop liggen of liever lagen. Slechts 
als zij den Batoe Pikpik huldigen, vei^eten zij voor eenigen tijd 
hunne grieven en brengen samen hunne offers. 



240 AANTEEKENINQBN OMTKENT DE GODSDIENSTIGE BEGRIPPEN 

In dezelfde kampong Sala Boelan heeft men een ander heiligdom , 
een zoogenaaraden pagar laboelaboe. Uiterlijk ziet men niets dan 
een vrij kleinen steen omgeven door vier stukken hout. Daaronder 
schijnt echter iets geheimzinnigs begraven te zijn, iets van ijzer, 
maar iets bepaalds wist niemand mij te vertellen. 

Vóór de krijgers ten oorlog gaan , offeren zij daar sirih met het 
doel onkwetsbaar te worden. 

Deze pagar laboelaboe wordt nu en dan op eigenaardige wijze 
vereerd. Er wordt gedanst door zeven vrouwen, in eene waarvan de 
geest van de pagar laboelaboe vaart. Namens dien geest vraagt de 
opgewonden vrouw dan te eten en verorbert eene gansche kip, dat 
maal met vele teugen palm wijn besproeiende. Intusschen loopen 
hare zes volgelingen, ook min of meer bezeten, overal om en onder 
de huizen rond om kippeneieren te zoeken, die zij dadelijk opeten. 
Is het feest afgeloopen en komt de hoofdpersoon weer tot bezinning, 
dan is haar eerste werk om eten en drinken te vragen, wel een 
bewijs dat niet zij , maar wel de geest van de pagar laboelaboe 
kip en palmwijn verteerde. Dit heiligdom zal dan ook ongetwijfeld 
wel op dergelijke wijze als de pengoeloebalang's zijn vervaardigd 
en de een of andere bégoe tot schnilplaats dienen. 

Hierboven vermeldde ik ter loops reeds enkele andere voorwerpen , 
die met de godsdienstige beprippen der Karo-Bataks in nauw ver- 
band staan , en waaraan voor hen het denkbeeld van tooverkracht is 
verbonden. Ik noemde daar verschillende soorten van tooverstokken 
(tonggal penaloean, tongkat maléhat of malaékat, perang djalan), 
verder perminakan , pagar en pendapattan , waaraan ik nog als even- 
eens zeer bekend de ikal kan toevoegen. De tooverstokken bestaan 
steeds ten deele uit beeldwerk , min of meer ruw in het hout uit- 
gesneden, en allerlei figuren van menschen en dieren (paarden, 
honden , slangen , hagedissen, enz.) voorstellende. Rondom het boven- 
einde is soms een krans van lauweren aangebracht. Een vast model 
wordt bij de vervaardiging niet gevolgd , en zoo komen op verschil- 
lende stokken veelal ook verschillende figuren voor, die dienten- 
gevolge dcor de goeroes met min of meer van elkaèr afwijkende 
verhalen worden toegelicht. Het algemeen geldende beginsel dat 
slechts het innig verbinden van eenig voorwerp met de ziel van 
den een of anderen afgestorvene aan dat voorwerp zijne tooverwijding 
geeft, is ook voor de tooverstokken van kracht. Soms, wij zullen 
het zien bij het verhaal van den tonggal penaloean van Goeroe 
Beleilei, is voor het tot stand brengen van dat verband geenerlei 



DER KARO-BATAKS. 241 

kunstbewerkiiig noodig , maar in verreweg de meeste gevallen is het 
hier ook weer de kostbare poepoek die de geheimzinnige staven hunne 
macht geeft. Die poepoek wordt of ergens in eene kleine holte aan- 
gebracht , of het beeldwerk wordt er meê bestreken. De tooverstaven 
worden bij allerlei godsdienstige plechtigheden gebruikt, doch vooral 
bij het uitbannen en verdrijven van nijdige begoe's en andere geesten . 

Als voorbeeld knnnen hier de formaliteiten strekken, gebruikelijk 
om het gevreesde toovermiddel van het penoeroêni tegen te gaan. 

Wil namelijk iemand de bewoners eener koeta kwaad, of heeft 
hij er belang bij twist onder hen te stoken , zoo laat hij door 
een knappen goeroe een toovermiddel maken, waarvan de kop en 
hals van een rooden haan , of van een hond , omwikkeld met 
brandnetels het hoofdbestanddeel uitmaken, en laat het door dien 
goeroe des nachts heimelijk in de karebangan (paggerdeur) der koeta 
begraven. Heeft men eene veete tegen een bizonder persoon, dan wordt 
het onheilbrengend preparaat onder de trap zijner woning begraven. 

Bestaat er vermoeden dat zulke kwade kunsten in eenig dorp in 
practijk zijn gebracht , dan wordt een goeroe geroepen om de orde te 
brengen. De man brengt zijne tongkat malaékat mede. In het holle van 
den nacht gaat hij dan daarmee rond en legt beurtelings vóór elke 
tangga (trap van een huis) alsmede in de karebangan een ei neer met wat 
fijngestampte beras. Nu is het de kunst dit ei onder het aanroepen 
der d^ata in drie stooten te verpletteren. Lukt dit niet, dan wordt 
het nog eens beproefd , nadat de tongkat met sirih is ingesmeerd. 
Heeft ook dan de stoot nog geen resultaat, dan ziet het er voor 
de bewoners van het huis slecht uit. Telkens wanneer een ei ver- 
brijzeld is, worden de overblijfsels verbrand en wordt er een 
geweerschot gelost. Na afloop der plechtigheid slacht men honden 
en kippen en richt daarvan een maaltijd aan. 

In die koetas, welke met hare buren in geene goede verstand- 
houding leven, wordt veelal bij wijze van voorzorgsmaatregel eens in 
het jaar tot de plechtigheid van het ngoelak overgegaan. 

Het onderscheid tusschen de tonggal penaloean en de tongkat 
mala^at ligt daarin dat de eerste in haar geheel uit één stuk hout 
is gesneden , terwijl de tweede slechts kort is en aan een langeren 
stok bevestigd wordt. De perang djalan is ook kort , maar wordt ook 
zonder verlengstuk gebruikt. De ondereinden der tooverstokken zijn 
bijna altijd spits, waardoor men ze gemakkelijk in den grond kan 
planten. Dat zij als //Kriegspaniere// zouden worden gebruikt komt 
mij zeer onwaarschijnlijk voor. Wel gebruikt men in den oorlog 



242 AANTEEKENINGEN OMTRENT DE GODSDIENSTIGE BEOBIFFEN 

tot afwering der kogels een soort vlaggen (pandji); bamboezen stokken 
met een lap witte of roode stof^ waarop eenige Bataksche letter- 
teekens zijn aangebracht. 

Zooals ook Dr. Hagen vermeldt^ beweren de goeroes dat de stem 
der aan den tooverstok verbonden begoe zich soms duidelijk in dat 
voorwerp laat hooren. Hetzelfde geldt trouwens evenzeer van de 
pengoeloebalang en perminakan. 

Deze laatste bestaan meest uit potjes van aardewerk , waarin 
zich poepoek bevindt en die gesloten worden door houten stoppen, 
waarin weder allerlei figuren zijn uitgesneden. Veelal springt het 
beeld van een paard het meest in het oog, doch ook menschen- 
figuren ontbreken niet, soms van mannen en vrouwen die bezig 
zijn den coïtus uit te oefenen. Deze laatste beeldjes zijn wel de meest 
toepasselijke, want de perminakan dient vooral om den eigenaar de 
gunsten van het schoone geslacht te verzekeren. Echter kan de 
daarin aanwezige poepoek, waarvan de overblijfselen eener in het 
kraambed gestorven vrouw het hoofdbestanddeel behooren uit te 
maken ^ ook voor andere doeleinden worden gebezigd, bijvoorbeeld 
als geneesmiddel tegen sommige vergiften. Evenals aan de pengoe- 
loebalang en tooverstoklfen worden nu en dan ook aan de permina- 
kan overigens vrij onbeteekenende oSers gebracht. 

Vrij geregeld van voedsel voorzien worden ook de pagar, bij 
wier samenstelling eveneens de onvermijdelijke poepoek hare dien- 
sten bewijst. Het daarmee bereide mengsel wordt in een bamboezen 
kokertje, of meestal in een aarden kopje bewaard^ en ergens aan 
den wand van het huis opgehangen. De pagar beschermt tegen allerlei 
kwade practijken en tooverkunsten als het penoeroeni, enz. en even- 
eens tegen vergiften. Heeft de eigenaar vermoeden dat een heime- 
lijke vijand hem eene poets wilde spelen, dan wordt een weinig van 
de pagar in water opgelost, en worden de spijzen met dat smake- 
lijke sausje overgoten. 

Het voedsel , waarop men de pagar gewoonlijk eens in de drie of 
vier maanden onthaalt, bestaat uit een deel van de ingewanden 
eener kip, vermengd met Spaansche peper en kruiden. Lieden die 
op reis gaan naar streken, welke als rijk aan giftmengers bekend 
staan, nemen zoo mogelijk wat pagar als voorbehoedmiddel mee. 

Bij de pendapattan krijgen wij met eigentlijke amuletten te doen. 
Onder deze benamiTig verstaat de Batak zekere voorwerpen als 
steentjes, stukjes rotan, vruchten, enz., die hetzij om hun voor- 
komen, hetzij om de eigenaardige omstandigheden waaronder zij 



DER KARO-BATAKS. £43 

worden gevonden, zijn oog en zijne verbeelding op bizondere wijze 
treffen. Bij voorbeeld, een vader heeft zijn kind begraven en natuurlijk 
het graf goed schoon gemaakt. Den volgenden dag bezoekt hij de 
plaats en vindt op het graf een steentje of zoo iets liggen , waarvan 
hij niet begrijpt hoe het er is gekomen. Dit maakt een sterken indrak 
op hem , hij gelooft hier met eene pendapattan te doen te hebben , 
neemt het steentje mee en toont het aan een goeroe, die verklaart 
of de man al dan niet juiet heeft geoordeeld. Ts dit wèl geval, dan 
wordt de pendapattan door den vinder met de uiterste zorg bewaard 
en als een krachtige talisman beschouwd. Men mag echter niet ver- 
zuimen het voorwerp op gezette tijden met limoensap te wasschen 
(oeras). 

Ikal eindelijk zijn armbanden, vervaardigd uit de lippen van ver- 
slagen vijanden die gedroogd en met draad omwonden worden. Zij 
maken den eigenaar moedig in den strrjd , en verzekeren hem , in geval 
hij gewond mocht worden , een oogenblikkelijken dood , \« aardoor hij 
in de geestenwereld recht krijgt op den rang van matei sadawari. 

In dit opstel heb ik herhaaldelijk over de goeroes gesproken. Men 
moet echter niet meenen dat deze priester- toovenaars veel van het 
aanzien en den invloed bezitten die de priesterstand zich in christelijke 
en Mohammedaansche landen heeft weten te verwerven. Wat daaraan 
in de eerste plaats in den weg staat is, dat dezen geneesheeren 
alle kastengeest ontbreekt en ze elka&r niet als bondgenooten maar 
uitsluitend als concurrenten beschouwen. Minder wegens de finan- 
cieële zijde der kwestie dan wel uit eerzucht zijn zij in de hoogste 
mate naijverig op elka^rs kunde en clientèle. Yan onderdeden hunner 
wetenschap willen ze tegen behoorlijke vergoeding dikwijls den een 
en ander wel op de hoogte brengen , doch de fijnheden hunner kunst 
zorgen zij zooveel mogelijk in de eigen familie te bewaren , zoodat 
bij den dood van een goeroe meestal een zijner zonen of een andere 
door den overledene zorgvuldig onderrichte bloedverwant in zijne 
functies treedt. 

Ontbreekt dus alle esprit de corps bij de groote mannelijke goeroes , 
deze waarheid geldt eveneens voor hunne vrouwelijke vakgenooten , 
die als goeroe sibaso bekend zijn , en wier kracht vooral ligt in het 
oproepen van bégoe^s en het optreden als mediums tusschen deze 
en de levenden. Hare verdiensten zijn meestal uiterst bescheiden en 
zelfs in verhouding tot de moeite die zij zich moeten geven met 
zingen, schreeuwen, dansen en het zich eten van indigesties, uiterst 
laag te noemen. Ik zag dergelijke vrouwen heele bossen sirihbladeren 



244j AANTEEKBNINGEN omtrent de GODSDIENS'nOE BEGKIPPEN 

verslinden; Of zij voor zich zelven eerlijk overtuigd zijn onder den 
invloed der geesten te handelen, is eene vraag die ik niet waag te 
beantwoorden. 

De mannelijke goeroes leggen zich meer toe op het vervaardigen 
van genees- en toovermiddelen , van vergiften , enz.; bij belangrijke 
plechtigheden wordt hunne hulp ingeroepen, en in vele gevallen 
wordt hun raad op hoogen prijs gesteld. Zij weten de gevolgen 
van kwade droomen te voorkomen, zij kunnen de beste namen 
voor kinderen opgeven en hebben veel verstan^l van goede en 
slechte dagen , zoodat men niet licht tot eenige belangrijke han- 
deling zal overgaan zonder den goeroe het meest geschikte tijdstip 
te hebben doen aanwijzen. 

Hunne verdiensten zijn veel beter dan die hunner vrouwelijke 
collegas, en er gaat dikwijls een groote roep van hen uit, hetzij 
ten goede, hetzij ten kwade. Terwijl bijvoorbeeld de goeroe Beleilei 
algemeen werd geroemd, en van heinde en ver bij zware ziektege- 
vallen werd geroepen, overleed er dit jaar in het onder Tandjong 
Moeda ressorleerende Roemah Rih een goeroe die algemeen als gift- 
menger was gevreesd. Bij een bezoek , door mij aan die koeta ge- 
bracht, was het eerste werk mijner talrijke , uit andere streken af kom- 
stige Bataksche volgelingen dien goeroe hunne opwachting te maken 
en hem sirih aan te bieden , ten einde hem door die beleefdheid gunstig 
voor hen te stemmen. De man zat onder een afdakje en hield den 
heelen dag audiëntie. Hij was een vuile kerel, reeds grijs, lang 
van gestalte en met een buik; hij leed erg aan asthma en spoog 
voortdurend rondom zich , zoodat hij een tamelijk walgelijken indruk 
maakte. ïoen ik den volgenden dag verder trok , bleef een mijner 
lieden heimelijk achter om zich door den wijzen man gedurende 
eenige dagen les in de zwarte kunst te doen geven. 

De goeroe Beleilei was bezitter van een bizonder fraaien stok 
(tonggal penaloean) waarvan hij voor geen geld ter wereld afstand 
wilde doen, doch waaromtrent hij mij het volgende verhaal deed. 

De moeder van den hoofdpersoon dezer geschiedenis heette Siberoe 
Tapian Toenggal Penaloean Djati , en stamde door de vorsten van Poerba 
af van Toean Benoewa Katji. Zij was gehuwd met den radja van Irissen. 

Dit huwelijk kon tot de gelukkige worden gerekend en zou nog 
nog gelukkiger zijn geweest, ware de oudervreugd niet jaren lang 
aan de beide echtgenooten onthouden. 

Op zekeren dag kwam de herder , die met het toezicht op 's radjas 
talrijke geiten was belast , zijn heer melden dat een beroemde goeroe , 



DER KAUO-BATAKS. 245 

Goeroe Pakpak Bertandang geheeten , jaist aan den buitenkant van 
het dorp voorbijging. Vol eerbied voor dien wijzen man riep radja 
Irissen (Poerba en Irissen waren, zooals ik reeds vroeger vermeldde , 
twee der fabelachtige rijken waarheen de uiteinden der besimaléla 
wijzen) zijn anakberoe-senina (mindere hoofden die in zekere familie- 
verhouding tot den radja staan) alsmede een aantal zijner onderdanen 
bijeen, en zocht met hen den goeroe op, wien hij als huldebewijs 
eene geit, eenige matten en siri aanbood. Nadat de eerste begroetingen 
hadden plaats gehad, nam hij den heiligen man mee naar huis en liet 
daar door zijne vrouw een heerlijken maaltijd voor hem aanrichten. 

Spoedig kwam het gesprek op de kinderloosheid van het echtpaar, 
dat in dit opzicht reeds geleerd scheen te hebben in het onvermij- 
delijke te berusten. Peinzend keek de goeroe voor zich, tot hij 
plotseling zeide: 

A'Neem een stuk dood hout en een stuk bamboe. Plant die in 
>/den bodem , en wanneer zij in vier dagen niet bloeien , moogt ge 
's'me een kwakzalver noemen. 's' 

De radja deed , zooals hem gezegd was , en ziet , binnen den be- 
paalden tijd sproten frissche uitloopers uit de uitgedroogde stokken. 

Dit sterke stukje gaf radja Irissen moed den toovenaar te vragen 
of lüj hem misschien niet aan wettige kinderen zou kunnen helpen. 
En inderdaad , de goeroe wist er wel laad op. Hij nam zijn gastheer 
en diens echtgenoote meé naar de badplaats en liet hen daar drie 
sirihbladeren oiferen , waarna hij hen namens de débata meedeelde^ dat 
hen vooruit de inwilliging was toegestaan van een door hen te doen 
verzoek. Vol vreugde wenschten zij zich een zoon. Nu viel de vrouw 
neer, als door den bliksem getroffen, doch de goeroe deed haar weer 
bijkomen. Allen wieschen zich nu plechtig de haren , en keerde daarop 
naar de koeta terug. Vijf maanden later was Siberoe Tapian Toenggal 
Penaloean zwanger. 

Toen de tijd der bevalling naderde, liet zich in den buik der 
vorstin een zacht gezang hooren. Terstond liet men den goeroe roepen 
en deze noodigde den jeugdigen zanger vriendelijk voor den dag te 
willen komen. 

Doch het knaapje bleek geenszins genegen aan dat verzoek dadelijk 
te voldoen. Integendeel eischte hij zeer stellig de voorafgaande ver- 
vulling van drie voorwaarden : 

lo. moest men de zalf pagar bindoeboelan gereed maken ; 

2°. verlangde hij dat er te Poerba e.ne pantangan (op éen paal 
rustend huisje) werd gereed gemaakt voor den goeroe; 



24*6 AANTEEKENINQEN OMTRENT DE OODSDIENSTIQE BEGHIPPEN 

30. dieude zijn naam vooruit te worden bepaald. 

Men haastte zich deze drie wenschen te vervallen en bepaalde dat 
het vroegwijze ventje Toean Adji Donda Kateikoeten zou heeten. 

Weldra volgde nu de bevalling , maar ziet, nauwelijks was het kindje 
te voorschijn gekomen of reeds was het door een gat in den vloer 
verdwenen. Daar het nacht was, nam men eene lamp en ging zoeken. 

Vergeefsche moeite; beneden het huis was niets van Adji Donda 
te bespeuren. Doch de goeroe kreeg een ingeving en snelde naar 
Poerba, waar het bleek dat de jongeheer zijn intrek in de pantangan 
had genomen. 

Goeroe Pakpak Bertandang noodigde hem uit naar beneden te 
komen ^ daar zijne ouders vaTi verlangen brandden hem eens wat 
nader te bekijken. Doch Adji Donda bleef zich een bizonder onge- 
zeggelijke zuigeling toonen. Hij verklaarde daarboven zeer op zijn 
gemak te zijn en niet naar beneden te zullen komen voordat 
zijne ouders hem hunne opwachting hadden gemaakt^ waarbij zij 
voor hem mee moesten brengen een karbouw , twaalf gantangs beras, 
drie hanen, veel spaansche peper, veel sagoeweer, enz., en zich 
verder moesten doen vergezellen door drie pengoêwel (muziekkorpsen). 

De goeroe waagde bescheidenlijk op te merken dat Adji Donda's 
moeder , als zijnde onlangs bevallen y moeilijk naar Poerba zou kunnen 
wandelen , maar de knaap antwoordde dat dit geen bezwaar behoefde 
te zijn. Hij zou den goeroe eene gekauwde si rihpruim meegeven, die 
een uitstekend geneesmiddel zou blijken. En hij jokte niet, want zoodra 
de kraamvrouw het pruimpje had genuttigd , was zij weer zoo fleurig 
als een roos. 

Den volgenden dag trok Radja Irissen met een talrijk gevolg 
naar Poerba, de door zijn zoon verlangde geschenken meevoerende. 
Ouder de pantangan werd een ofier gebracht van een rooden, een 
witten en een gelen haan. 

Maar ook met dat ofiër was het niet richtig, want hoewel de 
halzen der hanen behoorlijk waren doorgesneden , bleken de dieren 
nog kracht te hebben naar de tamelijk ver verwijderde rivier te 
vliegen om eerst daarna onder de pantangan te komen sterven. 

/^Wel heb ik van mijn leven I/r zeide de goeroe. /j'Wat een malle 
^beesten. Snapt gij er iets van, Adji Donda.'*'!' 

Om Adji Donda's lippen speelde een spottend lachje. 

'/En dat wil een goeroe heeten,// lachte hij. ^Begrijpt ge niet 
«'dat de débatas ons willen waarschuwen , dat zij ons als ^t ware 
//toeroepen: //djalak tandang belajer, poelak meudjadi poel ing, poeling 



DER KARO-BATAKS. 247 

'/mendjadi poelak , ikan matei di deleng, irnbau matei di laoet'' (d i. 
^kippen gaan uit varen, moesaiigs worden valken, valken worden 
//moesangs, visschen sterven in 't gebergte, zwarte apen sterven in 
'/de zee). Kortom , het is een slecht teeken , een teeken van de 
/^wisselvalligheden des levens, bewijzende dat alles verkeerd zal 
vgaan. Wie rijk is zal arm worden, en wie arm is rijk.>/ 

Het spreekt van zelf dat deze voorspelling de oaders van den jong- 
geborene slechts matig beviel. Doch zij maakten bonne mine^mauvais 
jeu , lieten de gendangs en de verdere muziekinstrumenten bespelen , 
den karbouw slachten en zijn vleesch evenals de meegebrachte 
rijst, enz. bereiden. 

Dit beviel Adji Donda, hij kwam naar beneden en begon ter- 
stond met veel hartstocht een » pas seul ff te dansen , en op deze 
bij de Bataks gebruikelijke wijze zijne ouders te begroeten Spoedig 
waren ook de omstanders door danslust aangestoken , en werd het 
tandakken algemeen. 

Men hield niet op voor het eten gereed was. Doch de feest- 
genooten zouden daar niet veel genoegen van hebben , want zonder 
eenige komplimenten viel Adji Donda op het diner aan, waarvan 
hij niets dan leege schotels en afgekloven botten overliet. 

Vergeefs had zijn vader beproefd aan dit overdreven smullen 
een einde te maken. Er schoot voor Radja Irissen , die zich tegen- 
over zijne gasten uiterst beschaamd gevoelde, niets over dan hen 
meé naar huis te nemen, en daar een nieuwen maaltijd te laten 
aanrichten. Van de twee daarvoor geslachte karkouwen werd er nog 
een door Adji Donda verslonden. 

Het knaapje ging voort op dien weg en nuttigde bij eiken 
maaltijd een karbouw, zoodat hij heel wat vlugger groeide dan met 
gewone kinderen het geval is. Doch op den duur was ook het 
aanzienlijkste Bataksche fortuin niet tegen zulke pretenties bestand. 
Bad ja Irissen werd armer en armer en zag den bedelstaf in het 
verschiet. 

Op een goeden* dag eindelijk had zijne vrees voor de toe- 
komst de overhand over zijne vaderliefde en berispte hij Adji 
Donda over zijne verregaande vraatzucht. Maar de jongeling nam 
met de vaderlijke vermaningen geen genoegen. 

^Ik moet zeggen dat ik u niet erg consequent ^'mAff, zeide hij 
met al de gemeenzaamheid die de houding van Bataksche kinderen 
te^nover hunne ouders kenmerkt. » Eerst hebt gij om mij gebeden 
//en gesmeekt , en nu ik er ben , is het u te veel mij te eten te 



248 AANTEEKBNINGEN OMTRENT DE GODSDIENSTIGE BEGRIPPEN 

^geven. Welaan, ik zal zien er iets op te vinden. Wil intusschen zoo 
irgoed zijn al mijne verwanten bijeen te roepen//. 

Eenige dagen later vergaderde werkelijk de familieraad , waarin 
Adji Donda, na aan zijne ouders op weemoedigen toon hunne 
echrielheid te hebben verweten, meedeelde dat hij het ouderlijke 
huis ging verlaten, en in het vervolg door de jacht in zijn onder- 
houd zou voorzien , wanneer men hem ten minste daartoe in staat 
wilde stellen door zeven honden voor hem te koopen. 

Zulks geschiedde, en nadat elk der verwanten Adji Donda nog 
eens voor het laatst siri had aangeboden , trok hij met zijne blaf- 
fende viervoeters naar de Karangan (oorspronkelijk woud) Limboeraja, 
waar hij een olifant en een hert ving, en daarvan een paar dagen 
leefde. Vervolgens trok hij verder naar den Deleng (berg) Mauléaulé. 

Hier ontmoette hij in het diepste van het woud weldra een aller- 
liefst meisje, dat hem met belangstelling vroeg waar hij van daan 
kwam. Voorzoover zij wist, was hier nog nooit een menschelijk 
wezen gekomen. De jongeling stortte zijn hart voor zijne schoone 
ondervraagster uit, zijn verhaal besluitende met de tragische woorden : 
/y mijne ouders hebben mij verstoeten en voortaan kan ik slechts 
//tijgers en slangen als mijne bloedverwanten beschouwen.// 

Diep medelijden teekende zich op de lieve trekken der jonkvrouw, 
en blozende stelde zij hem voor van de verwantschap met die akelige 
dieren af te zien en voortaan hare ouders als de zijne te beschouwen. 
Nu gingen zij over tot het ertoetoer (het vragen naar elkanders 
marga dat bij de Bataks elke kennismaking inleidt) wat tot bevre- 
digende uitkomsten leidde, daar het bleek dat zij tot verschillende 
marga's behoorden, en hunne verhouding dus geene platonische be- 
hoefde te blijven. 

Toch aarzelde Adji Donda het aanbod der jonge dame aan te nemen. 
Zij was wel erg lief en mooi , maar soms leek zij in eens een boomtak 
of een steen, zoodat hij zich de oogen moest uitwrijven om zich 
te overtuigen dat toch werkelijk een wezen van vleesch en bloed 
voor hem stond. 

Rondweg kwam hij voor die zonderlinge gewaarwording uit. Maar 
het meisje verzekerde hem schertsende, dat hij zich niet ongerust 
behoefde te maken en alles op eene bevredigende wijze zou worden 
opgehelderd , zoodra hij zich door eene vaste belofte aan haar zou 
hebben verbonden. 

Adji Donda had een gevoelig hart, weinig opgewassen tegen de 
toovermacht der schoonheid. Hij eindigde dus met zich over te geven 



DSR K0RA-BA.TAK9. 249 

en zich zonder verzet naar haren grootvader te laten geleiden, die 
hunne geloften zou bezegelen. Deze machtige hantoe heette Badja 
Poldang di Bëgoe, welken naam hij daaraan dankte dat steeds een 
krans van poldangbladeren zijn eerwaardig hoofd versierde. 

Hij maakte eene bamboeën van eeue pasgeboren kip en de noodige 
kruiden, en terwijl hij den geesten dat offer aanbood, liet hij de 
geliefden zweren elkaAr trouw te zullen blijven. 

Nauwelijks was die eed afgelegd, of eensklaps zag Adji Donda 
rondom zich een fraaie koeta , en vóór hem zijne Dulcinea bezig met 
weven. Hij had zich aan niemand minder verloofd dan aan Si Goeroe 
Maniktik doeng Seroeparoepa, dochter van deu vorst der orang boenian. 

Zoo spoedig mogelijk worden nu de jongelieden vereenigd in een 
echt, die alle kansen op geluk scheen aan te bieden. 

Maar helaas, de verbazende eetlust van Adji Donda stond hem 
ook in deze nieuwe phase zijns levens in den weg. Karbouwen 
en runderen, varkens en geiten verdwenen in eindelooze reeksen 
in de magen van den jongen vorst en van zijne zeven honden. 
De orang boenian begonnen verlegen te worden. Onze held wist 
er niets anders op dan maar weer de wildernis in te trekken 
om zich daar door de jacht voedsel te verschaffen. Zijne gemalin 
had hiertegen echter vele bezwaren. In het naburige woud toch 
huisde een wonderschoon meisje, Si Beroe Tapian Manoeassan , nichtje 
van Adji Donda's echtgenoote , en dochter van den vorst van Daksina. 

Doch Adji Donda lachte om deze ijverzucht en toog den volgenden 
morgen ter jacht. Door duistere voorgevoelens geplaagd, achtte Si 
Goeroe Maniktik het oogenblik gekomen om van hare hoedanigheden 
van orang boenian partij te trekken. In een ommezien had zij zich 
onzichtbaar gemaakt en was haren echtgenoot gevolgd. 

De jacht voerde den laatste in de buurt van Daksina. Plotseling 
was het als ging de zon op in het donkere bosch , en toen de jonge 
man opkeek, zag hij eene maagd van onbeschrijfelijke schoonheid voor 
zich staan. Zij sprak hem vriendelijk aan, en Adji Donda, die met 
het hart op de tong liep , wist niets beters te doen dan haar terstond 
deelgenoote te maken van al zijne rampen en tegenspoeden. Hierop 
volgde het ertoetoer, waaruit bleek hoe Adji Donda ook hier aan 
zijn hartstocht geen geweld zou behoeven aan te doen. Daar hij opmerkte 
hoe nu en dan eene wolk over het voorhoofd der jonkvrouw gleed, 
vroeg hij belangstellend of zij verdriet had. 

//Mijne moeder is al sinds een jaar erg ziek, zij kan noch leven ^ 
noch sterven./»' 



250 AANTEEKENINGEN OMTEENT DE GODSDIENSTIGE BEGRIPPEK 

Adja Doiida wist hier gelukkig raad op , en gaf het schoone kind 
een siripruimpje voor de zieke moeder mee. Onder dankbetuigingen 
nam Beroe Tapi Manoeassan afscheid en spoedde zich naar Daksina , 
waar hare moeder na het nuttigen van het pruimpje dadelijk beter werd. 

De oude vrouw verlangde zeer haren redder te aanschouwen^ en 
gelastte hare dochter den jongen man overal te zoeken : eene taak 
welke de jonkvrouw zonder eenigen tegenzin op zich scheen te nemen. 
Gelukkig behoefde zij niet ver te gaan, want eene sterke magneet- 
kracht trok Adji Donda naar Daksina, en zoo ontmoette zij hem 
reeds den volgenden dag op de ladang. Zij verzocht hem meé te 
gaan , en hoewel hij , denkende aan het weinig vriendelijke beeld 
van Badja Poldaug di Bégoe^ en aan zijn door dien ouden heer 
bezegelden eed begon met tegen te stribbelen , hielden zijne gemoeds- 
bezwaren toch geen stand ^ toen Beroe Tapi Manoeassan hem hare 
liefde bekende, en beloofde hem voor altijd te zullen toebehooreu. 
Hij riep dus zijne honden en volgde de jonkvrouw naar Daksina, 
zijne onzichtbare gemalin , die hem steeds was gevolgd , aan de 
bitterste vertwijfeling ten prooi latende. Nog denzelfden dag zag zich 
Adji Donda met zijne nieuwe geliefde in den echt verbonden. 

Doch ook hier droegen de rozen weer de oude doornen. Adji Donda 
en zijne honden waren ouverzadelijker dan ooit en met den vee- 
stapel van Daksina ging het denzelfden weg op als met dien van 
de orangboenian-kota.. 

Hij besloot dus opnieuw zijne toevlucht tot de jacht te nemen. 

//Doe het niet//, waarschuwde Beroe Tapi Manoeassan, //ge hebt 
//uwe eerste vrouw leelijk in den steek gelaten , en haar grootvader, 
'/Radja Poldang di Bégoe, zal zeker pogen zich op u te wreken, 
/sr Mocht ge bij ongeluk zijn gebied betreden, dan zijt ge verloren » 

Doch de honger dwong, en zoo ging Adji Donda er toch op uit. 
Zijne vrouw echter verzon een list om hem op veilig gebied te 
houden. Zij had het vermogen eene dierengestalte aan te nemen, 
en volgde nu haren man tot even buiten de koeta, waar zij zich 
veranderde in een bernawit (een klein soort roofdier). Tn die gedaante 
wist zij de aandacht der honden tot zich te trekken, en leidde hen 
nu den heelen dag in de omstreken van Daksina rond. 

Eerst toen de avond viel, onttrok zij zich aan de vervolging en 
keerde snel naar Daksina terug ^ onder weg hare menschelijke gedaante 
weer aannemende. 

Een oogenblik later verscheen ook Adji Donda, verstoord over 
het weinige gevolg der jacht, dat hij vooral daaraan toeschreef dat 



DER KAUO-BATAKS. 251 

de honden dien morgen niet genoeg te eten hadden gehad. Den 
volgenden morgen kre<<en zij dus eene dubbele portie, en volgden 
daarop hun meester naar de wildernis. Beroe Tapi Manoeassan 
herhaalde het spelletje van den vorigen dag, maar het bekwam haar 
slecht, want de honden waren haar ditmaa) te sterk en joegen haar 
naar den berg Mauléaulé. Doodmoede beklom zij hier een' boom, ten 
einde te ontkomen aan het gevaar verscheurd te worden , en om tijd 
te vinden hare ware gestalte wéér aan te nemen. Vol verbazing zag 
Adji Donda in plaats van de zoo heet vervolgde bernawit zijn jong 
vrouwtje daar boven zitten. Toornig klom hij naar boven om haar 
door eene kleine echtelijke tuchtiging voor hare fopperijen te strafien. 

Doch plotseling voelden zoowel de jonge man als Beroe Tapi 
Manoeassan en de zeven honden zich door eene onzichtbare macht 
aan hunne plaatsen gekluisterd. De reden zou hen spoedig onthuld 
worden , want Si Goeroe Maniktik en haar grootvader Badja Foldang 
di B^oe traden uit het duisterste deel van het woud te voorschijn. 

Zonder veel omslag werd aan Adji Donda meegedeeld dat hij met 
zijn geheel gevolg aan de wraak zijner eerste gemalin was overgeleverd. 
Het lot dat hem, zijne vrouw en honden wachtte, was tot hout te 
verstijven en samen te groeien met den boom , dien zij ter kwader 
ure hadden beklommen. En zoo geschiedde het. Zij verlamden, verdorden 
en verschrompelden en weldra waren zij nauwelijks meer te onder- 
scheiden van den kuobbeligen stam. Slechts een gedempt geween dat 
nu en dan de stilte van het woud verbrak, bewees dat in die op 
verwaarloosd beeldwerk gelijkende gestalten nog zielen huisden. 

Mettertijd echter werd door dit droevig gekerm het hart van Si 
Goeroe Maniktik toch eenigszins verzacht. Zij riep de tamilieleden harer 
slachtoffers^ alsmede Goeroe Pak pak Bertandang bijeen , en maakte hen 
met het lot der beide menschen bekend. Tevens beloofde zij hen nog 
eenmaal voor enkele uren weer in het leven terug te zullen roepen 
om hen zoo de gelegenheid te schenken van hunne verwanten af- 
scheid te nemen. Onder hevig geween trokken daarop allen naar 
den berg Mauléaulé, spijzen meenemende en boemboeën. 

Si Goeroe Maniktik hield hare belofte. Voor het laatst keerden 
de gelieven nog eens tot hun volle bewustzijn terug en nuttigden 
eenige spijzen. Yeel eer deden zij echter den maaltijd niet aan , want 
zelfs Adji Donda's eetlust was tegen de slagen van zulk een noodlot 
niet bestand. 

Toen Goeroe Maniktik op het punt stond de ongelnkkigen weder 
te doen verstijven , richtte Adji Donda het woord nog eenmaal tot 



252 AANTEEKENINGEN OMTRENT DE GODSDIENSTIGE BEGRIPPEiï 

zijne moeder, en verweet haar dat zij, die voor zijne geboorte zoo 
ondankbaar was gebleken, de schuld droeg van al zijne rampen 

/i'Maar// , zoo vervolgde hij , //ik wil kwaad met goed vergelden. 
//Neem mijne verstijfde gestalte meê naar uwe koeta en steeds zal 
//ik u behulpzaam zijn bij het terugroepen van tendis en het ver- 
//drijven van bégoe's. Behalve voor die doeleinden moogt gij mij 
//echter nimmer meer een huis laten betreden. 

fA] kan ik dan ook niet naar de kust gaan om zout voor u te 
//halen , en al zal mijne vrouw nooit voor u kunnen spinnen , toch 
//zal ik zorgen dat zout en garen in uwe woning nimmer ontbreken.// 

Goeroe Pakpak Bertandang begreep den zin dier woorden. Hij 
kapte den boom voorzichtig om , ontdeed hem van takken en bla- 
deren en verkreeg zoo van zelf een fraaien too verstok, die eene 
buitengewone kracht bleek te bezitten en zoo inderdaad den eigenaar 
het zout en het garen verschafte, waarmee menigmaal de hulp der 
goeroes wordt betaald. Nog steeds wordt de tonggal penaloean , in 
voldoening aan Adji Donda's laatsten wensch buitenshuis bewaard. 
Verlangt men den stok te gebruiken, zoo wordt hem eerst sirih ge- 
off'erd. De eigenaar verzekerde mij met den grootsten nadruk , dat zijn 
tonggal zich meer dan eens door eigen beweegkracht aan brandgevaar 
had onttrokken. 

Indien ik met dit verhaal mijn opstel eindig, is het allerminst 
omdat het onderwerp door de voorafgaande mededeelingen is uit- 
geput. Tal van gebruiken en plechtigheden die met het gods- 
dienstig leven der Karo's in het nauwste verband staan, zijn door 
mij zelfs niet aangeroerd. Ik noem hier slechts den eed ; al wat de 
behandeling der dooden betreft; de in ket oog der Bataks zoo be- 
belangrijke kwestie der goede en kwade droomen; en der middelen 
waardoor men den boozen invloed der laatste kan tegengaan, enz., enz. 

Dat deze onvolledigheid niet de eenige fout in dit opstel zal 
wezen, daarvan ben ik volkomen overtuigd. Op verschillende zaken 
heb ik ongetwijfeld een minder juist , of liever een slechts zeer plaat- 
selijk juist licht laten schijnen. 

Dit laatste levert trouwens de groote moeielijkheid op bij bijna 
alle ethnografische onderzoekingen. In weinig van elka&r verwij- 
derde streken vindt men menigmaal op allerlei gebied belangrijke 
afwijkingen ; zoodat bijna alle mededeelingen ter zake slechts in een 
algemeenen zin juist kunnen zijn , en men zelfs daarbij nog licht in 
eene goede zifting der bijeengebrachte bouwstoflen kan falen. Ik moet 
dan ook, om misverstand te voorkomen, nog eens uitdrukkelijk 



lANTÈEKENtNOEN OMTEENT DE GODSDIENSllGE BEGRIPPEN. 238 

verklaren , dat mijne aanteekeningen zoo goed als uitsluitend onder 
de Doesoen-Bataks (Karo's) van Deli zijn verzameld. Met het oog op 
de zeer nauwe verwantschap tot en de steeds ijverig onderhouden 
betrekkingen met de onafhankelijke Karo^s, kan men wel is waar 
veilig aannemen dat wat voor den een geldt in hoofdzaak ook voor 
den ander waarheid zal bevatten^ maar toch zijn afwijkingen op 
hoofdpunten niet geheel onmogelijk , en in sommige onderdeelen 
zelfs waarschijnlijk. 

Hetzelfde geldt, maar in veel sterkere mate voor de naburige 
-Timor-Bataks , die een geheel ander dialect spreken, en ook in 
volkskarakter, enz. zeer van de Karo's verschillen. 

Mogen latere onderzoekers op dit gebied het mij das niet euvel 
duiden , wanneer zij in sommige opzichten tot andere gevolgtrekking 
zullen komen dan waartoe ik mocht geraken. 

Medan^ 15 November 1891. 



5e Volgr. Vn. 17 



SUMATRA'S WESTKUST SEDERT 1850. 



DOOB 

E. B. EISLSTRA. 



EERSTE HOOFDSTUK. 

Het bestuur van Van Swieten en Meis. 

Expeditie naar de Batoe-eüanden (1850). — Militaire vertooning in de Batta- 
landen (1851). — Ruimere bemoeienis met Padang Lawas (1855). — Moeielijk- 
heden met de Batta's naby de afdeeling Baros (1855, 1857); plannen tot 
uitbreiding van onzen invloed, welke echter onuitgevoerd bleven. — Singkel 
bedreigd (1857). — Intrekking van een aantal militaire posten (1857). — Expeditie 
naar de Mentawei-eilanden (1859). — Aard- en zeebeving (1861), de politieke 
gevolgen daarvan voor Zuid-Nias. — Aftreden en overlijden van Aieis (1861^. 

Gedurende het civiel en militair bestuur van den kolonel, later 
generaal-majoor Van Swieten, hetwelk den 29n October 1849 een 
aanvang nam, was het eiland Nias herhaaldelijk het onderwerp 
onzer staatkundige en militaire bemoeiingen. Maar aangezien wij 
deze reeds elders uitvoerig hebben beschreven [Indüch Militair Tijd- 
schrift^ 1890, I) meenen wij daarover thans het stilzwijgen te 
kunnen bewaren, en bepalen wij ons tot een overzicht van de voor- 
naamste gebeurtenissen op den vasten wal , de Batoe- en de Men- 
tawei-eilanden. 

En ook bij dat overzicht kan , met het oog op al wat reeds 
openbaar is gemaakt, kortheid worden betracht. De memorie, waar- 
bij de generaal Van Swieten, den 26|i September 1858, het be- 
stuur overgaf en die belangrijke historische en statistische bijzonder- 
heden en beschouwingen bevat, is opgenomen in het Tijdschrift 
voor Nederlandschrlndië van 1863; omtrent de belangrijkste bron 
van inkomsten, de gouvememeiits-koflBecultuür, hebben wij in De 
Indische Gids van October en November 1888 eene zoo volledig 
mogelijke geschiedenis geleverd, en ook over verschillende voor- 
vallen , die in het thans te behandelen tijdvak plaats vonden , 



SÜMATILA^S WESTKUST SEDERT 1850. 255 

zijn, gelijk nader blijken zal, reeds uitvoerige monographieën 
verschenen. 

Het zal dns voornamelijk onze taak zijn, het nog ontbrekende 
aan te vullen. 

In 1850 had eene militaire expeditie naar de Batoe-eilanden 
plaats. Omtrent de oorzaken daarvan , en den loop der krijgsver- 
richtingen zelve, putten wij het volgend overzicht uit Van Swieten's 
verslag van 3 Juni 1850 no 1113, omtrent verdere détails ver- 
wijzende naar het Tijdschrift voor Nederland%ch^hidië van 1853, II, 
blz. 81—87. 

Bij een schrijven van 19 Januari 1850 gaf de adsistent-resident 
van Ajer Bangis en Rau den Gouverneur kennis, dat de bevolking 
der Batoe-eilanden vrees koesterde voor zekeren panghoeloe Lawan 
Olanda, van de kampong Sigesé op het eiland Sigata (een der 
meest westelijk gelegen eilandjes van de Batoe-groep). Dit hoofd 
wilde zich tegen het Nederlandsch bestuur verzetten, en had daar- 
toe zijne kampong reeds versterkt; alle middelen, welke waren 
aangewend om hem tot vreedzamer gevoelens over te halen, bleven 
vruchteloos, en eene commissie welke tot hem gezonden was om 
hem uit te noodigen , zijne grieven mede te deelen aan den te Tello , 
op het eiland van dien naam , resideerenden posthouder , keerde 
on verrich terzake en zelfs met levensgevaar terug. 

Tot deze oproerige houding van Lawan Olanda had aanleiding 
gegeven eene schuldvordering van dezen op den zoon van den 
panghoeloe Toea Siola, (hoofd van het eiland liorang) die, in de 
vordering geen genoegen nemende, zich bij den posthouder had 
vervoegd en diens bemiddeling had ingeroepen. De posthouder had 
toen Ijawan Olanda opgeroepen om ter zake te worden gehoord , 
maar deze had geweigerd te verschijnen. 

De kolonel Van Swieten, met een en ander in wetenschap ge- 
steld, schreef den adsistent-resident dat deze persoonlijk de quaestie 
diende te gaan onderzoeken en trachten moest haar op minnelijke 
wijze tot een goed einde te brengen. 

Dit geschiedde, en voorloopig met goed gevolg. 

De adsistent-resident kon den 25n Maart melden dat, tengevolge 
van zijne tusschenkomst , de zaak geëindigd was. Op zijne bekend- 
making ^dat iedere kampong, waarvan de gewapende manschappen 
uitrukten om andere kampongs te beoorlogen, zoude worden ge- 
straft als oproerig tegen het wettig gezag// waren de buitengewone 



è56 StJMATRA^S WESTKUST SEDERT 1850. 

versterkingen van Sigesé geslecht en was Lawan Olanda met een 
groot gewapend gevolg zich bij hem te Tello komen ^nmelden. 
Bij onderzoek was toen gebleken dat de schuldvordering op Toea 
Siola hare oorzaak had in het onafgedaan gedeelte van eenen bruid- 
schat , ter waarde van omstreeks f 25.' — , tot de voldoening waar- 
van de zoon van Toea Siolo inmiddels als gijzelaar was aange- 
houden. De beleedigde familie had hiervoor genoegdoening geeischt, 
welke door den beleediger geweigerd was. 

De adsistent-resident had daarop beide partijen overgehaald , zich te 
onderwerpen aan de uitspraak van de rapathoofden der Batoe-eilanden. 

Toen deze hoofden volgens de landsgebruiken beslist hadden, 
verzette Lawan Olanda zich tegen hunne beslissing niet, en hieruit 
maakte de adsistent-resident niet ten onrechte op dat de zaak uit was. 

Maar het duurde niet lang, of de verwikkelingen begonnen opnieuw , 
doordien het hoofd van Sigesé het oor leende aan de inblazingen van 
eenige heethoofden, die zijne ijdelheid streelden met de herinnering 
aan zijns vaders heldendaden. Deze vader had , in 1826 , eene /^over- 
winning" behaald op den gecommitteerde der Batoe-eilanden , Christie, 
dien hij met goed gevolg had weerstaan; en hij had dientengevolge 
den eernaam aangenomen van Lawan Olanda (bestrijder der Hollanders), 
die na zijn overlijden op zijn zoon was overgegaan. 

Tengevolge dier inblazingen begon deze weder zijne kampong te 
versterken, en gaf hij opnieuw, ondanks alle heusche vermaningen, 
het kwade voorbeeld van verzet tegen het wettig gezag. 

Overwegende, dat alle middelen van overreding vruchteloos bleven; 
dat, onder het zwakke bestuur van den toenmaligen posthouder, steeds 
meer verwikkelingen in de inlandsche huishouding der Batoe-eilanden 
voorkwamen , en dat eene te groote inschikkelijkheid van onze zijde 
jegens Lawan Olanda door de gansche bevolking dier eilanden zou 
worden aangemerkt als een bewijs van zwakheid en onmacht , besloot 
de kolonel Van Swieten nu , den stationscommandant te verzoeken , 
met de schoenerbrik Dolfijn en een kruisboot naar de Batoe-eilanden 
te stevenen en aldus den adsistent-resident van Ajer Bangis en Eau 
in de gelegenheid te stellen , door de meest gepaste maatregelen en 
desnoods door geweld, het verzet van T/awan Olanda te breken. 
Tot dat einde werd voorts een oflRcicr — de Ie luitenant H. A. 
Steenmeijer — met 25 man inlandsche infanterie op de Dolfijn inge- 
scheept. 

De Dolfijn kwam den 8» Mei 1850 ter reede van Ajer Bangis om 



sumat&a's westkust sedert 1850. 257 

den adsistent-resident af te halen. Juist kwam daar ook de schoener 
ATgo\ en daar de commandant der Dolfijn •— luitenant ter zee 1® kl. 
C. J. Berghuis — stationscoramandant ter Westkust van Sumatra 
was , maakte deze van zijne bevoegdheid als zoodanig gebruik om de 
Argb de expeditie te doen medemaken. Den 9^1 vertrokken deze beide 
vaartuigen en de kruisboot van Ajer Bangis ; drie dagen later kwamen 
zij bij het eiland Sigata, en nadat den 13^^ nog vergeefsche pogingen 
waren aangewend om Lawan Olanda zonder wapengeweld tot betere 
gevoelens over te halen, gingen de troepen (36 E uropeesche matrozen 
en mariniers , 25 inlandsche soldaten en eenige gewapende inlandsche 
schepelingen, met 5 officieren en 1 adelborst ie klasse ') den 
volgenden dag aan wal. De versterkte kampong werd veroverd en in 
de asch gelegd; een ll«-tal lijken waren het bewijs, dat de vijand zich 
goed verdedigd had. Aan onze zijde waren slechts een paar man gekwetst. 
Lawan Olanda , die aanvankelijk de vlucht had genomen , werd 
den 18*» Mei door de overige hoofden aan het bestuur uitgeleverd 
en gevankelijk naar Padang gevoerd. 

In 1851 was weder eene militaire vertooning noodig in de Batta- 
landen. Volgens een brief van den Gouverneur-Generaal dd. 14 
October 1851 n. 729/4 was de oorzaak daarvan te zoeken in het 
feit, dat de onafhankelijke Batta-bevolking , van het landschap 
Toba, een inval op het gouvernementsgebied had gedaan en bij die 
gelegenheid en 30-tal personen uit de kampong Djaboe liga (district 
Sipirok) had medegevoerd. Om in Sipirok en het aangrenzend Silindong 
het vertrouwen op onze macht niet te schokken, was een krachtig 
optreden onzerzijds onvermijdelijk ; Van S wieten zond daarom een 
detachement van 75 manschappen, ondersteund door de hulptroepen 
van Angkola en Sipirok, naar de vijandige Battadistricten , om ge- 
noegdoening voor de gepleegde schending van grondgebied en terug- 
gaaf der geroofde kampongbewoners te vorderen. 

Bij de komst der troepen werden echter allerwege de kampongs 
ledig aangetrofien en had de bevolking naar de bosschen de wijk 
genomen. Ook de pogingen , door de hulptroepen aangewend om 
zich met de vluchtelingen in aanraking te stellen of het hoofd der 



1 N. l. de commandant der Dolfjn, luit. ter zee Ie kl. G. J. Berghuis , met den 
luitenant ter zee 2e kL D. Van der Gronden en den officier van gezondheid 3e kl. 
A. B. A. F. von Königslöw ; de commandant der Argo , luit. ter zee 2e kl. P. W. 
Stort met den adelborst ie kl. A. C. J. Edeltng, en de commandant der infanterie, 
luitenant H. A. Steenmeijer. 



258 SUKATBA^S WESTKUST SEDERT 1850. 

vijanden. Si todjal, in handen te krijgen, bleven vruchteloos, zoodat, 
na eenige dagen toevens en nadat de hulptroepen uit wraak voor 
het geleden onrecht eenige onbeduidende kampongs vernield hadden , 
de terugmarsch weder werd aangenomen. Den 2,1^ Mei was het 
detachement van de expeditie teruggekeerd. 

liet eigenlijk doel van den tocht werd derhalve niet bereikt. De 
w<l. resident van Tapanoeli was niettemin van oordeel /^dat dit vertoon 
van macht ten gevolge zal hebben dat de Battabewoners zich vooreerst 
van stroop- en rooftochten binnen onze grenzen zullen onthouden^ 
hetgeen bij de onhandelbaarheid dezer onbeschaafde en woeste naburen 
als voldoende mag worden beschouwd.'" 

Wij springen thans enkele jaren over, om na te gaan wat er in 
1855 en volgende jaren in Padang Lawas geschiedde , gelijk dat o. a. 
blijkt uit de missive van het Indisch bestuur van 29 Juni 1855 
geheim no. 17 L». Z en hare bijlagen. 

Nadat het landschap Padang Lawas in 1843 door ons ontruimd 
was, ontstond daar al spoedig de grootste regeeringloosheid. Oorlogen 
waren aan de orde van den dag , bijna uitsluitend met het doel , 
menschen te rooven en dezen als slaven te verkoopen. 

In het laatst van 1854 was op deze wijze de hoofdkampong Oetan 
Nopan, in het district Boeroemon, door de gewapende benden van 
het aangrenzend district Sosak aangevallen en vervoerd; en hoezeer 
de overwonnenen aangenomen hadden een losprijs van ƒ 4000. — te 
betalen en daarvan dadelijk ƒ 1940. — hadden voldaan, werd de 
bevolking niettemin met geheele wegvoering en slavernij bedreigd. 

De bevolking van Boeroemon , die reeds vroeger het verlangen te 
kennen gegeven had om in massa naar het Gouvernements-grond- 
gebied (Groot -Mandaïling) te verhuizen , riep nu de hulp van het 
Gouvernement in , waartoe Soetan Goeroe , het eerste hoofd van Oetan 
Nopan, afgevaardigd werd. De adsistent-resident van Mandaïling, 
de heer A. P. Godon, zond dientengevolge eenen brief naar de hoofden 
van Sosak, waarin dezen werden uitgenoodigd om, daar Boeroemon 
zich onder 's Gouvernements bescherming had gesteld ^ aan het voor- 
nemen der bevolking, om naar Mandaïling te verhuizen, geene be- 
lemmering in de weg te leggen. 

Het antwoord op dien brief was niet-alleen weigerend , maar Per- 
toewan Bangoen, het eerste hoofd van Sosak ^ vermoedelijk steunende 
op de groote moeielijkheid der gemeenschap en door de behaalde 
overwinning overmoedig geworden^ droeg den terugkeerenden zendeling 



SUMATVA*S WESTKUST SEDERT 1850. 259 

op , smaadredenen aan den adsistent-resident en de hoofden van Man- 
daïling over te brengen. Üe wettige vrouw van het hoofd van Oetan 
Nopan , eene vrouw van voorname geboorte — zij was de nicht van 
den Jang di pertoewan van Kota Siantar, het eerste hoofd van 
Mandaïling — liet hij geheel ontkleed voor zich komen en rijst 
stampen , ten einde de minachting te doen uitkomen die hij voor de 
hoofden van Mandaïling had. 

Behalve de evengenoemde Jang di pertoewan, een zeer geacht 
hoofd van groeten invloed en door het bestuur steeds met onder- 
scheiding behandeld , hadden ook vele andere hoofden en gegoede 
lieden in Groot-Mandaïling door vermaagschapping belang bij de 
zaken van Boeroemon. De beleediging^ aan de vrouw van het hoofd 
van Oetan Nopan aangedaan , en het medelijden met het lot dat de 
bevolking tê wachten stond ^ werden in Groot-Mandaïling diep ge- 
voeld; groot was de aandrang bij dat bestuur om tusschenbeide te 
komen, en de adsistent-resident was van oordeel dat hiermede niet 
mocht worden getoefd, wilde men //verdere tooneelen van strijd , ver- 
nietiging en slavernij^ voorkomen. 

De gouverneur van Sumatra's Westkust, generaal Van Swieten, 
was van meening dat de verlangde tusschenkomst moest worden ver- 
leend. Gedurende de oorlogen , die wij met de Padri's hadden gevoerd, 
waren de hoofden en de gewapende bevolking van Mandaïling onze 
trouwste bondgenooten geweest; zij hadden alzoo, waar hunne eer 
en hunne belangen werden aangerand, ruimschoots aanspraak ver- 
worven op wederkeerigen bijstand ; eene weigering , om deze te ver- 
leenen , zou hun wel een zonderling denkbeeld geven van onze staat- 
kunde en van onze menschlievendheid. Door onze tusschenkomst zou 
daarentegen het vertrouwen op het Gouvernement verstrekt en de 
plicht der humaniteit vervuld worden. 

Van Swieten machtigde alzoo (27 Januari) den adsistent-resident 
tot eene demonstratie^ met behulp der militaire macht, naar Boeroemon 
of, zoo noodig , naar Sosak , doch bepaalde daarbij dat alle aanzoeken 
naar wraak of vergelding moesten worden afgewezen , daar het bevrijden 
der krijgsgevangenen en het verhoeden van verdere onheilen des 
oorlogs het eenige doel moest blijven. Van den indruk, van de 
demonstratie te verwachten , moest partij getrokken worden om eene 
betere orde van zaken onder de bevolking van Padang Lawas te 
vestigen, het voeren van oorlog zooveel doenlijk te verbieden, en 
het aanleggen van sawah^s^ het verzamelen van boschproducten enz, 
aan te moedigen. 



260 SÜMATRA^S WESTKUST SEDERT 1850 

Te Fadang Sidempoean werd qü een detachement infanterie (1 
ofiBcier — de 2» luitenant D. Der Kinderen — en 57 onderofficieren 
en manschappen — 11 Europeanen en 46 inlanders — ) versterkt 
door 850 geweerdragende en 700 met lansen gewapende Mandaï- 
lingers voor den tocht bestemd ; het bevel over deee macht werd opge- 
dragen aan de majoor H. Schwenk, commandant der troepen in de 
Noordelijke Afdeeling. De leiding der staatkundige en burgerlijke 
aangelegenheden bleef aan den adsistent-resident Godon toevertrouwd. 

De troepen kwamen den 6^ Eebruari te Siaboe (tosschen Fadang 
Sidempoean en Fenjaboengan) aan. Hier vernam men, dat Oetan 
Nopan verbrand en de bevolking, met slaven en kinderen, reeds 
naar Sosak vervoerd was. Men besloot nu, langs den kortsten doch 
moeielijksten weg naar Sosak te marcheereu , in de hoop dat de 
colonne daar zou kunnen aankomen vóórdat de hoofden van dit 
landschap bericht van de komst der troepen zouden hebben ontvangen. 

Nadat de hulptroepen bijeengebracht waren , werd den 9i^ Februari 
de marsch aanvaard. Deze was in hooge mate vermoeiend ; dan eens 
over hoog gebergte zonder wegen of paden ^ dan weder door dorre 
vlakten en diepe rivieren die roet moeite doorwaad werden. Maar 
het doel werd volkomen bereikt, zonder dat één schot gelost werd. 
Toen, den 14^ Februari, de troepen Sosak binnenrukten^ haastten 
de hoofden zich, hunne onderwerping aan te bieden en vergiffenis 
te vragen , welke hun verleend werd op voorwaarde dat zij de krijgs- 
gevangenen uitleverden. Dit geschiedde: omstreeks 700 zielen werden 
van de slavemg waartoe zij anders gedoemd zouden zijn — ver- 
scheidene waren reeds verkocht — bevrijd ; allen vestigden zich op 
Gonvemementsgrondgebied , en hun voorbeeld werd nog door 2223 
anderen gevolgd, omdat zij overtuigd waren alleen d^r rust en 
veiligheid van personen en goederen te kunnen vinden. 

In eene groote vergadering werden door den adsistent-resident 
maatregelen aan de hoofden voorgesteld^ en door dezen aangenomen , 
ter verzekering van de rust ; de hoofden beloofden voortaan bfj belang- 
rijke geschillen de arbitrage van den adsistent-resident te zullen 
inroepen. Aan de eerste hoofden van Sosak , Fertibi en Adjorau , 
zijnde de voornaamste onderdeden van Fadang Lawas , werd de hand- 
having der rust opgedragen. 

Nadat alles geregeld was, keerden de troepen en de adsistent- 
resident terug; den 9^ Maart waren zij weder op hunne standplaatsen 
geretourneerd. 

De adsistent-resident was , na onderzoek der bestaande toestanden , 



SUMATKA^S WESTKUST SEDERT 1850. 261 

van raeening dat wij verplicht waren onze bemoeienis met Padang 
ïjawas op een anderen voet te brengen dan sedert 184-3 het geval 
was geweest. Het was, zoo schreef hij, met de beginselen der 
christelijke leer niet te rijmen, dat wij willens en wetens eene be- 
volking van 20- h, 80.000 zielen van ons afstootten en haar aan 
menschenroof en slavernij prijs gaven, wanneer de hoofden des volks, 
van hun eigen onmacht overtuigd , naar de bescherming van ons 
oppergezag verlangden. 

En de generaal Van Swieten was dat geheel eens: indien, voegde 
hij er bij, zonder groote inspanning het loffelijk doel kan bereikt 
worden om eene vrij aanzienlijke bevolking te beschaven en , van 
menschenroovers en handelaren in menschen , te vormen tot land- 
bouwers en nuttige voortbrengers, dan kunnen daartegen geene be- 
denkingen bestaan ; behalve het verhevene van de strekking uit een 
oogpunt van menschlievendheid , zal het loon dan zijn bestendiging 
en uitbreiding van onzen staatkundigen invloed. 

De Indische fiegeering deelde deze beschouwingen en vroeg (dd 
29 Juni 1855 geheim, n© 17 Ia Z) ^sKonings machtiging /ftot het 
aanwenden van eene ruimere bemoeienis met de binnenlandsche 
districten van Padang Lawas , met het oogmerk om de bevolking dier 
landstreken te bevrijden van den geesel des oorlogs en zijne ge- 
volgen, en haar een landbouwend volk te doen worden. « Die mach- 
tiging werd bij Koninklijke kabinetsbeschikking van 14 October 
1855, La N 16 verleend. 

Dientengevolge teekende Van Swieten, den 26n April 1856, eene 
acte van bevestiging voor den Badja van Pertibi , genaamd Pertoe- 
wan Djoemalah Alam, en dien van Adjoran, genaamd Soetan di 
Batta. Deze acten werden hun uitgereikt nadat zij , den 4n Augus- 
tus 1856 , te Penjaboengan de volgende verklaring hadden afgelegd 
en beëedigd ^ : 

^Ik ondergeteekende , radja van Pertibi (Adjoran) beloof plechtiglijk : 

lo. «'Het Nederlandsch-Indisch gouvernement als mijnen opper- 

heer, en de door hetzelve over mij gestelde machten als mijne over- 



\ Bij deze gelegenheid werd tot bevordering der zedelijkheid overeengekomen 
dat de koopschat der vrouw {djoedjoer), zoowel in de afdeelingen Mandaïling en 
Angkola, als in Padang Lawas voortaan slechts ƒ30. — zou bedragen; dat alle 
gehuwde mannen , gedurende het eerste jaar van hun huwelijk , van alle heeren- 
diensten, lasten en opbrengsten zouden zijn vrijgesteld , maar de ongehuwden 
daarentegen in de heeren- en cultuurdiensten zouden moeten deelen, 



262 sumatba's westilust sedert 1850. 

heid, allen verschuldigden eerbied, gehoorzaamheid en hulp te bewijzen ; 

2o. //De rust en vrede in mijn rijk en met mijne naburen' te handhaven ; 

30. //Den handel en landbouw te beschermen en te bevorderen; 

40. //Den handel in slaven met alle macht tegen te gaan; 

50. //Aan onderdanen van het gouvernement, die zich aan mis- 
drijf hebben schuldig gemaakt, geene schuilplaats te verleenen; 

60. >yVan vreemde mogendheden of vorsten of van hunne ver- 
tegenwoordigers of agenten geene brieven of geschenken aan te 
nemen of zendelingen te ontvangen zonder voorkennis of toestemming 
van den resident van Tapanoeli ; 

7o. //Niet toe te laten dat Europeanen zich zonder die voorkennis 
en toestemming binnen mijn rijk vestigen. 

Pertoewan Bangon , hoofd van Sosak , liet zich verschoonen wegens 
een sterfgeval in zijne familie, maar beloofde later tot het teekenen 
en beeedigen van eene gelijke acte te zullen toetreden. Aan nadere 
oproepingen voldeed hij echter niet. 

Daarentegen verklaarde het hoofd van het landschap Sosak 
Di-oeloe of Pasir, tusschen Sosak en Mandaïling in liggende, zich 
gaarne bij ons te willen aansluiten, en zich geheel van Sosak af 
te scheiden. Dat hoofd legde daarop dezelfde verklaring af en ont- 
ving eene acte van bevestiging, gedagteekend 29 Januari 1857, 
als Kadja van Pasir, onder den naam van Machoedoem. 

In het politiek verslag van 1857 vinden wij >/als een bewijs van 
vertrouwen der bevolking in ons bestuur// vermeld dat het eerste 
hoofd der negorij Oedjoeng Panas aan den adsistent-resident van 
Mandaïling en Angkola vergunning verzocht, en van dezen ambte- 
naar verkregen had, om 40 kinderen uit die negorij door den 
ofScier van gezondheid te Padang Sidempoean te doen vaccineeren. 

De onafhankelijke Batta-stammen , aan ons tot de afdeeling Baros 
behoorend grondgebied grenzende, gaven sedert 1855 herhaaldelijk 
aanleiding tot moeilijkheden. 

Zoo werd', in Juli van dat jaar , door eenige personen uit Damdamman 
een nachtelijke inval ondernomen op ons gebied , waarbij zes menschen 
geroofd werden. Na vergeefsche opeischingen sloot het bestuur de 
van de kust naar Damdamman leidende wegen, tengevolge waarvan 
weldra gebrek aan zout ontstond; dit had den gewenschten uitslag, 
zoodat de geroofden werden teruggegeven. In 1856 had wederom een 
soortgelijke inval van het hoofd van Damdamman plaats ; de inlandsche 
politie slaagde in de gevangenneming van een der onruststokers , 



SUICATRA^S W£STS.UST SEDERT 1850. 263 

na een gevecht waarbij de broeder van bedoeld hoofd sneuvelde. Deze 
onderwierp zioh na aan den hem gestelden eisch tot teruggaaf van 
al het geroofde en tot uitlevering der schuldigen aan den inval van 
het vorige jaar. 

In 1857 werden andermaal ongeregeldheden op ons grondgebied 
gepleegd , — nu uit het landschap Nai Pospos. Ter bestraflBng werd de 
gemeenschap van Nai Pospos met de gouvernementslanden afgesloten. 

Strikt genomen kon Nai Pospos niet tot de //onafhankelijke land- 
schappen «^ gerekend worden. Met Sigoempoelon , Silindong , Sipahoetar , 
Sigotom, Pangariboean en Silantom was het, bij Indisch Besluit 
van 11 Maart 1841 no. 10, tot gouvernementsgebied verklaard^ en 
het was daarvan sedert niet weder (gelijk Padang Lawas in 1843) 
afgescheiden. Maar feitelijk waren al die landschappen onafhankelijk 
gebleven; wij hadden ons er niet het minst aan laten gelegen liggen. 

De aandacht werd nu weder op deze streken gevestigd^ en de 
generaal Yan Swieten was van oordeel dat onze invloed daar langs den 
vreedzamen weg, door het openen van gemeenschapswegen vooral, 
geleidelijk zoude kunnen worden uitgebreid. Belangrijke tegenstand 
was //van dat zachtzinnige en zwakke volk niet te verwachten, en 
zoo men de taak met beleid en geduld aanvatte , zou zij wel zooveel 
resultaat hebben dat reeds na een verloop van een tiental jaren een 
betere toekomst zou geboren worden.// Met een beroep op Junghuhn's 
Battaldnder II bl. 115 — 127 vroeg Van Swieten alzoo machtiging 
om in den aangegeven geest werkzaam te zijn. 

De Indische Begeering had daartegen geen bezwaar : //bestond de mo- 
gelijkheid^^ aldus luidde het in de missive van den Gouverneur-Generaal 
van 2 Augustus 1857 no. 607/10 aan den Minister van Koloniën — 
ffom zonder onevenredige offers die landschappen tot meer ontwikkeling 
te brengen , dan zou zulks in de toekomst noodwendig van gunstigen 
invloed worden op de ontwikkeling van Siboga en Singkel als middel- 
punten van den handel. Als het mogelijk ware, vooral in de land- 
schappen Sigoempoelon en Silindong, het zendelingswerk met de 
pogingen van het bestuur tot uitbreiding van welvaart en beschaving 
hand aan hand te doen gaan , dan zouden de uitkomsten voor beide 
wellicht vruchtbaarder zijn.// 

De Minister van Koloniën en Z. M. de Koning keurden daarop 
de voorgestelde uitbreiding onzer bemoeienis goed (kabinets-beschik- 
kiug van 17 November 1857 no. 72), doch in werkelijkheid bleef 
zij achterwege, wellicht door de aftreding van Yan Swieten, welke 
kort daarna , wegens zijne benoeming tot commandant van het Indische 



264i sumatba's westkust sjHDEaT 1850. 

leger, volgde. Aanvankelijk heette het, dat de afkeer der Batta's 
van heerendiensten oorzaak was, dat aan den aanleg der wegen, 
ondanks herhaalde aansporing, nog weinig gedaan was; in de vol- 
gende verslagen is daarvan geen sprake meer. 

In het laatst van 1857 werd onze vestiging te Singkel min of 
meer bedreigd. Men vernam, dat te Sibadi een vaartuig was aan- 
gekomen met 40 gewapenden, ondersteund door het hoofd van 
Tampat Toean en in betrekking staande tot eenige, te Singkel 
verblijf houdende Atjehers. Zij zouden een aanval op Singkel on- 
dernemen, en daarbij steun vinden te Kasian, de verblijfplaats van 
Badja Amaris (het in 1840 verdreven hoofd van Singkel); te Boeloe 
Sama , waar een panglima van Groot-Atjeh, Nja Oesoef, degemoe- 
dei en tegen ons ophitste, en te Bakoengan^ waar zekere panglima 
Ijamprisan verblijf hield. 

De reden dezer vijandelijke voornemens was gelegen in de omstan- 
digheid , dat Radja Üeda , een te Singkel wonend Atjeher en oudste 
zoon van den in 1840 verdreven Radja van Tapoes, wegens sluik- 
handel door den Raad van Justitie te Padang was veroordeeld; het 
hoofd van Tampat Toean was ons kwalijk gezind omdat hem in 
den laatsten tijd de slavenhandel op Nias belet was. 

Onmiddellijk nadat de resident van Tapanoeli van de bestaande 
plannen kennis bekomen had , zond hij eene kruisboot van Siboga 
naar Singkel; op last van den generaal Yan Swieten werd deze 
zoodra mogelijk gevolgd door de sehoenerbrik Ba7ida (luitenant ter 
zee 1^ kl. A. Hoek), die zich ter reede van Padang ophield. Met 
dit vaartuig werd tevens eene versterking van het garnizoen te 
Singkel, van 1 oflBcier en 25 man, overgevoerd. 

Dadelijk na aankomst van deze macht (19 December) werden 
Radja Oeda en twee zijner handlangers door de politie opgevat; in 
een der woningen vond men 31 vuurwapenen en eene belangrijke 
hoeveelheid blank geweer. 

De Banda zeilde intusschen naar Sibadi, doch vernam daar dat 
de onruststokers reeds uiteengegaan waren. 

Nadat de drie opgevatte personen te Singkel in verhoor genomen 
waren , werden zij met de Banda naar Padang overgevoerd. De gene- 
raal Van Swieten deed hen hier niet terecht staan , maar gaf hun 
de vrijheid , op voorwaarde dat zij zich niet meer te Baros en Singkel 
zouden vertoonen , maar hunnen handel tot Siboga , Ajcr Bangis en 
Padang zouden bepalen. 



SUMATRA^S WESTKUST SRDERT 1850. 265 

Hij ging hiertoe over, vooreerst omdat de getuigenissen tegen 
hen niet overtuigend genoeg waren om hen voor den Kaad van 
Justitie te trekken ; maar niet het minst omdat Radja Oeda en zijn 
broeder, Nja Ali, nauw verwant waren aan den Sultan van Atjeh, 
en hunne aanhouding of verwijdering naar elders den kortelings met 
Atjeh gesloten vrede zoude kunnen benadeelen en den juist ont- 
luikenden handel der Atjehers op Sumatra's Westkust stremmen. 

Al het hierboven medegedeelde had betrekking, bf op de geheel 
of nagenoeg onafhankelijke grensbewoners , bf op de feitelijk even 
onafhankelijke eilanden. In het rechtstreeks aan ons gezag onder- 
worpen gebied van Sumatra's Westkust werd de toestand steeds meer 
geconsolideerd; de rust bleef ongestoord, de welvaart nam toe. 

Geen wonder dan ook , dat de generaal Van Swieten bij zijn 
schrijven van 17 September 1856 n^ 747/89 voorstellen kon doen ^ 
die tot de opheffing der posten te Painan , Kajoe Tanam , Soengei 
Pagoe, Sidjoendjoeng , Kota Generaal Cochius, Taloe, Port Elout 
en Batang Taro leidden. 

De intrekking van die bezettingen, zoo schreef hij, «^vroeger zoo 
noodig om onbezonnen pogingen tot rustverstoring te verhoeden , 
is mogelijk geworden sedert geene rustverstoring meer gevreesd 
wordt, terwijl bovendien de samentrekking van grootere macht 
toelaat, zich dadelijk met groote afdeelingen te begeven waar dit 
noodig is.v En omtrent Kota Generaal Cochius in het bijzonder werd 
gezegd , dat deze post alle waarde verloren had : //het geheele district 
Bondjol met al zijne onderhoorigheden telt niet meer dan 2171 
zielen, en heeft als militaire positie met betrekking tot de geheele 
Bovenlanden weinig waarde.// 

De aldus beschikbaar komende troepen werden voor een deel ge- 
bezigd om de nog te behouden posten voor zooveel noodig, eenigs- 
zins te versterken. Die posten, met de daarvoor bestemde bezettingen, 
waren de volgende. 

Priaman met 1 off. , 4 Eur. , 46 inl. militairen. 

Solok // 4 /y 10 ^ 140 // ff 

Port Van der Capellen. /f 
Paja Combo .... » 
Ajer Bangis .... ff 

Bau ff 

Natal ff 



ff ^ ff 46 ff ff 

tf Ai ff 46 ff ff 

ff ^ ff 46 ff ff 

ff ^ ff 46 ff ff 



4i ff 4i6 



ff ^it ff ^O ff ff 



Over te brengen . >y 10 >/ 34 ff 413 



ff 



266 SUMATRA^S WESTKUST SEDERT 1850. 

Overgebracht . . met 10 off., 34 Eur. , 4]3inl. militairen. 

Padang Sidempoean. . // 4i ^ 10 ff 109 ff ff 

Siboga ff h ff 10 ff 109 ff ff 

Baros h \ h ^ tf ^6 n ff 

Singkel ff % ff 6 ff 69 ft ft 

Goenoeng Sitoli , . , ft 1 ft ^ h 46^ ff 

Lagoendi // 2 // 6 // 69 tf ft 

Hilidaai ' ff 1 ff \^ ff ^6 ff ff 

Te zamen . . ~ 26 ^ 78 ~ff 910 ff 'ff 

De 78 Europeanen waren uitsluitend onderofficieren en korporaals. 
//Het loftelijk gedrag van de inlandsche bezetting te Ijoemar (Wester- 
afdeeling van Borneo) ter gelegenheid eener overrompeling van dien 
post door de Chineezen op den 11 — 12» Juni l^h6ff had Van 
Swieten bevestigd in zijn gevoelen ffAz^» de samenvoeging van 
Europeanen bij de kleine bezettingen geen vereischte is//; en hij 
meende alzoo //dat die versnippering van een moeilijk te bekomen 
bestanddeel van het leger niet organiek als beginsel moest worden 
behouden.// 

De vroegere sterkte van het gamizoensbataljon had 51 officieren, 
578 Europeanen en 1056 inlanders bedragen, en zou dus nu eene 
belangrijke vermindering ondergaan. Van Swieten wenschte daaren- 
tegen een nieuw (het 17e) veldbataljon op te richten, dat uit 2 
Europeesche, 2 Afrikaansche en 2 inlandsche compagnieën bestaan ^ 
en voor de helft te Padang, voor de wederhelft te Fort de Koek 
gestationneerd worden zou. Tengevolge hiervan verviel de vroegere 
plaatselijke bezetting van laatstgenoemden post. 

Deze voorstellen werden goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 
2 September 1857 no 57. 

Een uitvloeisel van de nieuwe militaire organisatie was, dat in 
1860 de functie van civiel gezaghebber te Soengei Pagoe, vroeger 
door den militairen commandant vervuld , aan een burgerlijk ambtenaar 
werd opgedragen (kabinets-rescript van 6 April 1860 iio. 55). Bij deze 
gelegenheid werd het district Soengei Pagoe vei^root met het vroeger 
tot het district Alahan Pandjang behoorende Lolo, alwaar de civiele 
gezaghebber gevestigd zou zijn (Ind. Stbl. 1860 no. 60). 

Het civiel en militair bestuur over Sumatra's Westkust ging, in 
September 1858, over op den generaal-majoor A. Meis. 

1 Dete poflt op Nias was nog niet opgericht. Zooals bekend is, is eene vesti- 
ging aldaar achterwege gebleven. 



sühatra'^s westkust sedert 1850. 267 

Onder diens beheer had , in 1859 , eene expeditie naar de Mentawei- 
eilanden plaats. 

Daar werden de verschillende zeestraten door de marine opgenomen ; 
in het begin der maand April hield zich de Montrado (luitenant ter 
zee Ie kl. IL. L. De Haes) daartoe in de Zeebloemenstraat op. Den 
13n van genoemde maand werd de luitenant ter-zee 2e kl. J. P. 
Uyttenhooven , die zich nabij de karapong Sibiribenoea op het eiland 
Zuid-Pora met eenige Javaansche matrozen aan wal bevond om de 
noodige waarnemingen te doen, door de bevolking verraderlijk over- 
vallen en, met twee matrozen^ om het leven gebracht. De overige 
vier matrozen en een loods werden gewond ; maar ofschoon de stervende 
officier hun gelastte, hem aan zijn lot over te laten en zich te 
redden, slaagden zij er in, met zijn lijk de sloep te bereiken. 

De commandant der Montrado achtte zijne macht Aiet toereikend 
om onmiddellijk de moordenaars aan te vallen en te tuchtigen; hij 
stoomde dus eerst naar Padang, Waar de Gouverneur hem een detachement 
van 2 officieren (Ie luitenants J. J. G. Hennequin en A. W. P. 
Meis) en 40 man tot versterking gaf. Hij keerde daarop met zijnen 
bodem naar Zuid-Pora terug, waar hij in den avond van den 18n 
April aankwam. 

Nog denzelfden nacht werd de beschikbare macht (infanterie en 
landingsdivisie) in de baai van Sibiribenoea ontscheept. Tot bewaking 
der sloepen werd luitenant Meis met een detachement aan het strand 
achtergelaten; de overige troepen, aangevoerd door den luitenant 
ter zee 2e kl. P. H. P. van Alphen , namen onmiddellijk den marsch 
naar de vijandig gezinde kampong aan. 

De marsch , welke negen uur duurde, was >y onbeschrijfelijk moeilijk.// 
Het terrein was moerassig en dicht begroeid , en onophoudelijk werd 
de colonne opgehoudeu door vijanden die haar, uit hinderlagen en 
kreupelhout, met vergiftigde pijlen beschoten. Eindelijk werd de 
kampong bereikt en bestormd, de vijand verjaagd, en alles, o. a. 
een 60-tal sampangs, verbrand of vernield. 

Na deze strafoefening werd de terugmarsch aanvaard. Geen vigand 
vertoonde zich meer , en tegen het vallen van den avond was de 
gansche macht weder ingescheept op de Montrado^ die daarop naar 
Padang terugkeerde. 

Van voldoend belang om hier kortelij k vermeld te worden > is 



^ Uitvoerige mededeelingen vindt men in de Jwoakht Oburant van 9 Maart, 10 
en 20 April en 12 Jani 1861. 



26iS sumatra's westkust sedert 1850. 

■ 

de aard- ên zeebeving, die den 16^1 Februari 1861 groote ver- 
woestingen aanrichtte en zich , speciaal op de Batoe-eilanden , den 
9n Maart van dat jaar nog in veel sterkere mate herhaalde. 

In de binnenlanden deed zich de aardbeving van 16 Februari het 
meest gevoelen in de afdeeling Mandaïling en Angkola, waar een 
groot aantal huizen instortte, sawah^s //als het ware omgekeerd >!r 
werden en vele aardstortingen plaats vonden. 

Meer schade werd echter ondervonden langs de kust en op de 
eilanden. 

De strandplaatsen Natai, Siboga en Baros hadden veel te lijden, 
maar waren nog gelukkig in vergelijking met Singkel, waar het 
etablissement geheel vernield werd en de grond eene zoo totale ver- 
andering onderging, dat aan herstel der vestiging op dezelfde plaats 
geen denken was. Een 20-tal inlanders vond bij deze gelegenheid 
een jammerlijken dood. 

Erger nog was het gesteld op Zuid-Nias, waar het in 1856 op- 
gericht etablissement te Lagoendi volkomen vernield werd en 16 
personen (mannen, vrouwen en kinderen) van de bezetting^ 32 van 
de nabijgelegen kampong om het leven kwamen. 

Op het eiland Simo, waar den 16n Februari 80 huizen instorten 
doch slechts een kind omkwam, hadden den 9n Maart vreeselijke 
verwoestingen plaats, die aan velen het leven kostten: van de 1045 
zielen , die daar verblijf hielden , waren na de ramp nog slechts >S70 
over, en bovendien waren nog een 100-tal lieden omgekomen die 
zich slechts tijdelijk op Simo gevestigd hadden. 

Ook Poeloe Tello werd grootendeels verwoest, maar menschen- 
levens waren daar niet te betreuren. 

Gevolgen van staatkundigen aard had alleen de vernieling van 
het etablissement te Lagoendi. Wat daarbij voorviel is, meenen 
wij , nog niet elders met eenige uitvoerigheid medegedeeld ; wij 
putten daarom het volgende overzicht uit het verslag, dd. 8 Maart 
1861, deswege ingediend door den 1"* luitenant, w<i. civiel gezaghebber, 
J. A. Van Dapperen. 

Eene hevige aardbeving, na een kwartier door eene vreeselijke 
zeebeving gevolgd, had in den avond van 16 Februari alles ver- 
woest. Door het water medegesleept , was de bezetting — voor zoover 
zij niet omkwam , zooals dadelijk met 8 Europeanen en 5 inlandsche 
soldaten het geval was — gevlucht naar de nabijgelegen moerassen ; 
den volgenden morgen terugkeerende naar de plaats waar de redoute 



SlUMATKA^S WESTKUST SEDERT 185Ö. 2Ö9 

gestaan had , vonden zij daar reeds Niassers aan het plunderen : 

/fToen wij successievelijk, uitgeput en allen min of meer gewond , 
in de verwoeste redoute terugkwamen^ waren wij omringd door 
duizende Niassers, die allen goederen hadden ontvreemd en daar- 
mede nog voortgingen ondanks onze tegenwoordigheid; doch wij 
waren onmachtig iets uit te voeren, aangezien het buskruit door- 
nat en de geweren onbruikbaar geworden waren. Drie vierden der 
manschappen leed aan koortsen . . . 

ffMet uitzondering van de bevolking der kampong Fadoro, die in 
onzen hachelijken toestand zich een trouw bondgenoot toonde, 
waren vele kampongs opgekomen om te rooven v 

Omringd door vijanden^ meest van Orahili^ Hilibobo, Siugedeassi 
en Botohosi ; nagenoeg ontbloot van levensmiddelen , het geheele 
garnizoen uitgeput en ziek, terwijl de aardbevingen zich telkens 
herhaalden en ook het zeewater weder aanzienlijk rees, was aan 
geene verdediging te denken. Men besloot daarom, de hulp in te 
roepen van den radja van Hilibobo, daar deze kampong het meest 
nabij en op een heuvel gelegen was, en voorloopig derwaarts 
terug te trekken. De radja, die ons persoonlijk goed gezind 
scheen , maakte geen bezwaar en mei de nog overgebleven goederen 
werden allen voorloopig in zijne kampong onder dak gebracht. Een 
stuk geschut, een drieponder die in het zand was weggezakt, moest 
achtergelaten worden omdat voor het vervoer geen krachten meer 
beschikbaar waren; het werd door de lieden van Orahili geroofd. 

Den 18n Februari werd de redoute door een detachement bezocht 
om nog af te halen wat daar aanwezig mocht zijn , doch zij was 
door een zeer talrijken vijand^ met uitgetrokken klewang, bezet en 
de troep moest onverrichterzake terugkeeren. 

Yan Dapperen besloot nu^ te Hilibobo te blijven totdat de van 
Goenoeng Sitoli gevraagde hulp — drie inlandsche soldaten waren 
dadelijk den 17n derwaarts gezonden — zon zijn aangekomen ; maar 
dit besluit was onuitvoerbaar , toen hij van den radja dier kampong , 
die groote vrees voor Orahili koesterde, hei bericht ontving dat 
een verder verblijf hem geweigerd werd. Alle middelen van verzet 
ontbraken, — men moest zich dus onderwerpen. 

Wat nu te doen? Yan een marsch over land naar Qoenoeng 
Sitoli kon^ wegens den ziekelijken en uitgeputten toestand der 
troepen , geen sprake zijn ; men moesl voorloopig weder in de redoute 
terugkeeren. De tolk werd vooruitgezonden, om de hoofden in het 
denkbeeld te brengen dat men slechts scheepsgelegenheid afwachtte 
5« Vo?gr. vn. 18 



27Ö SÜMATRA^S WESTKUST SEDEBT 1850. 

om Lagoendi voor goed te verlaten , en hun duidelijk te maken dat 
vijandelijkheden later tot bestraffing zouden leiden. Dit had ten ge- 
volge dat de redoute weder beschikbaar kwam ; maar noch leeftocht , 
noch drinkwater was aanwezig. Om hierin té voorzien, werd de hulp 
van den radja van Padoro gevraagd, die den volgenden dag (19 
Februari) met groot gevolg verscheen en de onzen van het noodigste 
voorzag. Met eene prauw, die toevallig aankwam, werden eenige 
vrouwen en kinderen naar Goenoeng Sitoli gezonden. 

De volgende dagen werden in vrees en ellende doorgebracht: de 
aardbevingen herhaalden zich , en de leeftocht werd hoe langer hoe 
schaarscher. Doch den 28° Februari kwam er ontzet: de militaire 
commandant en wd. civiele gezaghebber van Ooenoeng Sitoli^ kapi- 
tein W. E. F. van Heemskerck , had , onmiddellijk toen hij bericht 
van de ramp on1?vangen had^ alle beschikbare prauwen gerequireerd , 
met levensmiddelen, kleedingstukken enz. geladen en naar Lagoendi 
gezonden. 

Deze hulp kwam tijdig: ofschoon het dagelijksch rantsoen tot een 
minimum beperkt was geweest, was er, toen de prauwen aankwamen, 
nog slechts zeer weinig over, en binnen een paar dagen zou de 
honger zich hebben doen gevoelen. 

Het gebrek aan water en het groot aantal zieken deden het on- 
verantwoordelijk achten om Lagoendi nog langer bezet te houden, 
en aldus werd besloten , met de prauwen naar Goenoeng Sitoli terug 
te trekken. Den 3n Maart werd alles geëmbarkeerd , en den 8n deze 
plaats bereikt. 

De voor Lagoendi gestationneerde kruisboot was, den 16» Februari, 
door de zee op het strand geworpen en onbruikbaar gemaakt; de 
diieponder van die boot was, evenals die der redoute, door de 
Niassers geroofd. De bemanning sloot zich bij de bezetting aan en 
keerde tegelijk met deze naar Gx)enoeng Sitoli temg. 

Gelijk bekend is , werden bij de expeditie naar Zuid-Nias in Mei 
en Juni 1863 de kampongs, die zich in 1861 zoo vijandig hadden 
getoond, — Hilibobo, Orahili en Botohosi — getuchtigd. * 

De voorstellen, dooc den generaal-majoor Meis gedaan tot betere 
bezoldiging der inlandsche hoofden, kwatnen eerst in 1863 tot be- 
slissing en kunnen dus beter in een volgend hoofdstuk worden 
besproken. 



1 Zie hierover W. A. Van Rees, De Pkmnkrê dtr heÊchaving im Ntd, ImdüA^^b. 



SUHAT&A^S WESTKUST SEDERT 1850. 271 

Den 3n Augustas 1861, toen hem wegen? ziekte verlof naar 
Nederland was toegestaan , gaf hij het bestuur over aan den generaal- 
majoor Jhr. C. A. De Brauw. * 



1 De generaal Meis, den lOn September te Batavia aangekomen, overleed aldaar 
elf dagen later. 

Den 7n Juni 1809 te Koevorden geboren, was hij reeds op jeugdigen leeftijd naar 
Indié vertrokken en in Mei 1822 ais élève geplaatst aan de destijds te Samarang 
bestaande militaire school, welke hij in 1825 als 2e luitenant der artillerie verliet. 
In dien rang nam hij deel aan den Java-oorlog, waarby hij zich herhaalde malen 
voor den vijand onderscheidde, zoodat hem het Ridderkruis der Militaire Willems- 
orde ten deel viel. In 1833 tot Ie luitenant bevorderd, maakte h\j het volgende 
jaar, als commandant der artillerie, de expeditie naar de Lampongsche districten 
mede; voor zijne daarvoor bewezen diensten werd hy eervol vermeld. In 1837 
werd hij tot kapitein benoemd, en tevens tot adjudant van den legerbevelhebber, 
generaal Cochius, welke betrekking h\j in 1844 verwisselde voor die van directeur 
der artillerie-constructiewinkel te Soerabsga. In 1845 majoor, in 1846 luitenant- 
kolonel, trad hy daarna op als acyunct-directeur, wd. directeur der artillerie. In 
1848 werd hij benoemd tot ridder in de orde van den Nederlandschen leeuw. 

In 1849 nam hij deel aan de derde Balische expeditie, waarbij hy het Ridder- 
kruis der Blilitaire Willemsorde 3e kl. verwierf. Korten tyd trad hy daarna op als 
resident en militaire commandant van Palembang, totdat in 1850 zyne bevordering 
tot kolonel, chef der artillerie volgde. Van 1854 tot 1858 stond hy, als generaal- 
nugoor, aan het hoofd der 2e Militaire Afdeeling op Java; daarna werd hem het 
civiel en militair bevel over Sumatra's Westkust toevertrouwd. 

Met zyn opvolger. De Brauw, kon hy wel dienen als een schitterend bewys 
voor de waarheid der stelling , dat de opleiding tot officier, tydens het bestaan der 
militaire school te Samarang, in Indië waarUjk niet voor die in het moederland 
onderdeed. Beide paarden aan degeUjke militaire kennis ook algemeene ontvrikke- 
ling , helder doorzicht en hoog plichtbesef; waar zy tot burgerUjk bestuur geroepen 
werden, stelden zy de verwachtingen der Regeering allerminst te leur. 



TWEEDE hoofdstuk: 



Het bestuur van De Brauw. — Voorstel van den kolonel Andresen tot 
afschaffing der adat poesaka ; advies daarover van De Brauw. — Het overlijden 
van dezen opperofficier. 

Het bestuur van den generaal-majoor Jhr. G. A. De Brauw, 
duurde slechts kort: van 3 Augustus 1861 tot 21 Febraari 1862. 

De Brauw, de held van Djagaraga, de man die in de Palem- 
bangsche Binnenlanden het Nederlandsche gezag op hechte grond- 
slagen had gevestigd , was alzoo niet in de gelegenheid , zich 
nieuwen roem te verwerven door de wijze, waarop hij den gang 
van zaken op de Westkust van Sumatra wist te leiden. Toch is er 
van zijne hand één geschrift , dat toont hoeveel doorzicht hij bezat : 
zijn advies over de door den kolonel Andresen voorgestane afschaf- 
fing van de adat poesaka of het erfrecht der Maleiers. Aangezien 
deze quaestie van groot belang is voor de kennis der huishoudelijke 
instellingen van de bevolking , schijnt het ons wenschelijk , daaraan 
hoofdzakelijk dit hoofdstuk te wijden. 

De Staatscommissie^ bij 's Konings besluit van 16 Juni 1857 
bO, 90 ingesteld betreffende Europeesche kolonisatie in Ned.-Indië 
had (bl. 68 van het openbaar gemaakt verslag) er in het algemeen 
op gewezen dat de adat poesaka, met het in de Padangsche landen 
bestaande soekoe-bestuur en het grondbezit der soekoes in nauw 
verband staande, schadelijk terugwerkte op de materieele en zede- 
lijke ontwikkeling des lands; maar het lid der commissie , de luitenant- 
kolonel A. J. Andresen^ had hetzelfde onderwerp breedvoeriger be- 
handeld in eene niet gepubliceerde nota, welke wij hier, ter betere 
beoordeeling ook van de daarop uitgebrachte adviezen, meenen te 
moeten laten volgen. Zij draagt den datum van 4 November 1857. 

»^In het rijkste en vruchtbaarste gedeelte van Sumatra's West- 
kust — zoo schreef Andresen — bekend onder de afdeelingen Ajer 
Bangis en Bau , Padangsche Boven- en Benedenlanden met een deel 
van de Zuidelijke afdeeling, is het erfrecht door eene overlevering 



sumat&a's westkust sedxbt 1850. 273 

onder den naam adat poesaka geregeld of vastgesteld , zoo geheel 
verschillend van de gebruiken welke men daaromtrent bij de overige 
Maleische en andere inlandsche maatschappijen op Sumatra en elders 
in den Ned.-Indischen Archipel aantreft, zoo geheel in strijd met 
de algemeene natuurwetten , dat men zich bezwaarlijk eene verklaring 
kan geven van het ontstaan, maar zeker niet van de voortduring 
van zulk eene instelling. > 

^Yolgens die adat erven de kinderen niets van hunnen vader, 
en wordt de vader, die zijne bezittingen aan zijne kinderen mocht 
vermaken , gebrandmerkt als iemand , die een vloek op zijn geslacht 
wil werpen. 

irDie adat wordt gevolgd door de Maleiers, afkomstig van de laras 
Kota pilian en Tjiniago; zij bewonen de boven aangeduide landen. 

^'Bij overlijden van een mannelijk lid van die stammen hebben, 
luidens de adat poesaka, recht op zijne nalatenschap: 

aIo. zijne zusters en hare kinderen; 

>r2o. bij ontstentenis van zusters of hare kinderen, broeders uit 
dezelfde soekoe; 

3(». bij ontstentenis ook van deze, de verdere bloedverwanten van 
moederszijde , of de geheele familietak. 

>rZij, die volgens de adat recht hebben op zijne nalatenschap, 
zijn ook verplicht tot voldoening zijner schulden; zij bestrijden de 
begrafeniskosten enz. Zij zijn verantwoordelijk voor de misdaden die 
hij begaat; op hen drukken de schadelijke of onteerende gevolgen 
daarvan. De vader is nimmer . hoofd van zijn gezin , in den zin 
zooals men dat overal elders verstaat; zijne kinderen mag hij gedu- 
rende zijn leven niets geven dan kleeding; wil hij meer doen, dan 
moet hij vooraf de toestemming hebben van hen die de adat als 
zijne erfgenamen aanwijst; met hunne opvoeding en verzorging heeft 
hij niets te maken, hij heeft daarover geen gezag; de moeder is 
daarmede geheel belast en aansprakelijk bij het hoofd van haar 
gezin, dat is haar broeder. Woont de man tijdelijk bij zijne vrouw 
en kinderen, dan wordt hij steeds als een orang-menoempam^ be- 
schouwd; werkt hij gedurende dien tijd voor haar, hetzij in de 
rijstvelden, hetzij aan haar huis, of helpt hij haar in eenig bedrijf , 
dan is het voordeel daarvan voor haar, en is het even alsof hij 
dit voor gehe^ vreemden deed. De vrouw is verplicht, den man 

1 De studién van den heer Wilken over het matriarchaat (/iMÜtefttf Qtiêy 1881, 
1883) hebben, gel^k den lezer bekend zal zijn, later omtrent dit onderweip veel 
licht verspreid. 



274 STTMAT&A^S WESTKUST SEDEBT 1850. 

gedurende zijn verblijf van voeding en het noodige te voorzien; als 
eene soort van verplichte beleefdheid moet hij dan steeds in eenige 
kleine huiselijke bezigheden helpen. 

ff Rei huis van den man is dat van zijne zuster, voor haar en 
hare kinderen is hij verplicht te werken; bij haar zijn zijne bezit- 
tingen, bij haar^engt hij — of moet hij brengen — de winst 
die hij in handel, landbouw of handwerk behaalt; want dit doende 
verrijkt hij zijn geslacht; wat hij daarentegen voor vrouw en kin- 
deren doet, is verloren. 

//De adat poesaka is evenmin als andere adats beschreven : zij 
komt door mondelinge overlevering van geslacht tot geslacht; de 
meer of minder nauwgezette toepassing of opvolging in de details 
hangt dus veelal af van de meerdere of mindere gehechtheid aan 
de adat van de uitleggers. 

ffln het algemeen echter is men in de binnenlanden, waar de 
genoemde laras of hoofdstammen zijn bewaard gebleven, strenger in 
de opvolging ; aan de stranden , waar meerdere vermenging met 
andere Maleische stammen heeft plaats gehad , wijkt men er wel 
van af. 

//Het gebeurt daar meermalen , dat bij ontstentenis van zusters of 
zusterkinderen de nalatenschap van een overledene aan zijne kin- 
deren, en ook soms dat bij uitersten wil de helft der bezittingen 
aan de kinderen , de andere helft aan de ordenamen volgens den adat 
wordt toegewezen. Wanneer voor het laatste geval de toestemming 
der wettige er%enamen niet vooraf door den erflater is verkregen , 
volgen dan wel altijd twisten over de nalatenschap, maar doorgaans 
eindigt men toch met den uitersten wil te eerbiedigen. 

//Over den oorsprong van dit onnatuurlijk recht bestaan verschil- 
lende overleveringen. Die, welke ik het meest verspreid heb gevonden 
en waaraan het meeste gewicht wordt gehecht, komen geheel over- 
een met die, opgeteekend in een verslag omtrent de adats, in 1833 
geschreven door den heer Van der Linden, Secretaris ter Westkust 
van Sumatra. 

//Yolgens die overleveringen hadden Katoe Mangoen (hoofd van 
de geslachten Kota en Pilian), Perpati-si-Batan (hoofd van de ge- 
slachten Bodi en Tjiniago) , benevens Sri Maharadja (een ander vor- 
stelijk persoon) het besluit genomen , eene reis naar Atjeh te doen , 
vergezeld van Tjatjeh Bilong pandei, een wijs man, die als een 
heilige vereerd werd. Te Priaman zonde men zich verzamelen en 
inschepen. Hier bespeurde men echter dat de prauw, waarmede de 



SÜMATBA^S WESTKUST SSDBBT 18Q0. 275 

overtocht aou gesohieden, vast op het strand zat. De gezagvoerder 
(anacAoda) deed te vergeefs alle moeite , het vaartuig vlot te krijgen ; 
hij gebood toen zijne zonen, hem te hulp te komen om het vaar- 
tuig te water te brengen , de schoonbroeder van den gezagvoerder 
maande hen aan om te blijven, zij gehoorzaamden den vader niet; 
deze riep nu zijne neven te halp, die zonder aarzelen ' gehoor gaven 
en het vaartuig te water brachten. 

ffE&ne variatie op deze overlevering is deze: Toen men het op het 
strand zittend vaartuig niet vlot konde krijgen , zeide Tjatjeh Bilong 
pandei tot den schipper : /s^ beproef het vaartuig over het lichaam van een 
uwer kinderen te doen afloopen>/; de schipper riep een zijner zonen , 
en beval hem zich voor de prauw te leggen; de raad van den oom 
was genoegzaam om den zoon terug te houden. De gezagvoerder 
richtte nu een bevel aan een zijner neven , die onmiddellijk gehoor- 
zaamde; de prauw gleed over zijn lichaam zonder moeite te water, 
hij bekwam geenerlei letsel. 

ffin beide gevallen zeide de wijze Tjatjeh Bilong pandei: uit het- 
geen hier is voorgevallen blijkt klaar, dat de kamanakans meer 
eerbied en gehoorzaamheid bewijzen aan hunnen oom, dan de kin- 
deren aan hunnen vader; het is daarom billijk, dat zij voortaan 
ook boven onze kinderen worden bevoorrecht, en dat de eersten, 
in plaats van de laatsten, onze bezittingen en waardigheden erven. 

ffBe beide hoofden vereenigden zich met het gevoelen van den 
heiligen man, maakten zijne uitspraak tot wet, en voerden dit zon- 
derlinge erfrecht bij hunne onderdanen in. 

>7Meer andere wonderbaarlijke gebeurtenissen worden als oorzaak 
verhaald , doch bij allen is de strekking dezelfde : de neef gehoorzaamt 
en offert zich vrijwillig voor den oom op , de zoon doet niets voor den 
vader, in oogenblikken van gevaar laat hij dezen aan zijn lot over. 

>i^De uitleggers en voorstanders van de adat voeren allen aan, 
als zoovele bewijzen dat de man in oogenblikken van gevaar en 
kommer immer op de kinderen van zijne zuster kan rekenen , omdat 
daarin onmisbaar zijn eigen bloed aanwezig is ; dat de vader , op 
zijne kinderen vertrouwende, in* dat vertrouwen zeer dikwijls kan 
worden teleurgesteld omdat in hen , welke voor zijne kinderen door- 
gaan, geheel vreemd bloed kan stroomen. De adat poesaka, zeggen 
zij , moge soms onbillijk schijnen, — zij is echter wijs en rechtvaardig, 
want zij wijst den eenigen weg aan om zijn eigen bloed wel te doen 
én te bevoordeelen ; zij maakt bedrog onmogelijk en voorkomt het 
gevaar van geheel vreemd bloed als zijn eigen te koesteren. 



276 SUMATRA^S WESTKUST 8EDEBT 1850. 

il' Algemeen wil men, dat vele wonderen alleen de oorzaak zijn 
van de invoering van dit recht; dat die invoering in geenerlei 
verband heeft gestaan met de overige gebruiken van de toenmalige 
maatschappij. De overleveringen omtrent die gebruiken zijn echter 
met dit beweren in tegenspraak. 

x^De bovengenoemde Katoe Mangoen, zoon van den vorst ^ stichter 
van de eerste Maleische volkplanting in Tanah Datar , was , volgens 
de overleveringen, de grondlegger van het soekoebestuur, en dit 
bestuur is wellicht even eenig in zijne soort als het door hem in- 
gevoerde erfrecht, en het verband m. i. vrij duidelijk. 

/yKatoe Mangoen nu verdeelde den algemeenen volksstam in vier 
deelen , noemde ieder van die deelen soekoe en duidde elk deel aan 
door de benaming Kota, Pilian^ Bodi en Tjiniago. De twee eersten 
hield hij onder zijn bestuur, dat over de twee anderen gaf hij aan 
zijnen broeder Perpati-si-Batan. Deze vier takken smolten echter 
spoedig tot twee te zamen. Zij werden nu beschouwd als de hoofd- 
staken, en genoemd laras Kota Pilian en laras Bodi Tjiniago. 

De laras Kota Pilian bleef in Tanah Datar , Perpati-si-Batan trok 
met zijne laras naar Agam. 

Nadat de beide stammen merkelijk in volkrijkheid waren toege- 
nomen, besloot men andere landen te bevolken; een gedeelte van 
eiken hoofdstam werd daartoe aangewezen. Ook deze breidde zich 
meer uit en bevolkte spoedig nabijgelegen landstreken. 

ffYóÓT de verplaatsing of verspreiding der hoofdstammen was door 
Mangoen het verbod uitgevaardigd dat, behalve de Biadja van 
Menangkabou, geen man met eene vrouw uit zijn eigen st-am 
mocht huwen ; een bloedschendend huwelijk van zijn broeder Perpati- 
si-Batan, die na eene langdurige afwezigheid onwetend met zijn 
eigen zuster getrouwd was, had tot die verordening aanleiding ge- 
geven. Bij de verspreiding, die nu in vollen gang was, moest, in 
verband met deze verordening, samensmelting plaats hebben, waar- 
door de eene stam ten koste van den anderen aanzienlijker en 
rijker^ het gezag van een der stamhoofden ten koste van dat van 
het andere aanmerkelijk grooter', de gelijkheid van macht geheel 
verbroken kon worden. Om dit gevaar te voorkomen moesten zoo- 
danige grondslagen gelegd worden, dat, onaangezien de verspreiding 
en dooreenmenging , iedere hoofdstam èn zijne geslachten, èn zijne 
bezittingen konde bewaren en gescheiden houden. 

ffDe beide stamhoofden, vergezeld van den bovengenoemde Sri 
Maharadja, die om zijne kundigheden en wijsheid beroemd was. 



SÜKAT&A^S WESTKUST 8EDEAT 1850. 277 

togen op reis om tot dit doel de vereischte verordeningen uit te 
vaardigen. De op verschillende plaatsen aanwezige onderdeelen van 
elke laras of hoofdstam noemde men weder soekoe, ieder verkreeg 
een afzonderlijken naam , en bekwam erfelijke hoofden die alleen het 
larashoofd boven zich hadden. 

ffOmtreni de huwelijken werd vastgesteld dat de man, mits 
eerbiedigende het verbod om in zijn eigen stam — nu soekoe — 
te huwen, gelijktijdig meer dan eene vrouw mocht hebben; bij het 
huwelijk mocht zij zich niet verplaatsen, de afstamming van ieder 
geslacht zou gerekend worden naar de vrouwelijke lijn. 

//Tusschen deze instellingen , die men den stichter van het soekoe- 
bestuur iu den mond legt om het staatkundig bestaan der beide 
stammen te verzekeren, en het erfrecht is alzoo het verband niet 
moeielijk te vinden. Hij wilde, zegt men, den overgang èn van 
geslachten , èn van bezittingen beletten ; om het eerste te verkrijgen 
bond hij de vrouw aan de plaats en rekende hij de afstamming in 
de vrouwelijke lijn; het eenyoudigste middel, om met die bepaling 
de verplaatsing van bezittingen te beletten was dus wel, de eigen- 
dommen aan de vrouw te verbinden, en dit toch is het zuiver uit- 
vloeisel van het bovenbedoeld erfrecht. Sommigen houden het er dan 
ook voor, dat de adat poesaka even oud is als het soekoe-bestuur. 

fJ)e juistheid hiervan in het midden latende, is het echter vrij 
zeker dat het vreemde erfrecht en het soekoe-bestuur nauw aan 
elkander verbonden zijn en elkander wederkeerig gesteund hebben. 

xrDat het soekoe-bestuur, nadat daarin door onderlinge twisten 
alle onderlinge eenheid en klem aan gezag verbroken was en ver- 
basterd zooals wij het gevonden hebben, de worsteling met de 
Padri^s heeit kunnen doorstaan; dat het onze poging tot concen- 
tratie van gezag in de Maleische huishouding zeer lang het hoofd 
heeft kunnen bieden en eerst sedert eenige jaren nu en dan iets 
wijkt, is m. i. alleen te wijten aan de omstandigheid dat men den 
hoeksteen van dat bestuur, het erfrecht, ongemoeid heeft gelaten. 
In plaats van dit tegennatuurlijk recht, hetwelk den vader nood- 
zaakt zijne kinderen te verstoeten, den man dwingt in het huis 
van zijne vrouw en kinderen een vreemdeling te blijven, scheuring 
in elk gezin moet veroorzaken, stelle men het gewone, het natuurlijke 
recht, dat zelfs onder de ruwste en onbeschaafdste volkstammen wordt 
aangetrofien ; dat den man tot hoofd van zijn gezin, den vader tot 
beschermer en verzorger van zijne kinderen maakt; dat hem niet 
slechts de vrijheid laat, maar verplicht voor vrouw en kinderen te 



278 sümatra's westkust sedeet 1850. 

arbeiden , dat de eenheid van belang in ieder gezin niet verstoort , — 
en het verouderd en verbasterd soekoe-bestuur, dat thans nog iederen 
stap tot vooruitgang, iedere regeeringsdaad tot zedelijke en maat- 
schappelijke beschaving belemmert, soms geheel krachteloos maakt, 
valt, zonder schok en geleidelijk, in duigen om plaats te maken 
voor zoodanig gemeente- en gewestelijk bestuur als in harmonie is 
met den toestand van de Indische maatschappij , en gevorderd wordt 
om met het Europeesch bestuur tot zedelijke en materieele welvaart 
te kunnen samenwerken. 

>y"Van de werking van het soekoe-bestuur zal ik hier niet veel zeggen ; 
de onderlinge twisten en oorlogen waartoe het heeft aanleiding 
gegeven vó6r de vestiging van ons gezag in de Padangsche Boven- 
en Benedenlanden , de groote moeielijkheden welke het^ sedert de 
meer directe inmenging van ons bestuur, dit bestuur heeft in den 
weg gelegd bij iedere poging tot verbetering van het lot der bevol- 
king, zijn zoo dikwerf ter sprake gebracht, dat het schadelijke van 
dat bestuur als genoegzaam bekend en bewezen mag worden be- 
schouwd. Voor hetgeen verder met betrekking tot de adat poesaka 
dient te worden gezegd, bepaal ik mij dan ook ten aanzien van 
die werking in herinnering te brengen dat de soekoes of onder- 
deden van de laras, door den stichter van het soekoe-bestuur be- 
noemd, zich later nog vermenigvuldigd en door het geheele land 
verspreid hebben, zoodat men kampongs of gemeenten vindt, door 
b. V. soms tien verschillende soekoe's bewoond; dat iedere soekoe 
geheel onafhankelijk is van de andere, en ieder zijne eigene 
hoofden heeft, onder de titels van toewankoe, panghoeloe kapala, 
poetjoe , awoer , panghoeloe , panghoeloe ketjil of orang toewah ; dat 
het gezag van die hoofden zich niet verder uitstrekt dan over hunne 
eigen soekoe^s, in de kampong aanwezig, en dat dit gezag even 
beperkt is wanneer verscheidene kampongs een landschap uitmaken. 

fflu eene gemeenschappelijke kampongzaak moeten alle soekoe- 
hoofden die de kampong bewonen, in eene landschapszaak al de 
soekoehoofden van elke kampong die tot het landschap — doorgaans 
loerah, kota of een zeker getal kota's, zooals VU kota^s, III 
kota's, XX kota's genoemd — behoort, na voorafgegane beraad- 
slaging met de anak-boea's of stamgenooten gehoord worden en 
gezamenlijk beslissen , en daarbij is dikwijls de tegenwerking , onwil 
of onmacht van een enkel soekoe-hoofd genoeg om de overigen voor het 
nemen van een besluit huiverig of afkeerig te maken en de eindbeslissing 
in eene zaak of geheel te beletten , bf op de lange baan te schuiven. 



STTKATBA^S WtSTKUST SSDSBT 1850. ^79 

ffJk mag hier niet onopgemerkt laten dat, hoezeer de soekoe- 
regeering nog bestaat, de voortdurende aanraking met ons bestanr 
daarvan vele scherpe hoeken heeft afgerond en ongemerkt afwij- 
kingen heeft doen ontstaan , die in zekeren zin een overgang tot 
een geregeld en onbelemmerd werkend bestuur hebben voorbereid, 
en dat die overgang dus zonder vrees voor rustverstoring kan plaats 
vinden zoodra dit in verband met hervorming in de burgerlijke 
instellingen wenschelijk wordt geacht. 

^Boven is reeds ter loops aangewezen het standpunt^ waarop de 
man door dit vreemd erfrecht in het Maléische huisgezin geplaatst 
is. Hij is als een vreemdeling in het huis van zijne vrouw. Hij is 
als een vreemdeling voor zijne kinderen. Hij mag zich met hunne 
opvoeding niet afgeven. Zijne kinderen zijn hem noch gehoorzaam- 
heid, noch eerbied verschuldigd. Tusschen man en vrouw staat zeer 
dikwerf de broeder, tusschen den vader en de kinderen staat altijd 
de oom, om scheuring in het gezin, de afscheiding van belangen 
levendig te houden. De man is in het huis van zijne vrouw en 
kinderen slechts tijdelijk, maar is hij er, dan wordt hij er gevoed 
zonder tot eenigen arbeid verplicht te zijn. Hij heeft vrijheid om 
zooveel vrouwen te nemen als hij maar bekomen kan; zij kosten 
hem niets, want hier koopt niet de man de vrouw, gelijk elders, 
maar de vrouw geeft geld of geldswaarde om den man te bekomen. 
Zijn huis en eigendom is dat van zijne zuster; voor haar is hij 
verplicht te werken; voor hare kinderen moet hij hetzelfde doen 
wat in elke andere maatschappij de vader voor zijne kinderen ver- 
richten moet. Hij is dus verplicht, de banden des bloeds te ver- 
breken; hij moet zijne kinderen verstooten om vreemde kindereu 
op te kweeken. 

ivBij de neiging tot werkeloosheid, of, beter wellicht, bij den 
afkeer tot inspanning van lichaamskrachten om te arbeiden, die men 
zoo algemeen bij de Oost-Indische volksstammen aantreft, is het 
gevolg van zijne stelling dat de man hier meer dan elders de neiging volgt, 
en zeer weinig arbeidt. Zij , voor wie dè natuurwet hem zoude 
aanzetten te arbeiden^ kunnen van dien arbeid geene vruchten 
plukken , terwijl zij , die er de vruchten van zonden kunnen plukken , 
hem in den weg staan de natuurwet te volgen, hem vreemd zijn; 
waarom zal hij zich dan inspannen, om de bedoelde neiging te 
overwinnen, en te arbeiden? 

iSf Zoodra de man den gevorderden loeftijd bereikt heeft, treedt hij 
in het huwelijk, trekt bij zijne vrouw in, zoekt na eenigen tijd de 



280 6XTMAt&a''8 westkust sedeet 1850. 

gelegenheid voor een tweede , zoo mogelijk voor een derde huwelijk , 
brengt het grootste gedeelte van zijnen tijd bij zijne doorgaans in 
verschillende kampongs wonende vrouwen door, en is in het gezin, 
dat de adat hem als het zijne opdringt, zoo min mogelijk; en 
vooral is dit het geval op dien leeftijd waarin de natuurdriffcen het 
sterkst zijn, Het gezin van zijne zuster wordt door hem verwaar- 
loosd; hij arbeidt aan hunne gemeenschappelijke bezittingen niet 
meer dan het volstrekt noodige, en dit bepaalt zich doorgaans tot 
zoodanig werk in de rijstvelden als de vrouw onmogelijk doen kan. 

//En wat nu de positie of het standpunt van de vrouw betreft; 
zij,' die in de Indische maatschappij vooral veel arbeid te verrichten 
heeft en ook hier daarmede is belast, mist bovendien nog den 
steun dien zij vooral elders vindt in het hoofd des huisgezins. Zij 
staat geheel alleen voor de zorgen van haar gezin en moet alleen 
voor hare kinderen arbeiden. Den natuurlijken steun heeft de adat 
poesaka haar onthouden; die welken zij haar als steun, als hoofd 
van haar gezin heeft opgedrongen, is dat nimmer, hij onttrekt zich 
om de boven aangeduide redenen, zooveel hij maar kan aan zijne 
verplichtingen. De vrouw is dus belast èn met zwaren arbeid, èn 
geheel alleen met de zorgen voor voeding en opleiding van hare 
kinderen. Voor een groot getal kinderen gaat dit boven hare 
krachten^ en om zulk een hachel ijken toestand te voorkomen zorgt 
de vrouw dat zij niet meer dan twee, hoogstens drie kinderen te 
verzorgen heeft; een huis waar men meer kinderen vindt is dan ook 
een zeer groote zeldzaamheid, avortement is het middel dat hiertegen 
wordt aangewend. 

iv Zoolang de vrouw jong Is, bedient zij zich daarvan om den 
voortgang van hare zwangerschap te stuiten; eerst na geruimen tijd 
gehuwd te zijn geweest laat zij de vrucht tot rijpheid komen. Hoe 
afschuwelijk dit middel ook elders gevonden wordt, hier ziet men er 
geen kwaad in. 

^De gewoonte heeft hier die misdaad tot een gebruik gemaakt, 
waarvoor men zich niet eens schaamt. Dit is zoozeer het geval , dat 
eeuige jaren geleden een der vrouwen van een voornaam Maleisch 
hoofd aan de echtgenoot van een onzer ambtenaren te Paja Combo, 
die verscheidene kinderen had , de vraag deed waarom zij toch haar 
gezin zoo talrijk liet worden; het antwoord, dat bevreemding over 
zulk eene vraag aanduidde, werd gevolgd door de onbewimpelde 
verklaring , dat elke Maleische yrouw het middel wist en aanwendde 
om zulk een aanwas van kroost te beletten , en het zich tot eene 



StJlCATRA^S WÏSTKUST SEDERT l85Ö. 28l 

schande zonde rekenen , meer dan twee of drie kinderen te hebben. 
Wanneer het gewone middel dat tot verstoring der zwangerschap 
wordt aangewend — een sterk afdrijvende drank — niet baat, dan 
schroomt de vronw niet, zich aan folteringen te onderwerpen die 
haar niet zelden voor verdere bevruchting ongeschikt maakt. 

//De adat poesaka heeft dus, in de gevolgen, den vader geplaatst 
op het laagste maatschappelijke standpunt — alleen zijne dierlijke 
lusten behoeft hij te volgen — , en de moeder gemaakt tot kinder- 
moordster. 

vWat ten aanzien van het soekoe-bestuur gezegd is, geldt nu 
wel is waar ook hier: de aanhoudende aanraking met ons bestuur 
heeft de adat-poesaka wel hier en daar van hare kracht doen ver- 
liezen , ontduiking daarvan is van lieverlede wel minder zeldz^m 
geworden; de twisten ovc* daarvan afwijkende uiterste wilsbeschik- 
kingen leiden wel niet meer tot dadelijkheden en prang hcdoe; door 
de geregelde bearbeidiug der rijstvelden , waartoe de man verplicht 
wordt, is het eerste voedingsmiddel thans | goedkooper dan een 
tiental jaren geleden , en is het voor de moeder minder bezwarend 
dan vroeger, om in het onderhoud harer kinderen te voorzien; 
avortement zal daardoor ook wel minder zijn, maar evenwel bestaat 
die adat nog altijd als eene wet die opgevolgd moet worden. En 
dat in eene maatschappij , waarvan een der grondslagen den vader 
tot plicht stelt, de heiligste natuurbanden te verbreken en de moeder 
belet de natuurlijke vermeerdering van haar, geslacht als eene 
gewoonte aan te nemen , zedelijke beschaving onmogelijk is en 
vooruitgang en ontwikkeling in materieelen zin in den hoogsten graad 
belemmerd wordt, zal wel geen betoog vereischen, en evenmin 
de noodzakelijkheid om het kwaad weg te nemen zoodra daartoe de 
mogelijkheid bestaat. 

//Het komt hier dus voornamelijk aan op de vraag: bestaat die 
mogelijkheid; kan men dit -erfrecht dat, hoe tegennatuurlijk het 
in ons oog ook zijn moge, hier de kracht van wet heeft en sedert 
onheugelijke tijden geëerbiedigd is, door een natuurlijk en billijk 
recht vervangen zonder eene geheele bevolking, die eene reeks van 
jaren om het behoud harer instellingen gestreden heeft en nu de 
vruchten van eenige jaren rust begint te plukken , opnieuw tot 
opstand te brengen en aan oorlog prijs te geven? 

//Naar mijne gemoedelijke overtuiging bestaat die mogelijkheid 
volkomen ; men zal , door deze hervorming in de gebruiken , de rust 
niet verstoren , om de eenvoudige reden dat men , bij eene doelmatige 



282 suhatra's westkust si^pebt 1850, 

leiding., niet tegen den wil , maar gesteund door de groote m^rder- 
heid der bevolking haar zal kannen tot stand brengen. 

//Ik zal trachten dit duidelijk te maken. 

//Hoewel men de vroegere geschiedenis van dezen Maleischen 
volksstam uit de verwarde verhalen en ov,erleveringen , die daarvan 
bestaan, bezwaarlijk kan opmaken, blijkt echter daarnit^ en uit 
hetgeen sedert de vestiging der O. I. Ck)mpagnie op Sumatra is 
bekend geworden, dat, door alle tijdvakken heen^ voortdurend onder- 
linge twisten geheerscht hebben van meer of minder ernstigen aard, 
doch die steeds met de wapens beslecht moesten worden; langdurige 
rust heeft men er niet gekend. 

//Het mannelijk geslacht was onder de wapenen, of oefende zich 
om tegen een ophanden oorlog voorbereid te zijn. De jeugd werd 
tot den wapenhandel afgericht , niet tot arbeid opgeleid. Het gevolg 
daarvan was, dat de man eigenlijk nimmer tehuis was, een zwervend 
leven leidde, en in het bijzonder gebaat werd door instellingen die 
hem met weinig zorgen belastten, aan geen liuis noch arbeid bonden 
en vrijheid lieten om den tijd, dien hij niet aan vechten of aan 
nimmer eindigende beraadslagingen moest besteden, in ledigheid^ 
met hanenvechten of dobbelspelen door te brengen., 

//Sedert 1841 is in dien toestand eene aanmerkelijke verandering 
gekomen. Met den val van Batipoe was de laatste hinderpaal, die 
ons gezag in den weg stond, de laatste aanleiding tot twist en 
verzet weggenomen. Gedurende deze en vroegere worstelingen waren 
alle kampongs, vroeger kunstmatig versterkt, ontmanteld en was 
de bevolking geheel ontwapend. 

^In 1844 werd het altijd weerspannige Pau voor goed ten onder- 
gebracht; evenzoo ^ in 1845, eenige aan de Zuid-Oostelijke grenzen 
gelegen districten, die voortdurend tot schuilplaats strekten van 
rustverstoorders en uit de onderworpen landen gevluchte misdadigers. 
Na dat jaar is de rust niet meer gestoord geworden. 

^Onder het bestuur van den Gouvemeur-Qeneraal Bochussen hield 
de tegenwerking, met welke de generaal-majoor Michiels voortdurend 
had te worstelen^ gehad, geheel op en werd zij vervangen door 
krachtige medewerking. 

^Het vertrouwen van dien Landvoogd schonk den generaal de 
macht en de vrijheid om zoodanige administratieve maatregelen te 
nemen en regelingen in te voeren als noodig en doelmatig waren 
geacht, in de eerste plaats om de volksvoeding te verzekeren, en 
wijders om Sumatra, van den staat van lastpost, waarin het voort- 



SUMATUA^S WESTKUST SEDERT 1850. 283 

durend verkeerd had, te brengen tot eene winstgevende bezitting. 

»De arbeid in de rijstvelden werd na geregeld, en evenzoo het 
aanleggen van nieawe en het verzorgen van reeds bestaande koffie- 
tuinen, het maken van wegen voor voertuigen enz. enz. De oorlog- 
zuchtige Maleier werd in een zeer kort tijdsbestek herschapen in 
landbouwer , met dat gevolg dat het artikel van eerste levensbehoefte 
(rijst) dat bv. te Padang en omstreken met ƒlOèiƒllde pikol 
betaald werd, twee jaren later voor ƒ2.50 ^ ƒ 3 verkrijgbaar was; 
dat drie jaren later van dat graan, dat jaarlijks, van de golf van 
Bengalen en Java, met scheepsladingen moest worden aangebracht 
om in de behoefte te voorzien, meer dan 70.000 pikols naar Java 
werd uitgevoerd; en eindelijk, dat, vier jaren na de invoering van 
deze regeling, dit deel van Sumatra, dat jaarlijks meer dan Ij- 
millioen als subsidie van Java noodig had , reeds eenige tonnen gouds 
afwierp en thans zeker jaarlijks even zooveel tot stijving van het 
batig slot bijdraagt als het er vroeger van verslond. 

^Het gevolg van dezen veranderden stand van zaken is dat de 
vroeger zwervende en ledigloopende Maleier thans èn aan plaats , èn 
aan arbeid gebonden is; dat hij thans als het ware gedwongen is 
om in landbouw of nering voordeel te behalen; dat hij thans behoefte 
heeft aan een werkelijk te huis, aan een gezin; dat hij nu, zijne 
kinderen meer dan vroeger in zijne nabijheid ziende opgroeien, 
sterker tot hen getrokken wordt, en de natuurlijke neiging om zich 
met hunne verzorging af te geven, om, nu hij toch werken moet, 
voor hem te kunnen werken, zich meer geweld moet aandoen om 
de adat te volgen. Nu hij de behoefte aan een wezenlijk gezin heeft 
leeren kennen, voelt hij het schreeuwend onrechtvaardige van die 
adat, maar durft uit eigen beweging, door vooroordeel, eerbied voor 
de oude instellingen of bijgeloovige vrees voor den bedreigden vloek 
teruggehouden, er niet openlijk de hand aan slaan. Daartoe moet 
hij voor eigen gemoedsrust, voor verantwoording jegens anderen, 
door dwang genoodzaakt worden; en ik geloof niet te veel te zeggen 
wanneer ik er bijvoeg, velen verlangen naar dien dwang. 

éf]lGi is op grond van deze beschouwing dat ik boven zeide: 
men zal de terzijdestelling van de adat poesaka niet tegen den 
wil , maar ondersteund door de groóte meerderheid van de bevolking 
tot stand kunnen brengen. 

//Het is bier de plaats tot de verklaring, dat noch het denkbeeld 
omtrent de volstrekte noodzakelijkheid van de afschaffing der adat 
poesaka, noch dat omtrent de mogelijkheid van die afschaffing 



^84 SUMATKA^S WESTKUST SEDERT l85Ö. 

zonder nistverstoring van mij oorspronkelijk is; het was de overtuiging 
van den generaal Michiels, wiens denkbeelden over dit belangrijk 
onderwerp ik meermalen heb mogen hooren, en wiens overtuiging 
ik volkomen deelde. * Ik voeg er bij , dat hij reeds in 1848 voor- 
nemens was om , nadat de sedert 1845 ingevoerde orde van zaken 
wat bestendigd zoude zijn, het tegennatuurlijk erfrecht door dat in 
de rechte lijn te doen vervangen, en hij zich voorstelde daartoe 
spoedig de hand aan het werk te slaan. 

iv Zeker is het dat, zoo hij niet te Bali gesneuveld was, de dik- 
werf genoemde adat die , naar zijn gevoelen , nog TioofdzakeUjk de 
snelle ontwikkeling en aanwas der bevolking in den weg stond, 
reeds tot de verleden gebruiken zonde behooren. 

/^Als eene tweede autoriteit, wiens kennis van Sumatra wel niet 
betwijfeld zal worden , zal ik aanhalen den kolonel A. Yan der Hart. 
Ook hij deelde het gevoelen van den generaal Michiels geheel, en 
werd daarin meer en meer gestijfd door hetgeen hij in vertrouwe- 
lijke gesprekken van sommige hoofden in Agam vernam, wanneer 
hij als ter loops de vreemde adat poesaka ter sprake bracht. Ook 
hij putte daaruit de overtuiging dat men onder die adat gebukt 
ging, dat allen zouden toevallen wanneer men eene hervorming in 
dit opzicht 20ude willen invoeren, maar dat geen Maleier, van 
welke geboorte of invloed ook, zich zoude wagen om het eerst als 
openlijk bestrijder van die adat op te treden. 

/ir Door met de aangehaalde autoriteiten aan te nemen dat men 
dit erfrecht zou kunnen afschaffen , zonder de rust in gevaar te bren- 
gen, wil ik echter niet beweren dat de uitvoering als zoo gemak- 
kelijk moet worden beschouwd. Het tegendeel is waar, want eene 
geheele hervorming zal er het gevolg van moeten zijn, en het is 
om daarop de aandacht te vestigen dat ik getracht heb, hierboven 
aan te toonen dat dit recht niet op zich-zelf staat, gelijk wel eens 
beweerd is, maar in de geheele huishouding ingeweven. Met de 
wijziging van het erfrecht moet men dus op die van de daarmede 
in verband staande instellingen bedacht zijn. Men zal dus, al heeft 
men geen feitelijk verzet te duchten , met geen oorlog of opstand 
te doen, genoeg moeielijkheden , met veel schijnbare, hier en daar 
ook met wezenlijke tegenwerking te worstelen hebben; maar men 
zal die door vasthoudendheid en geduld kunnen overwinnen , en dan 



1 Andresen was als kapitein sedert 1843 tadjoint van den generalen stafi ter 
Sumatra's Westkost gewee^-t en daardoor veel in aanraking gekomen met Michiels. 



sumatra's westkust sedert l85Ó. 285 

mag men zich, naar mijne meening, door overdreven vrees voor 
die moeielijkheden niet laten teraghouden of afschrikken. 

//Evenals wel eens meer heeft plaats gevonden, kan men hier 
in het bijzonder als bezwaar aanvoeren de toezegging, welke aan de 
bevolking gedaan is van behoud hunner politieke en huishoudelijke 
instellingen , zoodat men , om daaraan getrouw te blijven , geene dier 
instellingen mag aantasten , waardoor eene wijziging van alle onver- 
mijdel ijk wordt. In ernst kan dit bezwaar echter niet opgaan. 

/i^Zeer zeker ligt de grootsie kracht van ons bestuur, de zekerste 
waarborg voor de voortdurende handhaving van ons oppergezag in 
den Oost-Tndischen Archipel in de eerbiediging der instellingen van 
de volksstammen die wij overheerschen ; die eerbied moet dus op 
den voorgrond staan en blijven staan, maar met de meeste vast- 
houdendheid aan dit beginsel kan het toch wel nimmer in de be- 
doeling liggen, dit zoover uit te strekken. Even onverantwoordelijk 
als het naar mijn inzien wezen zoude, om onschadelijke instellingen 
aan te tasten ten einde utopiën na te jagen, of om die volksstammen 
op den zoogenaamden weg van beschaving en vooruitgang plotseling 
en door kunstsprongen afstanden te doen afleggen waartoe de Euro- 
peesche volkeren eeuwenlang hebben noodig gehad ; even onverant- 
woordelijk zoude ik het noemen indien men, onder die instellingen ^ 
de zoodanigen liet bestaan en eerbiedigde welke de zedelijke en 
stotfelijke belangen ondermijnen en geleidelijken vooruitgang in den 
weg staan, wanneer de mogelijkheid daar is om die zonder ver- 
nielende schokken te wijzigen. 

ffDit laatste is met de adat poesaka het geval. 

a De gebrekkige werking van ons gezag , gepaard met den staat van 
beroering waarin Sumatra gedurende eene reeks van jaren verkeerde , 
maakte h»t vroeger onmogelijk , met goed gevolg hieraan de hand 
te slaan; nu zijn deze onoverkomelijke bezwaren niet meer aanwezig 
en het is m. i. plichtmatig, het kwaad weg te nemen dat men 
vroeger dulden moest. 

/'Ik wenschte uit dien hoofde de aandacht [der Regeering op dit 
onderwerp te vestigen, en als middel tot ontwikkeling der zedelijke 
belangen van deze bevolking voor te dragen, om, zoo spoedig zulks 
raadzaam zal voorkomen, over te gaan: 

10. tot afschafBng van het hier onder den naam van adat poesaka 
bestaande erfrecht, en daarvoor in de plaats te stellen het erfrecht 
in de rechte lijn; 

2o. in verband daarmede , regeling van den overgang der soekoe- 
5e Vo!gr. Vn. 19 



286 SUICATRA^S WSSTKUST SEDERT 1850. 

bezittingen in gemeentegronden en in persoonliik eigendom. Met 
andere woorden : de soekoegronden te splitsen in gemeente- en per- 
soneele eigendommen, met gelijktijdige instelling van particulier of 
persoonlijk grondbezit; 

8®. als een onvermijdelijk uitvloeisel van n*. 1 en 2, het thans 
nog bestaande soekoe-bestuar geleidelijk te doen vervangen door 
kampongs- of gemeenten- en landschaps-bestuur. 

éfTen aanzien van het 1ste punt acht ik het overbodig, iets meer 
te zeggen. 

^ Wat het 2de aangaat , zij opgemerkt dat particulier grondbezit 
hier niet bestaat; elke soekoe heeft haar eigen, afgescheiden gron- 
den , als gemeenschappelijk eigendom van den stam , in bezit , waar- 
van elk lid een deel in vruchtgebruik heeft, welk recht hij door 
ontginning of door erfenis heeft verkregen en dat op zijne erfgenamen 
overgaat. Volgens de adat poesaka kmmen dit niet anders zijn dan 
leden van zijn eigen soekoe^ en bijgevolg blijft het recht op den 
algemeenen eigendom en dat van individueel vruchtgebruik altijd 
vereenigd in ééne soekoe. De vruchtgebruikers die den grond be- 
werken en de hoofden welke daarover toezicht houden, zijn en 
blijven van denzelfden stam, wat vooral gevorderd wordt omdat geen 
hoofd over eenig lid van eene andere soekoe dan de zijne eenig 
gezag mag uitoefenen. Bij verandering van het erfrecht in de rechte 
lijn erven de kinderen èn van den vader èn van den moeder; 
beider bezittingen liggen in afsonderlijke soekoe-eigendommen , de 
er^enamen verkrijgen dus recht op den algemeenen eigendom en 
op persoonlijk vruchtgebruik in twee soekoe's; anderen dan stamge- 
nooten komen daardoor als rechthebbenden op , en het afgezonderd 
houden van de soekoe-bezittingen wordt daardoor feitelijk onmogelijk. 
Het beste middel , om hier verwarring en oneenigheden te voorkomen 
schijnt 1^. de onbebouwde eigendommen van alle soekoe^s in eene 
kampong tot gemeentegronden te verklaren , waarop ieder bewoner 
dezelfde aanspraak heeft als thans bij elke soekoe het geval is ; 
2«. de reeds ontgonnen gronden , die nu in vruchtgebruik zijn en 
geregeld bebouwd worden, in vollen eigendom aan de tegenwoordige 
bezitters van dat recht af te staan. 

ivDe instelling van particulier grondbezit zal hier het voordeel 
hebben dat de landen bij verandering van woonplaats niet onbe- 
bouwd behoeven te blijven , en bij huwelijken , die nu wel met 
samenwoning gepaard zullen gaan, voor den echtgenoot die zich 
verplaatst waarde behouden, vermits hij zijne gronden zal kunnen 



SUMATRA^S WESTKUST SEDEBT 1850. 287 

verhuren of verkoopeii, hetgeen thans niet het geval zoude zijn. 

>yOverigen8 meen ik dat men reeds in 1845 te Padang begonnen 
is , gronden als particulier eigendom uit te geven , waardoor ont- 
ginning bevorderd is en goede resultaten verkregen zijn. 

f^Met betrekking tot den overgang van het soekoe-bestuur tot 
kampongs- en districtsbestuur is boven reeds gezegd, dat door voort- 
durende aanraking met ons bestuur reeds veel verzwakt is; wel 
heeft iedere soekoe nog hare eigen hoofden, maar van lieverlede 
heeft in iedere kampong een dier hoofden een zeker overwicht ver- 
kregen; de veranderingen, onder 1 en £ bedoeld, stellen bovendien 
gemeenschappelijke belangen daar , die afscheiding overbodig maken ; 
de overgang zal daardoor zeer bevorderd worden en kunnen plaats 
hebben wanneer men het dienstig zal achten. Het best zal men doen 
door de tegenwoordige soekoe-hoofden te laten bestaan en uit hen 
een of meer door de keuze van de belanghebbenden als hoofd en 
onderhoofden der kampongs te doen aanwijzen, en hetzelfde ook 
ten aanzien der landschapshoofden in acht te nemen. 

«'Het middel, om tot deze hervormingen te geraken, moet, naar 
mijn inzien , bestaan in schijnbaren dwang met wezenlijke overreding. 

/i'Onder //schijnbaren dwang>y versta ik hier het bevel tot de 
afschaffing, zonder daaraan het denkbeeld te verbinden dat geweld 
te hulp moet of kan komen om dat bevei ten uitvoer te brengen. 

ffJ)wdLng moet er voor het oog van den inlander zijn, om de 
reeds aangegeven reden ; maar hij moet niet anders werken dan 
als oorzaak waarom men naar het doel moet streven, overreding 
moet het middel zijn om het doel te bereiken. 

^Over de wijze van aanwending in détails te treden kan hier 
wel niet te pas komen. Ik onderstel in het hoofd van het gewestelijk 
bestuur, dat deze schoone en gewichtige taak zal hebben te vol- 
brengen, de gemoedelijke overtuiging van de noodzakelijkheid en 
van de mogelijkheid der hervorming, gepaard met eene volledige 
kennis van de Maleische huishouding. Ik onderstel tevens dat hij 
de invloedrijkste hoofden en priesters kent, dat hij deze door over- 
reding, altijd gesteund door het dwangbevel, voor de zaak zal 
winnen en van hen zoodanig gebruik zal weten te maken dat alles 
is voorbereid en de grootste moeielijkheden door overleg gekend en 
uit den weg geruimd zijn alvorens tot de werkelijke stappen van 
uitvoering over te gaan ; en de weg daartoe wijst zich dan van zelf. 

>fTot besluit zal ik, als bewijs wat overreding — waarop hier 
voornamelijk gerekend moet worden — op den Maleier vermag 



288 sumatba's westkust sedert 1850. 

wanneer daarvan op eene doelmatige wijze wordt gebruik gemaakt, 
wijzen op de aangelegde wegen voor voertuigen, waarmede het 
hoogst moei el ij ke terrein van de Padangsche boven- en benedenlanden 
thans doorsneden is ; aan dat werk hebben , gedurende 4^5 jaren, 
dagelijks eenige duizende menschen gearbeid; daarbij is geen middel 
van geweld aangewend, daarbij is geen enkel gewapend militair 
verschenen , en het moeiel ijke werk is zonder tegenstreving tot stand 
gebracht; niemand onttrok zich aan den arbeid zoodra de nood- 
zakelijkheid was aangenomen. Als een tweede voorbeeld kan nog 
worden gewezen op de afschaffing van de djoedjoer in een gedeelte 
van het Palembangsche , door den luitenant-kolonel De Koek.// 

Aldus luidde de nota , door de Staatscommissie voor de kolonisatie 
//hoogst belangrijk «^ en /rder kennisneming o verwaardig// geacht als 
afkomstig van een harer leden /i^die door vroegere stelling van dit 
onderwerp eene bijzondere kennis mocht opdoen// (rapport aan den 
Koning, van 24 December 1857 L* B geheim). Gelijk wij reeds 
zeiden , had de Staatscommissie , waarvan de oud-Grouverneur- 
Qeneraal Bpochussen voorzitter en de gewezen Gouverneur van Bomeo 
Weddik, de leden der Tweede Kamer Baron Mackay (later Ijord 
Reay) en Baron Sloet tot Oldhuis, de gewezen Gouverneur der 
Moluksche eilanden Jeekel , de hoogleeraar Donders , de gewezen 
residenten Gallois en Willer en de suikercontractant op Java Van 
Heel met Andresen leden waren; had die Staatscommissie, uit in 
verschillende richtingen kundige mannen samengesteld, zich vol- 
komen met Andresen's zienswijze vereenigd, geen enkel bezwaar 
was hiertegen bij haar gerezen. 

Toch zon f bij nader onderzoek . blijken dat Andresen , door 
onvoldoende kennis van de Maleische huishouding , de zaken gansch 
verkeerd had ingezien. De openbaarmaking der uitkomsten van dat 
nader onderzoek kan ook daarom thans nog nuttig zijn, omdat 
wellicht te eeniger tijd wederom soortgelijke hervormingsplannen 
zouden kunnen worden te berde gebracht; en omdat zij ten duidelijkste 
in het licht stellen, dat gebrek aan voldoende kennis van plaatselijke 
toestanden gemakkelijk tot zeer eenzijdige beschouwingen en valsche 
gevolgtrekkingen aanleiding geeft. 

De eerste adviseur was de resident der Padangsche Bovenlanden, 
de heer H. M. Andrée Wiltens (missive van 25 September 1861 
geheim Ia M.) Het is ons onnoodig voorgekomen , diens rapport 
in extenso weder te geven: de belangrijkste gedeelten daarvan worden 



SUMATBA^S WESTKUST SEDERT 1850. 289 

iu het rapport vau den generaal De Braaw aangehaald, en het zal 
voldoende zijn hier nog slechts enkele zinsneden terug te ge^en, 
waar uit de meening vau den resident voldoende blijkt. 

De voorstellen van den (sedert tot kolonel bevorderden) heer 
Andresen -- zoo schreef deze — ^komen op niets meer of minder 
neder dan om het gansche Maleische staatsgebouw te sloopen en op 
geheel nieuwe grondslagen weder op te trekken. 

>i^Tot het doen van zoodanige voorstellen behoort gewis moed , 
maar meer moed nog is er noodig om ze , hoe uitvoerbaar ook voor- 
gedragen, tot uitvoering te brengen.// 

En na — gelijk wij nader zullen zien — te hebben betoogd dat 
de adat ook hare goede zijde, en niet al de slechte gevolgen had 
welke de kolonel Andresen haar had toegeschreven ; dat de bevolking 
hare afschaffing geenszins verlangde; dat welvaart, rust en tevreden- 
heid onder het volk heerschen en het dus roekeloos zou zijn den 
goeden gang van zaken ^ waarvan het ontstaan zooveel opofferingen, 
volharding en beleid had gevorderd, te verstoren, schreef hij: 

>/Het is in den regel niet moeielijk , de gebreken eener zaak aan 
te wijzen; ook niet om gewaande middelen tot wegneming daarvan 
aan te geven ^ als men vau de uitvoering slechts de verantwoorde- 
lijkheid niet draagt . . . Een eeuwenlange bestaande toestand kan 
niet als met een tooverslag herschapen worden, en met de opper- 
vlakkige kennis , die wij over het algemeen van het volkskarakter 
verkrijgen , kan het niet dan onheilspellend zijn om de maatschap- 
pelijke instellingen der Maleiers naar onze betere beschaafde begrippen 
te wijzigen.// 

Het advies van den generaal De Brauw, d.d. 12 November 1861 
geheim no. XXVII, is van den volgenden inhoud: 

//De kolonel Andresen zegt o. a. tot staving van zijn gevoelen 
omtrent de noodzakelijkheid van de afschaffing der adat poesaka en 
omtrent de mogelijkheid van die afschaffing zonder rustverstoriug , 
dat dit de overtuiging was van den generaal Michiels, wiens denk- 
beelden hij over dit belangrijk onderwerp meermalen mocht hooren , 
en wiens overtuiging hij volkomen deelde; dat de generaal reeds in 
1848 voornemens was om, nadat de sedert 1845 ingevoerde orde 
van zaken wat bestendiger zou zijn , het bestaande, tegennatuurlijke , 
erfrecht door dat in de rechte linie te doen vervangen, en dat 
wijders^* zoo de generaal Michiels niet ware gesneuveld, de adat 
poesaka, die nog hoofdzakelijk de snelle ontwikkelingen aanwas der 



290 sumatea's westkust sedert 1850. 

bevolking in den weg staat, reeds tot de verleden gebraiken zonden 
behooren. Als eene tweede autoriteit, ^ wiens kennis van Sumatra 
wel niet betwijfeld zal morden//, wordt de kolonel A. Van der Hart 
aangehaald. Ook deze^ zegt de kolonel Andresen, deelde het ge- 
voelen van generaal Michiels, en werd daarin meer en meer gestijfd 
door hetgeen hij in vertrouwelijke gespekken van sommige hoofden 
in Agam vernam, wanneer hij als ter loops de vreemde (P) adat 
poesaka ter sprake bracht. Te bejammeren is het, dat deze beide 
eminente landsdienaren , die , zooals de kolonel Andresen terecht aan- 
merkt , den toestand op Sumatra's Westkust en de waarde der huis- 
houdelijke instellingen en de gehechtheid der bevolking aan deze 
zoo geheel konden beoordeelen, sinds zijn overleden, omdat, hoe- 
zeer de kolonel Andresen in zijne nota wil aantoonen langs welken 
weg wij de afschaffing der adat poesaka zouden moeten bereiken, 
wij toch, door hen voorgelicht, zeker nog beteren weg zouden 
kunnen inslaan; maar noch in het archief van den Gouverneur van 
Sumatra^s Westkust, noch in dai van den resident der Padangsche 
Bovenlanden is iets te vinden wat, van hen afkomstig, ons daarbij 
als leiddraad zou kunnen dienen ; zelfs blijkt uit geen enkel stuk van 
hunne hand of door hen geteekend, dat zij inderdaad de meening 
hebben gedeeld dat de adat poesaka hoe eerder hoe liever afgeschaft 
behoorde te worden. 

//Integendeel bevinden zich in het archief vele stukken, die aan- 
toonen dat de generaal Michiels eene geheel anvlere meening aan- 
kleefde. Dit laatste erlangt bevestiging, wanneer wij raadplegen de 
beide belangrijke brochures, in 1845 en 1S48 door hem geschreven, 
in 1846 en 1851 door de drukpers ter kennisse van het algemeen 
gebracht. Onderscheidene uitdrukkingen^ daarin opgenomen , bewijzen 
dat juist de bestaande huishoudelijke instellingen van de Maleiers 
door hem hoog werden geschat; niet juist omdat zij zoo voor- 
treffelijk waren, maar omdat, met hetgeen daaraan van onze zijde 
werd toegevoegd om een behoorlijk ingericht bestuur te vormen, 
een onverbreekbaar geheel werd verkregen waardoor rust en orde op 
vaste gronden waren gevestigd.// 

De generaal De Brauw haalt hierna aan wat generaal Michiels 
op bl. 41 en 42 van de eerste, op bl. £5 en 26, 47 en 48 van 
de tweede brochure schreef, en vervolgt dan: 

i/Men vergeve mij deze aanhalingen uit een paar niet genoeg te 
schatten werkjes. Zij waren noodzakelijk om te bewijzen dat de 
kolonel Andresen m. i. den generaal Michiels ten onrechte beticht 



SUMATBa'si westkust 9SDBBT 1850, ^91 

als het voornamen te hebben opgevafc om de adat poesaka, den 
hoeksteen der Maleische bevolking, omver te werpen. Immers zij 
toonen duidelijk aan dat^ hoezeer de generaal Michiels de gebreken 
dier instellingen ten volle erkende , hij echter begreep dat die gebreken 
juist strekten om onze heerschappij gewenscht te makeu. Zooals 
nergens elders in Indië bestaat, is het deel, hetwelk wij aan het 
bestuur der Maleische huishouding hebben aangebracht, daarmede 
volkomen harmonisch^ en onmisbaar, om rust en orde te bewaren en 
bij de bevolking een hoogen trap van welvaart te ontwikkelen. 

fflk achtte het tevens noodzakelijk om, alvorens de nota ran den 
kolonel Andresen in beschouwing te nemen , duidelijk aan te toonen 
dat hij alleen staat, indien hij vermeent dat de afschaffing der adat 
poesaka eene zoo gewenschte, zoo gemakkelijk uit te voeren zaak was. 

^Ik geloof, dat aan zijne nota die belangrijkheid niet zou zijn 
toegekend, indien zij niet schijnbaar steunde op de meeningen van 
generaal Michiels en kolonel Van der Hart over dit onderwerp. De 
kolonel Andresen toch kwam, hoelang hij ook op Sumatra geweest 
zij , uit den aard zijner betrekking nooit in direct contact met de 
binnenlandsche bevolking. Al wat hij daaromtrent weet, berust op 
hetgeen hij van anderen, misschien ook wel van enkele hoofden 
(zeker laras- of andere , door ons aangestelde of bezoldigde hoofden , 
wier getuigenis niet onpartijdig is en die ons naar den mond praten 
om zich aangenaam te maken) kan hebben vernomen, zoodat aan 
zijn oordeel op zich-zelf geen groote waarde mag of kan worden 
toegekend. 

^Wij zullen onderzoeken : 

êerêtelijk: of de adat poesaka in wezenlijkheid de aanwas en de 
ontwikkeling der bevolking belet , of haar wel met recht de nadeelen 
kunnen worden toegeschreven met welker bezit zij wordt beticht, 
en of die nadeelen , daar waar zij inderdaad bestaan , niet in andere 
oorzaken moeten gevonden worden; of mitsdien inderdaad de af- 
schaffing der adat poesaka dringend noodzakelijk, ja doelmatig te 
achten is; 

ten tweede: of het meerendeel der bevolking hare afschaffing 
wenscht, en die geleidelijk en gemakkelijk zou kunnen worden 
uitgevoerd. 

//De adat poesaka, de Maleische instelling omtrent het erfrecht, 
sluit de kinderen wel uit van de erfenis van hunnen vader, maar 
niet van die hunner moeder. Goederen van hunnen vader komen 
aan zijne zuster of hare kinderen, of aan zijnen broeder, of aan 



292 SUMAT&A^S WESTKUST SEDE&T 1850. 

verdere bloedverwanten van moederszijde, zooals door den kolonel 
Andresen bereids is verhaald. De oorsprong van die instelling, zon- 
der tot de legende onze toevlncht te nemen, ligt voornamelijk in 
de meerdere zekerheid die bestaat, dat de erfenis aan personen ver- 
valt, aan wier bloedverwantschap met den overledene geen twijfel 
kan bestaan. Het vaderschap is toch uit den aard der zaak onzeker 
en hangt geheel, of althans grootendeels, af van de braafheid en 
trouw van de vrouw met wie men zich verbonden heeft. Het huis- 
gezin, zooals wij dat begrijpen, bestaande uit man, vrouw en kin- 
deren, vindt men dus niet bij den Maleier uit deze streken ; en dat 
een dergelijke stand van zaken ons moet treffen, en dat wij vooral 
daaraan toeschreven al de nadeelen welke ons van de maatschappij , 
waarin zij bestond, in het oog vielen was natuurlijk, — al was 
bij nader onderzoek die gevolgtrekking onjuist. 

ffWst ons tegennatuurlijk voorkomt is dat niet voor den Maleier, 
die onder de adat poesaka geboren, opgevoed en grootgebracht is. 
Integendeel, indien hij plotseling, zonder voorbereiding , in een land 
werd overgebracht waar zijn adat poesaka niet bestond, maar ons 
natuurlijk voorkomend erfrecht in de rechte lijn en het daaruit voort- 
vloeiend huisgezin van man, vrouw en kinderen^ dan zou hij dit 
voorzeker even verwerpelijk en onnatuurlijk vinden als wij zijne 
instelling beschouwen. Hij zou de verkeerdheden , welke zeker in 
geen mindere mate, hoewel van anderen aard, in onze maatschappij 
worden gevonden, met evenveel recht als wij die zijner maatschappij 
aan de adat poesaka, aan het erfrecht in de rechte lijn kunnen 
toeschrijven. Evenmin als wij kunnen goedvinden dat kinderen niet 
van hunnen vader erven , evenmin zou hij begrijpen kannen waarom 
zij niet van den broeder hunner moeder de goederen verkrijgen 
welke hij bij zijn overlijden mocht nalaten. Ik herhaal het hier op- 
zettelijk , de meerdere zekerheid van de bloedverwantschap in de 
vrouwelijke lijn regelt hier het erfrecht; en hoe verkeerd wij dit 
ook vinden, hoe abnormaal ons dit ook voorkomt, in het oog van 
den Maleier is het zulks voorzeker niet. 

4r Hierbij mag niet onopgemerkt blijven dat de adat poesaka, in 
een land waar de polygamie in zwang is , voortreffelijk werkt. Immers , 
de kinderen erven , volgens de adat , van hunne moeder , niet van 
hunnen vader. Al heeft de man dus ook meer dan eene vrouw, al 
heeft hij ook vele kindereu, zijne goederen worden niet versnipperd, 
want de kinderen erven van hem niet, 't Is waar, ook de vrouw kan 
vele kinderen hebben; maar behalve dat de poesaka niet altijd hoof- 



sumatba'^s westkust sedeut 1850. 293 

delijk wordt verdeeld, zal het toch zelden gebeuren dat éene vrouw 
moeder wordt van een grooter aantal kinderen dan één man bij 2, 
3 of 4 vrouwen kan verwekken. Het blijft dus nog de vraag, 
waar de kinderen meer voordeel genieten: onder ons erfrecht, of 
dat van de adat poesaka. 

//Ik erken ten volle dat de Maleische instellingen niet gunstig 
zijn voor het &milieleven, wanneer door &milie verstaan wordt het 
huisgezin , bestaande uit man , vrouw en de kinderen van het echt- 
paar. Maar zij zijn daarvoor wel gunstig, wanneer men door familie 
begrijpt de bloedverwantschap. Onder onze instellingen gebeurt het 
dikwijls dat kinderen van hunne ouders, ouders van hunne kin- 
deren, broeders en zusters, onderling van elkander vervreemden, 
doordien ieder kind^ zoodra het in het huwelijk treedt, een eigen 
huisgezin verkrijgt. Bij de Maleiers daarentegen blijven allen, die 
in de vrouwelijke lijn aan elkander zijn vermaagschapt, in één 
huis bijeenwonen zoolang het huis daarvoor groot genoeg is. 

>rUe adat poesaka vormt verder een belangrijk tegenwicht tegen 
den invloed van orthodoxe geestelijken, want de adat is lijnrecht 
in strijd met de voorschriften van den Koran. Zij is dus een doorn 
in het oog van den rechtzinnigen Mohammedaanschen priester; en 
zoo het hem niet gelukken mag, hierin verandering te brengen, 
dan is dat een bewijs dat zijn invloed nog niet groot is. 

4^De adat poesaka belet volstrekt niet , zooals de kolonel Andreseu 
zegt, den aanwas en de ontwikkeling der bevolking; de werkelijk- 
heid weerspreekt zulks geheel. «Tuist die landen op het eiland 
Sumatra, waar de adat poesaka de hoeksteen is van de huishoude- 
lijke instellingen der bevolking, zijn bij uitzondering het sterkst 
bevolkt. Aanschouw die rijkbebouwde velden, die dikwijls uit 
gebrek aan gronden tot 4 & 5000 voeten boven de oppervlakte der 
zee aan de hellingen der bergen worden gevonden; zie die dicht 
bijeen liggende negerijen, die goed gekleede bevolking welke, als 
ware het eene straat in eene volkrijke stad van Europa, de groote 
wegen bewandelt, dan blijkt wel de groote aanwas der bevolking. 
In verscheidene streken der Padangsche Bovenlanden is zij zoo 
dicht opeengedrongen, dat alleen de meest bevolkte landen van 
Europa , zooals Nederland , België en de Bijnprovinciën , daarmede 
kunnen worden vergeleken. Oorspronkelijk slechts twee valleien, 
Zuid-Oostelijk en Noord- Westelijk van de Merapi bewonende, heeft 
de bevolking zich niet-alleen over de geheele oppervlakte der Padang- 
sche Bovenlanden verspreid en de meeste gedeelten van eene dicht 



294 SUMATRA^^ WESTKUST S£DBBT 1850. 

opeen gedrongen bevolking voorzien, maar de bevolking der Padang- 
sche Benedenlatiden , Ajer Bangis en Bau, benevens die der landen 
aan de Kampar en Siak gelegen, is ook van haar afkomstig 

/xEr bestaan das geen redenen om de adat poeeaka nadeelig voor 
den aanwas der bevolking te beschouwen. Het tegendeel zou natuur- 
lijker voorkomen, want als wij de bevolking nagaan van de landen 
waar de Maleische adaft poesaka niet bestaat, zooals Palembang, 
de Lampongs^ de Battalanden, Djambi, Bengkoelen en meer andere 
streken van het eiland Sumatra, dan vinden wij overal eene uiterst 
dun gezaaide bevolking. 

ir De erfstelling , van welken aard ook , beschouw ik echter daar- 
aan geheel vreemd; maar eene mindere vruchtbaarheid van den 
bodem ^ de niet overal ingevoerde of nog niet geregeld werkende 
koepok-inenting , alsmede , in de onafhankelijke landen , het slechte, 
noch orde noch veiligheid bevorderend bestuur zullen dit verschijnsel 
natuurlijker verklaren. Wat de ontwikkeling der bevolking betreft, 
hetzij men haar uit een physiek of een intellectueel oogpunt be- 
schouwt, zoo is die voorzeker in de Padangsche Bovenlanden niet 
minder dan bij eenig ander volk in den Indischen Archipel. De 
Maleier is goedgebouwd, welgemaakt, sterk gespierd. Zijne goud- 
en zilverwerken zijn geroemd en overal bekend; het weven van met 
goud- en zilverdraad voorziene zijden kleedjes geschiedt waarlijk 
schoon. Hij vervaardigt zijn eigen schietgeweer , handwapens enz. 
even goed als elders in deze gewesten. De landbouw is bij hein op 
een hooger trap van ontwikkeling, en overtreft hetgeen men daarom- 
trent in andere streken van Sumatra vindt. Kunnen enkele indus- 
trieën op Java en op de hoofdplaats Palembang hooger worden 
geschat, dan is dat gelegen in het aanwezen aldaar van eene meer 
verfijnde aristocratie , waarvan de leden aan meer weelde gewoon 
zijn dan de volkshoofden der Padangsche bevolking. Doch dit zal 
ook elders, waar de democratische instellingen in dezen Archipel 
bestaan, worden gevonden. 

»De bewering van kolonel Andresen, dat het soekoe-bestaur , 
toen wij hier nog niet gevestigd waren , aanleiding gaf tot voort- 
durende twisten en oorlogen , is niet te ontkennen , doch dit kan 
niet uitsluitend aan dat bestuur en de daarmede in verband staande 
adat poesaka worden geweten. Men vindt dien toestand overal in 
onze gewesten waar het democratisch regeeringsbeginsel is gevestigd 
zonder onze steun te bezitten. De Palembangsche Binnenlanden, de 
Tjampongs, Bengkoelen, »1 de nog onafhankelijke landen aan de 



8TJMAT&A*S WESTKUST SSDE&T 1850. 295 

Oostkust, waar ons gezag bf niet bestond ht zich niet krachtig kon 
doen gelden, leveren nog voortdurend tooneelen op van roof, moord 
en van oorlog van kampong tegen kampong, van district tegen 
district. Het erfrecht, van welken aard ook , is daaraan geheel vreemd. 

/rEvenmin kan worden toegegeven dat het soekoebestuur aan de ves- 
tiging van ons gezag in de Padangsche Boven- en Benedenlanden , 
of de directe inmenging van ons bestuur groote moeiel ijkheden heeft 
in den weg gelegd. Wij hebben hiervoren gezien, hoe grondige hoe 
juist de generaal Michiels het tegendeel heeft aangetoond. Juist 
maakt dat onvolkomen en verbrokkelde soekoe-bestuur onze bemoeiing 
noodzakelijk en onmisbaar^ en daarom gemakkelijk; en dit wordt 
dagelijks door de ondervinding bevestigd. De uitoefening van ons 
gezag in deze landen gaat even geleidelijk als gemakkelijk, mits 
men slechts zorg drage^ die door den kolonel Andresen zoo gewraakte 
instellingen onaangeroerd te laten. Zie de schoone wegen, welke 
door de bevolking, op last van het bestuur, over het moeilijkste 
terrein zijn aangelegd; aanschouw de belangrijke koffieproductie , 
waarvan de grootste voordeelen niet aan de bevolking maar aan het 
Gouvernement komen; de gemakkelijke afvoer hier en daar, hoezeer 
tegen betaling, nog door de bevolking verricht. En als men dan 
daarbij in aanmerking wil nemen dat wij nauwelijks twintig jaren 
in het ongestoord bezit dezer landen zijn en eerst sedert dien tijd ons 
reohtstreeksch gezag als goed gevestigd kan worden beschouwd , dan zal 
men moeten erkennen dat de invloed van het Europeesch gezag zeer 
groot is. Niet de minste tegenstreving , niet de minste moeite is 
er ondervonden om het koffiemonopolie , waardoor zelfs eene belangrijk 
groote klasse van opkoopers onder de bevolking rechtstreeks nadeel 
ondervond , en den daarmede gepaarden gedwongen kojBSeaanplant hier 
reeds in 1847, dus zes jaar nadat ons bestuur overal geregeld werkte , 
iii te voeren. Hiermede is de productie der koffiie, die men in 1851 
nog aarzelde om in de toekomst op 90,000 pikols in de Padangsche 
Bovenlanden te schatten, nu reeds tot 120 ik 180.000 pikols gestegen, 
en bij voldoend toezicht kan zij op 200,000 pikols gebracht worden. 

4rNiet te hoog kunnen de instellingen geschat worden die zulke 
uitkomsten geven , even voordeelig voor het Qouvemement als voor 
de bevolking zelve, onder welke zij eene groote mate van welvaart 
hebben verspreid. 

Met de bestaande huishoudelijke instellingen staat het stelsel van 
solidariteit, en daarmede het strafrecht, in de Padangsche Boven- 
en Benedenlanden in reohtstreeksch verband. 



296 SUMATRA^S WESTKUST SEDERT 1850. 

^Dit stelsel zou , indien wij het naar onze Earopeesche begrippen 
en meeningen in beschouwing namen, voorzeker evenzeer afgekeard 
worden als de adat poesaka. Wat is toch onbillijker dan onschul- 
digen voor schuldigen te laten boeten; wat is verfoeiel ijker, dan 
dat moord, roof en diefstal met betaling van een eenvoudige geld- 
boete kunnen worden vergoed, en wat moet, zou men oppervlakkig 
denken, de veiligheid in een land, waar zulke onvolkomen straffen 
bestaan , wel te wenschen overlaten ! Hoe eerder hoe beter moet men 
dat systeem omverwerpen en daarvoor ons strafrecht in de plaats 
stellen; voorzeker moet dit noodzakelijk, ja noodzakelijker dan de 
afschaffing van de adat poesaka voorkomen! 

u Maar wat zien wij , zoo wij in de zaak meer doordringen ? 

//Juist dat het stelsel, waarbij eene geheele familie, zoo noodig 
eene geheele bevolking moet boeten voor een enkel harer leden, 
heeft geleid tot groote veiligheid, tot belangrijke vermindering van 
misdaden zoodra wij ons door rechtstreeksch gezag de onbelemmerde 
uitvoering van dat stelsel konden verzekeren. Op een ieder, wiens 
losbandig leven of slechte wandel reden tot bezorgdheid geven, wordt 
een wakend oog gehouden, terwijl deze zelf terugdeinst voor het 
kwaad , voor welks nadeelige gevolgen hij zich misschien persoonlijk 
door de vlucht of anderszins kon vrijwaren, maar zijne naaste bloed- 
verwanten zouden moeten boeten. 

/rBoof is dan ook in de Fadangsche Bovenlanden bijna onbekend ; 
diefstal komt zelden voor, en op eene bevolking van 6 'k 700,000 
zielen had men in 1860 slechts drie moorden te melden. Ik erken 
ten volle, dat het stelsel van solidariteit, in Nederland toegepast, 
tot niet dan wanorde zou leiden ; maar bij de huishoudelijke in- 
stellingen der Maleiers werkt het nuttig, en veel beter dan eenig 
ander strafrecht werken kan. Ook dit stelsel zou moeten worden 
afgeschaft als de instellingen werden omgekeerd. De eenheid der 
familie , welke door de adat poesaka , zoo goed , zoo krachtig worden 
bewaard , is ook de voornaamste steun van het systeem van solidariteit. 

//Nog eene andere misdaad wordt door den kolonel Andresen aan 
de werking van de adat poesaka toegeschreven , nl. die van avorte- 
ment bij de vrouwen. In den brief van 25 September jl. J> M 
geheim schrijft de resident der Fadangsche Bovenlanden^ wiens 
oordeel over de adat poesaka wel mag worden op prijs gesteld , 
hieromtrent het volgende: 

nft\)L kan niet toegeven, dat avortement een uitvloeisel van de 
//adat poesaka zou zijn; ook niet, dat dit kwaad, immers voor het 



sümatra^s westkust sedert 1850. 297 

^tegenwoordige, in eene mate zon heerschen dat zij de toeneming 
/rder bevolking zoozeer in den weg zon staan. Het opzettelijk af- 
/^drijven der vrucht komt hier bij de Maleische vrouwen nog wel 
/rvoor, doch staat hoegenaamd niet in eenig verband met de erf- 
^stelling. Het moet aan geheel andere oorzaken worden geweten, 
^en wel vooreerst aan de Mohammedaansclie wet op het huwelijk, 
^waardoor de man naar welgevallen van zijne vrouw scheiden kan; 
>ren vermits de vrouw nog wel eens blootstaat aan het gebruik door 
^den man van dit recht, brengt haar belang mede, hare schoon- 
«rheid zoo lang mogelijk te bewaren, en dit meent zij te kunnen 
/indoen door het baren van veel kinderen te ontgaan; ten tweede 
^aan de schande, die eene Maleische vrouw er in ziet, nog moeder 
^te worden wanneer zij reet Is grootmoeder is, en, ten derde, aan 
^de poging om het bewijs van overspel, indien aanwezig, of, bij 
^ongehuwde vrouwen , dat van bedreven ontucht , uit den weg te 
/inruimen. Het toedienen van afdrijvende middelen komt thans maar 
^zelden meer voor, alleen de vrouwen der L Kota^s maken daarop 
^wellicht alleen nog eene min gunstige uitzondering; doch ook hier 
^is het aanwenden dier middelen in den laatsten tijd zeer vermin- 
^derd. De adat heeft er bovendien eene straf op gesteld , die zich 
>y regelt naar den min of meer gevorderden staat der bevruchting en 
^tot de halve bangoen (zoen- of bloedgeld voor een gepleegden moord) 
^of eene boete van f 400.— beloopt. Dat de progenituur onder de 
/^bestaande instellingen dus beduidend zou lijden, is niet wel aan 
/^te nemen; integendeel, het bewijs is daar, dat de bevolking in 
//zielental zeer toeneemt. /!^/r 

^Bestaat er dus hier en daar nog avortement, zoo draagt de 
adat poesaka hiervan de schuld niet; trouwens in meest alle landen 
van den Archipel wordt de misdaad bedreven om dezelfde redenen 
als door den resident zijn vermeld. Het Fransche spreekwoord qui 
prouve trop, ne prouve rien mag hier wel gelden. De bewering toch , 
dat avortement als een adat of wet moet worden geacht, zooals de 
kolonel Andresen ons vertelt, blijkt zeer onjuist te zijn. De adat 
schrijft die misdaad niet voor, maar straft haar integendeel met 
eene boete die haar aan een halven moord gelijk stelt. 

'/Slechts in één opzicht zouden m. i. de adat poesaka en de 
daaruit voortvloeiende instellingen als nadeelig voor de ontwikkeling 
van het volk kunnen worden beschouwd, en dat is dat er geen 
individueel grondbezit bestaat in den zin zooals wij dat begrijpen. 
De gronden behooren aan de soekoe, aan de &milie, en kunnen 



298 SÜMATRA^S WESTKUST SEDEKT 185Ö. 

door de vruchtgebruikers zonder hare toestemming niet worden ver- 
vreemd. Hierdoor wordt de vestiging van Europeesche industrieelen 
in de Bovenlanden bemoeilijkt, zooal niet onmogelijk gemaakt. De 
suikerfabricatie, de indigoteelt en meer andere industrieën ten voor- 
deele van de Europeesche markt , waarbij Europeesche tusschenkomst 
noodig is, kunnen hier niet voorkomen. Doch dit nadeel is slechts 
van betrekkei ijken aard; het is een nadeel voor de algemeene on1>- 
wikkeling onzer Indische bezittingen ; doch of het daarom nadeelig 
is voor de rust en welvaart van de bevolking zelve ^ vermeen ik 
niet zonder grond te mogen betwijfelen. Nemen wij echter in aan- 
merking dat onze bezittingen elders nog een ruim veld voor Europeesche 
industrie opleveren; dat de schatkist hierbij volstrekt geen schade 
lijdt ^ want de overwinsten op de koffie en verdere inkomsten van 
Sumatra^s Westkust overtreffen met ruim twee millioen guldens de 
lasten van het bestuur en die eener talrijke militaire bezetting, — 
dan is dit nadeel nog van zeer geringen aard , en waarlijk te gering 
om daarom de adat poesaka, die op andere wijze zoo nuttig voor 
dit land is, omver te werpen. En nu geloof ik door het boven- 
staande genoegzaam te hebben aangetoond, dat de afschaffing der 
adat poesaka noch noodzakelijk^ noch doelmatig te achten is; dat 
zij de nadeelen, ons door den kolonel Andresen voorgehouden, niet, 
of slechts in geringe mate, bezit, maar dat integendeel de uit haar 
voortgevloeide instellingen, gesteund en aangevuld door ons bestuur, 
niet alleen eene groote mate van welvaart onder de bevolking hebben 
ontwikkeld, maar ons ook de gelegenheid hebben gegeven om deze 
schoone en rijke gewesten op de meest gemakkelijke, meest geleidelijke 
wijze te besturen ; rust en orde , veiligheid van personen en goederen 
te handhaven, den handel, eene betrekkelijk goed ontwikkelde 
nijverheid, benevens het geluk en de tevredenheid der Maleische 
bevolking zelve op zoodanige wijze te bevorderen , als onder een 
ander stelsel van bestuur voorzeker niet met meer vrucht zou kunnen 
geschieden. 

/fJk zal thans overgaan tot het tweede gedeelte van mijn verslag , 
nl. tot de beantwoording der vraag, of het meerendeel der be- 
volking de afschaffing der adat poesaka wenscht , en of die afschaffing 
geleidelijk en gemakkelijk zou kunnen worden uitgevoerd. 

>r Wanneer wij de wenschen der geheele bevolking zouden willen 
afmeten naar hetgeen ons omtrent deze aangelegenheid van de be- 
volking der hoofdplaats Padang is gebleken , dan zou men lichtelijk 



SUllATBA^S WEOTKUST SEOEBT 1850. 290 

het vermoeden knnueD opvatten, dat de afschafSng der adat poesaka 
inderdaad eene door haar gewenschte zaak ware. Bij de Maleische 
bevolking op de hoofdplaats is meermalen de wensch geait, om 
hetgeen men bezit aan eigen kroost na te laten; doch terwijl 
zich dit bezit meestal bepaalt tot door eigen vlijt verworven goed , 
artaJia^ tot de gronden waarvoor eigendomsbewijzen door den Baad 
van Jastitie zijn afgegeven , en niet tot soekoe-gronden , — zoo moet 
mén bovendien, indien men daaruit gevolgtrekkingen wil afleiden^ 
niet verzuimen in aanmerking te brengen dat de Maleisohe bevolking , 
voor zoover zij de hoofdplaats bewoont, eigenlijk niet geheel meer 
onder de Maleische instellingen leeft, omdat deze door de gedarige 
aanraking met, door de tegenwoordigheid van , Earopëanen en andere 
vreemdelingen gedurende een paar eenwen, veel van hare kracht 
hebben verloren. Ook op enkele andere standplaatsen , b. v. Friaman 
en Ajer Bangis, zou misschien door een gedeelte der bevolking de 
afschaffing der adat poesaka gaarne worden gezien ; doch indien men 
naar die wenschen den geest van de geheele binnenlandsche bevolking, 
die zelden of nooit in nauwe aanraking met Europeanen of andere 
vreemdelingen komt, zoude willen aüneten, dan zou men zich gru- 
welijk vergissen. Doch op Padang zelf, hoezeer er menige stille wensch 
wordt geuit om den kinderen het erfrecht van hunnen vader te 
verzekeren, zou men toch voor eene afschaffing der adat poesaka 
terugdeinzen. De hootdregént van Padang, hierover gepolst^ zeide 
o. a. zeer karakteristiek : >/Wij zullen volgen wat daaromtrent in 
de Bovenlanden wordt beslist, /r — overtuigd zijnde dat daar geen 
afschaffing der adat poesaka wordt gewenscht. De resident der Padang- 
sche Bovenlanden schrijft hieromtrent in zijn reeds genoemde missive : 

— — — ffffXk heb mij op de zekerst mogelijke wijze willen 
>)r vergewissen van de al ol niet juistheid der bewering , dat de bevolking 
i/onder de adat gebukt gaat en dat zij zoude toenaderen indien men 
^de voorgestelde hervorming zou willen invoeren. Om geen argwaan 
ff te wekken heb ik dit op zeer omzichtige wijze moeten doen , en dit 
ff\iee& veel tijd gevorderd, daar de Maleier niet licht zijne ware 
^zienswijze openbaart. 

4r/yHet resultaat van dit onderzoek is geweest, dat slechts een 
'/paar laras-hoofden , — misschien met het doel om te behagen — 
/fde deugdelijkheid van het voorstel hebben beaamd; doch overigens 
ffis mij gebleken, waarvan ik trouwens de overtuiging reeds bezat, 
//dat het volk niet minder dan vroeger aan zijne wetten en instel- 
>ylingen gehecht is en, naar ik vast geloof^ noch door overreding, 



SOÖ SUMATRA^S WESTKUST SEDEKT 1850. 

^noch door geweld tot het aannemen van andere wetten en instellingen 
>yzou te bewegen of te brengen zijn. Welke veranderingen het lands- 
^bestuur door omstandigheden en tijdsverloop ook hebbe ondergaan ^ 
f/de repnblikeinsche instellingen van het soekoe-bestaur zijn in de 
>/Padaugsche Bovenlanden schier ongeschonden bewaard gebleven. 
/fMeu bewere derhalve niet dat dit bestuur, door de voortdurende 
//aanraking met het onze, reeds veel verzwakt is, want zoodanige 
//bewering wordt door de werkelijkheid weersproken , en levert het 
//bewijs dat men niet is toegerust met degelijke kennis der inlandsche 
//bevolking. >/iy — — 

//En verder zegt de resident: >/Het is immers toch eene erkende 
//waarheid, dat een volk, hoe gebrekkig zijne maatschappelijke in- 
v/richtingen ook mogen zijn^ daaraan met zekeren trots gehecht is en 
>/ blijft, totdat de eene of andere schok de roest der gewoonte af- 
//scheidt. Doch hoevele schokken heeft de adat poesaka niet reeds 

//doorstaan , en desniettemin is zij in wezen gebleven Het ver- 

//nederend gevoel eener vreemde overheersching toch wordt voor het 
//volk getemperd door het besef, dat het in het ongestoorde bezit 
//zijner voorouderlijke zeden en wetten is gebleven, en zoodra het 
//reden heeft te gelooven dat tegen dit heilig erfdeel bedoelingen 
//worden opgevat die het zouden kunnen schenden , zal de bevolking 
//zich tot algemeen verzet bijeenscharen en dat verzet, gelijk de 
//geschiedenis ons reeds heeft geleerd, tot het uiterste volhouden////. 

//Het bovenstaande, het gevolg van een plaatselijk onderzoek 
voor zoover dit zonder opzien te baren kon geschieden, toont vol- 
dingend aan, dat het gros der bevolking aan hare instellingen 
gehecht is, en zij de afschaffing der adat poesaka volstrekt niet 
wenscht; dat het slaan van eene schendende hand aan hare huis- 
houdelijke instellingen tot gevolgen zou kunnen leiden^ welke wij 
voorzeker niet kunnen wenschen. 

//Ik geloof dat het nu onnoodig te achten is om de maatregelen , 
door welke de kolonel Andresen tot eene andere orde van zaken wil 
komen, in het breede in beschouwing te nemen of nader te ont- 
leden. Alleen wenschte ik dit op te merken, dat de uitvaardiging 
van een bevel der Begeering , waarbij de afschaffing der adat pasoeka 
en — dit dient niet te worden vergeten! — van het soekoe-bestuur 
en andere landsinstellingen wordt voorgeschreven , maar tevens aan 
dat bevel geen andere kracht van uitvoering te geven dan die van 
overreding, mij vrij parodoxaal klinkt. Zou eene dergelijke wijze 
van handelen niet dadelijk medewerken om eene maatschappij , waar 



SUliAT&A^S WESTKUST SEDERT 185(1. ^Ol 

nu rust en orde heerschen, tot een toonbeeld van verwarring te 
maken P 

fflmmers zouden uit zoodanig bevelschrift^ zonder zijne uitvoering 
door gepaste middelen te verzekeren, de grootste twisten worden 
geboren , die schielijk tot erger zouden leiden I Wij zouden , ware 
het mogelijk zoo te handelen^ het vuur der tweedracht aangestookt 
hebben, zonder de middelen te durven gebruiken om het te blus- 
schen. Welken teruggang dit zou hebben op den algemeenen stand 
van zaken, is licht te gissen. De achting voor ons gezag zou, zoo 
al niet geheel verloren gaan, dan toch groote schade lijden. Koffie* 
cultuur, onderhond van wegen en bruggen, landbouw in het alge- 
meen zouden achteruitgaan. Bewijst dit voorstel reeds op zich-zelf; 
dat de kolonel Andresen den waren toestand der binnenlandsche 
bevolking niet kent, — de wijze van uitvoering, door hem aan- 
geprezen , toont niet den practischen blik , noch het ferm beleid , 
dat noodig zou wezen om de zaak tot een gewenscht einde te bren- 
gen. Wil men de zaak, dan moet men de middelen niet vreezen 
die haar kunnen bevorderen. Overreding in de eerste plaats, doch 
zoo noodig gesteund door meer afdoende maatregelen; anders zou 
het land in eenen chaos vervallen, even erg, zoo niet erger, dan 
vóór onze komst in deze gewesten. 

frj)e afschaffing van de djoédjoer in Palembang te willen gelijk- 
stellen met eene afschaffing van de adat poesaka is ook onjuist. De 
djoédjoer is eene instelling, die op zichzelf stond en waarvan de 
afschaffing geene verandering in de overige landsinstellingen bracht; 
de adat poesaka daarentegen is de hoeksteen van het soekoe-bestuur , — 
de kolonel Andresen zelf noemt haar zoo. Schaft; men haar af, dan 
werpt men alles wat nu bestaat omver, en brengt men bovendien 
kinderen tegen hunne ouders , broeders tegen broeders , bloedverwanten 
tegen bloedverwanten in vijandschap. 

>9rHet voorstel van den kolonel Andresen, hoe verleidelijk het 
ons ook naar onze begrippen toeschijnt, is inderdaad onpractisch en 
onuitvoerbaar. Eene verandering in de Maleische instellingen moet 
aan den tijd worden overgelaten. Geen kwart eeuw geleden hadden 
de Maleiers nog goed en bloed veil voor het behoud dier instellingen , 
en het is ondenkbaar dat in het kort tijdsverloop, waarin ons be- 
stuur gevestigd is, zij reeds onze begrippen omtrent het erfrecht 
zouden aankleven. Wat wij te Padang zien, moet ons niet doen 
besluiten dat het ook zoo in de binnenlanden gesteld is. Ik herhaal, 

te Padang en op enkele andere strandplaatsen bestaat de aanraking 
5« Voïgr. vn. 20 



^02 SUMATRA^S WESTKUST SEDERT 1S5Ó. 

met Europeanen en andere vreemdelingen reeds sinds een paar eeuwen, 
terwijl zij in de bovenlanden ter nauweniood begonnen is , ja op 
de meeste plaatsen nog in een ver verschiet ligt. 

^j'In de ^voorloopige beschouwingen over de politieke, financieele 
en commercieele aangelegenheden der Fadangsche Bovenlanden^, 
geschreven door den Commissaris-Generaal J. Van den Bosch, leest 
men o. a.: 

//r/Wij moeten ons, ongeroepen, nooit mengen in hetgeen (de) 
/jrhuishoudelijke aangelegenheden (des volks) betreft , en inzonderheid 
»ie hoofden aan ons trachten te verbinden. /i^>/ 

ffIjAien wij deze les van dien doorkundigen en hooggeschatten 
staatsman niet uit het oog verliezen. Wachten wij dus met de af- 
schaffing van de adat poesaka, totdat er meer duidelijke blijken 
voorhanden zijn dat het volk eene verandering van zijne huis- 
houdelijke instellingen wenscht. Gaan wij intusschen voort, met op 
de hoofdplaats te Padang en andere plaatsen waar dat kan geschieden , 
door het uitgeven van eerste eigendomsbewijzen op eene langzame , 
doch daardoor ook voorzichtige wijze een anderen toestand in het 
erfrecht, die naar ons inzien meer normaal is, voor te bereiden, en 
daardoor als het ware ongemerkt onze denkbeelden daaromtrent bij 
de Maleische bevolking te doen veld winnen. Er is noch noodzakelijk- 
heid, noch doelmatigheid om anders te werk te gaan en met ruwe 
hand het Maleische staatsgebouw omver te werpen. 

//Naar aanleiding van deze beschouwingen geef ik in overweging, 
de adat poesaka in de Padangsche Bovenlanden en waar die elders 
in dit gewest bestaat, als ook de huishoudelijke instellingen der 
Maleische bevolking, welker ongeschonden bezit aan haar bij Besluit 
van den Commissaris-Generaal van Ned-Tndië dd. 11 October 1883 
no 310 is gewaarborgd, vooreerst onveranderd te laten. >/ 

Met het hier uitgedrukt gevoelen vereen igden zich de luitenant- 
generaal Van Swieten eo de Baad van Indië geheel. De eerste deed 
in zijn advies (dd. 4 Januari 1862 geheim no 12) nog uitkomen 
dat de Padri's dezelfde hervormingen hadden gewild, waarvan nu 
door den kolonel Andresen was gewaagd. De Padri^s, hoog in aanzien 
staande landgenoolen , die zich op het voorschrift van den Koran 
grondden , hadden grooten tegenstand ondervonden , en het was niet 
te verwachten dat een christen-bestuur dan eene gelijksoortige her- 
vorming met beteren uitslag beproeven zou. 

Na de ontvangen waarschuwingen , zoo schreef de B»aad van Indië 



sumatra's westkust sedebt 1850. 803 

(advies van 7 November 1862 no XVI), zou zoodanige proefneming 
>r roekeloos^ zijn. Daarvan was dan ook verder geen sprake meer. 

De generaal-majoor De Branw had het boven medegedeeld advies 
geschreven te Paja Combo, waar hij tot herstel van gezondheid 
tijdelijk verblijf hield. Dit verblijf mocht hem echter niet baten; 
te Padang teruggekeerd, overleed hij, den 21n Februari 1862, in 
den ouderdom van 52 jaren ■. 



> Hy was óen 19n December 1809 te Montfoort geboren, als knaap naar Indiê 
vertrokken en aan de militaire school te Samarang (i82St— 7I826) tot luitenant der 
in&nterie opgeleid. Iiy nam deel aan den Java-oorlog, doch bleef als Ie luitenant 
(1834), kapitein (1836), majoor (1840) van de ge&agenheid verstoken om van z^ne 
b\jzondere militaire bekwaamheden te doen blijken. 

Daarvan was eerst sprake na z\jne benoeming tot luitenant-kolonel (1846), toen 
h\j, aan het hoofd van het 10e bataten in&nterie, de eerste Balische expeditie 
medemaakte en daar het kruis der Militaire Wfllemsorde verdiende. By de derde 
Balische elpeditie (1849) was h\j chef van den staf; het omtrekken en veroveren 
van Djagaraga, waarvoor het vaandel van het 7e Bata^on werd gedecoreehl, was 
te danken aan zijn initiatief. Daarvoor viel hem het ridderkruis der 3e kl. van de 
Militaire Willemsorde ten deel, en werd hij tot buitengewoon adjudant des Konings 
benoemd. 

Nadat h\j in 1850 zich verdienstel^k had gemaakt met de demping van den 
opstand in Bantam, werd hy benoemd tot resident en militaire commandant van 
Palembang. Hoe hij hier door z^ne cdapperheid, gepaard met standvastigheid en 
beleidi ons bestuur ook over de tot dusver in anarchie levende binnenlanden op 
hechte gronden vestigde, hebben wij elders (Ind. Mil. Tgdschrift, 1889) beschreven. 
Ter beloonit»g was hg in 1852 buitengewoon bevorderd tot kolonel. 

In 1855 trad hij op als gouverneur van Celebes; in 1857 werd hij bevorderd 
tot generaal-mtgoor en vertrok h\j wegens ziekte naar het vaderland, waar hem 
het Ridderkruis van den Ned. Leeuw werd geschonken. Na terugkeer (in I86O) 
werd h\j eerst commandant der 2e Militaire Afdeeling op Java, waar hy het 
bekende oproer der vreemde Europeesche soldaten wist te bedwingen, op zoo 
beleidvoUe w\jze, dat de Koning hem benoemde tot Groot-ofTicier der orde van 
den Eikenkfoon. 

Kort daarop werd h\j geroepen tot de functie, waarin hy slechts weinige maanden 
mocht werkzaam zyn toen hem de dood overviel. 

Die dood was éen groot verlies: in welke, buigeriyke of militaire betrek)cing 
De Brauw ook was geplaatst, — in zijne handen waren de algemeene belangen 
veilig, en de Indische Regeering noemde hem wel terecht ceen harer trouwste 
dienaren, een der verdienstehjkste en waardigste officieren.! 



DERDE HOOFDSTUK. 



SplitsiDg van het civiel en militair bestuur. — Welke overwegingen daartoe 
leidden. — Benoeming van den heer Van den Bossche tot Gouverneur. — De 
tractementsverhooging der inlandsche hoofden. — Maatregelen tot beperking 
van het opiumgebruik, in i864 ingevoerd, in i870 weder opgeheven. 

De generaal De Brauw was de laatste krijgsroan, aan wien, nevens 
het militair, ook het burgerlijk bestuur over Sumatra's Westkust 
was opgedragen: na hem werden burgerlijke ambtenaren tot gouver- 
neurs benoemd. Na een vijf en twintig-jarig tijdperk van militair 
bestuur kon het gewest zonder eenig bezwaar, zonder eenige moeilijk- 
heid in civiele handen overgaan^ dank zij het groote beleid waar- 
mede Michiels , Van Swieten , Meis en De Brauw het land , dat 
onder de vroegere oorlogen zooveel geleden had , hadden weten te 
pacificeeren en de bevolking hadden gebracht tot de overtuiging van 
de weldadige werking van ons gezag. De toestanden waren vol- 
komen normaal geworden , en de civiele gouverneurs konden in de 
volgende jaren met vertrouwen voortgaan in de richting, hun door 
hunne militaire voorgangers afgebakend. 

Hiermede is wel de mogelijkheid ^ maar nog niet de wenschelijk- 
Aeiu der in 1862 plaats gevonden verandering aangetoond. Omtrent 
de redenen , die daartoe aanleiding gaven , zijn wij in staat het 
volgende mede te deelen. 

Bij de legerformatie van 1853 was voor de dubbele betrekking 
van civiel en militair gouverneur een generaal-majoor aangewezen 
geworden; maar de ondervinding had doen zien, dat bij het zeer 
beperkt aantal opperofficieren in Indië , soms door verlof naar 
Europa nog geringer, niet altijd de zekerheid bestond dat een voor 
civiel bestuur geschikt generaal zou kunnen worden aangewezen. 

In 1858, toen de generaal Yan Swieten als commandant van het 
leger optrad, was alleen de generaal-majoor Meis in Indië aan- 
wezig; tegen diens benoeming was nu gelukkig geen bezwaar, maar 



8VM./LTUJLS WESTKUST SEDEAT 1850. 305 

de Indische Regeering zou ook verplicht geweest zijn hem het be* 
staar over Samatra^s Westkust op te dragen wanneer zij hem daar- 
voor minder geschikt had geacht. 

Ter vermijding in den vervolge van deze moeielijkheid was toen 
door het Opperbestaar bepaald dat de bedoelde dubbele betrekking 
zoo noodig ook aan een kolonel der infanterie zou kannen worden 
toevertrouwd, en dat desnoods, //wanneer de omstandigheden niet 
veroorloofden 4r haar aan een generaal-majoor of kolonel op te dragen , 
ook een civiel ambtenaar met het burgerlijk bestuur zou kunnen 
worden belast. 

De Indische Begeering was inmiddels meer en meer tot de over- 
tuiging gekomen^ dat scheiding van het civiel en militair bestuur 
op Sumatra's Westkust in het belang van dit gewest wen^chelijk 
was, en de Minister van Koloniën deelde dat gevoelen. 

In zijne voordracht aan den Koning van 2 September 1862 no. 
177 schreef hij o. a. : 

ffDe vereeniging van burgerlijk en militair gezag in één persoon 
had plaats in een tijd, toen het Nederlandsch gezag op Sumatra 
door kracht van wapenen moest geschraagd en bevestigd worden. 
Sedert dien tijd is echter de toestand geheel veranderd. Hij komt 
nu meer overeen met dien der gouvernementen van Celebes en van 
de Molukken , waar het gewestelijk gezag in den laatsten tijd steeds 
aan burgerlijke personen is opgedragen. 

//Er zijn thans geen oproeren te bedwingen; het Ne^lerlandsch 
gezag is op Sumatra's Westkust voldoende bevestigd, en er moet 
meer naar eene vreedzame ontwikkeling van land en volk dan naar 
uitbreiding van macht worden gestreefd. 

ffDe taak van burgerlijk en militair gezaghebber is tegenwoordig 
te veelomvattend, dan dat een persoon zich daarvan naar behooren 
zoude kannen kwijten. De generaal-majoor Meis wordt gezegd , onder 
dien last te zijn bezweken , en het is te vreezen dat ieder opvolgend 
militair en civiel gouverneur van Sumatra's Westkust een gelijk lot 
zou ondergaan, tenzij hij zijn werkkring gedeeltelijk verwaarloosde. 

//Zal dat veelbelovende gedeelte van Neerland's overzeesche be- 
zittingen worden opgevoerd tot den hoogen trap van ontwikkeling 
en welvaart, waartoe het al de vereischten in zich schijnt te ver- 
eenigen, dan behoort het burgerlijk gezag te worden opgedragen aan 
een man, in ruime mate toegerust met staatkundige en staathuis- 
houdkundige kennis, en vertrouwd met de instellingen, gewoonten 
en rechten der Sumatrasche bevolking. Dit laatste vooral zal in den 



806 oüuatejls westkust sedeat 1850. 

regel meer gevonden worden bij burgerlijke ambtenaren, die ver- 
schillende rangen van de ambtelijke loopbaan onder de inlandsche 
bevolking hebben doorloopen, dan bij hoofdofficieren , die door hunne 
stadiën en ervaringen meestol op een geheel ander gebied worden 
geleid.^ 

Nadat de Koning zich met deze beschouwingen vereenigd had , 
werd nu, bij Ind. Stbl. n». 121 van 1862, bepaald dat de be- 
trekkingen van civiel gouverneur en militair commandant zouden 
worden afgescheiden en de eerste aan een burgerlijk ambtenaar zoude 
worden opgedragen. 

Hiertoe werd in November 1862 — nadat het civiel bestnur sedert 
Februari was waargenomen eerst door den resident der Padangsche 
Bovenlanden, den heer H. M. Andrée Wiltens, en, na diens be- 
noeming tot gouverneur der Moluksche eilanden , door den kolonel 
J. A. Waleson , militaire commandant der Padangsche Bovenlanden, — 
aangewezen de hoofdambtenaar J. F. B. S. Vanden Bossche, destijds 
resident van Bezoeki. 

De redenen, welke leidden tot deze benoeming van ecnen gouverneur, 
die nooit te voren met Sumatra'^s Westkust in aanraking was geweest, 
zijn waarschijnlijk te zoeken in de reeds bij missive van 25 April 
1862 no. 78 door den minister aan den Gouverneur-Generaal gedane 
aanbeveling om , zoo mogelijk , de eerste keuze van eenen gouverneur 
voor dat gewest uit de burgerlijke ambtenaren te doen vallen op 
iemand van zoodanige hoedanigheden , ^s^dat de benoeming zelfs aan 
de tegenstanders van het nieuwe beginsel geene gegronde stof tot 
afkeuring geve, en dat de noodige waarborgen bestaan dat de com- 
mandant der troepen het noodige ontzag hebben zal voor den bur- 
gerlijken opvolger. /r 

De heer Yan den Bossche , die zich bij de Palembangsche expeditie 
zoozeer had onderscheiden dat hem èn het kruis der Militaire 
Willemsorde, èn dat van den Nederlandschen Jjeeuw, benevens 
buitengewone bevorderingen waren ten deel gevallen, was zeker wel 
de man om eventueele oppositie tegen de splitsing van het militair 
en burgerlijk gezag tot zwijgen te brengen. 

Het zal thans onze taak zijn, na te gaan wat er onder zijn 
bestuur geschiedde. 

In de eerste plaats komt daartoe in aanmerking de belangrijke 
tractementsverhooging voor de inlandsche hoofden, welke in het 
Indisch Staatsblad van 1868, u9, 45, werd vastgesteld. Zij kwam 



SUMATIIa's westkust 8BDEHT 1850. 807 

onder hei bestuur van Van den Bossche tot uitvoering , maar de 
eer daarvan koint tot aan den generaal Meis, die in Maart 1860 
een uitgewerkt voorstel had gedaan. 

Reeds ruim twee jaren te voren (missive van 22 Februari 1858 
no 612) had de generaal Van Swieten de zaak ter sprake gebracht. 

^Bij alle gelegenheden — zoo schreef die gouverneur toen — 
waarbij het belang der hoofden wordt ter sprake gebracht, wordt 
door de ambtenaren op de ongenoegzaamheid hunner bezoldiging ge- 
wezen, en aan deze toegeschreven dat zij zich als hoofden en ge- 
zagvoerders niet zoodanig ontwikkelen en niet dat standpunt innemen 
dat in redelijkheid kan gewenscht worden. 

>/Dat do bezoldiging onvoldoende is, valt dadelijk in het oog, 
indien bedacht wordt dat de larashoofden , die met uitzondering van 
eenige weinige regenten — slechts vijf in getal — de eerste hoofden 
des lands zijn, niet meer dan f 20. — 'smaands genieten, en dat 
de kamponghoofden volstrekt geene inkomsten hebben. 

4fDe behoefte om daarin eene wijziging te brengen heeft sedert 
lang bestaan, maar de voorstellen deswege zijn altijd verdaagd om- 
dat deze regeling belangrijke geldelijke consequentiën zal hebben, 
welke men echter verwacht te kunnen compenseeren door het ver- 
bod om voor de hoofden heerendieiisten te verrichten, en de meer- 
dere gelegenheid tot voortbrenging , daardoor aan de dienstplichtigen 
gelaten. Eenige ambtenaren zijn zelfs van meening dat de geheele 
afschaffing van de heeren diensten , bepaaldelijk ook die voor het 
gouvernement, en met name het onbeloond onderhoud der wegen 
en bruggen en het dragen van lasten voor reizigers of vervoer van 
goederen (z. g. koelidiensten) door grootere productie , vooral van 
artikelen van uitvoer, zoude worden gevolgd en de kosten van het 
eene door de hoogere inkomsten van het andere zoude worden 
vergolden. 

>yHoe dat zij , eene betere regeling van de inkomsten der hoofden 
schijnt onvermijdelijke 

Maar alvorens deze aangelegenheid in behandeling te nemen en 
wellicht venvachtingen op te wekken die niet vervuld konden worden , 
vroeg de generaal Van Swieten omtrent het denkbeeld in het alge- 
meen de meening der regeering. 

Deze antwoordde (missive van den 1" Gouvemements-secretaris 
van 23 April 1858 n» 1153a) dat den gouverneur werd /j' vrijge- 
laten om , wanneer hij zulks in het belang van 's lands dienst , van 
het volk en van het gewest onder zijn beheer volstrekt noodig 



808 SUMAT&A^S WESTKUST SEDEBT 1850. 

achtte, de bedoelde voorstelleu in te dienen >/; doch zij merkte 
daarbij op, ffdai het verleenen van bezoldiging aan kaïnpong- of 
dessahoofden in Nederlandsch-Indië niet gebruikelijk is en ook de 
regeering, ten ware de dringende behoefte overtuigend werd aange- 
toond , niet aanbevelenswaardig voorkomt// ; dat zij evenzoo >/het 
ophefien van diensten der bevolking aan hare hoofden, volgens 
aloude landsinstellingen bestaande , met het oog op den invloed , 
dien de hoofden op hunne ondergeschikten behooren te behouden, 
zeer bedenkelijk acht>/, en dat, naar hare meening, die opheffing 
//meer een gevolg dient te zijn van voortgaande beschaving dan 
van eeuen maatregel , van het gouvernement uitgaande » zoolang 
niet het onschadelijke daarvan behoorlijk is aangetoond. </ 

De generaal Yan Swieten vroeg daarop het advies der rechtstreeks 
onder hem gestelde residenten en adsistent-residenten , doch trad af 
voordat die adviezen ontvangen waren ; en de generaal Meis vatte 
de zaak eerst weder op nadat hij voldoende /^bekendheid en ver- 
trouwdheid met de inlandsche huishoudelijke organisatie en het be- 
stuur van zijn gewest// verworven had. 

In zijn schrijven van 29 Maart 1860, geheim no. 1014, waarbij 
deze gouverneur zijne uitgewerkte voorstellen aanbood, liet hij de 
geheele of gedeeltelijke opheffing der heereudiensten onaangeroerd^ 
zoowel met het oog op de evenvermelde meening der regeering als 
//omdat zijne gedachten te dien aanzien nog niet tot rijpheid waren 
gekomen. 4^ 

Na eene herinnering aan de (reeds vroeger door ons medegedeelde) 
regelingen, in 1833 door den Commissaris-Generaal getroffen, waarbij 
de instelling van district-s- (laras-) hoofden en dorps-opperhoofden 
(penghoeloe kapala) was voorgeschreven, en verder was bepaald dat 
wij /^inzonderheid de hoofden aan ons moesten trachten te verbinden // , 
schreef Meis: 

^Zonder de volksinstellingen geweld aan te doen , en met instand- 
houding der soekoe-hoofden , is de invoering tot stand gekomen — 
en het volksbegrip heeft zich daarmede vereenzelvigd — van, in 
overeenstemming met de volkskens, als gouvernements-dienaren 
aangestelde laras -hoofden en penghoeloe's kapala. Door de aangewezen 
bemoeienis der Europeesche ambtenaren en de inlassching, tusschen 
het oorspronkelijk inlandsch en het Europeesch bestuur, van de 
genoemde twee overgangs- en verbindingsschakels is het ons gelukt, 
de verstrooide elementen van het oorspronkelijk inlandsch bestuur 
samen te vatten, in harmonie naar hooger doel en richting te doen 



SUMAT&A^S WESTKUST SEDXBT 1850. 309 

werken, en onze tusschen komst en leiding tot een onmisbaar bestanddeel 
van het Maleische haishouden te maken. 

^Het larashoofd is het eerste hoofd van zijn laras (district), en 
als zoodanig belast met het ten uitvoer leggen van alle bevelen, 
welke hem door het Europeesch bestuur gegeven worden; hij is 
tusschen dat bestuur en de inlandsche bevolking de alleenhandelende 
persoon. Hij is belast met het houden der politie in zijn district, 
heeft het opzicht over de koffiecultuur en den rijstbouw, is voorde 
goede werking en de uitbreiding dier cultures verantwoordelijk, 
en moet vooral voor den goeden staat en het onderhoud van 
wegen en bruggen zorgdragen. Hij neemt kennis van alle zaken, 
in zijn ressort voorvallende, onderzoekt en beslecht deze in over- 
eenstemming met den betrokken penghoeloe kapala en de soekoe- 
hoofden^ of onderwerpt ze aan de inlandsche rechtbank, voorgezeten 
door den civielen gezaghebber, in welke rechtbank hij zitting heeft. 
Op weinig uitzonderingen na , zijn er geene inlandsche hoofden boven 
de larashoofden, 

*De penghoeloe kapala is gewoonlijk het hoofd van een of twee 
kampongs en volgt in rang op het larashoofd, aan wien hij onder- 
geschikt is. In een kleineren kring zijn zijne diensten en verrich- 
tingen gelijk aan die . van het larashoofd. Hij heeft echter geen 
zitting in de bovenbedoelde rechtbank (rapat). 

>rDe verhouding van het larashoofd en van den penghoeloe kapala 
tegenover de bevolking, over welke zij gesteld zijn, behoort eerbied 
en gehoorzaamheid ten grondslag te hebben, als zij naar behooren 
aan hunne vele verplichtingen zullen voldoen. 

4rYoor den Maleier , die weinig of geen gehoorzaamheid aan zijne 
adathoofden (penghoeloe^s soekoe) kende, van hen in levenswijze 
niet verschilde en in alles hun gelijke was, viel het moeielijk, 
zich aan ondergeschiktheid jegens de larashoofden en penghoeloe's 
kapala te gewennen; alleen het voortdurend handhaven^ door de 
Europeesche ambtenaren, van genoemde hoofden in hunne rechten 
en plichten heeft van lieverlede de bevolking aan eenige gehoor- 
zaamheid kunnen gewennen, waartoe ook heeft medegewerkt dat 
gedachte hoofden, in rede tot de mate hunner middelen, eene ruimere 
levenswijze aannamen en zich in het uiterlijk vertoon onderscheidden ; 
dat bij velen hunner de wettige middelen tot dat einde zeer beperkt 
zijn, zal aanstonds bevroed worden, als men bedenkt dat de laras- 
hoofden niet meer dan f 20 ^s maands en de penghoeloe^s kapala 
in 't geheel geene be2K)ldiging genieten. 



310 SUMATBA's westkust S£D£BT 1850. 

//De voorgeoomen lotsverbetering der inlandsohe hoofden wordt 
ook, zonder uitzondering, door alle ambtenaren van het binnen- 
landsch bestuur ter Sumatra's Westkust toegejuicht , als overeenko- 
mende met de hooge waardigheid der Begeering en als eene daad 
van billijkheid die, vooral voor de Fadangsche Bovenlanden, een 
nieuw tijdvak van ontwikkeling en welvaart zal doen aanbreken en 
ons politiek bestaan een hechten grond geven zal. 

//Ik zal die gronden verder uiteenzetten, en daarbij meer bijzonder 
den toestand der Fadangsche Bovenlanden, om de talrijkheid harer 
bevolking, productie, nijverheid en consumptie verreweg het belang- 
rijkste gedeelte van Sumatra's Westkust, op het oog hebbeu. Ik 
zal daarbij o. a. weergeven wat de resident der Fadangsche Boven- 
landen, Andrée Wiltens, er van zegt, en waarmede in de nauwste 
overeenstemming zijn de adviezen van alle vierde adsistent-residenten , 
afdeelings-chefs dier residentie, en ook die der andere hoofden van 
gewestelijk bestuur, als de resident van Tapanoeli, en de adsistent- 
residenten van Fadang, Friaman en Ajer Bangis. 

Belangrijk toch — men heeft het reeds gezien — is voor het 
binnenlandsch bestuur de werking der larashoofden als voornaamsten 
des lands. Zij hebben het feitelijk bestuur over de bevolking, en 
velen staan aan het hoofd van larassen die 10,000 en meer zielen 
tellen. Zij zijn in hun ressort de voor de rust en openbare orde 
verantwoordelijke inlandsche ambtenaren , en als rechters iti de rapats 
doen zij uitspraak over leven en dood. Overigens maken zij 
den eersten schakel uit, welke onze belangen met die der bevolking 
moet verbinden, en daarom mogen wlj hunne gehechtheid aan ons 
niet geringschatten, maar inderdaad wel op hoogen prijs stellen. 

^Van hoeveel gewicht is het dus niet, het gehalte van dezen 
schakel, die bij voortduring van den tegen woordigen toestand slechts 
kan achteruitgaan, te verbeteren? Immers, van den meerderen of 
minderen ijver dezer hoofden is de welvaart der bevolking voor een 
groot gedeelte afhankelijk , en wel het meest de instandhouding en 
uitbreiding der koffiecultuur, die ^s lands inkomsten reeds nu zoo 
rijk doet vloeien, doch naarmate eeuer betere behartiging door de 
hoofden, nog aanmerkelijk zal toenemen. 

ffXk behoef hier nauwelijks te gewagen van hetgeen wij bovendien 
op staatkundig gebied er bij winnen zullen , als wij ons van de 
trouw der larashoofden verzekeren, waartoe wel geen werkzamer 
middel aan te wenden is dan zoodanige belooning hunner diensten , 
dat hun belang een wordt met het onze. 



BUMATRA^S WESTKUST SBDEUT 1850. 311 

/rHet is onmiskenbaar , dat de individaeele gezindheid der hoofden 
van grooten invloed is op de gezindheid en de stemming des volks. 
Herhaaldelijk heeft de Gommissaris-Generaal Van den Bosch in zijne 
iustruotiën aanbevolen, de bevolking welgevallig te zijn, onze be- 
langen met de hare te verbinden en vooral de hoofden aan ons te 
hechten. 

ij^Wij willen , en onze moreele verplichting tegenover de bevolking 
brengt zulks ook mede, dat de hoofden zich niet schuldig maken 
aan afpersingen of andere ongeoorloofde middelen om zich ten koste 
hunner pnderboorigen te bevoordeelen. Het is ons streven, de be- 
volking te ontwikkelen voor meerdere welvaart en beschaving; maar 
om dat grootsche doel te bereiken kunnen wij wel het minst van 
al de medewerking der hoofden ontberen , en behooren wij de middelen 
te geven die niet gemist kunnen worden om hunne zedelijke waarde 
te vermeerderen, en die de behoefte zullen doen ophouden om langer 
de toevlucht te nemen tot practijken welke noch ontzag^ noch ver- 
trouwen bij hunne minderen kunnen voortbrengen. 

>irMet bescheidenheid wordt gevraagd : kan men veel verwachten 
van de eerste hoofden eener residentie, wanneer zij slechts de voor 
hunne waardigheid zoo geheel ongeevenredigde bezoldiging van f 20 
"'s maands , d. i. slechts f 5 meer dan een oppasser te paard , 
genieten? Kan men redelijkerwijs aannemen dat zij zich zullen ont- 
houden van ongeoorloofde handelingen, en dat ze zullen zijn wat 
zij behooren te wezen : oprechte , getrouwe onderdanen van h^ 
Gouvernement ? Kan men aannemen dat zij gevoelens van gehechtheid 
en trouw zullen aankweeken bij de bevolking? 

^Er bestaat, en vooral voor de meest bevolkte en produceerende 
gewesten , nog eene reden die voor eene verhooging van het tractement 
der larashoofden pleit, en deze is te vinden in het gouvememeuts- 
besluit van 17 Juli 1857 no 36 , waarbij bepaald werd dat geene 
inlandsche hoofden of inlandsche beambten eenig aandeel in transport- 
ondernemingen van 's lands producten mogen hebben of krijgen. 

/rMoet deze maatregel in vele opzichten als heilzaam beschouwd 
worden, de billijkheid, en zelfs eene zuivere staatkundige billijkheid , 
doet het als plichtmatig erkennen om den hoofden , die aanvankelijk, 
toen de moeielijkheden groot en de te behalen winsten problematiek 
waren ^ de eenigste te vinden transportaannemers waren, voor eene 
algeheele uitsluiting, waartoe zij zelven nochtans geen directe aan- 
leiding gaven, eene billijke vergoeding te verleenen. Men bedenke, 
dat bij het in bet leven roepen van ons thans zoo uitmuntend 



312 suhat&a's westkust sedert 1850. 

koi&estelsel , zooals beweerd wordt ^ eeue op een bevel gelijkende 
aansporing van het toenmalig bestuur noodig was om, daar geene 
anderen er zich mede wilden belasten^ hen den binnenlandschen 
afvoer der koiBe in den vorm van contracten te doen aanvaarden. 
Feitelijk hebben zij dus een voornaam aandee] gebad in de tot- 
standbrenging en de bestendiging van dat stelsel . hetwelk , zonder 
vervoerders van het product , van weinig beteekenis zoude geweest , 
en voorzeker niet dan met vele bezwaren en groote opofieringen in 
stand had kunnen gehouden worden. 

>/ Nadat door hen de weg gebaand was; nadat de moeielijkheden , 
aan zulk eene inrichting in den aanvang verbonden, overwonnen 
waren ; op het oogenblik , dat zij van hunne inspanning en van de 
opgedane ondervinding voordeel zouden beginnen te oogsten, werd 
hun de gelegenheid benomen eene onderneming voort te zetten , die 
nu niet alleen goede uitkomsten beloofde^ maar ook zoude gestiekt 
hebben om geleden verliezen te herstellen ; en nu moeten zij het 
aanzien dat anderen , die voor do tot stand brenging niets gedaan 
hebben, de vruchten plukken van hunne inspanningen en opofferingen. 
Het ware te veel op de lijdzaamheid van den naar bezit strevenden 
en voor zijn voordeel gansch niet onverschilligen Sumatraan gebouwd , 
te gelooven dat dit voor hem ongemerkt voorbijgaat en geene 
ontevredenheid wekt. Die ontevredenheid bestaat, en zij zal schadelijk 
op de algemeene gezindheid inwerken^ als niet eeue gepaste ver- 
gelding voor de teleurgestelde verwachting en voor het derven van 
een welverdiend voordeel in de plaats gesteld wordt. 

//Men zal misschien de tegenwerping maken , dat de hoofden 
hadden kunnen concurreeren na alvorens hun ontslag te hebben 
genomen, en dat ook niet alle hoofden door den uitsluitenden 
maatregel getroffen zijn geworden daar zij niet allen deelhebbers waren. 

>/0p het eerste gedeelte dezer tegenwerping diene in antwoord 
dat wij de hoofden, bij gemis aan andere ondernemers, dienstbaar 
gemaakt hebbende aan het koffiestelsel, ons van hunne mede- 
werking, nu wij die niet meer behoeven, niet mogen ontdoen^ 
zonder daarvoor eenig equivalent in de plaats te stellen; en op het 
tweede, dat een ingesteld onderzoek aangetoond heeft dat in de 
Padangsche Bovenlanden niet minder dan 44 larashoofden , dus meer 
dan de helft van het daar aanwezige getal, als aandeelhebbers in 
de transportonderneming bekend stonden ; en daar ongetwijfeld van 
de overigen het meerendeel in de zaak betrokken was, veilig aan- 
genomen mag worden dat maar weinigen der hoofden in de Padangsche 



suifATRA^s v7t:sTKüéT sfiDSUT 185Ö. m 

Bovenlanden niet bij de tran8portonderneining geïnteresseerd waren. 
Buitendien zij in het oog gehouden , dat de bekend gestaan hebbende 
aannemers ook juist de meest geschikte en den meesten invloed 
hebbende hoofden waren. 

>/Bill ijkheid niet alleen, maar ook welbegrepen eigenbelang schrijven 
dus eene gepaste vergelding voor^ al zoude het verhandelde ter 
zake der uitsluiting van de hoofden van de kofBetransportcontracten 
de eenige reden zijn. 

^Is eene verhooging van de bezoldiging der larashoofden , der 
eerste hoofden des lands, onmisbaar noodig, — billijkheid en staat- 
kundig eigenbelang eischen even nadrukkelijk , san de tot dusverre 
onbezoldigde tweede hoofden des lands, de penghoeloe^s kapala, een 
inkomen van staatswege toe te leggen. 

«'Dezen, schoon werkzaam in een beperkteren kring, verkeeren 
in een toestand, g^Hjk aan dien der larashoofden. Zij maken den 
tweeden en laatsten schakel uit van onze verbinding met de oor- 
spronkelijke huishouding der bevolking; hebben op haar, door 
nauwere aanraking, een meer onmiddellijken invloed dan de eerste 
hoofden , zijn voor laatstgenoemden onmiddellijk , en voor het bestuur 
middellijk, de werkzaamste hefboomen tot schepping van grootere 
welvaart. 

>/Daar zij geheel zonder vaste bezoldiging zijn , kan met redelijken 
grond van de panghoeloe's kapala noch verwacht, noch gevergd 
worden , dat zij den ijver en de belangstelling aan den dag zullen 
leggen die voor eene verdere ontwikkeling van deze gewesten zoo 
onmiskenbaar noodig zijn. 

^i'Het ligt in de natuur der zaak , dat zij , onbezoldigd van 
bestuurswege , uitgelokt door materieele voordeden , er meer op 
bedacht zullen zijn de individuen der bevolking in hunne bijzondere 
belangen welgevallig te zijn dan met ijver en belangeloosheid aan 
onze bedoelingen te voldoen. 

//Hebben wij , om hare volkrijkheid en hare voor uitbreiding nog 
alleszins vatbare productie van koffie, het grootste belang bij de 
residentie Padangsche Bovenlanden, hebben daar de hoofden het 
uitgebreidste gezag naar rede van het aantal hunner onderhoorigen , 
is daar hun werkkring, o a. ter zake van de koffiecultuur, uitge- 
breider dan elders, en hebben zij om die redenen, en voor de 
waardige handhaving van hun standpunt onder eene bevolking waar 
zooveel welvaart heerscht, daar recht op eene ruimere bezoldiging 



8l4 SUMATRA's WESTKII8T SBDERT 1850. 

dan de hoofden elders , — vóór de overige gewedten van dit gouver- 
nement strekt het vorenstaande mede ten betoog van de noodzakelijk- 
heid , om door verhooging en toelegging van bezoldiging het lot der 
hoofden te verbeteren, 

>yEen voor de bestendiging van ons politiek gezag op Snmatra^s 
Westkust allernoodzakelijkste maatregel is het verbeteren van den 
toestand der hoofden, om eene reden waarvan ik tot dusver nog 
niet gewaagd heb. Zij is deze. 

ffUe gebeurtenissen in Turkije hebben den Islam in opgewektheid 
gebracht; de aandacht van de regeering, zoo in Nederland als in 
Indië, is daarop gevestigd^ gelijk o. a. blijkt uit Stbl. 1859 n^ 42, 
betreffende de bedevaartgangers. De Minister van Koloniën zag, 
blijkens een in de Tweede Kamer aan den heer Van Hoëvell gegeven 
bescheid^ een der hoofdredenen van de opschuddingen en opstanden 
van den laatsten tijd in Nederlandsch-Indië , in de opgewektheid 
van den Islam en het voorbeeld van Britsch -Indië. In 1859 schreef 
ik : vT)e Islam moge , gerust op onze verdraagzaamheid en niet- 
berooeienis met hem sluimeren , ejr is niet veel noodig om het 
fanatisme te doen ontwaken en in gloed te brengen^ zelfs onder de 
overigens meest indolente belijdenis; dit heeft o. a. de Java-oorlog 
geleerd. De priesters zouden daarvoor stof vinden , als zij op voor- 
beelden konden wijzen om hoofden en bevolking te doen gelooven 
dat het de wil der regeering is, het Mohammedanisme te keer te 
gaan onder zijne belijders v. Ben al te overwegende invloed van de 
partij in Nederland, die voor de evangelisatie dezen gewesten ijvert, 
een al te overwegende invloed van hen , die de inlandsche volkeren 
dezer gewesten zoo gaarne op eene met hunne subjectieve begrippen 
overeenkomende wijze gelukkig zagen en instellingen onder hen 
willen invoeren die voor den maatschappelijken toestand niet passen , 
die met de verhouding en den aard van ons gezng en de voorwaarden 
onzer souvereiniteit niet strooken, en die door het volk zelf niet 
worden begeerd ; nieuwe botsingen in het Westen , tusschen christen- 
en mohammedaansche staten, kunnen opschuddingen van meer of 
minder belang onder de inlandsche bewoners van onze Indische 
bezittingen teweeg brengen. Geen beter middel is er, op Sumatra^s 
Westkust, om aan zulke schokken het hootd te kunnen bieden, dan 
het relief der inlandsche hoofden en het bezit hunner genegenheid ; 
want, al zijn ze zelf Mohammedaan, hun gezag schuwt priester- 
heerschappij , en zij hebben in dat opzicht hetzelfde belang als wij. 
Tevredenheid en welgezindheid der inlandsche hoofden zijn op 



öümatra's westkust sbdert 1850. 8l5 

Sumatra'^s Westkust het beste tegenwicht aan geestdrijvende op- 
roiïngen van kwaadgezinde priesters. 

ffTot dusver is gehandeld van de larashoofden en de penghoeloe's 
kapala , dat zijn hoofden en ambten van onzen creatie , in het belang 
van ons bestuur, en aan te merkeu als ambtenaren van het Gou- 
vernement. De belangen der soekoe-hoofden , de eigenlijke volks- 
hoofden in de Maleische landen van dit Gouvernement , mogen echter 
ook niet uit het oog worden verloren. 

^Hunne belangen zijn, en vooral in het voortbrengen van pro- 
ducten voor de Enropeesche markt en het wezen van schadelijke 
politieke invloeden, als die der priesters, niet af te scheiden van de 
onze. Zij zijn leden van het oorspronkelijk inlandsch bestuur; en 
daar zij de eigenlijke, onmiddellijke opzichters en verantwoordelijke 
personen zijn , voor de richtige uitvoering der gegeven bevelen , is 
hunne oprechte en trouwe medewerking voor de penghoeloe's kapala 
en larashoofden onontbeerlijk , en behoort ook hunne goede gezindheid 
zooveel maar eenigszins doenlijk door de onzen te worden aangekweekt. 

«"De toekenning van een vaste bezoldiging aan de soekoe-hoofden 
zoude , wegens hun groot aantal , tot hooge uitgaven leiden ; en 
bovendien heeft de Begeering, tenzij de dringende behoefte daarvan 
overtuigend werd aangetoond, er zich in beginsel tegen verklaard. 
Het doel zal echter volkomen worden bereikt door voor hen de koffie- 
procenten te verhoogen ; op die wijze toch wordt van Gou vernemen ts- 
wege hunne positie verbeterd waar de bevolking en de algemeene 
welvaart het grootst, en hunne medewerking van het meeste belang 
zijn ; terwijl het voor de minder of in 't geheel niet met koffie- 
producten bedeelde soekoehoofden een spoorslag zal zijn, om ook bij 
hen de cultuur te beginnen of nit te breiden , en in 't geheel de 
maatregel zeer gunstig op de vermeerdering van het koffieproduct zal 
werkene .... 

In verband met deze beschouwingen stelde de generaal Meis 
voor, in de Padangsche Bovenlanden de bezoldiging der hoofden 
«^met het oog op den aard hunner betrekkingen, op den staat dien 
zij , althans de voornaamsten , dienen te voeren om eer en aanzien 
te krijgeii bij eene zoo op uiterlijk vertoon gestelde bevolking als 
die der Bovenlanden, en bovenal uithoofde van het moreel recht 
dat wij zullen verkrijgen tot het tegengaan en gestreng strafien van 
knevelarijen en andere willekeur,^ — te bepalen op f80. — 



816 SUMATRA. 8 WESTKUST SEDERT l85Ö 

^s maands voor de larashoofden en op f 20. — voor de penghoeloes 
kapala. 

In de Padangsche Benedeolanden , die — alleen de hoofdplaats 
Padang uitgezonderd — //in volkrijkheid , welvaart , politiek en 
financieel belang verre bij de Tk)venlanden achterstaan >r , zon voor 
de larashoofden een inkomen van ƒ50. — 's maands voldoende zijn ; 
daarentegen werden — ook in verband met vroeger verkregen rech- 
ten — hoogere tractementen dan het evenbedoeld bedrag gevraagd 
voor: den regent van Padang (ƒ500.— ), den bandahara en de 
overige 7 penghoeloes aldaar (elk ƒ80.— ), den regent van Priaman 
(ƒ100. — ), het eerste hoofd van Ajer Bangis (ƒ60. — ), den 
regent van Tndrapoera (ƒ 100. — ), gelijk de tot dusver uitge- 
keerde bedragen. 

De ^hoofdregent^ , thans te Padang aanwezig, zou bij aftreden 
of overlijden door een ^regent v vervangen moeten worden , omdat 
eerstgenoemde titel deed denken aan eene indertijd wel door den 
resident Baaff beoogde, doch nooit erkende suprematie over de 
andere regenten. 

In de residentie Tapanoeli eischten de plaatselijke toestanden 
eenigszins andere regelingen dan in de Padangsche Boven- en Bene- 
denlanden : wel werd ook daar ƒ 20 per maand als norm. aangeno- 
men vooi de kampong- en koeria-hoofden , doch met verschillende 
afwijkingen. De jang di pertoean van Kota Siantar genoot ƒ 150 
^s maands; de hoofden der kampong Oeloe en der kampong Ilir te 
Baros elk ƒ 60. — ; het eerste hoofd van Natal ƒ 1400 per jaar. 
Deze posten moesten onveranderd blijven. 

Eindelijk wenschte Meis de koi&eprocenten voor de soekoehoofden 
te brengen van 20 duiten op 25 centen per pikol. 

Afgescheiden van de hierdoor vereischte uitgaven zouden de voor- 
gedragen tractements-verhoogingen eene uitgaaf vorderen van cc. 
ƒ 180.000 's jaars. 

De Raad van Indië, en ook de Qouverneur-Qeneraal , vereenigden 
zich geheel met de door den generaal Meis gedane voorstellen. Men 
mocht — zoo werd in beider advies (dd. 26 Juli 1861 n<^. UT en 
30 Sept. 1861 n«. 872/6) met nagenoeg dezelfde woorden gezegd — 
niet voor de aanzienlijke uitgaaf terugdeinzen, ^daar 's lands direct 
en indirect belang ontegenzeggelijk vorderde dat de hoofden ter 
Sumatra's Westkust in verhouding tot hunne diensten en billijke 
behoeften goed betaald werden ;>r terwijl er geen twijfel bestond 



s .... _ ^g^Q^ 3iy 



SUMATKAS \?£8TKU8T SEDERT 



^dat de hoogere uitgaaf niet zon vergoed worden door een hooger 
koiBeprodact , de meest winstgevende tak onzer inkomsten. Ook 
— werd gezegd — mocht vniet uit het oog worden verloren, dat 
de uitgaven voor bezoldiging van inlandsche hoofden ter Westkust 
van Sumatra onevenredig gering waren. «^ 

De Minister van Koloniën écarteerde uit de medegedeelde voor- 
stellen de quaestie der cultuurprocenten , omdat destijds aan de juistheid 
van het beginsel , aan de toekenning dezer procenten ten grondslag 
liggende, ernstig getwijfeld werd. * 

Doch tegen de gevraagde tractementsverhoogingen waren, na de 
aangevoerde motieven, geene bezwaren, en in Maart 1863 werden 
zij door het opperbestuur onveranderd goedgekeurd. Het reeds ver- 
melde Ind. Stbl. van 1863, no 45, waarbij zij werden afgekondigd , 
behelst alle détails der nieuwe regeling, in verband met welke 
tegelijkertijd ook (Stbl. n^ 46) de bezoldigingen der djaksa's te 
Padang en te Friaman eene verhooging ondergingen. 

Volledigheidshalve merken wij hierbij op, dat bij Ind. Stbl. 1871 
no 83 de bezoldiging der inlandsche hoofden in de residentie 
Tapanoeli herzien en in totaal van cc. ƒ 23000. — op cc. ƒ 56000. — 
per jaar gebracht werden; terwijl voorts wijzigingen van minder be- 
lang, in de regelingen van 1863 en 1871, werden gemaakt bij de 
Ind. Stbl. 1875 n^ 233, 1876 no 323 en 1879 no 155. 

'De expeditiën, welke in 1863 naar het eiland Nias gericht 
werden, zijn elders (W. A. Van Bees, De pionniera der leschaving) 
uitvoerig beschreven en kunnen alzoo hier met stilzwijgen worden 
voorbijgegaan. 

Zulks is niet het geval met een belangrijken maatregel, die in 
1864 (Ind. Stbl. no 112) genomen werd, waarvan men de motieven 
dient te kennen tot het verkrijgen van een juist inzicht in den 
toestand. Wij bedoelen het verbod van invoer en bezit van opium 
in de geheele residentie Padangsche Bovenlanden , de adsistent- 
residentie Maudaïling en Angkola (residentie Tapanoeli) , de districten 
Rau, Panti en Loeboe-Sikaping, de Ophirdistricten , en de Zuidelijke 
Afdeeling der residentie Padangsche Benedenlanden. 

De aanleiding tot dat verbod was , gelijk ook in genoemd Staats- 
blad verklaard wordt , gelegen in de wenschen der inlandsche hoofden. 



' Eerst in 1879 werden de cultuurprocenten verhoogd, veel meer dan in 1862 
verlangd werd: voor de soekoehoofden werden zy toen van 20 duiten (16) cent) 
op 40 centen gebracht (Ind. Stbl. 1879 n*. 28). 

5« Volgr. Vn. 21 



318 SÜMATUA^S WESTKUST SEDERT 1850. 

Juist daarom had het krachtig kannen werken, indien het niet — 
ontijdig en o. i. zonder voldoend motief — in 1870 (Stbl. n*. 170) 
weder was opgeheven geworden. 

De gouverneur Van den Bossche schreef den E9en October 1 868 
no. 3662, aan den Gouverneur-Generaal den volgenden brief: 

«Ue gezamenlijke hoofden van de Zuidelijke Afdeeling der Pa- 
dangsche Benedeulanden h(;bben zich eenigen tijd geleden tot het 
bestuur gewend, met het verzoek om het debiet en het bezit van 
amfioen in huiMie negorijen te doen verbieden. 

//Bij hunne adressen voeren zij als motief aan de ongelukkige 
gevolgen, welke het gebruik van opium voor sommigen hunner onder- 
hoorigen gehad heeft, zoomede den erkend verderfelijken invloed 
daarvan, zoowel op de zedelijke als op de stoffelijke ontwikkeling der 
bevolking. 

4fHet voormeld verzoek gaf mij aanleiding, te onderzoeken of ook 
andere gedeelten van dit Gouvernement geacht konden worden voor 
eene algeheele afschaffing der opiumpacht in aanmerking te komen. 

//Uit de, op de daartoe gedane vragen ontvangen antwoorden 
zal Uwe Excellentie kunnen ontwaren dat de inlandsche hoofden te 
dezer kust, algemeen en zonder onderscheid^ het verlangen hebben 
doen kennen dat het debiet en het bezit van opium zou worden 
verboden. Zij zijn allen doordrongen van de hooge wenschelijkheid 
om het gebruik van dat verderfelijk middel te beletten , daar zij 
het opium beschouwen als de bron van al het kwaad dat bedreven 
wordt. 

/i^Sedert de afschaffing van de hanen vechtbanen is het verbruik 
van opium in de Padangsche Bovenlanden zeer verminderd, zoo 
zelfs dat de amfioenschuivers nu reeds met zekere minachting worden 
aangezien. 

nUti eenige bezwaar^ hetwelk tegen eene opheffing van de opium- 
pacht in die landschappen in de laatste jaren aangevoerd is kunnen 
worden , bestond daarin dat aan de panghoeloe^s kapala de bevoegd- 
heid was gegeven om met uitsluiting van anderen amfioen in het 
klein te verkoopen (Art 5 der pachtvoorwaarden , Stbl. 1857 n® 
105). Dit voorrecht was aan die hoofden, toen — of kort nadat — 
zij in het leven werden geroepen, door het toenmalig bestuur ge- 
schonken omdat zij niet bezoldigd werden; dat bezwaar is thans 
opgeheven, en het tijdstip is alzoo bijzonder gunstig om het debiet 
en het bezit van opium in de Padangsche Bovenlanden geheel te 
verbieden. 



SUMATKA^S WESTKUST SEDERT 1850. 319 

//In de afdeeling Priaman is het gebruik van opium in de laatste 
jaren veeleer toe- dan afgenomen , hetgeen aan de onverschilligheid 
van het bestuur moet worden toegeschreven : zonder acht te slaan 
op de bestaande pachtsvoorwaarden , liet dit een groot aantal opium- 
verkoopplaatsen y tot zelfs in kleine, afgelegen kampongs, door den 
Chineeschen pachter oprichten. Daardoor is de bevolking allerwege 
in de gelegenheid gesteld en verleid geworden om met het gebruik 
van opium kennis te maken; gelukkig kan men er bijvoegen dat, 
met geringe uitzondering, alleen de laagste klasse der bevolking 
zich daardoor heeft laten meesleepeu. 

ffDe adsistent-resident van Priaman heeft , op grond van het 
unaniem verzoek der hoofden, geadviseerd de amfioenpacht in zijne 
afdeeling in te trekken , met uitzondering evenwel van ééne amfioen- 
verkoopplaats ter hoofdplaats Priaman^ welke hij vermeende ten 
behoeve van eenige aldaar gevestigde Chineezen, die van opium 
gebruik maken , te moet>en behouden. Ik kan mij met dit laatste 
minder goed vereenigen , daar het mij niet consequent voorkomt , 
eene inrichting , die men als schadelijk voor den inboorling afgeschaft 
wenscht te zien , zelfs met opoffering van beduidende voordeden , 
voor eenige weinige vreemdelingen, in wier lot men minder belang 
stelt, te laten bestaan. Het aantal Chineezen te Priaman bedraagt 
overigens slechts 54 mannen, waarvan een groot gedeelte geen ge- 
bruik van opium maakt. 

ffln de afdeeling Ajer Bangis en Ilau is het gebruik van opium 
gering; alleen op de Batoe-eilanden ^ waar zich eenige Chineezen 
hebben gevestigd, is het van meer beteekenis, zeer vermoedelijk 
omdat, van daar uit, ook sluikhandel in opium op Nias wordt 
gedreven, alwaar het debiet en het bezit van opium verboden is 
(Stbl. 1858 n^ 84). 

>/De resident van Tapanoeli is van oordeel dat in zijn gewest 
het opium overal verboden kan worden , met uitzondering evenwel 
van Baros en Singkel, alwaar het nagenoeg het eenige ruilmiddel 
is waarmede de handel op de onafhankelijke Battalanden gedreven 
wordt. De resident beweert, dat het weinig zou baten den opium- 
inyoer op die plaatsen te verbieden^ vermits het eenige gevolg 
daarvan wezen zoude dat de handel van de onafhankelijke landen 
zich naar Troemon of eene andere Atjehsche haven zoude verplaatsen , 
van waar het opium even goed gehaald kan worden. Ik kan mij 
volkomen met deze beschouwingen vereenigeu , zoomede met het 
voorstel om, bij het eventueel afkondigen van een verbod op het 



320 SUMATRA S WESTKUST S£D£&T l^lSO. 

debiet en het bezit van opium te dezer kuste, alsdan het grond- 
gebied ten Noorden van de rivier Kollang, nabij Sorkam^ van dat 
verbod uit te sluiten. 

De eenige afdeeling, waarvan ik nu nog geene melding heb 
gemaakt, is de hoofdplaats Padang en Ommelanden. 

vHet is treurig, te moeten bekennen dat juist daar, waar de 
zetel van het bestuur gevestigd is, de minste pogingen zijn aan- 
gewend om het opium-verbruik te doen verminderen. Blijkbaar is 
zulks de aandacht ontgaan, vermits bij de verpachting art. 4 van 
Stbl. 1854 no. 70 niet is opgevolgd en het aantal verkoopplaatsen 
noch geregeld, noch vastgesteld is. De Ohineesche pachter heeft 
daardoor evenals te Priaman de gelegenheid gehad om het debiet 
van opium kunstmatig op te voeren door een groot aantal amfioen- 
kitten op te richten en het plaatselijk bestuur heeft dat met eene 
laakbare onverschilligheid aangezien. De hoofdplaats Padang alleen 
telt op het oogenblik 24 amfioenkitten , terwijl de beperkte Omme- 
landen met 9 van die inrichtingen begiftigd zijn. De inlandsche 
militairen en hunne vrouwen , eenige Chineezen en het laagste ge- 
deelte der gemengde bevolking van de hoofdplaats zijn daarvan de 
bezoekers; onder de betere standen en onder de Niassers is het opium- 
gebruik gelukkig nog niet algemeen dooi gedrongen. 

//De hoofden van Padang hebben in vroegere jaren meermalen 
aangedrongen op de afschai&ng van de amfioen pacht ^ o. a. in Sep- 
tember 1858; zij zijn thans op dat verzoek teruggekomen, met 
nadruk wijzende op de schadelijke en zelfs verderfelijke gevolgen 
die het gebruik van amfioen voor de bevolking heeft. 

alk vermeen, in deze zakelijke regels voldoende te hebben aan- 
getoond dat de hoofden en het welgestelde deel der bevolking ver- 
langen dat het Gouvernement de opiumpacht zal intrekken , en den 
verkoop en het bezit van opium zal verbieden. 

/rDat dit verlangen billijk is en het gebruik van opium zooveel 
doenlijk geweerd moet worden in het welbegrepen belang der be- 
volking, zal wel geen nader betoog behoeven. 

//Ik zoude mitsdien niet aarzelen, een voorstel te doen om, met 
opoffering van de inkomsten welke dat middel opbrengt, n. 1. ƒ 240,120 
'sjaars, de pacht van het recht tot den verkoop van amfioen in 
het klein voor de geheele kust af te schaffen en den invoer en 
het bezit van opium te verbieden , ware het niet dat het gebruik 
van opium in de Padangsche Beiiedenlanden mij nog te veelvuldig 
voorkomt om zoo maar in eens gesupprimeerd te kunnen worden. 



SUICATRiL^S WESTKUST SXDEBT 1850. 821 

^Eene meer geleidelijke afschafiing vermeen ik voor dit gedeelte 
van dit gewest te moeten aanbevelen. Eene geleidelijke vermindering 
van het gebruik van opium zal bevorderd worden door het aantal 
kitten bij de verpachting voor het volgende jaar beduidend te be- 
perken , of liever , tot enkele te reduceeren , en er streng de hand 
aan te doen houden dat de pachter zijne bevoegdheid niet weder 
overschrijdt. 

«"Over een, hoogstens twee, jaren zal dan, met uitsluiting van 
Baros en Singkel, het verbod op den invoer en het bezit van 
opium voor de geheele kust van kracht verklaard . kunnen worden. 

^i'Ik acht intusschen het tijdstip gekomen om de amfioenpacht 
op te hefieii , en een verbod op den invoer en het bezit van amfioen 
uit te vaardigen, in de residentie Padangsche Bovenlanden, in de 
districten Ban, Panti^ Loeboe Sikaping en de Ophir-districten van 
de afdeeling Ajer Bangis en Ban, in de adsistent-residentie Man- 
daïling en Angkola , behoorende tot de residentie Tapanoeli , en in 
de Zuidelijke afdeeling der Padangsche Benedenlanden , zich uit- 
strekkende van de grens van Bengkoelen tot en met het district 
Troesan. 

/yHet tijdstip voor zoodanige intrekking van de amfioenpacht in 
de voormelde landschappen is hoogst gunstig; en zoodanige maat- 
regel zal ongetwijfeld^ zoowel bij de hoofden als bij de welgestelde 
bevolking een zeer goeden indruk maken, dewijl die menschen tot 
nog toe in de amfioenpacht niet anders gezien hebben dan een 
middel van inkomsten, waarmede de regeering zich ten koste van 
het welzijn der bevolking bevoordeeld heeftfl' * 

Dit voorstel vond toejuiching, zoowel bij den directeur der 
Middelen en Domeinen Mr. W. H. Dn Cloux (missive dd. 10 
November 1863 no 4310), als bij den Baad van Indië (advies van 
den £n Januari 1864 no XXXVIII), den Gouverneur-Generaal 
(missive aan den Minister van Koloniën dd. 26 Januari 1864 no 
70/1) en het Opperbestuur. Bij kabinetsrescript van 6 April 1864 
no 63 werd ^s Konings machtiging verkregen tot de voorgedragen 
inkrimping van de opiumpacht, en bij het reeds genoemd Ind. 
Stbl. no 112 van 1864 kwam deze tot stand. 



1 Het vervolg van dezen brief meenen w\j hier achterwege te kunnen laten; 
daaruit blijkt dat de generaal Van S wieten in 1858 chet tijdstip gekomen achtte 
om het gebruik van opium over de geheele kust te doen ophouden». De generaal 
Meis had daartegen bezwaren geopperd, welke nu door den gouverneur Van den 
Bossche werden weerlegd. 



322 sukat&a's westkust sedert 1850. 

Doch al vrij spoedig bleek dat, alleen door het mimaardigen van 
een verbod , zonder tevens de noodige maatregelen te trefien tot 
handhaving daarvan, het doel — beperking van het opiumgebruik 
— onvoldoende werd bereikt. 

Volgens een aan den resident van Biouw door den adsistent- 
resident van Siak gerichten brief van 24 October 1867, n© 680, 
was de invoer van opium //zoowel langs de Siak- als de Kampar- 
rivier veel levendiger dan vroeger. >/ Langs eerstgenoemde rivier 
waren gedurende het 3® kwartaal 1867 ingevoerd: 8 kisten en 4 
bollen opium , en , volgens berichten van inlanders , langs de Kam- 
par >/nog ruim zooveel//; alles werd bijna doorgevoerd naar de 
binnenlanden, en het werd zeer waarschijnlijk geacht dat daarmede 
een sterken sluikhandel gedreven werd met de Fadangsche Boven- 
landen. De adsistent-resident oordeelde alzoo dat daartegen //krach- 
tiger moest worden gewaakt.// 

Dit schrijven, aan den gouverneur van Sumatra's Westkust 
medegedeeld, gaf dezen hoofdambtenaar aanleiding, bij zijn biief 
van 1 December 1867 no 6421 aan te dringen op verscherpte 
strafbepalingen tegen overtreding van het Staatsblad van 1864 no 112. 

De straf bestond tot dusver op verbeurdverklaring van al het 
gevonden opium en van eene boete van f 25 voor elke overtreding. 

Reeds bij een vroeger schrijven, dd. 16 April 1867 no 2051, 
had de gouverneur op het onvoldoende van deze straffen gewezen , 
en tot juist begrip van den toestand zal het noodig zijn hier allereerst 
een extract van dien brief in te lasschen: 

//Het groot aantal geconstateerde overtredingen van het verbod 
op den invoer en het bezit van opium in de verboden kringen heeft 
niet-alleen overtuigend aangetoond dat de daarop gestelde straf niet 
streng genoeg is om de overtreders af te schrikken , maar moet ook 
de gevolgtrekking doen geboren worden dat het in eene zeer geringe 
verhouding staat tot het aantal gepleegde, doch niet geconstateerde 
overtredingen. Om mij tot eene enkele afdeeliug, waar het verbod 
van kracht is ^ te bepalen , stel ik hier bekend dat in de Zuidelijke 
Afdeeling van Padang, binnen welke geene garnizoenen gevestigd 
zijn en het gebruik van opium onder de inlandsche bevolking niet 
algemeen verspreid is^ van lo Januari 1865 tot 30 October 1866 
niet minder dan 17 personen in de termen vielen om wegens over- 
treding van het onderwerpelij k verbod te worden vervolgd , waarvan 
één vier malen en 3 malen. 

//£n wat het eiland Nias in 't bijzonder betreft , sinds lang waren 



SUHATRA^S WESTKUST SEDERT 1S50. 323 

velen de meening toegedaan^ dat d^r het verbod het omgekeerde 
had uitgewerkt van hetgeen daarmede was beoogd ; dat het afschafi'en 
van de pacht slechts had gestrekt om het opium goedkooper, het 
gebruik daarvan grooter en algemeener te doen worden, terwijl de 
beschikbare middelen op verre na niet toereikende waren om de 
behoorlijke handhaving van het verbod te verzekeren. Met zekeren 
weerzin moet ik erkennen, dat die meening thans ook door mij 
wordt gedeeld. 

//De waarschijnlijke oorzaken , waaraan ik toeschrijf dat de ver- 
kregen uitkomst zoo ongunstig is, komen mij voor de volgende 
te zijn: 

lo ffie moeielijkheid , om niet te zeggen de onmogelijkheid om 
met de aanwezige middelen te kunnen beletten dat de invoer ter 
sluiks plaats vindt van een artikel, hetwelk eene zoo groote waarde 
heeft en door de consumenten zoo gretig gezocht wordt; 

£• ffde groote voordeden welke den importeurs van opium wachten , 
wanneer het hun gelukt de waakzaamheid te ontsnappen van amb- 
tenaren^ hoofden, politiedienaren, tolbeauibten enz. 

3<^ >i^de lichtheid van de bedreigde straf, in verhouding tot de 
te behalen voordeelen^ ingeval er geene ontdekking plaats heeft. 

/r Misschien is ook de onderstelling niet van grond ontbloot, dat 
ten deze geen zeer groot vertrouwen mag worden geschonken aan 
den ijver^ het plichtgevoel en de onomkoopbaarheid van sommige 
inlandsche hoofden en van inlandsche oppassers en andere karig 
bezoldigde geëmplojeerden. Van deze hangt nochtans veel , zoo 
niet alles af^ want voor het gering aantal Europeesche ambtenaren 
is het bepaald ondoenlijk, in persoon de zeekust en de zoo uit- 
gestrekte landgrenzen voortdurend en met goed gevolg te 
surveilleeren. 

«'Toen, in 1863, een groot aantal inlandsche hoofden den wensch 
te kennen gaven dat het gebruik van opium mocht worden ver- 
boden, waren de meesten, zoo niet allen, gehechte goeder trouw; 
daarvan houd ik mij overtuigd. 

ffDe verderfelijke gevolgen van dat gebruik werden door sommigen 
hunner zeer goed ingezien^ ook zonder dat hun die door de 
Europeesche ambtenaren waren voorgehouden en aanschouwelijk 
gemaakt. 

'/Anderen verkregen dat inzicht eerst door de voorstellingen en 
de overreding der Europeesche ambtenaren, doch waren daarom niet 
minder oprecht dan de eersten. Thans moet evenwel in twijfel ge- 



S24 sumatra's westkust sedert 1850. 

trokken wordeu , of wel alle inlandsclie hoofden bestand zijn tegen 
het lokaas, dat hunne hebzucht wordt voorgehouden voor het geval 
dat zij willen medewerken om de verbodsbepalingen te ontduiken; 
op enkelen hunner rust althans de verdenking als zouden zij niet 
vrij te pleiten zijn van medeplichtigheid, hetzij dadelijke of lijdelijke, 
aan de gepleegde overtredingen , en als zouden zij voordeelen trekken 
van den heimelijken opium-invoer binnen de verboden kringen. 

//Ik zal mij in de nadere beschouwing der vermelde oorzaken en 
gemaakte onderstellingen niet verder verdiepen ; zij doen niets af 
aan het bekend gestelde feit. dat de thans bestaande verbods- 
bepalingen slecht werken. Liever wil ik trachteu^ de middelen op 
te sporen welke kunnen dienen om aan het bestaan van dat feit 
een einde te maken. 

//Een geschikt, eenvoudig en voor de schatkist voordeelig middel 
zou daarin bestaan, dat de ordonnantiën van 24 Juli 1858 (Stbl. no. 84) 
en 28 Juli 1864 (Stbl. no. 112) buiten werking werden gesteld en 
de opiumpacht alzoo wederom over de geheele uitgestrektheid van 
het Gouvernement Sumatra's Westkust in toepassing kwam ; ^s lands 
inkomsten zouden in dat geval met ongeveer een halve ton gouds 
^sjaars vermeerderen, en in den pachter en zijne onderpachters of 
onderhoorigen zouden wij de krachtigste medehelpers vinden om 
den invoer en den verkoop van het heulsap door daartoe onbe- 
voegde personen tegen te gaan. Ook de pachter wordt onder den 
tegenwoordigen staat van zaken benadeeld; dat moet althans 
worden afgeleid uit een van hem ontvangen rekest dd. 26 Fe- 
bruari jl. . . . 

^Tegen de toepassing van het zoo even aangewezen middel bestaat 
echter een zoo gewichtige bedenking, dat daardoor moet worden af- 
gezien van eene nadere overweging. Dat middel zou n.1. eene schrede 
achterwaarts zijn op den sedert eenigen tijd ingeslagen weg ; het zou 
ons verwijderen van het groot, zedelijk doel dat wij voor oogen 
moeten houden ; ik meen , de trapsgewijze vermindering , en eindelijk 
geheele aüschafBng van het gebruik van opium. 

^Met het oog hierop behoeven de bestaande verbodsbepalingen in 
stand gehouden te worden , met zoodanige aanvulling en versterking 
nochtans , dat de overtreding inderdaad gestraft wordt .... 

/^Hetzelfde zal moeten worden gedaan wat op Java gedaan is. 

//Daar is reeds in 1868 (Stbl. no 128) de overtreding van het 
verbod op den invoer en het bezit van opium strafbaar gesteld , 
behalve met geldboete en verbeurdverklaring van het onwettig be- 



sumat&a's westkust sedert 1850. 326 

Keten opiam, met gevangenis, de eerste maal van eene maand tot 
drie jaren, bij herhi^ling voor den tijd van drie maanden tot vijf 
jaren, welke straf voor inlanders en daarmede gelijkgestelden ver- 
anderd wordt in dwangarbeid buiten de ketting van gelijken duur. 
Alleen vermeen ik te moeten opmerken dat de minima van bedreigde 
straffen niet te laag moeten worden gesteld , omdat de rechter, veelal 
door te ver gedreven of slecht begrepen menschlievendheid geleid, 
bij overtreding maar al te zeer genegen schijnt om zooveel mogelijk 
slechts het minimum toe te passen , waardoor dan de heilzame indruk 
der strafbedreiging dikwijls geheel verloren gaat. 

ffDe bovenbedoelde ordonnantie van 1863 is reeds weder gewijzigd 
in 1866 (Stbl. n« 117). T)e geldboete o. a , wegens overtreding van 
het verbod op den invoer en het bezit van opium bedraagt nu in 
elk geval / 10,000 voor elke hoeveelheid van 100 of minder kati^s 
opium, waarmede de overtreding is gepleegd. Zij gaat dus niet 
langer met gevangenis gepaard, doch de rechter kan de boete ook 
niet verminderen, is aan de bepaalde som gebonden. 

«'Hiermede kan ik mij zeer wel vereenigen, mits voor Sumatra's 
» Westkust bepaald worde wat op Java reeds lang bestaat, nl. dat, 
bij onvermogen om eene opgelegde geldboete te betalen, daarvoor 
gevangenis of dwangarbeid in de plaats komt. 

^Ik wensch dan ook de vaststelling van eene overeenkomstige 
bepaling voor dit Gouvernement in overweging te geven ^r . . . 

Met aandrang kwam de gouverneur op dit voorstel terug bij zijn 
reeds genoemd schrijven van 1 December 1867. ^i^Het algemeen be- 
lang zoude te zeer worden voorbijgezien^, — zoo schreef hij — 
wanneer nog langer gedraald werd met de uitvaardiging van //strengere 
poenaliteitsbepalingen. » 

Doch de behandeling van dit voorstel werd «^door meer andere, 
spoed vereischende zaken vertraagde bij het Departement van Financiën, 
dat eerst bij missive van 17 Mei 1870 no 7614/M de quaestie aan 
de beslissing der regeering onderwierp. 

De directeur van dat Departement, de heer Butering, deed zijn 
advies ter zake luiden als volgt: 

.... //Zooals duidelijk blijkt, heeft de genomen maatregel het 
l)eoogde doel niet doen bereiken en alleen gestrekt tot groot nadeel 
van de schatkist; immers bedroeg de opiumpachtschat ter Sumatra^s 
Westkust : 



326 



bukatba's westkust sedkbt 1850. 



in 1862 . . 


. / 240,120 


's jaars 


♦ 1868 . . 


. // 240,120 


ff 


^ 1864 . . . 


ff 85,680 


n « 


// 1865 . . . 


. V 156,120 


ff > 


^ 1866 . . , 


. ^ 199,440 


H 


^ 1867 . . 


. ff 205,920 


n 


ff 1868 . . . 


. ff 207,780 


ff 


ff 1869 . . . 


ff 145,320 


ff 


ff 1870 . . . 


. ff 146,640 


ff 



zoodat, de jaren 1862 en 1863 tot maatstaf nemende, de genomen 
proef den lande tot dusver op ruim een half millioen is te staan 
gekomen. 

4^Dat, in weerwil van de zooveel strengere strafbepalingen, ook 
op Java en Madoera de verboden kringen niet hebben te weeg ge- 
bracht wat men zich daarvan had voorgesteld , kan thans aan geen 
twijfel meer onderhevig zijn ; dit feit rechtigt tot de onder- 
stelling, dat die strenge strafbepalingen evenmin ter Westkust van 
Sumatra de gewenschte uitwerking zullen hebben. 

/i^Hoe groot en zedelijk dan ook het doei moge wezen, dat men 
zich roet de intrekking der pacht en het daarstellen van verboden 
kringen heeft voorgesteld, zoo dunkt mij toch dat het niet raad- 
zaam mag worden geacht, de genomen proef in genoemd Gouverne- 
ment met de op Java en Madura vigeerende strafbepalingen voort 
te zetten en den lande nog verder nutteloos nadeel te berokkenen, 
zoodat ik vermeen , dien maatregel te moeten ontraden. 

^'Het gevolg daarvan is, dat zoo spoedig mogelijk zal dienen te 
worden teruggekeerd tot het door den Gouverneur van Sumatra's 
Westkust aangegeven ^^geschikt, eenvoudig en voor de schatkist 
voordeelig middel// , n. 1. de buiten werking stelling der ordon- 
nantiën van 1858 (Stbl. no 84) en 1864 (Stbl. no 112), en de 
opiumpacht alzoo weder over de geheele uitgestrektheid van het 
Gouvernement van Sumatra's Westkust in te voeren ^z 

De Procureur-Generaal, Mr. Coster (advies dd. 19 September 1870 
no 1503/373) was van eene geheel andere meening. 

fflk geloof niet// — zoo schreef hij aan den Gouverneur-Generaal 
— //dat het voorstel// (om de pacht weder in te voeren) ^eenige 



1 cMet den aanvang van dat jaar was het getal opiumkitten door den Gouverneur 
aanmei^eiyk beperkt.» 

* cOe pachter had toen gewis reeds gemerkt dat die beperking hem niet veel 
kwaad deed.» 



SUMATBA^S WESTKUST SEDBBT 1850. 327 

kans heeft om bij Uwe Excellentie ingang te vinden , en dat het 
Uwe Excellentie zoude behagen op den ingeslagen weg tot beperking 
van het opiumgebruik een schrede terug te doen. 

>rTen allen tijde is hetsselfde argument^r (dat de invoer en het 
gebruik binnen de verboden kringen toch niet geweerd kunnen 
worden) /rook voor het in stand houden van speelhuizen in Europa 
gebezigd, maar ook sedert lang is daarover de staf gebroken. 

/rMoge de invoer en het bezit van amfioen binnen de verboden 
kringen, trots de meest strenge bepalingen,, de meest waakzame 
politie niet geheel geweerd kunnen worden, zoo zal het m. i. 
moeielijk vol te houden zijn dat het gebruik even groot zoude zijn 
wanneer het verboden is, als wanneer het bezit en het gebruik 
overeenkomstig het pachtreglement worden toegelaten! 

/rBuitendien , hetzelfde argument hetwelk tegen de verboden 
kringen gebezigd wordt, n. 1. dat er toch gesmokkeld wordt, kan 
ook tegen de pacht aangevoerd worden. 

ffTegen de voorstellen van den gouverneur van Sumatra^s West- 
kust bestaan bij mij geene bedenkingen; aan de bepalingen, die 
worden voorgesteld, is reeds lang ook op Java behoefte ge voeld/i^ .... 

De directeur van Justitie, Mr. Der Kinderen (advies van 18 
October 1870 no 1454*/2782) vereenigde zich daarentegen met de 
meening van zijn ambtgenoot van financiën: 

/rDaar, waar het noodig is, zooals de gouverneur in 1867 

voorstelde , zeer zware straffen te bedreigen om het verbod te hand- 
haven, is, naar mijn gevoelen, de verboden kring reeds dadelijk 
veroordeeld ; het bestaan van zoodanigen kring is alleen te verdedigen 
wanneer het bewijs geleverd is dat de bevolking daar geene behoefte 
heeft aan amfioengebruik , en men tevens vermeent dat het in de 
roeping van den Staat ligt , te zorgen dat zijne leden zich onthouden 
van het gebruiken van zaken die voor hen schadelijk worden geacht. 

«^Zoolang toch de bevolking behoefte aan het heulsap heeft, zullen 
de zwaarste straffen niet voldoende zijn om het verbod te handhaven, 
en bij het clandestien verbruik komt dan nog een hoogstverderfelijke 
smokkelhandel. >/ 

Inmiddels had (missive van ^4 September 1870 n^ 6378) de 
gouverneur van Sumatra^s Westkust — toen de heer E. Netscher — 
aangedroiigen op eene spoedige beslissing overeenkomstig de in 1867 
gedane voorstellen. 

«'Bij mijn optreden (24 Februari 1870) alhier, zoo schreef hij. 



828 sümatba's westkust sedert 1850. 

heb ik de zaak vau het opiümgebraik in erastige overweging ge- 
nomen en dienaangaande inlichtingen ingewonnen. Daaruit is mij 
gebleken dat de door mijn ambtsvoorganger geschetste toestand in 
geenen deele is verbeterd^ en dat, wil men met ernst het gebruik 
van opium tegengaan en tevens 's lands belangen behartigen door 
den opiumpachter voor die streken waar de pacht werkt te waar- 
borgen tegen de vele overtredingen van de pachtvoorwaarden , het 
dringend noodig is dat worde beschikt overeenkomstig het voorstel 
van 16 April 1867 no 2051. 

//De opiumpacht brengt thans in de verte niet op hetgeen zou 
kunnen worden verwacht indien de belangen van den pachter beter 
beschermd werden ; de pacht bedroeg : in 1867 — 1870 resp. f 206,000 , 
/ 208,000, / 145,000, / 147,000 in ronde cijfers, en eene verdere 
daling laat zich met grond verwachten indien niet meer afdoende 
maatregelen tegen sluiken worden genomen.^ 

Het antwoord op dit vertoog was het besluit van 9 Nov. 1870 
no 4 (Ind. Stbl. no 170 en 171) waarbij, uit overweging dat de 
maatregelen van 1858 en 1864, >/wel verre van aan het oogmerk 
te beantwoorden, bovendien tot een de bevolking demoraliseerenden 
sluikhandel aanleiding hadden gegeven/i^, alle verbodsbepalingen op 
den invoer en het bezit van opium voor Nias en de Padangsche 
gewesten werden ingetrokken , het geheele gewest binnen het pacht- 
gebied werd getrokken en , voor de toepassing van het pachtstelsel , 
de voor Java geldende regelen ook voor Sumatra's Westkust geldende 
werden verklaard. 

De wederinvoering van het pachtstelsel heeft alzoo plaats gehad 
zonder dat de gouverneur, de residenten der Padangsche Bovenlanden 
en van Tapanoeli , of een der adsisteut-residenten en inlandsche 
hoofden werden gehoord. 

Doch het valt buiten het bestek van dit opstel, om critiek uit 
te oefenen over de door de regeering genomen maatregelen. Men 
zoude anders licht geneigd zijn , de vraag te stellen of zij , die 
klaagden dat er, in 21 maanden tijds, in eene afdeeling van cc. 
70,000 zielen, niet minder dan zeventien opiumschuivers wareti 
ontdekt, inderdaad van meening zijn geweest dat het opiumgebruik 
/i'geleidelijk verminderen// zou wanneer men op twee plaatsen (Painau 
en Ajer Hadji) opiumkitten opende en daar den opiumhandel auto- 
riseerde? *. 



^ In *t geheel werden er 21 kitten geopend: 10 in de Padangsche Beneden- 
landen [2 te Padang, 1 te Pau, te Ajer Bangis, te Poeloe Tello, te Priaman, 



dUMAT&A^S WESTKUST SBDSBT 1850. 3^9 

Intüsschen merken wij op dat na, door de toepassing van het 
voor Java geldend pachtreglement, toch de zwaardere straffen op 
opium overtredingen werden uitgevaardigd welke de gouvemear 
reeds in 1867 tot handhaving van het stelsel van verboden kringen 
had noodig geacht. Wat men van ondergeschikt belang had geacht 
voor de bevolking, werd onmiddellijk vastgesteld toen het belang 
van de pachter en dat van ^s lands kas daarin betrokken was. 

Opmerking verdient nog dat de panghoeWs kapala, die vroeger 
alleen bevoegd waren tot verkoop van opium in het klein, met de 
wederinvoering van de pacht het daaraan verbonden voordeel 
moesten blijven missen. Met het oog op de boven medegedeelde 
verklaring van den gouverneur Van den Bossche, in 1864al^legd, 
dat >rmen tot nog toe in de amfioenpacht niet anders had gezien 
dan een middel van inkomsten , waarmede de regeering zich ten 
koste van het welzijn der bevolking bevoordeelde// komt het ons voor 
dat de wijze, waarop de pacht weder werd ingevoerd in de streken 
waar zij eenige jaren lang afgeschaft was, wel bij de panghoeloe^s 
kapala een zeer ongunstigen indruk moest teweegbrengen. 

Het is hier de plaats^ om te vermelden dat in 1864 (Stbl. no 
155) de pacht der pandjeshuizen, tot dusver alleen te Padang be- 
staande, over geheel Snmatra's Westkust werd ingevoerd. 

Aanleiding daartoe gaf de volgende missive van den gouverneur, 
dd. 26 Augustus 1864 no 3237: 

«^Het recht om pandjeshuizen te houden en aldaar gelden op 
panden te beleenen is in dit Gouvernement nergens verpacht be- 
halve ter hoofdplaats Padang (Stbl. 1857 no 105). 

/i'Het gevolg hiervan is, dat overal elders degenen, die genood- 
zaakt zijn om gelden in leen op te nemen en daarvoor goederen 
in pand te geven, in handen van woekeraars vallen, die niet alleen 
een schreeuwend hoogen interest rekenen, maar ook onder geen 
toezicht staan en niet den geringsten waarborg kunnen of moeten 
stellen voor de goede en getrouwe bewaring van de in pand ge- 
geven goederen. Er kan natuurlijk niet aan gedacht worden, de 
pacht der pandjeshuizen voor elke plaats in dit Gouvernement toe- 
passelijk te verklaren; doch er bestaan m. i. geene bezwaren tegen, 

te Kigoe TEmam, te Painan, te Ajer Hadji]; 5 in de Padangsche Bovenlanden [te 
Fort de Koek, Fort Van der Capellen, Solok, Padang Pandjang en Paja Combo]; 
6 in de residentie Tapanoeli [te Siboga, Singkel, Baros, Goenoeng Sitoli, Natal 
en Padang Sidempoean]. 



330 sumatba's westkust sedert 1850. 

dat zalks geschiede met betrekking tot de voornaamste plaatsen , 
bv. daar waar vendukantoren gevestigd zijn , zoomede te Singkel en 
Baros, alwaar aanzienlijke handel wordt gedreven en een aantal 
vreemdelingen gevestigd zijn, 

^De invoering van de pacht der pandjeshuizen op de boven- 
genoemde plaatsen wordt door mij wenschelijk geacht, omdat daardoor 
in eene wezenlijke behoefte zal worden voorzien, en de geldleeners 
aldaar niet langer aan de willekeur en kwade practijken van geweten- 
looze woekeraars blootgesteld zullen zijn. Ook lijdt het geen twijfel 
dat 's lands inkomsten daarbij zullen worden gebaat. En nu moge 
het waar zijn dat veel ten nadeele van de instelling der pandjes- 
huizen kan worden gezegd ^ niet minder waar is het , dat het leenen 
van geld onder pandstelling wel nimmer zal kunnen worden belet. 
Onder die omstandigheden is het verkieslijk, dat die aangelegenheid 
onder wettelijke bepalingen wordt gebracht. «^ 

{Wordt vervofyd.) 



EEN BRIEF VAN ANQUETIL DU PERRON, 



HEDEOBDEELD DOOR 

Dr. H. KERN. 



In deze Bijdragen, D. XXX Vil , blz. 145, heeft Prof. Houtsma 
eenen brief van den vermaarden Anquetil du Perron, gedagteekend 
23 Febr. 1790 , openbaar gemaakt. Het was hem onbekend dat 
het door hem medegedeelde schrijven slechts een gedeelte bevatte van 
eenen brief, die door Anquetil du Perron gericht was aan den Heer 
A. G. Camper te Klein-Lancum. Wat Houtsma gevonden had en 
in de Bijdragen openbaar maakte, was slechts een afschrift, door 
Pluygers genomen, en bevatte alleen dat gedeelte, hetwelk betrekking 
had op de uit Malabar afkomstige koperplaten, die thans in de 
Leidsche Boekerij bewaard worden. Eerst onlangs heeft Dr. H. G. 
Hamaker mij verrast met de mededeeling, dat de oorspronkelijke 
brief van Anquetil du Perron nog aanwezig is. Hij heeft mij dien 
welwillend ter hand gesteld en daaraan is het te danken dat ik hier 
inzage kan geven van H oorspronkelijke van den nog onbekenden, 
in vele opzichten belangrijken inhoud. Alvorens echter tot de 
mededeeling van dien brief over te gaan , zal ik eenige mij door 
Dr. Hamaker verstrekte inlichtingen mededeelen. Hij schrijft mij 
het volgende; 

//Florentius Camper is van 1702 tot 1713 predikant in Indië 
geweest, laatstelijk te Batavia. In dit jaar is hij naar Holland 
teruggekeerd en heeft toen de bekende twee koperen boeken mede- 
gebracht, die tot den dood van A. G. Camper in 1820 in het 
bezit van die familie gebleven zijn. Daarna zijn zij het eigendom 
geworden van den hoogleeraar H. A. Hamaker, die met Johanna, 
de oudste dochter van A. G. Camper gehuwd was. Na den dood 
van H. A. Hamaker in 1835 zijn zij in het bezit gebleven zijner 
kinderen, tot deze in 1862 gezamenlijk besloten dien schat aan de 
Bibliotheek der Jjeidsche Hoogeschool te schenken. Bij die gelegenheid 



332 EEN BRIEF VAN ANQUETIL DU PEBEON. 

heb ik eenen brief van Anqaetil du Perron, welke door A. G. 
Camper in 1790 over de beteekenis en aard dier boeken geraadpleegd 
was en hem met een uitvoerig antwoord gediend had^ welke brief 
na den dood van H. A. Hamaker in mijn bezit gekomen was, aan 
den toenmaligen Bibliothecaris W. G. Pluygeis getoond. Pluygers 
heeft eigenhandig daaruit a%eschreven, wat op de koperen boeken 
betrekking had, maar wat de brief meer bevatte weggelaten, en 
daarvoor alleen etc. etc. etc., benevens het slot van den brief met 
de handteekening van Anquetil gegeven. Ook heeft hij daarbij 
eenige aanwijzingen gevoegd, die ik hem toen mondeling gegeven 
had. Uit eigenhandig door P. geschreven stuk is bij de boeken 
nedergelegd, en door Houtsma gevonden en uitgegeven. Het adres, 
waarin de brief van Anquetil bewaard is, is zooals Pluygers reeds 
opmerkte, niet van de hand van Anquetil. A. G. Camper had dien 
brief aan eenen vriend of geleerde ter lezing gezonden en deze 
zond hem terug met het adres: 

Monsieur A. G. Gaicpeb, 
h Klein-Lankum. 

Klein-Lankum is niet een gehucht, maar de naam der buitenplaats 
van de Campers, die na den dood van A. G. C. gesloopt is. 

De schenking der boeken heeft voor bijna dertig jaren plaats 
gehad en toen ik den brief van Anquetil aan Dr. Kern vertoonde, 
was het mij ontgaan dat ik daarover met den Bibliothecaris W. 
G. Pluygers gesproken had.^y w. g. H. G. Hamakes. 

Voor het begin van den brief van Anquetil verwijs ik naar de 
mededeeling van Houtsma in de Bijdragen; het vervolg luidt aldus: 

>/Maintenant permettez-moi , Monsieur, de vous faire connoitre 
un trésor que posséde votre pays: en 1875 m. P. Van Eyk, Pré- 
cepteur de TEcole latine ^ Bois-le-Duc, in de Hinthamerstraat , me 
fit rhonneur de m^écrire, pour me consulter sur un Manuscrit qu'un 
Capitame de la Marine ^ demeurant dans cette ville, lui avoit com- 
muniqué. Sa lettre contenoit les premières lignes de Touvrage. Je 
lui répondis sur Ie champ que cYtoit Ie Vendidad sadéy *que les 
lignes étoient du Zend^ du Pehhn^ du Persan et je lui en donnai 
Texplication , en Tengageant ^ porter ce Capitaine è. Ie présenter 
aux États-Généraux et ^ Ie déposer ensuite ^ la Bibliothèque de 
Leyde. J'ajoutois qu'il n'y avoit eujusqu'alors que deux exemplaires de 
connus de eet ouvrage, regarde & Surate comme Ie morceau principal 
de la Liturgie des Parses: Ie premier, è. Oxford; Ie 2e, k la Bibli- 



EEN BBIEF VAN ANQUETIL DU PERRON. ^^ÓS 

othèque du Roi ri Paris; que celui du Capitaine de Marine , faisaiit Ie 
troisième, méritoit d'être dépose dans uiie Bibliothèque aussi celèbre 
que celle de Leyde; et que j'étois charme, de pouvoir recoimoitre 
k cette occasion, les obligations que j'avois h la Nation hollandaise 
peur Ie succes de mes recherches dans Tlnde. Je ne sais si ma 
lettre a été remise k M. Van Eyk. Je u'en ai pas , depuis , entendu 
parier. Un homrae de votre mérite ne négligera pas cette indication. 
]ja race des bons écrivains est éteinte, h Surate: un Vendidad mdé^ 
copié avant mon arrivée dans l'Inde, est un trésor digne d'être 
place dans un depot public. 

Trouvez bon, Monsieur, que je vous deraaude, si la chose dépend 
de vous, un petit service. En 1778, m. Eey a imprimé & Am- 
sterdam ma Lègülatmi Oriëntale \ m. BernouUi s'est chargé de faire 
paraitre k Berlin mes Reclierches sur Pinde \ Touvrage a fini d'être 
imprimé en 1788. Nos libraires, k Paris, montent la garde, vont 
au District, font d'exercice. On n'imprime plus que les Parnphlets 
du moment. Pouviez-vous m'indiquer en Hollande un librairie 
intelligent, qui voulüt se charger de deux ouv rages auxquels j'ai 
mis la dernière main? je suis dans Tusage de donner mon manuscrit 
gratis \ rimprimeur, s'il Ie juge k propos, me gratifie de 25 exem- 
plaires, pour mes parents et mes amis. 

Le l"* ouv rage a pour titre; 

Ulnde en rapport avec VEurope: Ouvrage dans hquel on développe 
les interets Politiques de Clndcy 1% Natu/re de son Commerce, et oh 
fon présente un Flan d* Administration également utile è cet/€ cofitrée 
et h VEurope. £ Vol. en 8o. 

TiC 2e o v rage est VOupnelc^hat^ iraduit du Persan ^ mêU de Saws- 
krétam, 2 vol. en 4-0. 

Ce dernier morceau présente le Systeme de la Philosophie Indienne, 
tirée des 4 Vedes, 

Vous voyez. Monsieur, que le premier ouvrage est politique; le 
second, littéraire. Comme je conserve toujours pour Tlnde un 
intérêt vif, je tftche de faire marcher ces deux objets de front. 
Si vous trouvez le libraire que je cherche, je ferai sur le champ 
une copie du premier ouvrage, et tandisqu'on Timprimera, j'ajouterai 
au second de longues notes tirées du Mahaharat (manuscrit Persan 
de 1600 pages en fol. qui contient toute Tlnde ancienne , historique , 
physique et morale) et d autres ouv rages. 

Pour éviter les rétards, je vous prie. Monsieur, de vouloir bien 
m'adresser votre réponse immédiatemeut, avec un mot du libraire 



834 EEN BRIEF VAN ANQUETIL Dü PEllRON. 

qui aura accepté mes ouv rages. Vous savez que leur objet est 
toujours Ie bien genéral. Les hommes de tout pays , peuvent réaliser 
OU rectifier les observations que me fournissent mes lectures, mes 
rëflexions. 

Yotre lettre est une vraie consolation , un calmant efficace au 
milieu des troubles oi\ nous vivons. Je ue vois absolument personnc , 
Gontinuant toujours mes travaux. Vous sentez si je puis converser 
avec des hommes qui diseut et écrivent avec des bayonnettes , que 
Ie genre Aumain /late de 1790! Quand Tordre, Tautorité légitime 
sera rétablie, j^aurai au moins la satisfaction d^avoir perdu Ie moius 
de tems possible, quoi qu'on n'ait guere sa téte è. soi. 

Je vous prie, d'agréer mes voeux siucères, pour tout cequi peut 
vous être agréable, et d'étre persuadé que personue n^est avec des 
sentimens plus vifs , avec plus de considérations que moi , 

Monsieur , , 

Fotre tres Humble et tres ObéUsant Serviteur, 

Anquetil du Perron 

de FAcad. des Belles Lettres, 
a Paris. Chaussée d'Antin. N*. 21. 



De Bedragen tah het Koniiiklttk Inatitaut versehj|}neii in drie-^ 
■iMuideUJkBehe «fleyerlu^D Tan 8 ft 10 Tel drnks. De prtfs 
wordt berekend h M eents per vel drnks , en ft 10 eeats per 
plaat» BQ de 4e afieTerIng Tan leder deel entTaniren de inteekenaren 
titel en inbond voor bet gebeele deel. ledere aflevering is afzon-^ 
deriyk Terkr^gbaar. 



De Bibliotb^ken Tan bet Instituut en het Indiseb Genootsebap 
(Heerengraebt, no. 21) zijn Toor de Leden toegankemk dageUIJks, 
met uitzondering Tan Zon- en feestdagen, Tan 12 tot 4 nre 
's namiddags. 



Heeren Leden, Tooral in Indi8, iv orden dringend Torzoebt, b|f 
Terandering yan woonplaats of bU niet geregelde ontTangst der 
BQdragen en Werken, daarTan kennis te geren aan den 
Saeretaris. De leden, die yan en naar Nederlaadseb Oost-Indi? 
TertMkken, worden ereneens dringend uitgenoodigd Tóór bun 
yertrek tQdig daarTan aan den Seeretaris berieht te doen toekomen. 



Uoor MARTINUS NIJllOJTte 's-üraveiihage, is uitRe^even: 

De Opkomst vao liet NederiaDdscii Gezag io Oost-lDdiê. 

Verzamelwg mm üvuH{jegeren Stukken wt hM 

Oiifl-Kohniaal Archief , 

uitpet'evoi) on bevirerkt door 

Jhr. Mr. J. K. J. DE JONGE en M. L. VAN DEVENTER. 

13 deelon, met Alphabetisch Register. 
Gr. 8vü. Met kaart f ïl. 35. 



Heizelfde loerky ondier de titels: 
De Opkomst van hot Sederlandsch Oo/ag in Oost-Indië. 

lólJo-lfilO \S (locltMi fl5.— 

l)e Opkomst vau het Nodi^rlaridsch tjlezaü: ovor Java. 

iniO— ISII. iO (Irelon ........ f 54.45 

Alphabetisch Ke^ister op het geheele werk, door J. W. G. 
Va\ IIaaunt f 1.90 

AfKonderIjjko deelen worden ;^eleverd voor zoover 

de v(W)rraad strekt 



De Opkomst van het NederlaDlseh Gezag in Oost-bidië. 

Tweede Reeks: BultenbeBiUingen. 

Ook onder den titel: 

Bouwstoffeu voor de lieschiedenis der Nederlanders 

in den Maleischên Archipel 

Uitgegeven en toegelicht docr Dr. P. A. TIELE. 

Eerste deel (1612—1624) gr. 8vo. f 5.15. 

Hetzelfde, Tweede deel (1624—1639), 

bewerkt door Dr, P. A. Tiele en Mr. J, E. Heekbs. 

Gr. 8vo. f6.25. 



Het Nederlandsch Gezag 

' OVER 

JAU EN ONDERHOOmeHEDEN, 

sedert 1811. 

Verzameling van onuitgegeven Stukken uit de Koloniale en 

andere ArcMeren , 

uitgegeven en bewerkt door 

IL L. VAN DEVENTER. 

Eerste deel: 1811—1820. gr. 8vo. Prijs f 1.60. 
Het tweede deel wordt bewerkt door den heer J BOUDEWIJNSE. 



BIJDRAGEN 



TOT DE 



TAAL- LAND- EN VOLKENKUNDE 



VAN 



NEDERLANDSCHHNDIË 



UrrGEGEYEN DOOR HET 



Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde 

van Nederlandseh-IndiB. 



YUFDK [VOLGREEKS — ZEVBNDB DBBL. 
(deel XLI DEB OEUEELE BEEK8.) 
DSBDB AFLEirSBlWe. 



'SGRAVENHAGE, 

MARTDTUS NIJHOPF. 
1892. 



INHOUD 



Kleine Niassische Chrefftomathie. Mit Wörterverzeichiuss, 
gesammelt and übersetzt Ton H Sondermann, Mis- 
rionar auf der Insel Nias 835 

De afvrijkingen van het Mohammedaansche I^milie- en 
Erfrecht op Java en Madoera. Door Prof. Mr. L. W. 
C. van den Berg 454 

Sawnneesche bijdragen. Door Prof. Dr. H. Kern. 

(Vervolg van bladz. 196) 518 

Sottineesche spraakkunttt. Door J. Fanggidaej^ onder- 
wijzer te Baban (op Timor), omgewerkt door Prof. 
Q. K. Niemann 554 



KLEINE NIASSISCHE CHRESTOMATHIE 

MIT WÖRTBRVERZEICHNISS 

GESAKMSLT UKD ÜBERSETZT 
▼ON 

H. SUNDERMANN, 
Missionar auf der Insel Nias. 



EINFJSITUNG. 

I. Ueber Anssprache und Betonnng. 

1. Lautb und Buohstaben. 

Die niassische Sprache, d. h. wenigstens der nördliclie Dialect, 
dem diese Stücke entlehnt sind^ gebrancht in der Schrift uar 21 
Bachstaben. Die Schreibweise ist, soweit möglich, dera Hollandischen 
angepasst. Die Bnchstaben sind folgende: a, b, d^ e, f, g, ch, 
h , i , j , k^ 1, m, A, o, r, s, t, n, w, z. Die Aussprache der meisten 
Lante triflt mit dem Hollandischen zaaammen: abweichend davon 
sind: Das mit einem ~ bezeichnete o (ö), welches hinten in der 
Kehle gesprochen wird^ mit etwas Nasalirung, am nachsten dürfte 
es wohl dem französischen u in an kommen, obwohl es immerhin 
anch von diesem nach abweicht ; ferner das mit einem ^ bezeichnete 
w (w), welches laatet wie das englische w in Wales; z, welches 
noch weicher wie im Hollandischen gesprochen wird, mit einem 
schon dadurch bedingten D-Yorschlag; g, welches laatet wie das 
dentsche g in gehen, ch, welches lautet wie das deutsche ch in 
wachen, and a, welches laatet wie das dentsche a in Hat. 

Die Doppellaate sind: ae, ai, ao, aö, aoe, oi, ooe, öi and doe. 
Sie werden sammtlich so gesprochen, dass man die einzelnen Tiaate 
einigermassen heraashört. Ein — ' — wird gesetzt , wenn zwei Vocale 
aufeinander treilen, die abgestossen gesprochen werden z. B. da^ö. 

6e Volgp. Vn. 2-2 



336 KLEINK NIASSISOHE OHRSSTOMATltiE 

2. Vox DEK Bktonung. 

Die allgemeine Eegel im Niassischen ist, dass der Ton aaf der 
paenultima liegt: baru, faja, falimosa, faugefa'ö u. s. w. Erh&lt 
das Wort eiiien Zusatz (etwa ein Suffix), so tritt der Ton wieder 
auf die paenultima: barügoe, barunia u. s. w. 

Indessen giebt es von dieser Begel manche Ansnahmen u. zwar: 

a. liegt der Ton auf der ultima bei den meisten zweisilbigen 
Adjectiven, resp. Yerben, wiearó, anaü, ara, mané und mano u. 
8. w. , bei den zweisilbigen Pronomen : ja'ó , andré u. andro , da^é 
u. da'^ö und niha in dem Pronomen interrogativum ha nihdp 

Ausserdem hat rt\si\ff stets den Ton, sowohl im Pronomen , jVamï 
(ami), als auch als Suffix, omomï, u. ebenso das Suffix mö: 
baroemö'. 

Ferner bei den Yerben mit einsilbigem Stamme, wie molï,me'ë, 
faböi, mondröi, faröi u. s. w. u. bei noch einer Anzahl anderer 
Wörter, z. B. bei den Inteijectionen alail u. o inil u. manchen 
Adverben, wie ja'é u. ja'ö, moto, a^ï u. s. w. Daneben auch noch 
bei mehreren anderen Verben mit zweisilbigem Stamme, z. B. mu- 
dadao, manarai, managotarai u. s. w. 

Bei den von den angefiihrten Verbeu gebildeten erweiterten, resp. 
transitiven, Pormen bleibt der Ton ebenfalls auf der Silbe, auf der 
er ursprünglich lag, z. B. mamolï, maroedadao, u. s. w. 

3.) auf der antepaenultima bei den Wörtern, die auf eu u. iu 
enden (welche Laute als Halbdiphthonge angesehen werden können) 
wenn dieselben ein Suffix erhalten, z. B. {atiusa, von fatïu, ëuma, 
von êu. 

Bei manchen Wörtern kann der Ton auch bei derselben Formdes 
Wortes bald auf der einen , bald auf der andern Silbe liegen , wo- 
durch dann die Bedeutung eine andere wird, z. B. bóngi = Nacht, 
er wird Nacht, es ist Nacht u. bongi = heute Nacht, heute 
Abend; ma'öchö = einen Tag (lang) u. ma'öchö = heute ; chora = 
ihnen u. chord == ihnen aber, ihuen dagegen. 

II. Einige Bemerkungen zu dem beigegebenen 

Wörterverzeichnisse. 

1.) Die Substantive sind in ihrer ursprünglichen Form aufgefiihrt. 
In besonderen Verbindungen verandem sie indessen ihre Form, 
z. B, omo = Haus, ba nomo =: im Hause; ama = Vater, omo 



KLEINE NIASSISCHE CHRESTOMATHIE. 3'37 

nama = Haus des Vaters; ÖmÖ = Schuld, fa'ebua gömö = Grosse 
der Schuld. Manche, die mit einem Vocal beginnea, nehmen, wie 
hier schon ersichtlich , in diesen besonderen Stellungen ein n vor 
sich nnd manche ein g und da hieriiber keine Kegel besteht , so ist 
bei jedem dergleichen Worte der betreflende Laut in ( ) beigefiigt 
z. B. ambala (g), adu (n); inithin hat man die Wörter gambala 
and nadu^ wenn sie in dieser Form im Texte vorkommen , unter 
a zu suchen. B wird in den betrettendeu Stellungen mb, d wird, 
ndr, f wird w, k wird e:, s wird z und t wird d , z. B. ba'o (mba'o) 
dao (ndrao) u. s. w. Hierauf hat man beim Aufsuchen dieser Wiirter 
zu achten, wenn sie vielleicht im Text in der veranderten Form 
stehen sollten. Die oben nicht aufgeführten Consonanten könncn die 
Yeranderung nicht annehmen, die Vocale dagegen nehmen alle 
einen der genannten Consonanten vor sich (n od. g), mit Ausnalime 
einiger weniger Wörter. 

2.) Adjeciive, die mit einem Vocal beginnen, werden vidfach 
mit dem Belativum »s\» verbundeu , jedoch so, dass i ausfullt und s 
mit dem Adjectivum verbanden wird, z. B. abua = schwer, sabua = 
das Schwere; natürlich steht aber im Verzeichniss das Wort unter a. 

3.) Die transitiven Verben «si nd mei:*tens in der Porm aufgefdhrt , 
in der sie das Personal-Prafix annehmen, da sie so am haufigsten 
vorkommen and bei Auffuhrung der vollen Form das Aussuchcïii sehr 
schwierig sein würde und dann auch die grösste Zahl der Verben 
sich unter den Buchstaben m zusammendriingen würde. z. B. lautet 
der Stamm von dem Verbum mangandro ^ bitten , beten //andrö^/ 
and dieser nimmt das Personal-Prafix an : u'andro = icli bitte , 
o'andrö = du hittest, i'andrö = er bittet u. s. w. Nun sollte 
dieser Stamm zur Bildung der vollen Verbalform, wie au and ren 
Verben ersichtlich, eigentlich nur die Vorsilbe //ma// vor sich nehmen , 
aber da er mit einem Vocal beginnt, so muss er noch ein ng ein- 
schalten. Behufis Aufsuchung des Wortes hat man also nur diese 
Zusatze (und wo es mit Personal-Prafix auftritt , dieses) abzutrennen 
u, darum hielten wir es für das beste, diese genanute Form auf- 
zuführen. 

Bei denen die im Stamme mit d, f, b, k, ch, s u. t bjginnen 
treten in der vollen Form fiir diese Ijaate meistens andere ein, z. B. 
dada wird manada = herniederlassen , udada = icIi lasse hernieder 
u. s. w.; fake wird mamake, bobo wird mamöbö, clia'ai wird 
moga'ai, ko'o wird mogo'o, saka wird manaka, tanö wird inanand]; 
dagegen nimmt r ein nd vor sich, rara wird mond rara. 



338 KLEIKÊ NIASSISCHE CHRESTOMATHIE. 

Alle diese Wörter sind nun ira Verzeichniss in ihrer Stammform 
aufgefiihrt und die Vorsilben , die zur Bildung der vollen Porm dienen , 
sind beigefngt and zwar mitsamt dem Laute , der in der vollen 
YoTxn an Stelle des Anfangslautes des Stainmes tritt, resp. dem 
Tiante, der noch eingeschoben wird, also: andro^ mang- = bitten, 
beten ; ko'o , raog- = graben , begraben ; sata , man- = abschneiden , 
a. s. w. ; mithin ist mogo'o sowohl, als auch uko^o n. s. w. nnter 
k zn suchen, manaka n. usaka nnter s, u. s. w. Was man nnter 
s nicht findet, suche man unter z, und nmgekehrt; ebenso ist es mit 
g nnd k und mit b and w. 

Die Silbe fa ist auch ein Prafix and zwar ein zweites, nach 
ma, von welchem (fa) sich dann das f in der vollen Verbalform 
auch in m verwandelt; diese Silbe ist mithin beim Aufsachen, 
wenigsten viel£Ekch, auch aasser Acht za lassen, z. B. mamaelungu, 
oder auch ufaelanga , suche man unter elungu. Haafig sind diese 
Yerbalformen aber auch unter f, also mit dem fa, aufgefiihrt und 
zwar besonders da, wo der eigentliche Staram mehr oder weniger 
ungebrauchlich ist, und umsomehr, weil bei Annahme desPersonal- 
Prftfixes die Silbe fa bleibt , z. B. mamazochi = machen , ufazöchi 
= ich mache. Die Personal-Prafixe ii , o , i , ma , ta , mi , la sind beim 
Aufsuchen immer erst abzutrennen. Die Sache hat ihre Schwierig- 
keiten , doch lasst sich das bei der ganzen Pormenbildung der Sprache 
kaum anders machen. 

Die von den vollen Yerbalformen gebildeten Substantive sind, in 
bezug auf das Aufsuchen, wie die Yerbeu zu behandelu , z. B. famae- 
lungu, oder in der veranderten Form wamaelungu = das Verfiihren, 
die Verfuhrung, ist ebenfalls unter e (elungu = irren) zu suchen. 



I. 





. 


GESPRACHE. 






1. AliGEKETNlS. 


1. 


Ha niha döimoP 




Wie heissest du? 


2. 


Josua döigu. 




Josua ist mein Name. 


3. 


Ha men ga fache ndra^ogöp 


Wie alt bist du? 


4. 


Dua wnla a lima fache ndra^o. 


Ich bin 25,Jahre alt. 


5. 


Heza ö'otaraip 




Wo kommst du her? 


6. 


He möiö? 




VVohin gehst du? 


7. 


Hadia halo wou? 




Was ist deine Beschaftigung? 


S. 


Toeka ndra'odo. 




Ich bin ein Zimmermann. 


9. 


Hadia, so wo^omou ba so nonou ? 


Hast du Frau und Kinder. 


10. 


8o, Tua. 




Ja, Herr. 


11. 


Abolobölo den. 




Es regnet stark. 


12. 


Moteu ma'ifu. 




Es regnet ein wenig. 


13. 


Döhö den. 




Der Begen hat aufgehört. 


14. 


Sochi mbanna iada'e. 




Es ist jetzt schönes W etter. 


15. 


Tumbu luo. 




Die Sonne geht auf. 


16. 


Aechu mbawa. 




Der Mond geht unter. 


17. 


Abolo nangi. 




Der Wind weht stark. 


18. 


Lö angraiigi. 




Es ist ganz stille. 


19. 


Möi ita manorö. 




Jjass uns spazieren gehen. 


20. 


Tau. 




Gut. 



2. Mrr EiNXM Bedientsn. 



1. Ha niha ba da'ö? 

2. Ja'odo, Tua. 

3. Ha uga labözi? 

4. Tanga önö. 

5. Ijau, ba bokai zandrela. 

6. He wisa mbanua? 

7. Löcho. 

8. Moteu. 

9. Ohe chogu nidanö wanasa. 



Wer ist da? 

Ich, Herr. 

Wie spat ist es? 

Es ist halb sechs. 

Gut, dann öfine die Fenster. 

Wie ist das Wetterp 

Es ist heiter. 

Es regnet. 

Bringe mir Waschwasser. 



340 



KLEINE NIASSI8CH£ CHttESTOIlATHlE. 



10. Be'e wolosi danga göi. 

11. Ae ba kade, Kadarö. 

12. Hadia ni'öligu? 
18. Ta ba adulo. 

14. Ba asio göi ba lada hita. 

15. Böi aragö'ö, 

16. Oja sibai na halöwöda. 

17. Lau. 

18. No so'ö? 

19. Hadia, ahori ö'öli , niwa'ögu 
chöu? 

20. Noa. 

21 . Halo chögu zamba galasi nidanö. 

22. Lö idanö. 

23. Ba ae ta^u ba hele. 

24. Ta'ita'i fuli'ö! 

25. Boziui zalo. 



Gieb aach ein Handtuch. 

6eh uach dem Markte, Kadarö. 

Was soll ich kaufenP 

Pische u. Eier. 

Und aach Salz and schwarzen 

Pfefler. 
Bleibe nicht lange aus. 
Wir haben noch sehr viel Arbeit. 
Gut. 

Bist du wieder da? 
Hast du alles gekauft, w^ ich 

dir gesagt habeP 
Ja. 

Hole mir ein Glas Wasser. 
Ës ist keiu Wasser da. 
Dann geheuud schöpfe am Sturzbad. 
Koinm schuell zurück. 
Kehre das llaus. 



3. MiT EINEK KOCH. 



1. He wisa, no awai göp 

2. Lö'ö na. 

3. Hana ^a lö'ö? 

4. Lö eu. 

5. Awai gö. 

6. Lau, ba möiga manga. 

7. Halo wiga. 

8. No labasa göna? 

9. Lö'ö. 

10. Ba ohe manö gae. 

11. Fazöchi kofi dania. 

12. Be'e chöma domboea mako kofi. 

13. Awö zusu ba gulo. 

14. Abe'e wache. 

15. Lö söchi wache da'c. 

16. Tenga horögu da'ö. 

17. Lö nihaogöu ja'ia. 

18. No oja sibai halöwögoe. 

19. Hana wa alawa luo öbörögÖp 

20. Haogö mahemolu. 



Wie ist es, ist das Essen fertig? 

(Neiu), noch nicht. 

Warum nicht? 

Es war kein Holz da. 

Das Essen ist fertig. 

Gut dann gehen wir essen. 

Hole die Teller. 

Sind Ananas geschalt? 

Nein. 

Dann bringe nar Pisang. 

Mache nachher Kafiee. 

Gieb uns zwei Tassen Kafiee. 

Mit Milch and Zucker. 

Der Beis ist hart. 

Dieser Beis ist nicht gut. 

Das ist nicht meine Schuld. 

Du hast ihn nicht gereinigt. 

Ich hatte sehr viel Arbeit. 

Warum liastdu so spat angefangen ? 

Mache es morgen besser. 



KLBINS KIASSISGHE OHBSSTOMaTHIE. 



341 



Mrr EiNSK Pferdeknecht. 



1. Fosela kudo, Sobadöi. 

2. Halo kudo, ohe ba da^e. 
8. Gk)gohe kudo maMfii tö. 

4. Ohe kudo ba kandra. 

5. Be^e ndni^a ba kudo. 

6. Ae, femondri kudo. 

7. Sela be'e ja^a ba zaita. 



Sattle das Pferd, Sobadöi. 

Hole das Pferd, bringe es hierher. 

Halte das Pferd noch ein wenig. 

Briug das Pferd in den Stall. 

Gieb dem Pferde Gras. 

Geh and bade das Pferd. 

Den Sattel thue auf den Haken. 



5. Mrr sinek Kaufmann. 



1. He wisa böli da'oP 

2. Tolu rufia. 

3. Abolo ebna mbolinia. 

4. Lo ebua mböli. 

5. Tola udegenip 

6. Hana. 

7. Ube'e zi öno rufia. 

8. Tebai. 

9. Ube^e wala rufia. 

10. Lau, ohe ba uomogu. 



Was kostet das? 

Zehn Gulden. 

Das ist zu theuer. 

Das is nicht theuer. 

Kann ich abaccordiren? 

Das dürfen Sie. 

Ich will sechs Gulden geben. 

Das geht nicht. 

Für acht Gulden will ich es geben. 

Gut, bringe es nach meinen Hause. 



7. Auf Abisen. 



1. Tola ö^ombacha'o chögu lalaP 

2. Tola. 

3. Hadia , lala ba Gombölata da^e P 

4. Tenga. 

5. Lala ba Nono Zitoli da'e. 

6. Tola moi'ö awoguP 

7. Tola, na obe'e luogu. 

8. Lau, ube'e. 

9. Ha wa^ara möi^oP 

10. Mahemolu mbanua, na labozi 
fitu. 



Kannst du mir den Wegzeigen? 

Jawohl. 

Ist dies der Weg nach Ombolata? 

Nein. 

Dieser Weg fiihrt nach Gunung 

Sitoli. 
Kannst du mit mir gehenp 
Ja, wenn du mir Lohn giebst. 
Gut, ich will geben. 
Wann willst du gehenp 
Morgen firüh, 7 Uhr. 



8. Bei Besuebsn. 



1. Ja'ugo? (singul.) Ja'ami? (plur). 

2. Mofanödo (^) Mofanöga (>/). 

3. He wisa, lö fochou. 



Guten Tag, 

Adieu. 

Wie ist es , bist da nicht krank P 



342 



KLEINS NIA8SIS0HE OHKK8TOMATHIE. 



4. Lö^ö, lö fochögu. 

5. Mofochödo maMfn. 

6. Afocho högögu. 

7. Abao mbawagu. 

8. Lo salania da^o. 

9. Alio döho da^o. 

10. Laa, tola na ato. 

11. Hadia halöwomi. 

12. Manataga fache. 
18. Ha miwaip 

14. So dome. 

15. Lau, ba mi^ohalohalöwö. 



Nein, ich bin nicht krank. 

Ich bin ein wenig krank. 

Ich habe Kopfschmerzeu. 

Ich habe eine geschwoUene Backe. 

Das hat nichts zu bedeuteu. 

Das ist bald vorüber. 

Gat, daa geht nocli an. 

Was habt ihr fur Arbeit? 

Wir stampfen Beis. 

Was woUt ihr damitP 

Wir haben Gaste. 

Gut^ dann haltet eucli daran. 



II. 

AMAEDOLA SEBUA. 
(Glei chnisse.) 

1. TUHA JE90 NASI. 

So mao Duha , mao safusi , sara nono. Ba möi manörö Duha , 
ba iVö ia ono mao andro. Ba noa sa ihundragö noQO mao no mege , 
ba me no ihundragö , imane : /t^Hezouina? hezo ninaP Da^ahundragö.^ 
Ba lamane awönia : >/No ohundragö nouo tua , ba ohundragö na 
ninap^ Imane: ^Lö^o, hezo ninap nhandragö sa.^ Lamane awönia: 
/i'No so sa jawa ba wolawa taa.>/ 

2. IWOWALAOHA. 

Samuza me motabina galawe Iwowalacha, ba lahalo önia nisö, 
dongania ba ira lachania, ba lö Ta, ba fefii ngawalö nisö labe'e 
önia, ba lö i'a. Ba lamane chönia: //Hadia gön sa , wa lö ö^a nisö ?>9r 
Imane alawe Iwowalacha : //Lö^ö sa a^a da^ö ^ da^ö sa gögu , 
zaerezaere sa, moroi si jawa; mifanombö nasu, ba mifanari mao 
ba mbawa dowotuwu, aecha mötö zaerezaere, ba u^a, da^ösagöga./)" 
Ba laVö chönia da^ö , lafanombö nasu ba lafanari mao ba mbawa 
duwutawn, ba aecha zaerezaere no mege. Ba i'a alawe Iwowalacha, 
da^ö zedöna ia. 

8. SI PADAHÖOAHÖ. 

Fawude ira Eazö Zila^o. Möi Bazö chö Zila'o, ba me iragi 
golajama^ itaroe'ö dohonia ba gahe zagö, ba ibörö dojo nora, ba 
möi ia jomo, ba me irugi mbagi nora, ba sara gahenia jomo, ba 
sara ton baora, ba imane chö Zila^o: «^Tahö^ na möido jomo^bana 
lö^ö.^ Imane Sila'o: /srUmane dania EazÖ, möi^ö jomo, bamalö^ö.^ 
'Imane Bazö: /i'Wa'ö manö zambalö.>/ Imane Sila^o : //Laa, uwa^ö 
dania. ^ Ba möi mnhalö manu Sila^o, sambua, ba balata, ba imane 
chö Sazö: ^Tahö göi, na ataba mbagi manu andre.// Ba imane Sazö: 
^Jahalocha chöu Sila^o, £Eiudugera'erada, me manö, möido sa^ae jomo. ^ 



34é KLEINS NIASSISCHE OHBSSTOMATHIE. 

4. KAWOFO. 

Samuza so niha si moi &tebu, Kawofo doinia. Ba motea. Ba 
imane Kawofo: //Möido fateba ;ff ba moi ia , ba lö faluclia ia zöcha, ba 
mangawuli ia, me döhö den. Ba faluclia ia ndra alawe, sanunu 
bowoa ba gudadula halama , ha samösa , ba no ibogö gönia talo , 
no so bawn ba galito. Ba so Gawofo, a^oi abasö ia, awo gamaga- 
mania, ba omasi ia moleu. Ba aracha iragi zinga galito. Basogaga 
ba hoga geu , mahede ia , imane : /i^ A ! a ! 4^ Ba imane Kawofo : >9^Hadia, 
u^a, ba lö mbe'e.^ Ba mahede zai gaga, imane: ^AI a!^ Ba imane 
ira alawe: ^Hadia, ube^e, ba lö mu'andro.// Si mano , omasi Gawofo 
i'a ena'^ö, ba lö ibe'e ira alawe ^ ba ibe^e sa ena'ö ira alawe^ ba lö 
ni^andrö Gawofo. 

5. ONO ZAMAGÖWAULU. 

Samuza me möi malu nono Zamagöwaulu ahulu ira, nago, ba 
latatawi , ba la^ohe jomo. Ba lamane chö ndra alawe : «^Böi mitenagö 
gahuluada, möiga malu mahemolu, ba lö ahulu, na toröi jomo ga- 
hulua.^ir Ba me moluo^ mofanö ira, ba no itenagö ira alawe nago no 
me owi, ba me lafefesu chöra nasu, me mofanö ira, ba aechu tou 
nago no mege, nitenagö ndra alawe (diwo nono maöchö chönia iwa^ö) 
no ide^ide, ezai larewe foa, ba moloi, isawa mbawandruhö. Ba 
lamane: ^Hadia da^ö?// Ba irugi mbagi nora , ba ebua , ezai laosi , ba 
lafaigifaigi manö , lö i'anema^ö lara'u^ lawai hadia. Ba irugi geno^o 
ba ebua ia ba da^ö, ezai nago, ja^ia no menewi. Ba lagohi asu. 

6. RAZÖ BAULU BA RAZÖ BA LUAHA. 

Möi tome Bazö baulu chö Razö ba luaha. Ba koki Bazö ba luaha, 
ja' ia ndrawa So'uligöna. Ba imane Bazö ba luaha chö ndrawa So'uli> 
göna : «^Lau , ondruge ba ogule , möido mowöli diwo domeda./i' Ba furi 
Bazö no mege , iwa'ö Bazö baulu chö ndrawa So'uligöna , imane : 
ff Re dawa So'uligönal^^ 'Imane: ^Hana tuap^ Imane: //Faigi, Bazö 
ba luaha andrö i&toutoundra'ugö.// Imane: ^Haiwa'ö tuaP^ Imane: 
ffjjö u'ila, iwa'ö manö mege: ^XJlitö ba hunö mböra, böra bahunö 
gulitö.^ Ba abu dödö ndrawa So'uligöna^ imane tödönia: ^i^Hulö no 
u'aga'aga gö Bazö andre.i/ Ba tehandro manö dödönia, ba lö ibabaja 
wanosou otu'otu wache, owöra manö, awö gule, a'oi achozi. Ba so 



KLEINE NIASSISCHE GH&E8T0KATHIB. 345 

Bazo ba laaha , imane : ^No asoso go , dawa So^oligöna ?n Jmane : 
^Lö^Ö, abn dödögn, no öfatoutoa ndra'o iwa'o fiazo baaJu.^i^ Tmane 
Razo ba laaha: «^Andrö lö manga ita. Bazo baulu, ha chömö.>/ Ba 
lö alaa manga ira, borö Bazo baulu, me no ifachai waja. 

7. MANGABAZA FATAHÖ BA AMADA LUGBUMUKU. 

Faoma safua ira, darua, fagaigai namada Luorumuru ba malu Ma- 
ngaraza Fataho, idönidöni si tou mbaewa ba nidanö Luorumuru, 
^ezai mujumuju weto, sara ihalö ba itibo'ö si jawa baene. Ba 
faohifaohi nasoe si jawa ba hili chö Mangaraza Fataho, ba faoma 
lahalö, baewa chö Luorumuru ba ouo laosi chö Mangaraza Fatahö. 
Ba maoso Luorumuru, möi mu'ondrasi Mangaraza Fatahö, ba imane 
Luorumuru: ^Ahulu'ö Mangaraza Fataho P^^ Iwa'ö : /rAhulu, ono laosi, 
no ideMde, ha molahuhu.^ Imane Luorumuru: ^Baewa sa chögn, 
egesolo si^ai.^ Ba imane Mangaraza Fataho: /^Ha wa ia , ahulnau da'ö. 
Tenga si manö, datafaoma watörö gahuluada, tafaigi heza zolahe 
ba danö, acha ho ide^ide chögu, ba si a^a wafaa./^ Ba möi muhalö 
chönia mbaewa Luorumuru , ba imane Mangaraza Fataho : //Ofonai'ö 
fatörö chöu mbaewa. 4^ Ba ifatorö Luorumuru , ba lö lahe , ahachö manö 
danö. Ba ifatörö chönia göi Mangaraza Fataho ae, ba te^oli lahe 
mifona , no fatohu. Tmane Mangaraza Fataho : //Fajagu chöu , acha 
esolo si'ai sa chömö, ba lö lahe, ba acha no ide'ide sa chögu, ba 
molahe ba danö, me si ndruhu zi a^a wafua chögu.// Ba mofanö ira 
me no awai da^ö chöra. 

8. BA^E BA LAOSI. 

Samuza, me &wude ira laosi mba^e, imane ba^e: /i^Hadia za^usö 
andrö, laosi, ba zinga nomo Duha?>y Imane laosi: /rDima kafalö 
da'ö, aja Duha.>/ Ba imane ba'e: /^^He wisa, na atoruiagöi, hadia, 
mukoko ba danö göip^^ Imane laosi : >yMukoko.^ Ba imane ba^e : ^Heza 
zi ofona ira, wekoko weruru, na atoru iaP/i" Imane laosi: ^Ofêna 
mururu, atö moekoko./i^ Tmane ba^e: //Tenga si manö , ofona mukoko, 
awena mururu. ^ Imane laosi: «^Tenga si manö ba^e, böi balia^ö, böi 
be'e ulu laaha ba böi be'e luaha nulu, hana sa wa öwa'ö, ofona 
mukoko, atö mururu.// Ba imane ba^e: ^/Tenga si manö^ möiita man- 
gadn chö Duha.// Ba möi ira. Ba alio mba^e^ ahouhou laosi. Trugi 
jomo chö Duha ba'e, ba imane Tuha: //Salacha ndra'ugö ba'e, wa 
möi^ö lomo./f Imane ba^e : >/Tenga sa da'ö, toea. No fadahödahöga laosi , 



346 KL£lIi£ NIAB8IS0UB CH&ESTOMATHIS. 

na atoru ndrima kafalö andrö chöoe^ ba nmane chouia: ^Ofona 
mukoko, aweaa mararu,^^ ba imane sa: >/Lö'ö, ofona inorara, atd 
mukoko.A^ Ba imane Taha: ^Ja^ia sa chö laosi ba'e. >9^ Ba imane ba^e : 
/'^Tenga taa , o^ö chögu , acha ala laosi , öhalö ia dania guleu , wa^ami, 
wa'asöchi gule, ba lö söchi sa guleu ndra'odo, wa'ahali ba wa'afiio 
BSk.ff Ba imane Tuha: //Lau , ja^ia da'ö , uhalö dania guleguia.^ Baso 
laosi, itorö lala nasu. Ba imane chö Doeha: //No fadahödahöga mba^e, 
tua, ba mbua ndrima kafalö chöu, umane chönia: ^Oföna mururu, 
atö mukoko^ , ba imane sa : /kLö'ö , ofona mukoko , aio murunr ;// ba 
andrö möiga chömö.^ Ba imane Tuha no mcge: //Ja' ia sa göi chö 
mba^e, laosi, tenga sa ja% chömö.// Imane laosi: //Hana wa öbalia^ö 
huku, toea.// Imane Tuha chö laosi : //Oehalö'ö gulegu dania sa,chöoe 
da^ö. V Ba ihalö mbalaiu Tuha , itaba mbagi laosi. Ba me no ala laosi , 
mofanö mba'e. Ba igule laosi no mege Tuha, ba me moba^a wa'ara 
bawu, aracha mo'otu ba ifalöcha Tuha, ba me ifalöcha, mamoka 
mbu'u laosi no mege , göna ba hörö Uuha. Ba imane Tuha : //Ofowöhö 
ndra'o , ba'e , harumani ja'oegö ! ba waiiguma'ö chöu : //0'awögö ndra'o , 
halo dania guleu laosi andrö. ^ Andrö ikaoa hörögu, ha chömö.// 8i 
manö ibunu zi lö horö Tuha, ba andrö ikana hörönia. 

9. BUBU'n NIHA BA BUBUTI BEOHU. 

So nouo Mburuti niha, mato melima fache zebuabua. No mofanö 
Mburuti niha, ba no iröi nononia , daroa. Ba me ara ninara, ba 
mege^ege ira, imane si a^a: //Hana wa ara ninagu ija^ép/y Ba so 
moroi iooe Mburuti bechu^ ba imane: ^Hana wa me^e'ö?// Imane 
ono: vüo mofanö ninagu.^ Imane Buruti bechu: //Ha niha na sa 
ninaup Ba ja^e ndra'o, inau.// Imane ono: //Tenga inagoe ndra'ugö , 
oeMla sa ninagu./^ Imane Buruti bechu: //Ü'ö manö, tabu chögu, 
u'omasi'ö'ö.// Lau manga, ja'e gou. Ba i'aonogönia. Ba menoawai 
i^S, omasi ia Mburuti bechu andrö. Ba mo&nö Mburuti behu , i'ohe 
nono andrö. Ba it<irö golajama Duha , ba imane Tuha : /rHadia chöoe 
nono, Buruti bechu ?// Imane : //Onogu/ir ; ba mofanö ia. Ba so so Mburuti 
niha no mege, imane chö nononia si achi: //Hezasoga^aup// Imane: 
^No ihalö ira ala we andrö no mege.// Ba mofanö ia, möi ia musofu 
chö Duha, imane: ^/Tjö ni^ilau mege niha, sanörö ba da^e^ tua? 
no latagö nonogu.// Imane Tuha: //Ha Buruti bechu ni'ilagu mege, 
so chönia nono, ba ononia iwa'ö, me usofu.// Ba igohi Mburuti 
bechu Buruti niha, ba fachamö ira, ba imane: //Hana wa ötagö nonogu 
Buruti bechu?// Imane: //Heza nonomö , onogu sada'e.// Imane Buruti 



KLEINE NIASSISCHE CHltESTONATHIB. 347 

niha : /rTenga da'ö , onogu da'e.// Ba fasoso ira ba da'ö. Ba imane 
Burnti niha: >/Tenga si mano, tabu, möi ita mangadu chö Duha.// 
Ba möi ira, ba imane Buruti niha: //Ja'e no mege nonogu no, no 
itago Buruti bechu.// Imane Bnruti bechu: >/Hana wa sanagö ndra'o, 
ba onogu sa da'e.// Tmane Tuha: //Mibe'e chögoe nono, da'ube'e si 
bacha.'/ Ba ihalö nono andröTuha, i'ohe si bacha. IhalÖ döla göndra , 
ibe^e bacha nono , ba imane chö nono andrö : vBöi aliwaliwa ba 
boi hedehede bacha ba da^e, ba fondrondrongo ha lawa^ö dania. Ba 
i'ohe bauln Tuha döla göndra no mege , imane chö Mburuti bechu : 
//Ohe döla göndra andre si jawa ba hili Mandrehe , ba na örugi zuzu 
hili, fuli mitou zui.// Ba i'ohe Buruti bechu. Ba me irugi dalu 
hili . ibe'e tou , molombase ia , ba imane : // Acha eregerege dödögu , 
na aro chögu nono Mburuti niha andrö dania. /i' Ba ifondrondrongo 
bacha ono, ba mofanö zui ia, ba irugi zuzu hili, ba molombase ia 
ba si mane no mege zoei linia. Ba ifuli zui cliö Duha , imane : // Ja^e 
chöu döla göndra no mege, tua.i' Ba imane Tuha: //Ae'e göi 
Buruti niha, ba na örugi zuzu hili, fuli zui ba da'e. //Ba möi Mbu- 
ruti niha. Irugi dalu hili , molombase ia , ba imane : //Jahalocha chöu 
Buruti bechu, ha chömö, wa eree^e dödögu chö zaraura onogu. Ba 
ifondrongondrongo bacha ono no mege. Ba irugi zuzu hili , ba si 
mane linia mege zoei. Ba ifuli zui chö Üuha, imane: //Ja'e chöu 
döla göndra, tua.>!' Tmane: //Lau.// Ba ibokai döla göndra no mege. Ba 
isofu chö nono, imane: //Ha iwa'ö si ofona mege?// Imane ono: 
^Molombase ia ba imane: //Lö lai dania, na aro chögu nono Mburuti 
niha andre, wa'erege dödögu.// Ba imane Tuha: ^Ila iwa'ö si samösa?// 
Imane: /y Molombase ia mege ba imane: //Jahaloclia chÖ Mburuti 
bechu andrö , erege dödögu, ha chönia. // Ba imane Tulia : ff Da'e ninania, 
Buruti niha andre.// 

10. FüTi. 

Samuza me möi mamaigi niha Kazö ba luaha^ ha chö möi ia? 
Chö Duha jefo nasi^ Futi döi nono alawe andrö. Imane Tuha: 
//Heza möi^ö Razöp// Imane: //Möido mamaigi niha^ heza zalawa si 
söchi, si lö mamodombua fehede./j' Imane Tuha: //Lau, tawa'ö dania.// 
Ba muhede Duha chö nononia Puti , imane: //Hewisa, Futi,omasi'ö 
Razö andre?// Imane Futi: //Böi sofu chögu sa, ama, sofu sa chönia , 
he wisa ia ba nomonia, na salawa, ba na si numana ia.// Imane 
Tuha chö Razö : //Ba hadia, salawa ndra'ugö? Imane Eazö: Haja^o 
zalawa ba danö, lö salawa moroi chögu. // Ba imane Tuha: //Ba ebua 



348 KLEINE NIA.SSISCHE CHRESTOKATHIR. 

gana^au goip Imane : ^ïlbna sibai gana'agu jomo, siwafeti mbalaki.^ 
Imane Tuha : /i^Hadia^ so gönoe?^^ Imane : ^So, a'oi enaa görigu , moroi 
ba gori niha bö^ö^ waoja, so zi sara ta^io, so zi samba si'u , so zi 
atongarö.// Ba imane Tuha: //Bahewiza, na muhedehedc'o , nn fahu- 
huo ndra'agö chö nawöu salawaPv Tmane Bazo: //Ua dombualina- 
wogo , ba mato öfa liga , ba irugi öfa li uawöga , ba mato fiilu 
ligu, ba mato fulu li nawögu, ba mato otu liga.^ 6a imane Tuha: 
>yliau, tawa'a dania , da'usofu chö Wuti.>/ ff He wisa l\iti , örongo li 
BazoP«r Imane: ffVrongof. Tmane : '/He wisa, omasi'ö ia?'/ Imane Puti : 
//Ae wa'ö manö chöuia, ama, jamofanö manö aa.>/ Ba mofanö Bazo , 
lö omasi Wuti, me salawa sebaa sibai. 

Ba so zui niha, si möi chö Duha, Bazo baula. Imaue Tuha: 
//Heza möi'ö Bazöp// Imane: ^rMöido mamaigi niha,, heza zalawa si 
söchi li , si lö mamodombua fehede.>/ Imane Tuha: /^Lau, da^usofa 
chö Wuti.^ Ba isofu zui Tuha chö Wuti, Imane: /^Omasi^ö Futi, 
Bazo baulu andreP>/ Imane: «rSofu chönia, ama^ he wisa ia ba no- 
monia.^ Imane Tuha chö Bazö; He wisa ndra^ugö ba nomou, hadia, 
salawa ndra'ügöp Tmane Bazö: ^Hadia zalawa , salawa sa atöma'iiu, 
ba so sa zalawa moroi chögu. ^ Ba imane Tuha : «^Hadia eboea gana'au ?/r 
Imane : ^80 maMfu , abönö balazó. // Ba imaue Tuha : ^Hadia, oja göriu, 
^enauP^r Imane: «^Lö^ö, ha sara görigu, ba no adogodogo^ ba ginötö 
göri nawögu?^ Ba imane Tuha: vHe wisa, na fahuhuo ndra'ugö chö 
nawöuP^ Imane Bazö: fflmgi öfa li nawögu, ba mato dom bua ligu , 
ba irugi otu li nawögu, ba mato fulu ligu. Ba imane Tuha chö 
Wuti: ^He wisa, Puti, omasi'ö da'*öp// Imane Futi : //Omasido, ama, 
da^ö.^ Ba lamane chö Wuti niha. me ahölihöli dödöra : //Hana sa wa 
lö ömasi^ö Bazö ba luaha, salawa, ba ebua na gana'aP^ Imane Futi: 
^Da^ö zomasido, heza zi lö afochö dödö nawönia chönia. /i^ 

11. Ngasara IjUo ba Ngasara Wongi. 

Fadahödahö ira Ngasara Luo Ngasara Wongi. Imane Ngasara Luo 
chö Ngasara Wangi: ^/Datalau farara, wa lö mörö, Ngasara Wongi. /r 
Imane: >yljau, ba he tawisa dania, na so zi möröp// Imane Ngasara 
Luo: /9rNa ja^o zi mörö, ba ewa mbagigu mahemolu, ba si mano 
göi, na mörö'ö, u^ewa mbagiu.^^ Ba imaue: /i^Lau.// Ba mu^ao Ngasara 
Luo, so mato samaza te'arö, imane: vNo mörö^ö andrö, Mgasara 
Wongi? ff Imane: ffljo^ö^ Ngasara Luo.>/ Ba mato talu mbongi mu^ao goi 
Ngasara Wongi, imane: ffNo mörö'ö andrö, Ngasara Luo p// Imane: 
>yliö'ö, Ngasara Wongi. ^ Ba so mato miwo manu, mu^ao Ngasara 
Luo, imane: ffNo mörö^ö ba da^ö , Ngasara Wongi p// Ba lö idedema 



ÏCLEINÈ NIASSISCHE ÓnBESTOMATHIR. 349 

Ngasara Wongi , me no moro ia > ba imane Ngasara Lno zui : //No 
moro'ö Ngasara Wongi p/r Ba 16 irongo. Ba medolu mu^ao Ngasara 
Lno, ba lö irongo. Ba imane Ngasara Luo: «^Tiau, n'ewa sa atö 
mbagia mahemoln^ no tawa^o me owi.^ Ba me molno, awena maoso 
Ngasara Wongi , ba imane chö wo'omonia : //Hadia , no mu'ao Ngasara 
Luo , orongo me owi ?^ Imane : //Noa.// Ba imane : //Ha me uga mu'ao 
ia?// Tmane: //Medöla.// Ba maoso Ngasara Luo , ihalö wodania, moi ia 
chö Ngasara Wongi, imane: ^U'ewa mbagiu iada'a, lo itorö 
niwa^oda me owi.// Imane Ngasara Wongi : //Böi ua he , base'ö maMfu, 
ewa sa^ae dania mbagigu. Urongo sa limö, medolu, ba andrö 15 
udedema, no mangifido, ufadawidawi ira mbuagundru mbua gawoni. 
Imane Ngasara Luo : // Jahalocha chou , Ngasara Wongi , ebua akau 
moroi chogu.// Ba 15 alua i'e#a mbagi Ngasara Wongi Ngasara Luo. 

I^. Saeruhböwo ba Stlaoo'okaomao. 

No möi molau fafa ba gatua, Zaerumböwo ba jomo so Zilag5'- 
omaomao ; andrö sosó ia jomo , no alau wounia , afuo ^ibai , a'oi 
oroma döla uosu. Ba halohalöwönia jomo ba da^ö , ba ilau managö 
manu, ba manu Zaerumböwo da'ö. Ba me bongi, so Zaerumböwo, 
imane : //A'oi so manugu ö'ila ma'öchö , Silagö'öraaomao ?/f Imane : 
^A'oi so ira me ma'öchö.// Ba maoso Zaerumböwo, itunu zulu , möi 
ia mu^alui manunia , ba sambua zi lö'ö. Imane chö Zilagö^ömaomao : 
//No taja sa manu no mege, Silagö'ömaomao.// Tmane: //Manö, no 
faofao ndra'o ba manumö misa ba ndru'u.^ Ba mu'ao'ao Zaerumböwo , 
imane : /<Ha niha ndra^ugö zi manga manugu , ba na lö mu^a na , ba 
foloi ia, bongi andre.// Ba me moluo ikakaoni niha Saerumböwö, 
imane: >/Mi'ae'e ba hölu.// Ba ihalö wana ba tanö ba mao, bala'a- 
ngaröfi: >yNo atö oetagö manu, ba ado hölu, ba me lö nitagögu , ba 
jaguahowu.^ Ba lamane niha sato: //Jamöi göi Zilagö^ömaomao^ ma 
ta'ila ja' ia zi manga;// balawa'ö: //Ae'e, Silagö'ömaomao.// Ba imane: 
^Te'ai möido sa , alacha esuanögu chömi , abölöbölö dania we'ötö'ötö 
wougu. Ba lamane: //Ae'e manö sa.// BaiVö, möi ia , ba i'angarö fi , 
imane: //No atö utagö manu, ba lö ae ahachö dödö Zaerumböwo 
Zilagö'ömaomao, no afuofuo ba wou.// Ba lamane chönia: '/Hanawa 
si manö, lö sa öfe'agö ndra'ugöP/K Ba lamane: //Puli ae'e.«' Ba möi 
ia, ba si m^e no mege zui linia. 

18. i'a nidanö ba te'u. 

Imane i'a chö de'u : //He te'u !^ Imane : //HadiaP// Imane : //Datalau 
fahuwu.// Imane te'u: //He wisa üahuwu.^^ Imane Ta: /i^ Ae halo gate 



350 KLEIKE NIASSISCHE CitRESTOllATHIE. 

mbuaja si ton ba dalu nidanö, ba be^e ögu, ba moido dania goi 
muhalö gadulo manu niha, jomo, ba nbe^e öoe.^^ Ba itehe te'u, 
mofanö ia , möi moe^alui lala he wisa wangai ate mbuaja. Ba no so 
nohi ba zinga nidanö , no aöndrö ia iémö ba nidano , ba oja si^aiko 
mbuaja ba nidanö andrö, na atoru iou ba nidanö mbua^ ba 
la'anema^ö lafahulö. la'a. Ba möi de^u jawa ba hogu nohi andro, 
ba itema itöla^ö zawa mbanio andrö, fabaja sole, ibali^ö nahania, 
ba aefa da^ö, itaba duruturu, ba lö ahori itaba, no isaigö, hulö 
tö wa^esolo mbu. Ba möi ia bacha , ba me ilau angi , aetu nisaigönia 
no mege, ba aechu si tou, ba itölö buaja, ma^asambua, ba no so 
bacha de'u, ba itaba te'u gate mbuaja no mege, i^ohe bacha ba 
mbanio ; ba mato dua wongi möi mu'uta'ö buaja baene mbanio, awö 
de'u, ba me i'nta'ö buaja, moloi de'u, no i^ohe gate mbuaja. Ba 
möi ia chö gi'a^ imane: /fJS'e göu ate mbuaja fa, ba atö ube^e 
chöu, be^e oea chögoe gadulo manu. ^ Imane Ta: >/Base^ö , möido mu- 
halö iada^e.// Ba mofanö gi'a, möi ia ba dete hele, ba me so ndra 
alawe sana'u idanö , me i'edogö nasoa ba hele , itibo^ö ia fa bacha ba 
nasoa. Ba mofanö ndra alawe no mege, mangawuli , ba ibe^e noronia 
asoa ba hambo, tou nora, ba no so faudu da'ö helehele gadulo 
manu, ba möi gi^a muhalö, ba ifïili ia bacha ba nasoa. Ba me 
no awai la^oguna^ö nidanö andrö ba nasoa, lafiili zui lata^u^ ba 
la'ohe nasoa no mege , si so Ta , ba me la^edogö ba hele , ba itibo^Ö 
zui ia tou ba nidanö fa, ba faoma labe^e chö nawöra. 

14. SAMAGÖWAULU KAJA. 

Dasiwa nono matua chö Zamagöwaulu raja , ha dawalu zegebuabua 
ba samösa zideMde, si achi, Palamagö döinia. Ba samuza ma^öchö, 
me möi ira maloe, ba imane Falamagö, achira side^de no mege: 
A^Möido chömi ga^a, lö oerai oeMla nga'eu mböhö ba söcha./r Lamane 
ira ga^ania: ^Böi ae^e, ma elungu ndra^ugö, me lö örai möi ba 
ndru^u.>/ Imane chö namania: //Möido, Ama, chö ndra ga'agu./)" Imane 
amania: /g^Böi ae'e, onogu, ma elungu ndra^ugö.// Imane chö namania: 
>9rFa^amöido manö sa, ama.^ Imane amania : /^Na lö olohi ndra^ugö, ba 
ae'e; boi be^e chögu gesuanö, na elnngu^ö.^ Ba möi ia, faoiachö 
ndra ga'auia, ba me larugi gatua, ladudu nasura, si siwa rozi, ira 
ga^ania. Ba me lafahulö li uasii ira ga'ania^ ba noa sa toröi iafuri, 
no elungu, noa sa i'osisi huno zöcha misa ba ndru^u. Ba ahulu sa 
ndra ga^ania, lahalö mböhö ba söcha, ba latatawi, ba la^ohe jomo 
chö namara, lamane: /rJa^e gasosola mböhö ba söcha, ama.^^ Imane 
amara : /rLau guba'i , mibe^e jawa ba rawarawa andrö ua ; hezo 



È:LSIN£ KIASSISCHE OHUESrOKATinE. S51 

nachimi ? Lamane: ^No toröi ia fari, me ma'öchö, me mafahulö li 
nasu, ba te^ai ichamö gahema./r Imane amara: //Hana wa miröi ia, lö 
sara dödömi nachimi andrö?// Ba lamane: ffSo ia sadania, zumoi heza 
isawa. Ba mege'ege namara , imanemane: fHe Falamagö, boi töro 
lala mböhö, Falamagö, böi osisi liuno zöcha^ Falamagö, jagö'aechu 
ba mboto lala sabölö, Falamagö, salua jomo, barö gosali, Falamagö ! // 
Ba lamane iraononia: ^i^So ia sa dania, liiza oeajawa gasosola mbökö 
ba rawarawa.^ Ba imane: //Lau guba'i. Ba me'e zui ia, mendröfa, si 
mane no mege. Ba i'*anema'Ö so Walamagö.'/ Ba imane chöra: /rMiwai 
fajagu mege, biza, no so nachimi^ böi sa'ae mimanömanö furi.// 

15. TUADA BÖLA. 

Mama^ötö daada Böla , no ifatambai dangania , ono mataa ba ono 
alawe ba bari gana'a göi. Ba iragi dalu nidanö , ba alömö ia^ ba 
no 30 ba ngöfi gaweda Torosi, i'ila ahöndrö duada Böla, mu'ao ia, 
imane: /^Böhöi zambua Bölal/i^ Trongo Böla ba lö iböhöi. Ba me no 
i'ötö si jefo , isofu chö Dorosi : /rlladia niwa'öu chögu mege , Torosi, 
me sodo ba nidanöpv Imane Torosi : //Uwa'ö chöu: /j'Böi böhöi zambua, 
Böla.^i' Imane Böla: «'Teuga da'ö niwa'öu chögu , öwa'ö chögu : /rBÖhöi 
zambua Bölal/y Ba heza uiböböligup Uböhöi nono matua, ba ono 
hörö da^ö, ba uböhöi nono alawe, ba ono samatöla tanö da^Ö, ba 
bari gana^a, ba do dödö da'ö. 

16. Laete salo ba Laete sa^a. 

No so jomo Laete salo manalinali ; ba me itaba huruhuru zinali, 
no mesocho nuwu durunia , ba si tou ba dalu nasi so Tjaete sa'a , 
ba afochö sa durunia. Ba fadiala göi Laete sa^a, no ituo ia nöfoe 
nasi, ba afochö sibai jomo chö Laete salo. Andrö lawa'ö: ^SaföchÖ 
chö Laete salo, afochö chö Ijaete sa^a.// 

17. Naeloda Hakeke. 

Ba luaha so nowo ndra Nakoda Hakeke, ba molojo ira, la^ohe 

baero nowora ba nasi , ba söchi si'ai nasi. Ba me larugi nasi sebolo , 

lasofu chönia: /srHana wa lö humede'ö mege, me la'ohe baero nowo, 

Nakoda?// Imane chöra: «'Me söchi.'/ Ba larugi zoei luaha, la'ohe 

bacha nowora, ba wa'ebua ndrulu , ba latibo'ö ösa nösi nowo, ba 

aboto nowo. Ba lasofu chönia durumudi , lamane: //flana wa lö 

hedehedeu mege?// Ba imane chöra: //Oe'^ila wa tekiko.^ 

6e Volgr. Vn. 23 



352 KtEINE NIASSISGHS CHUSTOMATlÜlt. 

18. TuHA, Ono Razö Maü. 

Futi Mao döi ndronga Razö Mao ba Tuha döi nononia. Ba 
samuza ma'öchö, ba imane Tuha chö namania: «'Tenga amagn 
ndra^ogö sa^ae./»" Ba imane goi chö ninania: ffTeng& inaga ndra^ngö 
sa'ae, lö söchisochi aini, u'alui amagu zi sochi sa'ae./i^ Moi ia ba 
luo, imane chö luo: /^A.maga ndra'agö lao, satuagu ndra^agö.^ Ba 
imane chönia lao: ffBöi ö^amagö^ ndra^o, so na sa zabolö moroi chögü.fr 
Imane chönia Tfïha: ^^Ha niha zata'a'ö? Ba imane chönia luo: /i^Da'ö 
zata^udo, na aracha ahatö ndra'o ba gahe mbanua.^^ Ba imane Tuha: 
//Hadia da'öP^ Ba imane luo: ^Hiu andrö, da^ö zata'udo, itölö ndra^o, 
ba ae^e chönia sa. » Ba möi Duha chÖ hiu , ba imane chönia : ^ Amagu 
ndra'ugö, satuagu ndra'ugö./y Ba imane chönia hiu: /rBöi ö^amagö 
ndra^o, so na sa zata'udo.// Ba imane Tuha: //Hadia zata'u^öp/i^ Ba 
imane hiu : «^Da^Ö zata^udo , ölömbu zinali andrö , ladada ia faudugu, 
ba so gai ba mbalönia, ba utölö da'ö ba matedo sa^ae; ae^e sa 
chönia. /9^ Ba möi Duha chö gölömbu zinali, imane chönia: 4^ Amagu 
ndra^ugö, satuagu ndra^ugö./r Ba imane chönia ölömbu zinali: ^Böi 
ö^amagö ndra'o, so na sa zata'udo. Ba imane Tuha: /rHadiazata'u'öp/i^ 
Ba imane chönia ölömbu zinali: //Da'ö zata^udo, na no mate galitö, 
ba so ira ba dsi^ö.ff Ba imane Tuha: //Ha niha ia maöp^ Ba imane 
ölömbu zinali: //Te'u andrö, da'ö zata'udo, ichöchö ndra'o, itataba 
dalugu, ae'e sa chönia. «^ Ba möi Duha chö de'u, imane: /i^ Amagu 
ndra'ugö te'u, satuagu ndra'ugö. Ba imane chönia te'u: «^Böi 
ö^amagö ndra'o , so na sa zata'udo. v Ba imane chönia Tuha : /i^Ha 
niha zata'u'ö./:^ Ba imane chönia te'u: //Da'ö zata'udo, mao andrö, 
ira'u mbagigu, ba mate ndra'o.>y Ba imane chönia Tuha: /rHeza so 
irap/)^ Ba imane chönia te'u: >/Hiza ba zuzu ganuhi bawu.i/ Ba ifaigi 
Tuha, ba imane: //Inagu da'ö/ir; ba si manö göi ifaigi namania, ba 
imane: ^ Amagu da'Ö.^ 

III. Manömanö Ndraono. 
(Kinderlieder.) 

1. 

Manumanu danö, Gumoloi mowanöwanö; 
Baora hili, baora danÖ, Baora zagalawa tanö. 
Möi laoja, möi gaga^ Möi zahulu bolocha, 
Bolocha bewe nafa , Bewe nafa fiamoli , 
Famoli famahede, Famahede galawe, 
Alawe Sibowogae, Sibowogae ana'a Ie, 
Sogori, so'ahe wune, Sogai, so'ahe nazese. 



KLEINS NIASSISCHE CHRESTOMATHIE. 353 

He möi ninau SicIiösichoP No moi mörö ba dano; 
Ba danö si faehalö, Si faehalo taraso, 
Ba taraso berua, Daa robawi sebua, 
Sara mbawi mam , Dua zoharuharu , 
Harahara tae , Taetae bowo gandre , 
Bowo gundre jöa^ No mate numönöu 
Osi dalinga mbatöa, Talinga mbato Jjaoli, 
Agaechoe tooe dorosi, Torosi ma'ae, 
Tetili hala gae , Hala gae mohua ; 
Tetili gana'ua, Ana^oa olotn, 
Tetili mbewe lotu, Bewe lotu raja; 
Sara moloi la'aja, La'aja ba nahia, 
Ba nahia görigöri , Balu lato wamözia , 
Balu lahia wamölödia. 



3. 



Böi böi beM Moi manochö Lasahua, 
Möi manochö Laerise; Jawa chö Lölömatua, 
Tou chö Ijölöalawe: Mowalucha Galawe, 
Ba ihaiidrogö here'^e, Mamarikio gana'ate, 
Ba mbalö noso alele, Afatö zi^onia ache, 
Afatö zi'onia berua; Ifalalini durndura, 
Ifalalini labore ^ Labore manawa danö, 
Oufahalö mbulu dalö, Gufadou mbulu dodou, 
Sara najagu otou; Udönidöni ba hohou. 
Ba hohou ete'ete , Ete'ete lagasi , 
Lagasi toböhöli, Toböhöli baemali, 
Emali ba zalalawa, Emali ba zalo'o; 
Utaba mbagi , lö oiendró , Udöni mba , mamiti ndro ; 
Halo gala naha ndro, Halö lae naha guto, 
Ogu waminö goeto, Ou waminö dai udraono, 

Ja^ugö solaja ono. 

4. 

Aine jomo Silewe, Ae badu nidanö wache; 

Ae^e sa tou ono dome^ Ae sa badu duo ba zelefe 

Ae sa tendre öu ledawa, Ae sa tendre öu duhe; 



d54< KLÜINfi NUSSiSOHE CHRBSTOkATfilÉ. 

Toa ba dojo netenete, Netenete Larise, 

Tjarise tobohöli , Toböholi emali , 

Emali ba zakalawa^ Emali ba zalo^o; 

Ajagu mbawa la^edo, Ajau mbawa lamahu mao. 

5. 

Hiza moroi sa ninaga, Sambua la'izn mara, 
Ba lö ibe^e ajago. Ibe'e aja ga^aga, 
Itaba choma dalu; Ibe^e chögu gogo, 
Ba ufelai ba afeio^ Ba utibo^ö ba mba^o, 
Ba ifahulo sigelo; Ba ntibo'ö ba geno^o, 
Ba ifahulo silatao; Ba utibo^o ba newali; 
Ba ifahulo emali; Ba ntibo^ö baolajama, 
Ba i&hulo mao kara; Tödögu manawanawa. 

6. 

He awe'awel Ba hana guba^ip Hiza domeda, 

A'oi manoho burusai Oi morai aömasöma; 

liatetebu winoda, Finoda fino kawa. 

Ba hana gabaM, Tafatö gömönia owï, Sara nifatali, 

Felendrua nafahandro, Boli goko adulo, Tföli ma^ae sogownlo. 

7. 

He awe^awe! Ba hana gubaMP Moido moro chön owi. 

Ba he na lo ambalap Tachachai mbulu dugala. 

Ba he na lö tufoP Tachachai mbulü damo. 

Ba he na abölo dalangoP Talnlui mufefera'o. 

Ba he na so gutuP Talolni mbubunu. 

Ba he na amulo dödöp Ba tanganga ae nafo. 

Ba he na alimboe^anop Ba tabadu ae nidano. 

Ba he na afocho daluP Ba tahalo daludalu. 

Buln gen, bnlu golalu, Bolu zi mandraölo adu. 

8. 

Tabu mondri belal Techögu bela. Hana belaP 
So ndroi bela. Ha doi belaP Doi zasa bela. 
Ha sasa belaP Sasa hua bela. Ha hua belaP 
Hna gate bela. Ha ate belaP Ate la'imba bela. 



KLKINi: NIASSISCHE OHRISTOKATHIl!. S55 

Ha la'imba bela? La^imba Laeha bela. 
Ha Laeha bela? Laeha zamago aratnba, 
Laeha samadadao tamba. 



9. 



Bigirigi bana, Ikakana zohalama, 
Inönöi LölÖ^ana'a, T&dö raja Gombölata, 
Tdnö jon Ijölömboli, Fondrege dano nemali. 



10. 



Kawakawa Hia, Ra mazauwu nene; 
Törö wa^o choga chönia, Jawatali jawa mboe, 
Ba jawakaewe ton gahe, Jawatatue wa*amate, 
Baro gambala si^e. 



11. 



Mangowalu damo mbohö, Towalu löholöho. 
Hendrahendra zamatöro, Madulai zamaiofa. 
Kab(^ zoiidröni niha, Boroë zolau liwali^a; 
Idönidöni ba lala, Isaisai ba getana. 



12. 



Hiza moroi sa ninagu, Möi mowöli manu. 
Hadia iwai manu? Mofocho ni^owalu. 
Hadia mboröta wöchöp Na aetu hie dodo. 
Hana wa aetn? No itaba te^a. 
Hana wa itaba? No manawanawa. 
Hana wa manawanawa? No idoa la'aja, 
La'aja ba nahia, ToMa görigoria; 
Bula lato wamözia, Bulu lahia wamölödia, 
Bolödi ba gambölö, Mukaa nasu sabolö, 
Sabölö faroina^ Faroina mbawambawa , 
Baro geu, baro mbidajay Baro zi fadajadaja. 



856 KLSINS NIASSISOHE GHKESTOUATHIE. 

TV. 

UMANÖ. 
Gesange. 

1. BA WALOWA (= BEI EINEE HOOHZBIT). 

a, Boro (= Eingang). 

Nangea Hili Masöla Mbanua ba zowato; 

Nangea sibai Hili firo, Si a'a danö, me ibago Silawö. 

No ae matöröi Mbanua ba zowato, 

Ba no ae mahene, Hatö sibai chomi andre. 

Zi lo tebulo afore; Hili börö zebna 

Mbanua ba zowato; Ha ezai löfolöfo 

Ba zingania hili bö'ö, Arara banua Duha 

Mbanua ba zowato; Nangea banua Gözo. 

h, Gema (= Auafahrung). 

Andrö magamögamo fe^amöi, Andrö magamögamö iVaso, 

Ba wogamö sinata mbawau, Ba wogamö eheha noso. 

Ba li si hulö nidanö^ Ba li si hulö namo. 

Da'ö gohi^ö chamötö dodo, Da'ö gohi'ö chainöto mbo. 

Ja'aga tome sahulö möi, Ja^aga tome sahoelö so. 

Andrö matindra mbulu golajama, Audro matindra mbulu zebolo; 

Andro mahene lawalawa mbö'ö, Masui gahe zagö zato. 

Ja'aga tome sahulö möi, Ja'aga tome sahulö so. 

Andrö wa lö faiwaga ba Lahömi , Andrö wa lö faiwaga ba Nojó , 

Ena'ö mbawi lafatutue ba halu, Ena'ö mbawi lasu'a galogo. 

Latulo alabua gana'a, Latulo alabua hamo. 

Ba andrö wa lö faiwaga ba Lahömi , Andrö wa lö faiwaga ba Nojó. 

He sowatö, börö zonahia, He sonuza, börö zo'omo! 

Hiza liu ba zinata mbawau, Hiza liu ba geheha noso. 

Hulö muhede Lafauadu, Hulö muhede Lafauluo. 

Liu ba zinata mbawau, Liu ba geheha noso. 

Si lö tebua tebulöbulö. Si lö tebna, lö tegilo. 

Liu mahemolu mbanua, Alawu luo lö tegilo. 

Manö na wehede zalawa helanö^ ManÖ na wehede Duha terongo. 

Aröu Lafauadu ba niha raja, Aröu Lafauadu ba Lahemo. 

Hulö zowato sonahia, Hulö zonuza so^omo. 

Da^ö zowato tendroma numauö, Sowatö tendroma hoho. 



KLBINK NIAS8IBCHS OKUSTOUATHIfe, 9S7 

it. KA TAHÖ DODO (= B£I DER ITAOHHOOHZSTr). 

a. Borö (= Eingang). 

Ho tesao mboli gana'a , Jomo cho ninada , 
Tesao sa mböli mbalaki, So'aja mbola afasi. 
Barö zangehowa öri, Sotöra matna uono nihalö; 
Satora Wagulö nösi dawöla firo, Maenada na atua danö. 

b. Oema (= Aasfuhrang). 

AndrÖ owtüo a'oi möi, Andrd ownlo a^oi so, 

Me no tesao mboli gana^a, Me no tesao mböli hamo. 

Moi mame^e hownhowu, Möi mame' masomaso. 

Nono Zitoli si hönö, NoBo Zitoli sato. 

Andro owua dodo ma^igi*igi, Andro owua dodo musomaso. 

Owulo mbanuaiiia si höno, Ownlo mbanuania sato. 

Möi manema baa lahina, Möi maiiema baa nafo, 

Ba zowatö soitahia, Ba zonnza so^omo. 

Möi manema kandri dahö, Möi manema kuudri duo; 

Me no ihaiö mböli gana^a, Me no ihalö mböli hamo. 

Sambua chönia tedou bola lahina, Sambua chönia tedou bola nafo; 

To'ese wotalinga mbatö, To'ese wotalu zalo; 

To'ese zambalicha zagö, To^ese zandrorö nomo; 

Sambua tedou mbumbu gosali^ Sambua tedou mbambu nomo. 

Samidi sanaka lahina, Samidi sanaka afo. 

Icholi wino, i'otölu, Ichoi dawuo, ifobeto; 

llau gurachi ba mbötua^ Ilan gafoa hunö wino. 

Hiza na no tanganga lahina^ Hiza na no tanganga nafo, 

Zi sara wawa lö damanga, Zi döfi fasui lö olofo^ 

Ba danga zowatö, sonahia. Ba zonuza, böro zo^omo. 

llau sa mböwö nifa'ele'ele^ö , llau mböwö uifaoro ba zato. 

Iladia wamaedo zalawa helanö? Hadia wamaedo Duha terongoP 

SabölÖ mangahalö tanö, Sabölö molahoi daso. 

Ba ha zabölö mangahalö tanö? Ha zabölö molahoi daso? 

Ja'ia si tou Mbölö sadaölö langi^ Ja^ia si tou Mböla sadaölö luo. 

Ha dunae, tambai ngaVuP Ha dunae, tambai mbotoP 

Sitorosi, ina Nuza, Sitawuo, awe Waoro. 

Si tou ba mbalö danö ni'azöchi, Si tou ba mbalö danö ni'ehao; 

Famaede zalawa helanö^ Famaedo Duha terongo. 

He wöi Mböla sadaölö langi, He wöi Mböla sadaölö luo? 

llau manguri bawi ba haja, llau raanguri bawi ba mba'o. 



358 KLEINS NIASSISOHS GHEBSTOMATHI£. 

Ba hiza Zitorosi, ina Niiza, Ba Uiza Zitawuo, awe Waoro. 

Mananö töla dawuo sini, Mananö tola dawuo eo; 

Mananö töla wino bela, Mananö töla wino bowo; 

Mananö töla heziwala, Mananö töla hezojo 

Zitorosi, ina Nuza, Zitawuo^ awe Waoro. 

Ba hiza Mböla sadaölö langi, Ba hiza Mböla sadaölö luo; 

Uau mamölö manarawa, Ilau mogai mamalo'o. 

Hiza me ichai, me isarawu^ Uiza roe ichai, ifalo^o^ 

Sitou nohi ne'aösö langi, si tou nohi ne^aösö luo. 

Siwa mbö'ötö fabörö, Siwa mbö'ötö faedo. 

Moguna monahia ba dödö, Mogana monahia ba mbo. 

Da^ö znmange niwa talifasö; Da^ö zamange uiwa machelo. 

Ba töla ngenge dawuo sini. Ba töla ngenge dawuo eo. 

Ba Ösi mbola ni'otarawa; Osi mbola ni'ohulajo. 

Awönia wino ba hambo gosali, Awönia wino ba hambo nomo; 

A'oi ösi mbola ni'otarawa, A'oi ösi ni'ohulajo, 

A^oi zumange nono wobanua, A^oi zumange nono mbarahao. 

3. BA ZI MATE (= BEI EINEM TODTEN). 

a. Börö (= Eingang). 

Hulö atua Zirao Wofanö mbalugu; 

Iwa^ö chö Luomewöna: Balazi ndra'ugö, 

Tema tohugö Wanada niha ba danö. 

Hulö atua Zirao Wofanö mbalugu; 

Luomewöna wangali, So^aja narö gosali. 

Hulö aruru Hilizia, Ho sa te^ali hili firö, 

Nahada na atua danö. Hulö aleu zinundro 

Wofanö mbalugu; Hulö aleu wösi, 

Ena^ö sibai lö fangali Ndrundrumö danö achömi. 

Hulö atua Zirao Wofanö mbalugu; 

Hiza dasiwa wangali Zo'aja narö gosali. 

ê. Gema (:= Ausfiihrung). 

Wa molaja ita manalichi, Wa molaja ita manaho, 

Me no ozara £Eiudu möi, Me no ozara faudu so. 

Möi ita mangozara wenguwengu, Möi ita mangosamboa zingozingo^ 

Jomo, me no mate aeta zumange, Jomo, me no mate aetu noso. 

Me achömöchömö barö döla^ Me aleuleu barö mboto. 

Föchö chönia mangöhongöhösi , Eöchö mangarongarö. 



KLEINE NIASSISCHK CHRESTOMATHIE. 359 

Hadia mborö wöchö, sobo galito? Had ia mborö wöchö , sobo ndriho? 

Me möi ia mondri, tnolötnba ösi, Me möi ia mondri mamaledo, 

Si toa ba mba'a sule sdrömi, Si tou ba mba'a sule sarao^ 

Ba lö idöiiadöna delalai, Lö idöuadona delimo. 

Mané nitufa daln galizuzu, Manë uitufa daln gangango. 

Zawai nilau faho woesöla, Zawai nilau &hö nomo^ 

Jawa ba dala galizuzu, Jawa ba dalu zalo'o. 

Ata Sirao, nwu zi hönö, Ata Sirao, uwu zato, 

Jawa ba Deteholi ana'a, Jawa ba Deteholi hamo. 

Ba ha dunae, tambali dodöP Ha dunae, tambali mbo? 

Buniti rao, awe zi hönö, Buruti rao, awe zato. 

Samösa Nawaöndru, ere gowasa, Samösa Nawaöndra, ere lambo. 

Ba samösa Ziadalo rao gana^a^ Samösa Ziadulo rao hamo. 

Ba siwa chönia nono si matua, Ba siwa chönia nono latano. 

Sambua Nata Ba'uwa danö Hia , Sambua Nata Simahamaha rao ; 

Nata balugu Lao mewöna, Nata balngn Luo Zaho. 

Ba da'ö sa zawöla raoroi ba dala, Zawöla moroi ba mbeto. 

Ba so sa chöra nono otaloa, Ba so sa gotalua oto^oto: 

La'indrö lai sawai ana'a, Ija^indrö lai sawai hamo. 

Ba Lahari sofusö kara, Ba Lahari sofoio dao, 

Tnha Mangemohi ana'a, Taha Mangemohi hamo, 

Jjangi sara ana^a, Langi sara hamo. 

Ba Daeli salimagö mudada, Daeli salimagö wailo, 

Ono &ngali mborö sisi, Fangali mbu'u gawono. 

Ilaba ja^a mamanömanöna , Ilabu jawa mangehangehao, 

Jawa ba Deteholi ana'a, Jawa ba Deteholi hamo. 

Ilaba mangehao arö gosali, Ilaba mangehao arö nomo. 

Ihaogö nono wobanua, Ihaogö nono mbarahao. 

Andrö ngahönö ba mbauua, Andrö ngahönö ba walo. 

Hönö chönia gana'a barasi, Hönö chönia gana'a hamo, 

Ba fahöna mbawinia ba haja, Fahöna mbawi ba mba'o. 

Andrö ilaa gowasa saelo danö, Andrö ilaa gowasa saelo ndrao. 

Balazi gölönia ba den, Balazi gölö ba zino. 

Andrö ngahöngahönö ba mbanua, Andrö ngahönö ba walo. 

So sa wamaawu mbanna, So sa wamauwu walo, 

Jawa chö Zirao, uwa zi hönö, Jawa chö Zirao, awa zato; 

Jawa ba Deteholi ana'a, Jawa ba Deteholi hamo. 

So naja rai, öfa tngela, So naja rai, öfa bowo. 

So naja, saembu ana^a, So naja, saembu hamo. 

Chö Zirao uwa zi hönö, Chö Zirao awu zato. 



360 KLSIKE N1A88ISCHE GHKS8TOMATEUE. 

So sa nitali ba mbagi^ So sa hadoli doto, 

Aja talu ni&tali; Aja talu nibago. 

No ifaulu wangazongazöchi ^ No ifaulu wangehangehao. 

Maula zalawa helanö, Si maulu duha terongo. 

Ba ha samuza, ha ma'öchö , Ha samuza , ha laluo , 

Maoso jawa Zirao, uwu zi hono, Maoso jawa Zirao^ uwm zato; 

Möi ia jawa ba mbawa dawatuwu , Möi ia jawa ba mbawa duasa nomo , 

Molochoi saembu oti aiia*a, Molochoi saembm oti hamo. 

Lö idonadöna delalai, Tjö idönadöna delimo. 

Hulo nitufa dalü galieiuca, Hulo nita& daitt zalo'o. 

Ho itifa munu ndria , manti alito , Ho iti& manu ndria , manu simbo. 

Da'ö wa gotaraö, me böro^ Da^o wa gotaraö me so. 

Ba me iAili ia ba zuzu dawöla, Me ifuli ia ba zuza daho, 

Andrö achomö baro döla, Andro aleu barö mboto. 

No göna ba daia galizuzu, No göna ba daln zaWo, 

Bua gea si mahara alito, Boa geu si mahara simbo^ 

Chö Zirao, owu ssi höno, Ghö Zirao uwa zato. 

Hadia sa gotaraö me böröp Hadia sa gotaraö me so? 

Döla geu si mahara alito, Döla geu si mahara sinibo. 

Moroi sa uwu Lowalangi , Moroi sa uwu Luo 2^ho. 

Maoso nuwn Lowalangi, Maoso nuwu Luo Zaho 

Möi ia mondri , molömbu ösi , Möi ia mondri , manialedo , 

Jawa ba mba^a sule sörömi , Jawa ba mba^a sok sarao. 

Ihalö danö sambajambaja , Ihalö danö lezai adulo, 

Me i'ila lumönia baidano, Me i^ila lumonia ba namo; 

I'ohe jomo barö gosali, I'ohe jomo barö nomo^ 

Ghöuia danö zambajambaja , Tanö ezai adulo. 

Iwöwöi mo'adu nuwu^ Iwöwöi mo'iraono, 

Chönia danö zambajambaja, Danö ezai adulo. 

Ihalö mbulu wali'era, Ihalö rabulu wanulo; 

Ihalö zaga ni'omanumanu, Ihalö zaga ni'osilatao, 

Ibe'e jawa ba mbulu wali'era, Ibe' e jawa ba mbulu wanulo; 

Itulo nangi hulö gana'a, Itulo naagi hulo hamo; 

Me ibe'e ba mbulu wali'era, Me ibe'e ba mbulu wanulo. 

Uau jawa ba zinata mbawa, Ilau jawa ba geheha noso. 

Andrö humede hulö niha, Pahuhuo hulö ndraono, 

Jawa chö nuwu Lowalangi, Jawa chö nuwu Luo Zaho. 

Ifatörö walualua^ Ifatörö döi ba we'aso: 

'j'Sihai ja^a, si lö ma'uwu,// >!'Sihai jawa, si lö ono.// 

Maoso nuwu Lowalangi, Maoso nuwu Luo Zaho; 



KLKINS NIASSISOHE CHRESTOMATHIE. 361 

Ifonahia wo'ölö^ölö^ Ifonahia wanaro'o^ 

Sihai andrö, si lö ma^uwa, Sihai andrö, si lo ono. 

Mangea dodo, mangerangera , Mangea dodo, maosomaoso, 

Jawa nuwa Lowalangi, Ja^hi nawa Lao Zaho. 

Me so chönia zi fachili nga^eu. Me so chönia zi fachili boto. 

Lö sa lao, balazi zi höno, Lö sa bawa, balazi zato; 

No gömigömi danö Lowalangi, Mo gömigömi danö Iiuo Zaho. 

I&iaro uwa Lowalangi^ Ifataro uwu Luo Zaho, 

Jawa Zihai andrö ^ si lo ma^uwa, Ja^a Zihai andrö, si lö ono. 

Ae ba danö nihaehae otarö, Ae ba danö nihaehae noho. 

Mutaro nomonia ledawa, Mutaro namonia tuho; 

No ifataro uwu Ijowalangi, No i&taro uwu Luo Zaho 

Duha Sihai, si lö ma' uwu, Duha Sihai, si lö ono. 

Ha samuza^ ha ma'öchö. Ha samuza^ ha laluo 

Uan mate aetn znmange, llau tnate aetn noso 

Jawa Zihai, si lö ma^uwn, Jawa Zihai, si lö ono. 

Hiza mbalazi ila'ila, Hiza mbalazi, tandra no: 

Tamba ba zinata mbawa, Tumbu ba géheha noso 

Geu si mahara alitö. Gen si mahara simbo; 

Si tumbu ba zinata mbawa ^ si tumbu ba geheha noso': 

Feto ba'u, feto alitö, Feto ba'u, feto simbo; 

Me mobene, me mowua. Me mowua, me mobowo. 

Ba me ilau angi sihese tanö, Me ilau angi sihese dao, 

Atoru mbenenia sahurö^ Atora mbene sasoso, 

Bene solanömö höwa. Bene solönga ndraso. 

Ja'ia mbörö wöchö , sobo galitö , Ja'ia mbörö wöchö , sobo ndriho , 

Si tumbu jawa ba zinata mbawa. Si tumbu jawa ba geheha noso, 

Ghö Zihai, si lö ma'uwu, Chö Zihai, si lö ono. 

Tumbu na chönia ba mbu'u dölötölö, Tumbu chönia ba mba'u giwiwo. 

Gen tanömö gana'a, Geu tanomö hamo; 

Si tumbu ba welafela dödö. Si tumbu jawa ba welafela mbo: 

Tora'a, tanömö zi höno, Tora'a tanömö zatö. 

Hörö ba gambölö nga'eu, Hörö ba gambölö mboto: 

Ba luo, balazi zi hönö, Luo, balazi zato. 

Hörö ba gabera nga'eu, Hörö ba gabera mboto: 

Bawa, balazi zi hönö, Bawa, balazi zato. 

Da'ö jawa nahia wo'ölö'ölö, Da'ö jawa nahia wanaro'o; 

Ba mbanua nuwu Lowalangi, Ba mbanna nuwu Luo Zaho. 

Ba eu andrö, feto alitö, ëu andrö, feto simbo, 

Tanömö wöchö andrö, sobo galitö, Tanömö wöohö sobo ndriho. 



362 KLEINE NU8SXSCHE 0HR8STOMATHIE. 

Fagia uangi uwu otarö, Fagia nangi uwn noho; 

Fagobi dolania alito; Fagobi dolania simbo, 

Aheta dafinia alitö, Aheta dafinia simbo. 

Ba manu ndria da'ö^ manu alitö, Manu ndria da'ö, manu simbo; 

Da'ö wamunu, lala gamatela, Da^ö wamunu, gaetula noso, 

Chö Zirao uwu zi honö, Gho Zirao uwu zato; 

Jawa ba Deteholi ana*a, Jawa ba Deieholi hamo. 

Lahofihofi mbe gamböta, Lahofihofi mbe dabodabo. 

Lakaoni gere lewelewe, Lakaoni zinura Mbeso, 

Zangohofi mbe gamböta^ Sangohofi mbe dabotabo. 

Ha nikaoni, ere leweleweP Ha nikaoni, sinura Mbeso? 

Möi gere si fataho tu'asa, Möi gere si faedo ngai nomo; 

Möi Duha Lahuwa gana'a, Möi Duha Lahuwa hamo 

Ba ilau faeta barö mbihara, Qau faeta barö duho. 

Ba alau ba waetasa mbihara, Ba alau ba waetasa duho: 

Famachö , laharö gana^a , Famachö , laharö hamo. 

Ba lö döhö wöchö, muzarizari, Lö döhö wöchö^ lö anono. 

Ba lakaoni zui gere lewelewe, Lakaoni zui zinura Mbeso. 

Ba möi Duha sohege gana'a, Möi Duha sohege hamo. 

Ba ilau da^ö faeta barö mbihara, Ilau da^ö &eta barö duho; 

Faetasania totoa mburusa, Faetasania totoa doho. 

Da'ö zalau ba waetasa mbihara, Da'ö zalau ba waetasa duho: 

Lawölö, wamahowu zalawa, Famohown^ö duha terongo. 

Lahalö chönia gowe faedona nga^eu, Lahalö gowe faedona mboto. 

Ba lö döhö wöchö, muzarizari, Lö döhö wöchö, lö anono; 

Föchö chönia mangöhöngöhösi , Föchö chönia mangarangaró. 

Ba lakaoni zui gere lewelewe , Lakaoni zui zinura Mbeso. 

Ba möi Doeha sa&jo gana^a, Möi Duha sa&jo hamo. 

Ba ihofi da^ö mbe gamböta, Ihofi da^ö mbe dabotabo. 

Ba lö döhö wöchö, zumarizari, Lö döhö wöchö ^ lö anono. 

Ba lakaoni zui gere lewelewe, Lakaoni zui zinura Mbeso ^ 

Lakaoni Lawaöndröma hum ba'u» Lakaoni Lawaöndröma hnru dao, 

Sebua belazi wa'a'ere, Sebua balazi wameso. 

Ba lö döhö wöchö, zumarizari. Ba lö döhö wöchö, lö anono. 

Ba möi Zinari, lacha zi hönö, Möi Zinari, lacha zato, 

Si möi mame'e amböta. Si möi mame'e tabotabo. 

Ba lö döhö wöchö, zumarizari, Ba lö döhö wöchö, lö anono; 

Föchö mangöhöngöhösi, Föchö maugarongaró , 

Chö Zirao ^ uwu zi hönö^ Chö Zirao uwu zato. 

Siwa balö döi gamböta, Siwa balö döi dabotabo: 



I^LlINfi NiASSTSCHS CHRtSTOVATHIS. 363 

Ada fangawe'e zamange, Adu fangaweV mboto. 

Ba ha samnza , ha ma'öchö , Ha samuza , ha laluo , 

Imane cho nono si matua^ Twa'ö chö nono latano: 

^He ono si mataal He onogn latano I 

!Fae& fawöhöi nga^eu, Faefa fawohoi mboto. 

He umönö, boli gana^al He oemono, böli hbmo\/f 

Andrö ilaa mate aetu znmange, Andro ilan mate aetn noso, 

Jawa Zirao, uwa zi hono, Jawa Zirao^ nwu zato, 

Ba mbanua Deteholi ana^a, Ba mbanua Deteholi bamo. 

4. NA TAHO DOBO OANA^A (= BEI DER WEIHE EINES GOLDSCHKÜCKs). 

a. Borö (= Eingang). 

No awai gana^a, Hiza no maula za'usöl 
Ifakaoni*ö dalifasö, Ifaiua muhacho'o 
Zi lö a'oi iranigö. Lo sondnigi mbo'ö, 
Ha ja'iigö zondragi , Sangai sangolu lagasi , 
Ba dala hoahou nasi, ÏNiri zi sagötö mondröi. 
Obago na gana^a, Hiza öbago za'usö; 
Öfakaoni^o dalifuso^ Ba wanema knndri daho, 
Si teturia^ si tehöngo, Nirongo zi sambua tanö. 
Hiza esöni goln mbö'o, Hiza golumöl 
Lalai mba^n, laso danö, Si fao me labago danö; 
Lambaeda na atua danö, Puri zi siwa nga'ötö. 
Lö sangirö mbö^ö, Salawa helanö; 
Ja^ugö zangirö sara, Fangera nga^ötö, 
Nösi dawöla firö, Fari zi siwa nga^ötö. 
Obago na gana^a, Hiza salawa helanö I 
Hiza öbago za^usöl Uru'uru lawölawö, 
Ae ba zi sara idanö. 

b. Glema (= Ansfuhrnng). 

Hadia wamaedo zalawa helanö! Hadia wamaedo Duha terongo? 

Tabe^ famae-&madumana , Tabe^ &mae-famatalo 

Gözö sanema oroisa, Gözö sanema fucho, 

Baja ba Mazingö hönö rozi, Baja ba Mazingö hönö fao. 

Ba mangea dödö, mangerangera , Man^ea dödö, maosomaoso, 

Baja Gözö, sanema böwö, Raja Gözö, sangai fucho. 

Ha ndronga, tambai nga^eu? Ha ndronga, tambai mboto? 

Ina Mangölömbn langi, Ina Mangölömba luo. 



é64 KLEINE NIASHISCHE OHRESTOMATHtti. 

Ha nono si matua? Ha nono latanoP 

Simaura mbelembele langi, Simanra mbelembele luo. 

Ba ha na nono si matua P Ba ha na nono latano? 

Sambua Ijauru balazi zi honö, Sambua, sa Laura balazi zato. 

Da'ö sa chönia nono si matua ^ IVö sa nono latano, 

Chö Gözö, sangai fangetu, Chö Gözo, sangai fucho. 

Ba mamagomagölo li wehede, Mamagomagölo li huhuo, 

Chö dunae, tambai nga'eu, Chö dunae, tambai mboto. 

Lalau sa mangahalo tanö^ Lalau sa molahoi daso. 

La^uri mbawira ba haja, La'uri mbawi ba mba^o, 

Ba iabe^e böli gana'a haresö, Labe'e böli gana^a hamo. 

Ghöra mbawira ba haja^ Chöra mbawi ba mba'o. 

Ba no owulo gana^a haresö, Ba no owulo gana^a hamo. 

Ba mamagold li wehede^ Ba mamagolö li huhuo. 

Ba he ono si matua, Ba he ono latano. 

Ba data^osara'ö li wehede, Data'osara'ö li huhuo. 

Takaoni zalawa helano, Takaoni Daha terongo. 

Ha nikaoni s^^lawa helanöP Ha nikaoni Duha terongoP 

Ata Samagowaulu adu^ Ata Samagöwaulu luo^ 

Salawa Mazingo si hönö, Salawa Mazingö sato. 

Tuha Mangawöla mbawa, Tuha Mangawola luo, 

Ba Hösö talu golajama. Ba Hösö talu zebolo; 

A'oi salawa Mazingö si hönö, A^oi salawa Mazingö sato. 

Kabua wa^u ba niha raja, Kabua Wu ba Lahemo, 

La&bua sadumba jawa, Lafabua sadumba luo, 

Ba Hedu roangaraza langi, Hedu mangaraza luo. 

Sambua Zöchia mangaraza wangetu , Sambua Zöchia mangaraza wucho , 

Sambua Lafauadu ba niha raja, Lafauadu ba Lahemo, 

Sambua Walili söchi mangaraza, Sambua Walili söchi mangehao^ 

Sambua Latandra tödö mölö, Sambua Latandra tödö luo^ 

Samösa Wöli ba gambölö langi ^ Samösa Wöli ba gambölö luo^ 

Sambua Namada Znmbari zumbaö, Sambua Namada Uohude ga'o; 

A^oi salawa Mazingö si hönö, A'oi salawa Mazingö sato. 

Maoso Gfêzö sanema böwö, Maoso Gözö sangai fucho, 

Ilau humede, me lualua, Ilau humede, me noso: 

4rHe salawa Mazingö si hönöl He salawa Mazingö satol 

Ubago gahe gelagela, Ubago gahe ngaroto./»" 

Ibago rai öfa tugela, Ibago rai öfa bowo; 

Ibago nitali ba mbagi, Ibago hadoli doto; 

Ibago naja saembu ana^a, Ibago naja saembu hamo. 



KLEINE NIASSISGHE CHKESTOMATHIE. 365 

Andrö owulo Mazingö si hönö, Andrö owulo Mazingö sato. 

Oi owulo, a'oi moi, Oi owulo, a'oi so: 

He iraoiio, he satua. Ba he zatua, ba he ndraono. 

A^oi owua dodo, maMgi^igi, A^oi owaa dodo, musomuso 

Mbanua Mazingö si hönö, Mbanua )faziqgö sato. 

Ifangahangahaö manu zi hönö, Ifangahangahaö manu zato. 

Me ibunu mbawinia ba haja, Me ibunu mbawi ba mba^o. 

Da^o dandrösa gowuloa mbanua, Da^ö dandrösa gowuloa zato; 

Andrö tesou dete ahe lölö lahina, Andrö teson dete ahe lölö nafo. 

Da'ö wamaedo zalawa Helanö, Da^ö wamaedo Duha terongo. 



V. I 

QLEICHNISSE. 
(Amaedola sebua.) 

1. TÜHA JENSEITS DES MEEBXS. 

Tuha besasa eine weisse Katze, die hatte ein Junges. Als nan 
Tuha eines Tages spazieren ging lief die junge Katze hinter ihm 
her. Da trat er unversehens anf dieselbe and als er sahe, dass er 
sie todt getreten habe, schrie er: /j^Wo ist die Alte>ï'? ffWo isi die 
Alte/irp >iflch will anch diese todt treten/i^l Da antworteten die Leute 
die bei ihm waren: //Da hast das Junge zertreten, Grossvater^ und 
willst nun auch die Alte zertreteni^? Aber er sagte: /s^Nein, wo ist 
die AlteP ich will auch diese zertreten.i' ff Aber sie sitzt im BAUch- 
fang4^, erwiederten die anderen. 

2. IWOWALACHA. 

Ëinst als Iwowalaoha schwanger war, bereiteten ihr Mann und 
ihre Schwagerinnen pikante sauerliche Speisen für sie. Aber sie 
woUte dieselben nicht essen; was man ihr auch brachte, sie ass es 
nicht. Da fragte man sie: ^Nun, was willst du denn essen, da du 
diese sauerlichen Speisen nicht issesti^ P ffloh esse das nicht «r, ant- 
wortete Iwowalacha, «^aber der Blitz aas der Wolke soU meine 
Speize sein. Bindet dem Hunde ein licndentuch um und lasst die 
Katze tauzen am Dachfenster, dann wird der Blitz einschlagen und 
den will ich essen, der soU meine Speise sein./i^ Und man gehorchte 
ihren Worten, man band dem Hunde ein Lendentuch um und liess 
die Katze tanzen am Dachfenster und darauf schlug der Blitz ein und 
diesen ass Iwowalacha; das wollte sie. 

3. DIE WETTENDEN. 

Einst scherzten Bazo und Sila'o. Bazo besuchte Sila^o, und als er 
auf dem Hofe angekommen war^ stiess er seine Lanze in den Boden , 
an der Dachtraufe, stampfte mit den Füssen den Untersatz der 
Leiter ond stieg hinauf. Und als er oben auf der Leiter war und den 
eineu Fuss bereits oben hatte , den anderen aber noch auf der Ijeiter, 



1 Die deutschen Stflcke unter V , VI und VII sind Übersetzungen der vorfaerge- 
henden unter II, lü und IV. 



KLEINE NIASSicHE CHRESTOMATHIE. 867 

da sagte er zu Sila^o : /i^Rathe einmal , ob ich ins Haas gehen werde , 
oder nicht.// Da antwortete Sila'o: *Ja Bazö, wenn ich nuo sagen 
würde, du werdest ins Haus gehen, dann möchtest du nicht hinein- 
gehen.^y ffSo sage nur ifgend was/y, erwiederte BazÖ. >/Ja warte nur,v 
sagte Sila'o, '/ich werde es gleich sagen.// Darauf hoUe sie ein Huhn 
and ein Messer und sagte zu Bazö: /s^Rathe auch einmal , ob ich dem 
Hahn den Hals abschneiden werde oder nicht. 'f //Dass dich doch!// 
erwiederte RazÖ , ^da bist gerade so schlau wie ich ; jetzt will ich* 
auch ins Haus gehen. >/ 

4. KAWOFO. 

Ein Mann rait Namen Kawofo ging eines Tages auf die Wild- 
schweinjagd. Es regnete , aber Kawofo sagte : //Ich will auf die Jagd 
gehen.// Er ging, aher er traf kein Wildschwein an und ging wieder 
nach Hause^ als der Begen aufgehört hatte. Da'trat er eine Frau 
an, die Töpfe brannte auf der Ruine eines Feldhauses. Dieselbe 
hatte sich Kaladiknollen geröstet, die sie noch im Eeuer hatte. 

Nun kam Kawofo ganz durchn&sst an und hatte sich gerne gewürmt ; 
er war schon in der Nahe des Feuers. Da sass ein Rabe auf einem 
Baume und schrie immerfoit: //A! a!// (iss! iss!). vWie soll ich es 
machen//, sagte Kawofo, //soll ich essen? aber es ist mir nicht ange- 
boten worden.// Dann schrie der Rabe wieder: //A! aAf! //Wie soll 
ich es machen // , sagte darauf die Frau , // soll ich es ihm anbieten ? 
aber ich bin nicht darum gebeten worden//. Und so ging es fort; 
Kawofo hatte gerne gegessen , aber die Frau bot es ihm nicht an , 
und sie hatte es ihm gerne angeboten, aber Kawofo bat nicht darum. 

5. DIE 6ÖHNE DES SAMAGOWAULU. 

Als die SÖhne des Samagowaulu einst auf die Jagd gingen , erlegten 
sie ein Reh. Und sie schlachteten es und nahmen es mit nach Hause. 
Hier sagten sie zu den Frauen: //Lasst nichts übrig von unserem 
Erjagten , wir gehen morgen wieder auf die Jagd und dann haben wir 
kein Glück, wenn etwas von dem Erjagten im Hause bleibt//. Und 
als es am andern Morgen heil wurde , gingen sie weg , aber eine von 
den Frauen hatte etwas von dem Reh vom vorigeu Abend übrig 
gelassen. Und als sie die Hunde koppelten und gingen , da fiel das 
eben eritóhnte Stück vom Reh, was die Frau übrig gelassen hatfce, 
herunter fsie hatte es im Laufe des Tages ihrem Kinde zu seinem 
Reis geben wollen), es war nur klein, etwa so gross wie eine 
5 Volgr. VU. 24 



368 KLBINfi ISIASSISCHE OH&ESTOMATHIE. 

Heuschrecke uud es lief weg iiach der Thüre. Da riefen sie: >yWas 
ist das'/? Und als es an die Leiter kam, wurde es grösser, so gross 
wie ein Zwerghirsch. Und sie sahen ihm nur nach, sie fingen es 
nicht sogleich, sie wussten nicht was es sei. U)id als es an die 
Dachtraufe kara, da wuchs es dort noch mehr and wurde so gross 
wie ein Eeh, gleich wie das von gestern. Und die Hunde setzten 
ihm nach. 

6. DEE HaUFTLINQ VON DER QUELLfe UND DEE HaüPTLING 

VON DEE ICÜNDINQ. 

J)er Hauptling von der Quelle ging zu Gaste bei dem Haaptling 
von der Mündung. Als Koch bei dem Hauptling von der Mündang 
diente der Malaie So'uligöna. Und der Hauptling von der Mündang 
sagte zu dem Malaien So'uligöna: ff Anti koche Reis und bereite Ge- 
müse, ich will gehen und Fleisch kaufen für unsere Gaste >/. Und als 
dieser Hauptling weggegangen war ^ da sagte der Hauptling von der 
Quelle zu den Malaien So^uligöna : ff Hüre , Malaie So'uligona ff I 
>yWas ist denn, Herr?// antwortete dieser. Der Hauptling: /^Sieh', 
der Haaptling von der Mündung spricht über dich.>!' Der Koch : 
//Was sagt er denn, Herr?// Der Hauptling: >ylch weiss es nicht, 
er sagte vorhin nur : /^Eeis mit der Schale und Kern von gestampftem 
Beis, gestampfter Eeis und Kern vom Beis mit der Schale.<f Da 
warde der Malaie So^uligöne traurig und sagte bei sich selbst : "Das 
sieht ja aus, als wenn ich die Speise des Hauptlings gegessen hatte.^ 
Und er war ganz niedergeschlagen , und unterliess es das Wasser vom 
Beis abzaschöpfen , sodass der ganze Beis verdarb, mitsammt dem 
Gemüse, was ganzlich verbrannte. Da kam der Hauptling von der 
Mündung wieder und sagte: ^^ Ist das Essen gar , Malaie So'uligöna'/ ? 
//Nein,'/ erwiederte dieser, ffich bin traurig, du habest über mich ge- 
sprochen, sagt der Hauptling von der Quelle.'/ Da sagte der Hauptling 
von der Mündang: ^Darum bekommen wir nichts zu essen, Haupt- 
ling von der Quelle, es liegt nur an dir./y Und sie kamen nicht 
zum Essen, wegen des Hauptlings von der Quelle, weil er Unsinn 
gemacht hatte. 

7. IIANOABAZA FATAHO UND UNSER YATEE LUORUMUEU. 

Sie gingen alle Beide darauf aus sich ihren Lebensunterhalt zu 
suchen, unser "Vater Luorumuru war ein Angler und Mangaraza 
Fatahö ein J&ger. Luorumuru zog Aale aus dem Wasser herauf, 



KLEINE NIASSISCHE CHRESTOMATHIE. 369 

so diok wie eiu janges (noch unentfaltetes) Feto'-Blatc, uad weun er 
einen hatte^ dann warf er ihn auf das Ufer. Und droben auf den 
Bergen spurten die Hunde des Mangaraza Eatahö das Wild auf , und 
beide erjagten sie etwas, Luorumuru Aale und Mangaraza Fatahö 
junge Zwerghirsche. Da erhob sich Luorumuru und ging zu Ma- 
ngaraza Fataha, und Luorumuru fragte ; ^Plast du etwas erlegt, 
Mangaraza Fatahö? Ja,/!" antwortete er, ^^einen jungen Zwerghirsch , 
er ist klein, eben erst erwachsen.// Da sagte Luorumuru: //Aber 
ich habe einen Aal, einen sehr dicken.^/ //Lass es gut sein/i^ , erwie- 
derte Mangaraza Fatahö, «das ist dein Erjagtes.^y ^^Doch halt, wir 
wollen beide unser Erjagtes einmal gehen lassen und sehen , welches 
eine Spur auf dem Boden hinterlasst^ mag das meine auch klein 
sein, so ist es doch die erste ursprüngliche Wildpretart. ^ Da ging 
Luorumuru und holte seinen Aal , und Mangaraza Fataliö sagte : 
/s^Tjass deinen Aal zuerst gehen.// Und Luorumuru that es und er 
hinterliess keine Spur. nur dass die Ërde ein wenig geglattet war. 
Darauf liess auch Mangaraza Fatahö das sein e gehen und die Spuren 
reihten sich vorwarts au einander, in der Keihe. Da sagte Manga- 
raza Fatahö: //Habe ich nicht recht P raag deins auch sehr dick 
sein, so hinterlasst es doch keine Spur; und mag das meinige auch 
klein sein^ aber es hinterlasst eine Spur auf dem Bodem, weil 
das meinige in Wahrheit das ursprüngliche Wildpret ist Und sie 
gingen von dannen^ als sie damit fertig waren. 

8. Der Akfe und der Zwerohirsch. 

Einst, als der Zwerghirsch und der Afte mit einander scherzten , da 
sagte der Afte: '/Was ist doch das Qelbe da, Zwerghirsch, neben 
dem Hause des Tuha?// //Das sind Apfelsinen ,// erwiederte der 
Zwerghirsch, uvax denen Tuha seine Freude hat./y Da sagte der 
Afie: //Wie ist es doch, weun sie abfallen , giebt das auch einen 
Schlag auf den Boden?// Darauf der Zwerghirsch: //Es giebt einen 
Schlag. // Der Affe : //Was ist das erste , der Schlag , oder das Bauschen , 
wenn sie fallen?// Der Zwerghirsch: //Erst rauscht es und dann giebt 
es einen Schlag.// Der Alle: //Nicht doch, erstgiebt es einen Schlag 
und dann rauscht es.// Der Zwerghirsch: //Nicht doch. Alle, kehre 
die Sache nicht um , mache nicht den Ausfluss zur Quelle und die 
Quelle zum Ausfluss ; warum sagst du deun^ erst gebe es einen Schlag 



^ Eine PafanenarL 



S70 K1.EINÊ NIASSISOHt CH&EsTOltATHIË. 

und dann rausche es ?// Der Afie : //Halt , wir wollen klagen gehen 
zu Tuha.// Und sie gingen. Aber der Afle war schneller, der 
Zwerghirsch kam langsam nach. Als der Afle in Tuhas Haas kam, 
da sagte Tuha: ivDass dich doch, Afie^ was kommst du ins Haus 
hinein?// //Nicht doch, Herr,^ erwiederdet der Affe, /j^ich habe ge- 
wettet mit dem Zwerghirsch , wenn deine Apfelsinen dort abfallen , 
da sage ich zu ihm : //Erst giebt es einen Schlag und dann rauscht es ,/r 
dagegen sagt er: //Nein, erst rauscht es und dann giebt es einen 
Schlag. tt Da sagte Toeha : /s'Der Zwerghirsch hat recht , Afle. n //Nicht 
doch, Herr ,/^ erwiederte der Affe , //gieb mir recht , lass den Zwerghirsch 
nur verlieren , dann kannst du ihn als Zuspeise nehmen , er schmeckt 
gut und ist gat als Zuspeise zu gebrauchen , ich dagegen tauge nicht 
dazu , ich habe einen eigenen Geruch und bin noch dazu so mager.^f 
/rOut,/^ sagte Tuha, //so sei es, ich werde ihn nehmen als Zuspeise 
fiir mich./y Da kam der Zwerghirsch ; er ging durch das Hundeloch. 
Und er sagte zu Tuha : nh^ habe gewettet mit dem Affen , Herr , 
in bezag auf deine Apfelsinen, ich sagte zu ihm: //Zuerst rauscht 
es, dann giebt es einen Schlag, a' er aber sagte: ^Nein, zuerst 
giebt es einen Schlag und dann rauscht es;// und darum kommen wir 
zu dir.^ //Der Afle hat recht, Zwerghirsch, sagte Tuha, und du 
hast unrecht.// //Aber warum verdrehst du das Recht, Herr?// erwie- 
derte der Zwerghirsch. Darauf sagte Tuha zu dem Zwerghirsch: 
//Ich werde dich als Zuspeise fiir mich nehmen, das ist dein Theil.^ 
Und er nahm ein Messer und schnitt dem Zwerghirsch den Hals ab. 
Und als nun der Zwerghirsch verloren hatte, da ging der Afle von 
dannen. 

Und Tuha kochte den Zwerghirsch, und als das Wasser Blasen warf 
und beinahe kochte , da rührte Tuha darin , und wie er so riihrte , da 
platzten die Grelenke des Zwerghirsches und es spritzte in Tuhas Augen. 
Da sagte Tuha: //Du hast mich betrogen, Afle, es ist doch gross- 
artig mit dirl weil du gesagt hast: //Nimm meinePartei, und nimm 
den Zwerghirsch nachher als Zuspeisse fiir dich;^^ darum spritzt mir 
die Sache jetzt in die Augen , das ist allein deine Schuld. /t^ So geschah 
es; Tuha brachte einen Unschuldigen ums Leben und danim spritzte 
ihm die Sache in die Aioigen. 

9. Bubuti-Mensch und Bubuti-Geibt. 

Buruti-Mensch hatte zwei Kinder, von denen das &lteste etwa 
fiinf Jahre alt war. Nun war Buruti-Mensch einst ausgegangen und 



KLEINE NIASSISOHE 0HRESTO1CA.TIK. 371 

hatte ihre beiden Kinder zurückgelassen. Als dann die Mutter 
lange ausblieb, weinten jene und das alteste sagte: /i^Warum bleibt 
meine Mutter heute so lange ?v Da kam Buruti-Geist die Leiter 
lierauf und sagte: ^Waram weinst in? ff /j^Meine Mutter ist wegge- 
gangen^// antwortete das Kind. ü'Wer ist denn noch deine Mutter ?/y 
erwiederte Buruti-Geist, vnnA hier bin ich, deine Mutter.// //Du bist 
nicht meine Mutter,// sagte das Kind, //ich kenne meine Mutter 
wohl.// ^Sei nur gehorsam,^ antwortete Buruti-Geist , //folge rair , ich 
habe dich lieb; iss nur, hier hast du dein Essen.// Und das Kind 
ass die Speise. Und als es gegessen batte, fand es Gefalleu an 
der Buruti-Geist. Darauf ging Buruti-Geist weg und nahm das Kind 
mit. Und als sie über Tuhas Hof ging, da sagte Tuha: //Was 
hast du da fiir ein Kind, Buruti-Geist ?/y ff Mein Kind//, erwiederte 
sie, und ging. 

Da kam Buruti-Mensch zurück , und sagte zu ihren kleinen Kinde : 
//Wo ist deine Schwester?// //Die Frau von soeben hat sie gého\iy/f 
antwortete es. Darauf ging Buruti-Mensch weg und fragte Tuha : 
//Hast du niemand gesehen hier vorbeigehen , Tuha? man hat mein 
Kind gestohlen. // //Nur die Buruti-Geist habe ich eben gesehen,// 
sagte Tuha, //sie hatte ein Kind, behauptete aber^ es sei ihr Kind, 
als ich fragte.// Da lief die Buruti-Mensch der BurutuGeist nach 
und holte sich ein und sagte zn ihr: //Warum stiehlst du mein Kind , 
Buruti-Geist.// //Wo ist denn dein Kind?*/ erwiederte diese, //dies 
ist ja mein Kind.// //Das ist nicht so,// sagte Buruti-Mensch, 
//das ist mein Kind.// Und sie geriethen darüber in Wortwechsel. 
Endlich sagte Buruti-Mensch: «'Nicht doch, komm, wir wollen klagen 
gehen zu Tiiha.^ Und sie gingen und Buruti-Mensch sagte : //Hier ist 
mein Kind von soeben, die Buruti-Geist hat es gestohlen.// //Warum 
soll ich eine Diebin sein',// erwiederte Buruti-Geist, //da dies doch 
mein Kind ist?// Da sagte Tuha: //Gebt mir das Kind, ich will es 
in die Kammer bringen.// Und Tuha nahm das Kind undtrugesin 
die Kammer. Er nahm eine Trommel , setzte das Kind hinein und sagt,e 
zu ihm: //Bewege dich nicht und sage nichts hier drinnen , aber höre 
was man nachher sagen wird.// Dann trug er die Trommel hinaus 
und sagte zu der Buruti-Geist: //Trage diese Trommel hinauf auf 
den Berg Mandrehe, und wenn du auf der Spitze des Berges 
angek ommen bist, dann komm wieder herunter./r Und die Buruti- 
Geist that es. Und als sie bis auf die Mitte des Berges gekommen 
war, da setzte sie die Trommel nieder, um auszuruhen und sagte: 
//Mag ich auch müde werden, wenn ich dann nur das Kind dieser 



372 KLEINE NIASSISOHE CHRESTOMATHIE. 

Buruti-Mensch auch behalten darf.«' Und das Kind in der Trommel 
hörte zu. Dann ging sie weiter und kam auf der Spitze des Berges 
an, dort nihte sie sich aus und wiederholte ilire Bede von vorhin. 
Dann kehrte sie zurück zu Tulia und sagte : >yHier hast du die 
Trommel von soeben , Tuha.// Da sagte Tuha: //Gehe auch hin 
Buruti-Mensch und wenn du auf der Spitze des Berges angekommen 
bist, dann kehre hierher zurück. // Und Buruti-Mensch ging. Als sie 
bis in die Mitte des Berges gekommen war, ruhte sie aus und sagte : 
//Es ist doch zu arg mit dir, Buruti-Geist , du bist allein Schuld, 
das ich müde werde, wegen meines eigenen Kindes. // Und das Kind 
in der Trommel hörte wieder zu. Und als die Prau auf der Spitze des 
Berges angekommen war, wiederholte sie ihre Worte von vorhin. 
Dann kehrte sie heim zu Tuha und sagte: //Hier hast du die Trommel , 
Herr. AT y/Es ist gut,// sagte dieser. Dann öffnete er die Trommel und 
fragte das Kind: //Was hat die erste vorhin gesagt?// »S\e ruhte 
aus,// erwiederte das Kind,// und sagte: >/Wenn ich nur das Kind 
dieser Buruti-Mensch auch nachher wirklich behalten darf , ich werde 
80 müde.// //Und was sagte die andere?'/ fragte Tuha. //Sie ruhte 
aus,// erwiederte das Kind, und sagte: //Es ist doch zu arg mit dieser 
Buruti-Geist; ich bin so müde, und nur von ihretwegen.// Da sagte 
Tuha: /^Das ist seine Mutter, diese Buruti-Mensch.// 

10. FÜTI. 

Als einst der Hauptling von der Mündung auf die Brautschau 
ging, zu wem ging er da? Zu Tuha jenseits des Meeres; Futi 
hiess die Tochter. Da fragte Tuha: //Wohin gehstdu, Hauptling?// 
// Ich gehe auf die Brautschau , // erwiederte er , // zu einem guten 
Hauptlinge, der nicht zweierlei Rede führf. >/ //Gut,// sagte Tuha, 
//wir wollen gleich darüber reden.// Dann fragte er seine Tochter 
Futi: ^Wie steht es, Futi, getallt dir der H&uptling?// //Frage mich 
doch nicht, Vater,// erwiederte Futi, //frage ihn doch, wie es ist bei 
ihm zu Hause, ob er ein angesehener Mann ist, oder ein Armer.// 
Da sagte Tuha zu dem Hauptling: //Aber wie steht es, bist du ein 
hochgestellter Mann?// ^Ich bin der alleinige Hauptling im Lande,// 
erwiederte er, //es giebt niemand, der höher stande, als ich.// Darauf 
Tuha: //Und bist du auch reich?// Er: //Tch habe einen sehr grossen 
Beichthum iin Hause; neun Kisten voll Gold.// Tuha: //Wie ist es, 
hast du auch Dolche?// Er: //Jawohl, und meine Dolche sind alle 
langer als die Dolche anderer Tieute; ich habe eine ganze Menge, 



KLEINE NIASSISOHB OH&ESTOICATHIB. 373 

eiiien Arm lang and einen halben Arm lang and auch von einem halben 
Klatter.// Tuha: //Aber wie ist es, wenn du redest, wenn du eine 
Verhandlung hasfc mit deinen Mithauptlingen?'/ Er: //Bis meine 
Genossen zwei Worte gesagt haben, habe ichschon etwa viergesagt, 
und bis meine Genossen vier gesagt haben, habe ich schon etwa 
zehn gesagt , und bis sie zehu gesagt haben , habe ich schon etwa 
hundert gesagt.// '/Es ist gut,// sagte hierauf Tuha, //wir reden 
gleich darüber, ich will die IHiti erst fragen.// //Wie ist es Puti , 
hast du die Aussage des Hauptlings gehöit?// Futi: >/Ich habe sie 
gehort.// Tuha: //Wie ist es, gefallt er dir?// Futi: //Geh nur, 
Vater, und sage ihra, er moge nur vorlaufig wieder gehen./y Und 
der Hauptling ging weg, er gefiel der Futi nicht, weil er so ein 
gewaltig grosser Haupfcling war. 

Dann kam ein anderer Mann zu Tuha, der Hauptling von der 
Quelle. Da sagte Tuha: //Wohin gehst du, Hauptling?// Er: //Ich 
gehe auf die Brautschau , zu einem Hauptlinge , der eine gute Bede 
führt, der nicht bald so und bald so spricht.// Tuha: //Gut, ich will 
die Futi fragen.// Und Tuha fragte die Futi wieder: //GeiSllt dir 
der Hauptling von der Quelle, Futi?// //Frage ihn , Vater,// erwie- 
derte Futi,// wie es ist bei ihm zu Hause.>/ Da fragte Tuha den 
Hauptling : // Wie steht es mit dir, in deinem Hause , bist du ein 
Hochgestellter ?/< Er: //Ach was, Hochgestellter ? ich bin ja wohl so 
in etwa Hauptling, aber es giebt doch solche, die übermir stehen.^ 
Tuha: '/Bist du denn reich?// Er: //Ein weniges besitze ich; es 
reicht zum Leben.'/ Tuha: //Wie ist es, hast du viele Dolche und 
lange?// Er: //Nein, ich habe nur einen Dolch und der ist kurz, von 
der gewöhnlichen Ijange der Dolche meiner Genossen.// Tuha: //Wie 
ist es, wenn du eine Verhandlung fiihrst mit deinen Genossen?// 
Der Hauptling: //Wenn meine Genossen vier Worte gesagt haben, 
dann habe ich etwa zwei gesagt, und bis meine Genossen hundert 
Worte gesagt haben, habe ich erst etwa zehn gesagt.// 

Da sagte Tuha zu Futi: //Wie ist. es, Futi, gefallt dir dieser?^ 
//Der gefallt mir, Vater,// erwiederte Futi. Da sagten die Leute 
zu Futi, weil sie sich wunderten: //Warum gefiel dir der Hauptling 
von der Mündung nicht? das war ein Hochgestellter und nochdazu 
sehr reich.// Aber Futi erwiederte: //Den liebe ich, dem der Neid 
seiner Genossen ferne bleibt. // 



374 KLBINB NIA.SSI9GUE OHREdTOliATlü. 

11. NGASARA LUO UND NGASABA WONGI. 

Ngasara Luo und Ngasara Wongi gingen eine Wette ein. Der 
erstere sagte zu letzterem : ü^Wir wollen einmal probiren, wer eaain 
langsten aushalt nicht zu schlafen , Ngasara Wongi.// //Gut ,/y erwiederte 
dieser, //aber was thun wir nachher, wenn einer einschlaft?>!r Wenn 
ich einschlafe ,* sagte Ngasara Luo , ffdenin haue mir morgen den 
Hals ab und ebenso wenn du einschlafst, dann haue ich dir den Hds 
ab.// //Es ist gut,// erwiederte der andere. Und etwa urn elf Uhr 
Nachts rief Ngasara Luo: vSchlafst du, Ngasara Wongi ?iv //Nein 
Ngasara Luo:// erwiederte er. Und ungefahr um Mitternacht rief 
auch Ngasara Wongi: //Schlafst du, Ngasara Luo pv y Nein, Ngasara 
Wongi ,// antwortete er. Und etwa gegen zwei Uhr rief Ngasara 
Luo wieder: //Schlafst du dort, Ngasara Wongi ?v Aber Ngasara 
Wongi antwortete nicht, weil er eingeschlafen war; und Ngasara 
Luo rief wieder: ^Schlafst du, Ngasara Wongi?// Aber er hörte es 
nicht. Dreimal rief Ngasara Luo, aber er hörte es nicht. 

Da sagte Ngasara Luo: //Gut , ich haue dir ja doch morgen den Hals 
ab , wir haben es gestern Abend gesagt.// Und erst als es Tag wurde , 
stand Ngasara Wongi auf und sagte zu seiner Erau : //Hast du heute 
Nacht gehort, dass Ngasara Luo gerufeu hat?// //Ja,// erwiederte 
diese. Er: i!/Wie oft hat er gerufen?// Sie: //Dreimal.// Da stand 
Ngasara Luo auf, nahm sein Schwert und ging zu Ngasara Wongi 
und sagte : //Ich werde jetzt deinen Hals abhauen , es ist nicht ge- 
gangen, wie wir gestern Abend gesagt haben.// //Halt,y erwiederte 
Ngasara Wongi , «^warte ein wenig , dann kannst du mir nachher den 
Hals abhauen; ich hörte ja deinen Buf, dreimal, aber darnm habe 
ich nicht geantwortet, ich traumte ich hinge Undru*-Früchte und 
Awöni^-Früchte aneinander.// /^Dass dich doch! Ngasara Wongi ,^ 
erwiederte Ngasara Luo, //du bist schlauer als ich.// Und so kam es 
nicht dazu , das Ngasara Luo dem Ngasara Wongi den Hals abliaute. 

12. Saebumböwö und Silago'ömaomao. 

Saerumböwö ging in den Wald, um Bretter zu behauen und Sila- 
gö'ömaomao war zu Hause. Er war stets zu Hause, weil er böse 
Geschwüre hatte; er war sehr mager, alle seine Kippen waren zu 



1 Eine Art Rürbis. 
* Eine Holzsorte. 



KLEINE NIA8SISCHR GHBESTOMATIE. 375 

sehen. Und seine Beschaftigang dort zu Haase bestand darin, daas 
er Hühner stahl^ and zwar die Hühner des Saerambowö. Und am 
Abend kam Saerambowö und sagte: Hast du heute alle meine 
Hühner geseheu, Silagö'ömaomao?^' >/8ie waren heute alle da,>y 
erwiederte dieser. Da stand Saerambowö aaf, zündete eine Fackel 
an nnd suchte nach seinen Hühnern , and es fehlte eins. Da sagte 
er za Silagö^ömaomao: ^^Es ist ein Huhn weg, Silagö^ömaomao.>/ 
aSo^ff antwortete dieser, //ich bin wohl hinter deinen Hühnern her- 
gegangen im Dickicht herum.// Daraaf rief Saerambowö: //Wer bist 
du, der mein Hahn gegessen hat? and wenn du es noch nicht ge- 
gessen hast, so lass es laafen in dieser Nacht.// Und als es Tag 
warde rief er die Leote zasammen and sagte: f^Ihi sollt schwören.// 
Dann holte er ein Gewehr and Erde and eino. Katze, and sie schwaren 
daraaf: ^Imfalle dass ich das Hahn gestohlen habe, so verzehre 
mich höloe' , da ich es aber nicht gestohlen habe, so moge ich ge- 
segnet sein.^^ Da sagte die Menge: //Silagö'ömaomao soll anch 
schwören. er raöchte es am Ende gegessen haben,^^ and man sagte: 
//Geh', Silagö'ömaomao.// /j'Ich kann nicht,// erwiederte er, '/mögt 
ihr es mir aach zam Yorwarf machen, der Schmerz in meinen Ge- 
schwüren würde zanehmen.// Aber sie sagten: '/Geh' doch nar,// and 
er gehorchte, er ging and schwur and sagte: //Wenn ich das Hahn 
gestohlen habe^ dann hat Saerambowö kein Erbarmen mehr mit 
Sib>gö^ömaomao , er ist so mager wegen seiner Geschwüre. Da sagten 
sie za ihm : /r Warnm denn aaf diese Weise , da sagst ja nicht , dass 
da verzehit werden mögest.v Und man sagte: /i^Geh" noch eiumal.// 
and er ging , aber er sagte dieselben Worte , wie vorhin. 

13. DER fISCH IIC WASSER UND DIE RATTE. 

Der Fisch sagte zar Ratte: //Hör Batte!»' Die Eatte: vWas ist 
es?// Der Fisch: //Lass uns Freondschaft schliessen. ^^ Die Batte: 
>/Was far Freandschaft ? /j' Der Fisch: ^Geh! hole die Tjeber des 
Krokodills dranten mitten im Wasser and gieb sie mir zu essen, 
dann gehe ich auch and hole dir ein Ei von den Hahn des Men- 
schen, aas dem Haase, and gebe es dir zu essen. >9r Da stimmte die 
Batte za und ging weg , urn eineu Weg zu suchen , aaf dem sie zu 
der Leber des Krokodills gelangen könne. Nun stand eine Kokos- 
Palme am Ufer des Flasses, die sich über das Wasser neigte, and 



1 Holu ist der Gegenstand auf den man schwört. 



376 KLEINE NIAS6IS0HË CHEBSTOMATIS . 

in dem Flusse waren sclir viele Krokodille; wenn eine Frucht ins 
Wasser fiel , dann schnappten si e diesel be gleich weg und frassen sie 
auf. Darum kletterte die Ratte in die Krone der Palme und durch- 
löcherte die aussere Schale einer Nuss, mitsammt der inneren and 
richtete sich wohnlich darin ein , und als sie damit fertig war, durch- 
uagte sie den Stiel, aber nicht ganz, etwas liess sie, etwa so dick 
wie ein Haar. Dann ging sie hinein und als sich ein Wind erhob, 
da riss das was sie vom Stiel übrig gelassen hatte , und die Nuss fiel 
herunter, und ein Krokodil! verschluckte sie ganz, mit der Batte darin , 
und die Batte biss nun die Leber des Krokodills ab und trug sie in 
die Nuss hinein. Und etwa zwei Tage darauf ging das Krokodill 
hin und spie die Nuss mitsammt der Batte ans Ufer, und als das 
Krokodill sie ausspie, lief die Batte weg und nahm die Leber des 
Krokodills mit. Sie ging zum Fisch und sagte: /«'Hier ist deine 
Krokodillen leber , Fisch , aber erst gieb mir das Hühnerei , dann erst 
gebe ich sie dir.// /^Warte^y, erwiederte der Fisch, vich gehe jetzt, 
um es zu holen 'i' Darauf ging der Fisch und begab sich in die 
Wasserleitung und als eine Frau kam, zum Wasserholen und ihr Wasser- 
gefass unter den Strahl hielt, da schwang er sich in das Gefass 
hinein. Und die Frau ging heim und stellte ihre Tracht Wasser- 
gefasse unter das Haus, neben die Leiter und nicht weit da v on war 
der Beha! ter für die Hühnereier und der Fisch ging und holte und kehrte 
zurück in das Gefass. Als man dann das Wasser verbraucht hatte 
aus dem Gefase, da holte man wieder und nahm auch das Gefass 
mit , in dem sich der Fisch befand , und als es unter den Strahl ge- 
halten wurde , da schwang sich der Fisch wieder ins Wasser und nun 
tauschten die beiden ihre Beute aus. 

14. SAMOGÖWAULU IM SÜDEN. 

Samagöwaulu im Süden hatte neun Söhne . aber nur acht waren 
erwachsen , der eine war noch klein , der jüngste , mit Namen 
Falamagö. Und eines Tages, als sie auf die Jagd gingen, da sagte 
Falamagö, dieser ihr jüngster Bruder: 'Jch gehe mit euch , Brüder , 
noch nie habe ich in Wirklichkeit einen Hirsch oder ein Wild- 
schwein gesehen.'/ Da sagten seiue Brüder: '/Gehe nicht, du möch- 
test dich verirren , weil du noch nie ins Dickicht gegangeu bist.* 
Er aber sagte zu seinem Vater: //Ich gehe mit meinen Brüdecn, 
Vater./j' //Gehe nicht mein, Sohn,'/ erwiederte der Vater, //du möchtest 
dich verirren.// Er zu seinem Vater: //Lass mich nurgehen, Vater. /r 



KLEINE NIASSISCHE GHSBSTOMATIE. 877 

Der Vater: ^Wenn du denn durchaus willst, so gehe; gieb mir 
keine Schuld, wenn du dich verirrst.«' Da ging er und begleitete 
seine Brüder , und als sie in den Wald kamen , da Hessen seine 
Brüder ihre neun Hunde los. Und als dann seine Brüder dem 
Gebell der Hunde nachliefen , da blieb er zurück und verirrte sich. 
Er verfolgfce einen Pfad der Wildscliweine iin Dickicht. Und seine 
Brüder batten Glück , sie erlegten Hirsche und WiJdschweine und sie 
zerstückelten dieselben und trugen sie nach Hause zu ihren Vater und 
sagten: //Hier bast du gekochten Hirscb und gekochtes Wildschwein , 
Vater.'/ //Scliön, meine Lieben,^ erwiederte ihr Vater, ^thut es erst 
da oben in den Speisekorb; wo ist euer jüngster Brüder?*/ //Er ist 
zurückgeblieben,^ antworteten sie, >/heute, im Laufe des.Tages, 
als wir dem Gebell der Hunde nachliefen , da konnte er nicht so 
schnell hinter uns darein.// Da sagte ihr Vater: //Warum habt ihr 
ihn zurüokgelassen , waret ihr nicht besorgt um diesen euren jüngsten 
Brüder?// //Er wird nachher schon kommen,// erwiederten eie, //wo 
sollte er hingehen?// Da weinte ihr Vater und sagte ein übers andere 
Mal: //O Ealamagö! verfolge nicht den Pfad der Hirsche, Falamagö, 
gehe nicht dem Pfade der Wildschweine nach, Falamagö! mögest 
du auf dem Hauptwege zurechtkommen , Falamagö, der ins Don 
führt und unter dem Bathhause endet, Falamagö!// Da sagten seine 
Söhne: ^Er wird gleich schon kommen, hier oben bast du erst das 
gekochte Hirschfleisch , im Speisekorbe. >/ a'Es ist gut, meine Lieben,// 
erwiederte er. Und dann weinte er wieder , viermal , so wie eben. 
Und sogleich kam Falamagö an. Da sagte der Vater zu ihnen : 
//Hir glaubtet vorhin, dass sei Spass von mir, siehe, da ist euer 
jüngster Brüder; nun macht es njichstens nicht wieder so./r 

15. GBOSSVATEB BÖLA. 

ünser Grossvater Böla setzte einst über einen Fluss und batte beide 
Hande voll , einen Sohn und cine Tochter und einen Schmuck kasten. 
Und als er mitten im Fluss war, versank er. Nun stand unsere 
Grossmutter Torosi am Ufer und sah , dass unser Grossvater Böla am 
Versinken war, da rief sie: //Lass eins fahren, Böla!^ Böla hörte 
dies , aber er Hess nichts fahren. Und als er das jenseitige Ufer erreicht 
batte, fragte er die Torosi: //Was sagtest du eben zu mir, Torosi, 
als ich im Flusse war?// >/lch sagte zu dir,// erwiederte Torosi , //du 
mögest keins fahren lassen.// //Das hast du nicht gesagt,// antwor- 
tete Böla, //du hast mir gesagt: //Lass eins fahren, Bölal^ /i^Aber 



378 KLEINE NIASSISCHE OHKESTOKATHIE.. 

welches sollte ich fahreii lassen? Lies ich den Sohn fahren, so war 
dies der Angapfel, and Hess ich die Tochter £a,hren, so ist das ein 
Kind, das uns die Wege ins Land bahnt ' ; oder den Schmack- 
kasten? das ist Herzblut. 

16. LAETO SALO UND LASTE Sa'a. 

Laeto Salo war zu Hause nnd drehte Stricke und als er die Fasern 
an dem Stricke abschnitt, da verwundete er sich die Fingerspitze. 
Und weit hinaus, mitten auf dem Meere befand sich Laete 8a% und 
doch that ihm sein Finger weh. Ein anderes mal fischte Laete sa'a, 
da stach ihm ein Fisch^ und dies that zu Hause dem Laete Salo weh. 
üarum sagt man: >/Was dem Laete Salo weh thut, das thut auch 
dem Laete sa^a weh.// 

17 KAPrrAIN HAKBKE. 

Das Schifl' des Kapitains Hakeke lag im Hafen und man ging 
unter Segel und fuhr hinaus aufs Meer und das Meer war sehr ruhig. 
Als sie dann auf die hohe See kamen , fragten sie den Kapitain : 
//Warum sagtest du vorhin nichts, Kapitain^ als wir aussegelten ?// 
//Weil es schön war// erwiederte er. Spater, als sie wieder den Hafen 
erreichten und das Schifl* hineinbringen wollten , da gingen die Wellen 
sehr hoch, sodass sie die Ladung zum Theil ins Meer werfen muss- 
ten und dass das Schifl' zerbrach. Da fragten ihn die Steuerleute: 
//Warum hast du vorhin nichts gesagtp^i^ //Ich sahe dass es schief 
gehe,// erwiederte er. 

18. TÜHA, DEB SOHN VON HaUPTLING KATEB. 

Futi Katze war der Name der Frau des Hauptlings Kater, und ihr 
Sohn hiess Tuha. Eines Tages nun sagte Tuha zu seinem Vater: 
//Du bist raein Vater nicht mehr.// Und dann sagte er auch zu 
seiner Mutter: //Du bist raeine Mutter nicht mehr, ihr seid nicht 
schön, ich werde mir jetzt einen schonen Vater suchen. ^Dann 
ging er zur Sonne und sagte zu ihr: //Du bist mein Vater, Sonne, 
du bist meine Aeltern.// Aber die Sonne antwortet^ ihm: ^Nenne 
mich nicht Vater, es giebt noch einen starkeren, als ich bin.^ 
Tuha: *Vor wem furchtest du dichdenn?^ Die Sonne: //Dasfürchte 



1 Indem man namlich dorch ihre Yerheirathung neue Verbindungen anknüpft. 



KLEINE NIASSISCHE CHKESTOifATHIB. 879 

ich, wenn ich in die Niihe des Horizonts komme ^.v Tuha: /^Was 
ist daspv Die Sonne: /j'Den Haifisch , den fürchte ich , der schluckt 
micli, daram gehe doch zu ihm./y Da ging Tuha znm Haifisch nnd 
sagte zu ihm: >/Du bist mein Vater, da bist meine Aeltern.^ Der 
Haifisch: //Nenne mich nicht Vater, es giebt noch etwas, was ich 
iïirchte.x^ Tuha: ^Was ist es, was du fiirchtestp/y Der Haifisch: 
>/Das ist es, was ich furchte, der Knauel Bindfaden, den lasst 
man zu mir hinuuter^ und am Ende ist eine Angel ^ die schlucke ich, 
und dann ist mir der Tod gewiss; gehe doch zu dem./y Und Tuha 
ging zu dem Knauel Bindfaden und sagte zu ihm: //Du bist mein 
Vater , du bist meine Aeltem.i^ Darauf der Knauel Bindfeden: ^/Nenne 
mich nicht Vater, es giebt noch etwas, was ich fürchte. /y Tuha: 
/i'Was ist es, was da jFürchtest P/sr Der Knauel Bindfaden: /^Das 
fürchte ich, wenn das Feuer aus ist, dann sind sie da.// Tuha: 
/»Wer mag das wohl seinp// Der Knauel Bindfaden: //Die Ratte, 
die furchte ich , die zemagt mich , und beisst mich mitten durch , gehe 
doch zu ibr./y Da ging Tuha zur Batte und sagte: //Du bist mein 
Vater, Batte, du bist mein Aeltern./^ Die Batte: //Nenne mich 
nicht Vater, es giebt noch etwas, was ich fürchte.// Tuha: >/Vor 
wem fürchtest du dich dennp// Die Ratte: //Das ist es, was ich 
fürchte, die Katze, die fasst meinen Hals und dann bin ich todt.// 
Tuha: //Wo sind sieP^j^ Die Ratte: //Sieh' dort auf den Topfunter- 
sfitzen auf dem Heerde.// Da sahe Tuha hin und sagte: //Das ist ja 
meine Mutter ,// und so sahe er auch seinen Vater und sagte : ^t^Das 
ist ja mein Vater.// 



1 Nach der Vorstellung daas die Sonne ins Meer taucht. 



VI. 

KINDEBLIEDER. 
(Manömauö iidraouo). 

1. 

O Erdhuhn, Erdhuhn ! Ich fliehe, ich gehe, ich gehe , 
Nach Orahili , nach Oradanö , Nach Ora zagalawa tano. ' 
Die Heuschrecke geht, der Rabe geht, Es geht der Glück hat auf der Jagd^ 
Auf der Jagd am Rande des Beetes * , Am Rande des Beetea das 

zum Sprechen bringt. 
Das zum Sprechen bringt, das zum Reden bringt, Das zum Reden 

bringt die Frau; 
Die Prau Sibowogae , die Grold-Sibowagae , mein Freund , 
Die scharrt, die Füsse hat wie eine Turieltaube; 
Die kratzt, die Füsse hat wie ein Nazese.' 



Wohin geht deine Mutter, mein Liebling? 

Sie geht um zu schlafen im Felde^ 

lm Felde , welches beairbeitet ist , 

Das bearbeitet ist mit einem Holzspaten, 

Mit einem Holzspaten von Berua-Holz. 

Sie hat zwei grosse Schweine 

Und ein Maru*-Schwein. 

Zwei mit vorstehenden Schulterknochen , 

Knochen wie die Hülle eines Blattstiels, 

Wie die Hülle einer Gelbwurzelblüthe , 

Einer Gelbwurzelblüthe im Norden; 

Deine Schwiegertochter ist gestorben. 

Eine Hausgenossin von dir, 

Eine Geuossin des Hauses der Laoli.* 

Die Glocken fallen herunter, 

Die Glocken des Ma'^ae-fiaumes. 



^A 



KLEINS NIASSISGHE GHaESTOMATIE 



38l 



Der Blattstiel der Banane erhalt einen Schlag, 

üer Blattstiel der wohiriechenden Banane. 

Die Wasserschöpfsteile erhalt einen Schlag, 

Die trübe Wasserschöpfstelle. 

Das Ufer des trüben Wassers erhalt einen Schlag, 

Das Ufer des trüben Wassers nach dem Oberlauf hin. 

Ein Pisch ergreift^die Flacht, 

Ëin Fischlein von dem Platze, 

Von dem Platze des Görigöri* , 

Mit einem Ijato^-Blatt kann man ihn schlagen, 

Mit einem Ingwer-Blatt ihn spiessen. 

8. 

Gieb es nicht, gieb es nicht! 
£s geht aas znm Kopfschnellen Lasahua , 
Es geht aas zum Kopfschnellen Laerise. 
Droben zam Lölömatua • j 

Dranten zam Lölöalawe * 
Er trifft zosammen mit der Galawe '• 
Und er spiesst sie mit der Lanze, 
Es spritzt heraas geronnenes Blut, 
Mit dem letzten Athemznge kommt der Tod. 
Sein Stock von Palmenholz zerbricht/ 
Es zerbricht sein Stock von Beraaliolz: 
Statt dessen nimmt er Daraduru . * ' 
Statt dessen nimmt er La' ore, '* 
Labore manawa danö : ' * 
Ich setze Kaladiblatter aneinander, 
Ich setze aneinander die Blatter des Dodou. ' * 
Za meinem Vergnügen habe ich einen Krebs. 
Ich ziehe ihn hin and her in Strome, 
lm Strome des Schaames des Koch wassers. 
Des Schaumes des Kochwassers von einem Lagasi ; ' * 
Den Ijagasi lasst man fahren , 
Man überlasst ihn den Kopfschnellern , 
Den Kopfschnellern auf der Höhe, 
Den Kopfschnellern im Flachlande. 
Ich schneide den Hals ab , und es blutet nicht , 
Ich ziehe ein Haar aus, und das Blut spritzt hervor. 
Hole eine Schüssel fur das Blut, 



382 KLEINE KIASSISCHE UHAESTOMATIB. 

Hole ein Blatt ' • fiir das (ïeliirn. 

Ich bekomme das, worin das Qehirn gebacken ist, 

Du bekommst das, worin etwas gewisses von einem 

Kinde gebacken ist, 
Du Kindermagd. 

4. 

Komm herein Silewe , * ' 

Komm and trink Beiswasser. 

Komm denn herunter. Kind des Gastes , 

Komm denn nnd trink Palmwein aas der Flasche. 

Komm and siosse dich im Splitter^ 

Komm and stosse dich am Stumpf; 

Unten am Fussgestell der Leiter, 

Ara Eussgestell der Leiter des liarise. * • 

Den Larise lasst man fahren, 

Man lasst ihn gehen als Kop&chneller ; 

Als Kopfschneller aaf der Höhe^ 

Als Kopfschneller im Flachlande. 

Ich bekomme das Maul eines La'edo, ^^ 

Da bekommst das Maul einer Katzeneule. 

5. 

SieV da kommt meine Matter, 

Sie hat eine Maru-Gurke, 

Aber sie giebt sie mir nicht, 

Sie giebt sie meinen alteren Bruder. 

Sie schneidet sie fiir ans entzwei, 

Sie giebt mir das Stielende, 

Und ich lecke daran , da ist es bitter. 

Werfe ich es in den Schweinestall , 

Sc erschnappt es gleich die Sau. 

Werfe ich es in die Gosse, 

So frisst es sofort der Hahn. 

Werfe ich es aaf die Strasse, 

So ergreift es gleich der Kopfschneller. 

Werfe ich es auf den Hof, 

So frisst es sofort die Steinkatze. 

Ich bin gar nicht gat zufrieden. 



feliUlNK NiASStSCHE ÖHilSTÖMATHH!. ^83 

6. 

o, Grossmutter, Grossmatter I 

Was ist denn , mein Liebling ? 

Sieh' da bek ommen wir Graste; 

Alle tragen grosse Lanzen; 

Allen sind gesmückt mit Blumen. 

8ie werfen unsere Betelnüsse ab, 

Unsere edlen Betelnüsse. 

Das that ja nichts, mein Liebling, 

Wir werden heute Abend die Geldstrafe bestimmen, 

Anf einen goldenen Halsring 

Und zwölf andere Schmucksachen. 

Pür den Fall der Fracht, die wie ein Ei ist, 

Pür die runden Ma'ae-Früchte.» 

7. 

O Grossmutter, Grossmatter I 

Was ist denn, mein Liebling? 

Ich werde bei dir übernachten heate Abend. 

Aber wie, wenn ich keine Decke habe? 

Dann dchneiden wir uus Tugala^^-Blatter ab. 

Aber wenn ich keine Matte habeP 

Dann werden wir Tamo* *-Blatter abschneiden. 

Und wenn nun viele Wanzen da sindP 

Dann helfen wir uns einander sie zu zerdrücken. 

Wenn aber Lause da sind? 

Dann helfen wir ans einander sie za tödten. 

Und wenn es uns dann übel wirdP 

Dann werden wir Sirih kauen. 

Und wenn wir dann schwindlig werden? 

Dann werden wir Wasser trinken. 

Und wenn wir dann Leibsclimerzen bek ommen P/ 

Dann holen wir uns Arzenei. 

Holzbl&tter , Olalu » » -Blatter , 

Blatter vom Si mandraolö adu. ^' 

Komm mit zum Baden , Freund I 

Ich mag nicht, Freund. 
6« Volgr. vn. 25 



3^4 ttLEÏNE KIASSISÓHE ÜHRESTOMAT^È. 

Waram nicht, Freund? 

Es sind DorDen da, Freond. 

Was fiir Domen, Freund? 

Sasa* ♦-Domen , Freund. 

Von welchen Sasa, Freund? 

Von den Gemch-Sasa, Freund. 

Was fiir ein Gerach, Freund? 

Der Leber-Gerach, Freund. 

Was fiir eine Leber, Freund? 

Die Leber vom Eber, Freund. 

Was fiir ein Eber, Freund? 

Der Eber des Laeha**, Freund. 

Welcher T/aeha, Freund? 

Der Laeha, der die Trommel schlegt. 

Der Laeha'^ der das Kommass aufstelit. 



9. 



Gttm-Welschkorn , 
Es übersprüht die, die im Feldhaas wohnen 
Es überschüttet Lölö^ana^a; 
Dort im Süden Ombolata 
Dort im Norden Lolomboli *• 
Die Grenze des Kopfschnellerlandes. 



10. 



Schmetterling des Hia, *' 

Und du Strandlibelle , 

Geh' und sage es ihr von mir: 

Oben moge sie die Haare flechten, 

Unten moge sie die Füsse verwickeln. 

Sie moge auf dem Kopfe stehend sterben. 

Unter der Sack-Decke. 



11 



Es heirathet eine Heuschrecke, 

Sie heirathet einen Nachtschmetterling^ 

Hendrahendra^* besorgt die Sache, 



KLEINE NIASSISCHE CHRESTOMATHliS. 385 

Madoelai * • , copub'rt die Beiden , 
Kabogo * • fiihrt die Brant. 
Ein Legaan schlagt Triller; 
Er schleppt sie über den Weg, 
Er wascht sie in der Pffitze. 



12. 



Sieh^ da kommt meine Matter her, 

Sie geht urn ein Huhu za kaufen. 

Was will sie mit dem HuhnP 

Die Schwiegertochter ist krank. 

Was ist der Grand der Krankheit P 

Das Herzband ist abgerissen. 

Und waram ist es gerissen? 

Eiue Ratte hat es abgebissen. 

Und waram hal sie es abgebissen? 

Weil es so herunterbanmelte. 

Und waram hat es so gebaamelt? 

Ein La^aja** hatte hineingebissen , 

Ein La'aja aaf seinem Platze, 

Ein To'ia görigöri.*® 

Mit einem Nesselblatt wird.er geschlageu, 

Mit einem Ingwerblatt wird er gespiesst; 

Ein Eangspiess an der Rechten, 

Es bellt ein tüchtiger Hand, 

Der tuchtig ist im Springen; 

Es springt der fleckige, 

Unter den Baamen, anter den Bidaja'i , 

Unter den flach ausgebreiteteu. 



« 
GESANQE. 

(Umanö*). 

1. BSI EINEB HOOHZSIT. 

a. Eingang. 

Ès entepricht dem Berge Masola 

Das Dorf der Einheimischen ; 

Es entspricht ganz dem Silberberge, 

Als altestes Theil der Erde, als Silawö sie hammerte. ^ 

Wir habeD schon dnrchwandert 

Das Dorf der Einheimischen. 

Wir sind schon daran entlang gegangen, 

Einzig hier bei ench allein 

Bleibt das Schweinemass nnver&ndert. 

Es ist ein sehr grosser Berg 

Das Dorf der Einheimischen , 

Nichts weiter als Glühwürmchen 

Sind die andem Berge neben ihm. 

Es ist in Wahrheit das Dorf des Tnha,' 

Das Dorf der Einheimischen. 

Es entspricht dem Dorfe des Gözo^. 

b. Ansführung. 

Damm sind wir hergekommen, sind gegangen, 

Damm sind wir hergekommen , sind wir da , 

Damit wir zn deinem Mnnde kamen, 

Damit wir kamen zn deinem Greiste. 

Und zu dem Worte, das da ist gleichwie Wasser, 

Zn dem Worte^ das gleich wie die Tiefe. 

Das ist was erstrebt, was. erreichen möchte das Herz, 

Das ist was erstrebt , was erreichen möchte die Lnnge*^ : 

Bei nns, den Gasten die früh gekommen, 

Bei ons den Gasten, die frfih da sind. 



KLEINE KIASSIBCBE GHEBSTOMATHIK. 387 

Darom treten wir die Blatter auf dem Hofe, 

Darum treten wir die Blatter auf der Flache. 

Damm gehen wir vorüber vor den Haasem der anderen, 

Damm nmgehen wir die Dachtraafe der Menge. 

Wir, die Qaste, die früh gekommen^ 

Wir, die Oaste^ die früh da sind. 

Damm verbrüdem wir ans nicht mit denen am Lahömi* y 

Damm verbrüdem wir ans nicht mit denen am Oj6''. 

Sie hatten die Schweine getragen am Beisstampfer. 

Sie hintten die Schweine gemessen in der Achselhöhle* . 

Sie hatten gewogen das nöthige Qold^ 

Sie hattten gewogen das nötige Mehl*. 

Aber damm haben wir uns nicht verbrüdert mit denen am Lahömi , 

Damm haben wir ans nicht verbrüdert mit denen am Oj6, 

O, ihr Einheimischen^ ihr ersten der BewohnerI 

O, ihr Einheimischen ; ihr ersten der Hausbesitzer I 

Siehe da, dein Wort ans deinem Mande ^ 

Siehe da^ dein Wort aas deinem Ticbenshaoche^^. 

Es is als ob redete Lafaoadn,^^. 

Es ist als ob redete Lafaalno**. 

Dein Wort aas deinem Mnnde, 

Dein Wort aas deinem Lebeushaache , 

Was sich nicht wandelt, was sich nicht verandert. 

Was sich nicht wandelt, was nnverrückt bleibt. 

Dein Wort am frühen Morgen, 

Am Mittag bleibt s nnverrückt. 

So ist noch die Rede des erhabenen Hanptlings, 

So ist noch die Bede des Toha, des geachteten. 

Fern ist Tjafaoada bei den Leaten im Süden, 

Fem ist Laf&nada in Lahemo. 

Doch gleich wie die Einheimischen , die hier wohnen, 

Qleich wie die Eingesessenen , die hier Haaser haben. 

Das sind die Einheimischen, aaf die sich der Gesang bezieht. 

Die Einheimischen, die das Qeschenk erhalten. 

2. BEI DES KAOHHOOHZirr. 

a. Eingang. 

Es ist angekommen die ftr Gold Gekaofte ^' 
lm Haose bei onserer Matter. 



388 KLEINS NIASSISCHS OH&ESTOMATHIE. 

Ja, angekommen ist die für pares Gold Gekaufte, 

Die einen banmwollenen Sirihsack bat, 

Uuter den Ahnengötzen des Bezirks, ^^ 

Die Sotora matoa ^* der jangen Frau, 

Die Sotora Wagulö " • der Inhalt der silbemen Kiste. 

Die Kleidung wenu die Welt untergebt. 

b. Ausführnng. 

Darum sind sie versammelt , darum sind sie alle gekommen; 

Darum sind sie versammelt^ daram sind sie alle da. 

Weil angekommen ist die für Gold Gekaufte^ 

Weil angekommen ist die fur Mehl ' * Gekaufte. 

Sie sind gekommen um den Segen za bringen, 

Sie sind gekommen um zu bringen die Opfergabe. 

Die Lente von Ono Zitoli, *^ die tansende, 

Die Lente von. Ono Zitoli, die Menge. 

Darum ist man froli, darum lacht man, 

Darum ist man froh, darum freut man sich. 

Es sind versammelt seine Dorfleute, die tausende, 

Es sind versammelt seine Dorfleute, die Menge. 

Sie sind gekommen zu empfangen die Frucht des Betels; 

Sie sind gekommen zu empfangen die Frucht des Sirih. 

Von den Einheimischen, die am Platze wohnen, 

Von den Einheimischen , die die Ilauser besitzen. 

Sie kamen zu empfangen den Krug mit dem Tranke, 

Sie kamen zu empfangen den Krug mit dem Palmwein. 

Weil er geholt bat die fiir Gold Gekaufte, 

Weil er geholt bat. die gekauft ist für Mehl. 

Ein Betelsackchen bat er nun mehr, 

Einen Sirihbeutel mehr für die Zukunft. 

Der Kreis der Seinen erweitert sich, 

Einen Zuwachs erhalt die Familie. 

Das Haas vergrössert sich nun ein Stück, 

Es dehnt sich aus seine Wohnung. 

Eine Person wird mehr gezahlt, 

Die Reihe ist um eine verlangert. 

Die bereitet und schneidet den Betel^ 

Die bereiteit und schneidet den Sirih. *• 

Sie schalt die Betel nuss und zertheilt sie, 



KLEINE NIASSISCHE CH&ESTOMATHIS. 389 

Sie spaltet das Betelblatt and entfemt die Rippe. 

Sie thut wohlriechendes in den Kalk, 

Und duftendes Holz za dem Kern der Betelnuss. 

Und siehe, wenn wir gekant haben den Betel, 

Weun wir gekant haben den Sirih: 

In einem Monat verlangt niemand nach Essen, 

£in rondes Jahr verspürt man keinen Hnnger. 

80 geht es einem bei den Einheimischen, die am Flatze wohnen, 

So bei den Einheimischen, die die Hauser besitzen. 

Er giebt die Ehrengabe, die offenbar gemacht wird^ 

Er giebt die Ehrengabe, die der Menge gezeigt wird. 

Wer ist gleich dem erhabenen Hanptlinge, 

Wer ist gleich dem Tuha, dem geachteten? *• 

Der machtig ist im Bebauen des Landes, 

Der m&chtig ist im Cnltiviren des Thales. 

Wer ist denn machtig im Bebanen des Landes? 

Wer ist denn machtig im Cnltiviren des Thales P 

Das ist da drunten der Bola sadaölö langi, ^® 

Da drnnten der Böla sadaölö Ino. 

Und wer ist die Eran, die andere Halfte? 

Wer ist die Fran , sein zweites Ich? 

Sitorosi, die Mntter der Nnza, 

Sitawno, die Grossmuttter des Faoro. 

Da drnnten am Ende des Landes , des wiederhergestellten , 

Da drnnten am Ende des Landes, des geordneten. 

Die ist das Ebenbild des erhabenen Hanptlings; 

Die ist das Ebenbild des Tnha, des geachteten. 

Und wie machte es Böla sadaölö langi P 

Wie machte es Böla sadaölö InoP 

Er gab sich ans Füttem von Schweineu im Kafig, *^ 

Er gab sich ans Füttern von Schweinen im Stall. 

Und siehe, Sitorosi, die Mutter der Nnza, 

Und siehe Sitawno, die Orossmntter des Faoro: 

Sie pflanzte eine Ranke von edlem Betel, 

Sie pflanzte eine Ranke von kraftigem Betel. 

Sie pflanzte eine Belu-Areka, ** 

Sie pflanzte eine Bowo-Areka, ** 

Sie pflanzte eine Heziwala-Kokos , 

Sie pflanzte eine Hezoj o-Kokos. ** 

Die Sitorosi, die Mntter der Nuza, 



390 KLIINE KIASSISOUfi OH&ESTOMATHIE. 

Die Sitawuo, die Grossmutter des Eaoro. 

Und siehe, der Böla sadaölö langi, 

Und siehe, der Böla sadaölo lao. 

Er schnitt die Palme, zur Gewinnung des PaltnweiDS, ^* 

Er stutnpfte die Spitze des Fruchtstengels ab. 

Und siehe, als er schnitt, zur Gewinnnng des Weines, 

Und siehe, als er abstampfte den Stengel der Frucht, 

Da dninten, die Kokos, die Ne'aösö langi. ^* 

Da dmnten, die Kokos, die Ne'aösö Ino. 

Neun Fruchtstengel einander gegenüber, 

Neon Fruchtstengel in einer Reihe. 

Es hat seinen Nutzen, es findet Verwendung, so sagt er im Herzen, 

Es hat seinen Nutzen, es findet Yerwéndung^ so sagt er in der Lunge. ^ ^ 

Es giebt Ehrengahe fiir die Stammesgenossen und Brüder, 

Es giebt Ehrengabe fur die Stammesgenossen und Verwandten. 

Und dann die Ranke des edlen Betel, 

Die Ranke des kraftigen Betel: 

Die liefert den Inhalt des geflochtenen Beutels , 

Den Inhalt des verzierten Beutels 

Dazu die Betelnuss am Giebelende des Rathhauses^ ^* 

Die Betelnuss am Giebelende des Wohnhauses. 

Das alles giebt Inhalt des geflochtenen Beutels^ 

Das alles ist Inhalt des verzierten Beutels. ^* 

Das alles ist Ehrengabe fiir die Dorfleute, 

Alles ist Ehrengabe fiir die Bewohner des Ortes. 

3. Bei einim TODfiEN. 

a. Eingang. 

Als ob gestorben ware Sirao *® 

So ist der Hingang des Hauptlings,'i 

Er sagt zu Luomewona: '^ 

^Es liegt in deiner Hand; 

Fahre fort Menschen herniederzulassen auf die Erde.^ 

Als ob gestorben ware Sirao, 

So ist der Hingang des Hauptlings. 

Luomewona tritt an die Stelle, 

Der Herr unter dem Rathhause. 

Gleich als ob zusammenstürzte Hilizia '^ 



KUSINS NIASSISCHS CH&SSTOMATHIE. S9l 

Er ist bereits ersetzt dorch einen Silberberg, 

Einen Platz fur uns, wenn die Welt untergeht. 

üleich als ob die Verzierungen der Götzen verwelken , • * 

So ist der Hingang des Hauptlings. 

Als ob ein Fösi^'-Baum verdorrte, 

Sodass er hst anmöglich zn ersetzen ist, 

Als Schatten für das verfinsterte Land. 

Als ob gestorben ware Sirao, 

So ist der Hingang des Hauptlings. 

Siehe da , neon als Ersatz ' * 

Des Herren unter dem Bathhaase. 

d. Ansführang. 

Dass wir tanzen in dem Reigen, 

Dass wir tanzen in dem Kreise, 

Weil alle èinmüthig nnd zngleich gekommen sind, 

Weil alle einmiithig and zngleich da sind. 

Wir kommen urn nnsere Thranen zn mischen , 

Um zn mischen den Aosflass der Nasen, 

lm Hanse, weil er gestorben ist und abgerissen die Qenesang. 

lm Hanse, weil zn Ende i^^t nnd abgerissen der Athem. '^ 

Weil er fieberte in den Oebeinen, 

Weil er fieberte im Körper. 

Er hatte eine Krankheit, die war gewaltig. 

Er hatte eine Krankheit, die sass so fest. 

Was war die Grand der Krankheit wie feuriger Kohle? 

Was was der Grand der Krankheit wie Diho-** Kohle? 

Als er ging am za baden, zn glftlten den Körper, 

Als er ging am zu baden and wieder aafzntaachen. 

Da dranten an der Qnelle, die wie ein Sttick vom Spiegel, 

Da dranten an der Qnelle, die wie ein Stüok vom Glas. 

Er dachte nicht daran, dass es ihm den Tod bringen würde, 

Er erwartete nicht , dass er betrogen würde. 

Doch wie berührt aaf die Mitte des Scheitels, 

Und wie ge&sst an die Mitte der Stim ; 

Gerade wie gemeisselt mit einem kleinen Meissel. 

Sowie gemeisselt mit grossem Meissel. 

Da oben in der Mitte des Scheitels , 



39S^ KLEINE NIASSISCHE CHRESTOMATHIE. 

Da oben in der Mitte der Flache. 

Wer anders, aU Sirao, der Stammvater der Taasende, *• 

Wer anders als Sirao, der Stammvater der MeogeP 

Da droben in Gold-Teteholi , ♦« 

Da droben in Mehl>Teteholi 

Und wer ist die Gattin, die Halfte des Herzens? 

Und wer ist die Oattin^ die Halfte der Lange P 

Buruti rao, die Stammmatter der Tansende^ 

Baniti rao, die Stammmatter der Menge. 

Und die eine war Nawaondra, die Priesterin beim Feste , 

Die eine Nawaondra, die Priesterin bei der Feier. ♦' 

Und eine Siadalo rao, von Grold, 

Die eine Siadalo rao, von Mehl. ^^ 

Und er batte der mannlichen Nachkommen neane. 

Neon Söhne nannte er die seinigen. 

Der eine Nata Ba'awa danö Hia, 

Der eine Nata Simaliamaha rao; 

Nata Balnga Laomewöna, 

Nata Balnga Lao zaho ♦* 

Und das waren Zwillinge von Matterleibe^ 

Sie waren Zwillinge von Oebart. 

Und sie batten aacb einen Sohn inzwischen, 

Einen Sohn dazwischen , als Scheidang noch : 

LaMndrö lai sawai ana^a, 

La^indro lai sawai hamo. ^' 

Und Lahari mit dem steinemen Nabel, 

Lahari mit dem Nabel von Fels. ♦* 

Tnha Mangemohi ana'a. 

Tuba Mangemohi hamo, *^ 

Langi sara ana'a, 

Langi sara hamo. ^' 

Und Daeli , am den es schade war ihn herniederzulassen , ^ ^ 

Daeli, um den es schade war ihn za senden. . 

Ëin Sohn anstelle der Ferse 

Ein Sohn anstelle der Knöchels *• 

Er gab sich da droben ans Sammeln, 

Er gab sich da droben ans Ordnen; 

Da droben in Gold-Teteholi, 

Da droben in Mehl-Teteholi 

Er gab sich ans Reinigen unter dem Rathhause^ 



KLEINE NIASSISCHE CHRESTOMATHIE. 893 

Er gab sich aus B>einigeD unter dem Wohnhause. 

Er sorgte fiir die Bewohner des Dorfes, 

Er sorgte fiir die Bewohner des Orts. 

Daher die Taasende in dem Dorfe, 

Daher die Tausende in der Versammlung. 

Tansend hat er Barasi**-Gold, 

Tansend hat er Mehl-Gold. 

Und eine Menge von Schweinen im Kafig, 

Eine Menge von Schweinen im Stall. 

Darnm gab er ein Fest , das die Erde glibbrig wurde , * ' 

Danim gab er ein Pest, das die Steine glibbrig warden. 

So hatte er gearbeitet im Begeu, 

So hatte er gearbeitet in der Sonne. *• 

Daher die Tausende im Dorfe,! 

Daher die Tausende in der Versammlung. 

Er kann ja die Dorfleute fesseln. 

Er kann ja die Versammlung anziehen.^' 

Da droben der Sirao, der Stammvater der Tausende, 

Da droben der Sirao, der Stammvater der Menge. 

Da droben in Qold-Teteholi , 

Da droben in Mehl-Teteholi. 

Er hat als Schmuck Rai^®, mit vier Absatzen , 

Er hat als Schmuck Bai mit vier Blumen. 

Als Schmuck hat er eine Krone von Gold, 

Als Schmuck eine Krone von Mehl, 

Sirao , der Stammvater der Tausende , 

Sirao, der Stammvater der Menge. 

Er hat einen gedrehten King fiir den Hals. 

Sowie auch eine Brustschlange ; ** 

Einen Schmuck gehörig gedreht, 

Einen Schmuck gehörig geschmiedet. 

Er hat es mit Eleiss hergestellet , 

Mit Eleiss hat er es geschmückt. 

Er ist ausgezeichnet, als erhabener Hauptling, 

Ausgezeichnet , als geachteter Tuha. 

Und an einem Tage, an einem Datum, 

Eines Tages , an einem Mittage , 

Da erhob sich Sirao, der Stammvater der Tausende, 

Es erhob sich Sirao der Stammvater der Menge, 

Er stieg hinauf an das Fenster des Daches, 



394 KLsnns niassisghe ohbestomathiü. 

Er stieg hinaaf m das 'Dachfenster des Hanses ; 

Er sonnte sein vei^oldetes Kopftuch, * 

Er sonnte das Mehl-Kopftnch' 

Er dachte nicht darau, dass es ihm den Tod bringen würde. 

Er erwartete nicht, dass er betrogen würde. 

Doch gleich wie berührt auf der Mitte des Scheitels, 

Gleich wie gefasst auf der Mitt« der Flache • * 

Es hatte ihn getippt ein Flammenhahn,*^' ein Feaerhahn, 

Es hatte ihn getippt ein Flammenhuhn , ein BAUchhohn. 

Das war also der Ursprung , das war der Grand , 

Das war also der Ursprung, als es begann. 

Und als er zurückkehrte auf die Truhe , • * 

Als er zurückkehrte auf die Tuho'*-Truhe, 

Da fieberte er in den Gebeinen , 

Da fieberte er im Körper. 

Er war getroffen auf der Mitte des Scheitels, 

Er war getroffen auf der Mitte der Flache, 

Von der Frucht der Feuer-Mahara , • • 

Von der Frucht der BAUch-Mahara. 

Sirao^ der Stammvater der Tausende, 

Sirao, der Stammvater der Menge. 

Was war denn der Ursprung am Aufang, 

Was war denn der Ursprung, als es kam? 

Der Stamm der Feuer-Mahara, 

Der Stamm der fUiuch-Mahara , 

Dort von dem Stammvater Gottes,'^ 

Dort von dem Stammvater des Luo Zaho. ** 

Es erhob sich der Stammvater Gottes, 

Es erhob sich der Stammvater der Luo-Zaho. 

Er ging um zu baden, zu glatten den Körper, 

Er ging um zu baden und wieder aufzutauchen. 

Da droben in der Quelle , die wie ein Stück vom Spiegel , 

Da droben in der Quelle, die wie ein Stück vom Glas. 

Er nahm sich Erde, eine Handvol!, 

Er nahm sich Erde, so gross wie ein Ei; 

Als er sah seinen Schatten im Wasser, 

Als er sah seinen Schatten in der Tiefe. 

Er nahm sie mit ins Dorf, unter das Rathhaus, 

Er nahm sie mit ins Dorf, unter das Wohnhaus, 

Sein Stück Erde, die eine Handvoll, 



KLEINl KIASSISCHC OHBESrrOMATHlB. 395 

Die Erde, so gross wie ein Ei. 

Er foimte es zu einem Ahnengötzen. *' 

Er formte es wie ein Kind. 

Er holte die Schalen , der Wage , 

Er holte die Schalen, nm zu wiegen. 

Er holte das Gewicht, wie ein Huhn geformt •• 

Er holte das Gewicht, in der Form eines Hahnes, 

Er legte es auf die Schale der Wage, 

Es legte es anf die Schale, nm zu wiegen; 

Er wog den Wind, gleich dem Golde, 

Er wog den Wind, gleich dem Mehl. 

Als er ihn legte anf die Schale der Wage, 

Als er ihn legte auf die Schale , um zu wiegen. 

Er that ihn auf die Lippen des Mnndes, *' 

Er that ihn zum Hanch des Athems. 

Damm sprach er, gleich wie die Menschen, 

Damm rede er, gleich wie ein Kind. 

Da droben vor dem Stammvater Gottes, 

Da droben vor dem Stammvater des Lno Zaho. 

Er machte ihn, er brachte ihn znstande 

Er gab einen Mamen, als er da war: 

^Sihai, da droben, der keine Nachkommen hat,// 

>!^Sihai, da droben, der keine Kinder hat.^ 

Es erhob sich der Stammvater Gottes, 

Es erhob sich der Stammvater des Luo Zaho, 

Er wies seinem Werke eineu Platz an. 

Er platzirte sein Geschaffenes, 

Den Sihaiy der keine Nachkommen hatte. 

Den Sihai, die keine Kinder hatte. 

Er dachte nach, mit Sinnen, 

Er dachte nach, es bewegte ihn. 

Da droben den Stammvater Gottes, 

Da droben den Stammvater des Luo Zaho. 

Als er jemand hatte, der ihm glich an Gtestalt, 

Als er hatte der ihm glich an Körper. 

Es gab noch keine Sonne, als Bichtschnur fur die Tausende, 

Er gab noch keinen Mond, als Richtschnar fur die Menge. 

Finster noch war das ïjand Gottes, 

Finsfcer noch war das Land des Luo Zaho 

Es setzte ein der Stammvater Gottes 



^9é KLEINB NIASSISOHB CHEESTOlCATJËIÉ. 

Es sezte ein der Stammvater des Lao Zaho, 
\ Da droben, den Sihai, der keine Nachkommen hatte^ 

Da droben den Sihai^ der keine Kinder hatte. 
Q«h' auf die Erde, die bewegt wird vom Nordwind, 
Gteh' auf die Erde die bewegt wird von Zugwind. 
Es worde gebaat fiir ihn ein Haas von Biesenfam *^ 
Es wurde gebaat ein Hans von Taho •• 
Es setzte ein der Stammvater Gottes^ 
Es setzte ein der Stammvater des Lao Zaho 
Den Tuha Sihai, der keine Nachkommen hatte, 
Den Taha Sihai, der keine Kinder hatte. 
Und an einen Tage , an einem Datam , 
Und einst, an einem Mittage, 
Da starb er, da ging aus das Leben, 
Da starb er, da riss ab die Seele. 
Da droben dem Sihai, der keine Nachkommen hatte 
Da droben dem Sihai, der keine Kinder hatte. 
Siehe, daran sahe man es, das war das Zeichen, 
Siehe, daran sahe man es, das was das Merkmal 
Es wachs hervor aas seinem Munde, 
Es wachs hervor aus dem Hauche des Athems 
Der Baum, genannt Eeuer-Mahara , 
Der Baum, genannt Bauch-Mahara. 
Was hervorwuchs aus seinem Munde, 
Was hervorwuchs aus dem Hauche des Athems. 
Die Feto ba'u • ♦ , die Feuer-Eeto. 
Die Feto ba'u, die Bauch-Feto. 
Als sie Knospen trieb, als sie Früchte trug, 
Als sie Früchte trug, als sie blühte^ 
Und als der Wind wehte, der die Erde bewegte, 
Als der Wind wehte, der das Qestein bewegte, 
Da fielen die Knospen, die nahezu reifen. 
Da fielen die Knospen^ die reifen. 
Die Knospen gleich wie Spinatsamen, 
Die Knospen gleich wie Mohnsamen im Thai. 
Die sind die Ursache der Krankheit gleichwie Kohle, 
Die sind der Grund der Krankheit gleichwie Diho-Kohle. 
Was hervorsprosste da droben aus dem Munde, 
Was hervorsprosste da droben aus dem Hauche des Athems 
Des Sihai, der keine Nachkommen hatte, 



IttiEtNJB NIASSISCHE CHRKSTOMaTHIE. 397 

Des Sihai, der keine Kinder hatte. 

Dann wnchs ihm noch aas dem Knoten der Kehle, 

Dann wnchs ihm noch ans dem Knoten der Kiemen 

Der Banm von dem das Qold herkommt, 

Der Banm von dem das Mehl herkommt. 

Und was hervorwnclis aas der Herzgrnbe, 

Was hervorwnchs oben ans der Ijebergrnbe. •• 

Der Tora'a , • • von dem die Tausende abstammen , 

Der Tora^a, von dem die Menge abstammt. 

Und das Ange an der rechten Seite der ib^gur, 

Das Ange an der rechten Seite des Körpers , 

Das gab die Sonne, als fiichtschnnr ftir die Tansende, 

Die Sonne, als Richtschnnr fiir die Menge. 

Und das Ange an der linken Seite der Figur^ 

Das Ange an der linken Seite der Körpers^ 

Das gab den Mond, als Bichtschnur fiir die Tausende, 

Den Mond als fiichtschnnr fur die Menge. 

Das war da droben der Nutzen des Werkes, 

Das war da droben der Nutzen des Geschaffenen. 

In dem Dorf des Stammvalers Qottes, 

In dem Dorf des Stammvaters des Luo Zaho. 

Und der Banm, die Peuer-Feto, 

Der Baum, die fiauch-Feto, 

Der gab den Samen für die Krankheit wie Feuerkohle, 

Den Samen fiir die Krankheit wie Diho-Kohle. 

Es spasste der Wind, der Ursprung des Nordwindes 

Er spasste der Wind-, der Ursprung des Zugwindes, 

Da stiessen an einander die Fenerstftmme , 

Da stiessen an einander die Rauchstamme. 

Da loste sich die Blattstielhülle , die feurige. 

Es loste sich die Blattstielhülle, die rauchige; 

Und das gab das Flammenhuhn^ das Feuerhuhn, 

Das gab das Flammenhuhn , das fiauchhuhn * ^ 

Und das brachte den Tod den sterblichen Wesen, 

Das brachte den Tod der abreissenden Seele, 

Für Sirao, den Stammvater der Tausende, 

Für Sirao, den Stammvater der Menge, 

Da droben in Gold-Teteholi. 

Da droben in Mehl-Teteholi. 

Man opferte für ihn, man machte einen Ambota^ ** 



398 KLEINE NUSStSCUE CHREdTOMATHtE. 

Man opferte för ihn, man machte einen Tabotabo.** 

Man rief Lewele we ••-Priester, 

Man rief vom Beso^^ besessene; 

Um fiir ihn zu opfem, urn einen Ambota zn machen. 

Um für ihn zu opfem, um einen Tabotabo zu machen. 

Wer wurde gernfen, als Lewelewe-Priester? 

Wer warde gernfen, als vom Beso besessen P 

Es kam der Priester^ der ihm gegenüber wohnte^ 

Es kam der Priester^ der neben ihm wohnte; 

Es kam Tnha Lahnwa gana^a. 

Es kam Tnha Tjahnwa hamo. 

Er trieb Zanberei nnter den Bihara, ^' 

Er trieb Zanberei nnter dem Tnho, ^* 

Und es fand sich dnrch die Zanberei bei den Bihara, 

Es fand sich dnrch die Zanberei bei dem Tnho: 

Famacho, laharo gana^a, ^* 

Famachö^ laharo hamo. 

Aber die Krankheit hörte nicht anf, sie warde stftrker. 

Die Krankheit hörte nicht anf, sie liess nicht nach. 

Und man rief wieder einen Lewelewe-Priester , 

Man rief wieder einen vom Beso besessenen. 

Und es kam Tnha, sohege gana^a,^* 

Es kam Tnha, sohege hamo. 

Und der trieb Zanberei nnter den Bihara, 

Der trieb Zanberei nnter dem Tnho. 

Er zanberte an den Schaft der Burusa, ^' 

Er zanberte an dem Schaft der Lanze 

Und es fand sich dnrch der Zanberei bei den Bihara, 

Es fand sich dnrch die Zanberei bei dem Tnho: 

Tiawolö^ die Segnnng des IJanptlings, ^^ 

Die Segnnng des Tuha, des geachteten. 

Man holte für ihn einen Stein, ein Bild der Fignr, ^^ 

Man holte einen Stein ^ ein Bild des Körpers. 

Aber die Krankheit hörte nicht anf^ sie warde starker. 

Die Krankheit hörte nicht anf, sie liess nicht nach. 

Seine Krankheit nahm zu an Gewalt, 

Seine Krankheit setzte sich fest. 

Und man rief wieder einen Lewelewe-Priester, 

Man rief wieder einen vom Beso besessenen. 

Und es kam Tnha mit dem goldenen Regenschirm, 



fcLEIKE NIASSISCHB CHRESTOMATHIE. 399 

Es kam Tuha mit dem Mehl-Eegenschirm , 

Und der opferte fiir ihn, er machte einen Ambota, 

Der opferte fur ihn, er machte einen Tabotabo. 

Aber die Krankheit hörte nicht auf, sie wurde stftrker, 

Die Krankheit hörte nicht auf, sie liesa nicht uach. 

Und man rief wieder einen Lewelewe-Priester , 

Man rief wieder einen vom Beso beaessenen : 

Man rief den Lawaondröma huni ba'u^ 

Man rief den Lawaondröma hum dao, 

Der grosse Bedeutung hatte im Priesterthume^ 

Der grosse Bedeutung hatte bei der Opferung. 

Aber die Krankheit hörte nicht auf, sie wurde starker, 

Die Krankheit hörte nicht auf, sie Hess nicht nach. 

Und es kam Sinari, die Schwagerin der Tausende. 

Es kam 8inari^ die Schwagerin der Menge, 

Die kam , um einen Ambota zu machen , 

Die kam, um einen Tabotabo zu machen. 

Aber die Krankheit hörte nicht auf, sie wurde starker, 

Die Krankheit hörte nicht auf, sie Hess nicht nach. 

Die Krankheit nahm zu au Gewalt, 

Die Krankheit setzte sich fest. 

Bei Sirao , dem Stammvater der Tausende , 

Bei Sirao, dem Stammvater der Menge. 

Neun verschiedene Ambota^ 

Neun verschiedene Tabotabo, 

Götzen zur Starkung der Qenesung . 

Götzen zur Starkung des Körpers. 

Und an einem Tage , an einem Datum , 

Und einst an einem Mittage , 

Da sagte er zu den Söhnen , 

Da sagte er zu den mannlichen SpröasHngen : 

ffOy ihr Söhnel 

O , ihr mannHcheu SprössHnge I 

£s trennt sich, es lost sich die Fignr, 

Es trennt sich, es lost sich der Körper; 

O, Schwiegertöchter , fur Gold gekauft! 

O, Schwiegertöchter, fiir Mehl gekauft I^ 

Darum kam er zum Sterben, darum riss ab die Genesung, 

Darum kam er zum Sterben, darum riss ab die Seele, 

Da droben dem Sirao, dem Stammvater der Tausende, 

6« Volrr. VII. 26 



40Ö KLEÏNE NtASStSCHC CHUESTOlCATHlU. 

Da droben dem Sirao, dem Staminvater der tleuge , 
lm Dorfe Qold-Teteholi , 
lm Dorfe Mehl-Teteholi. ^« 

4. BEI DER WEIHS EIDES GOLDSCHMUCKSS. 

a. Ëingang. 

Fertig ist nun der Qoldschmack, 

Siehe es ist vollendet das Gelbe. 

Er lasst die Yerwandten einladen, 

Er wendet das übrige noch daran. 

Was er uicht alles eingeschmolzeu kat. 

Niemand anders erreickt das , 

Nar du allein erreichst es. 

Der da den gelianteten Krebs faogst, 

Mitten in den Wogen des Meeres. 

Nach diesem Oeschlecht wird es wieder anders gehen, 

Du schmiedest noch Qold, 

Siehe du schmiedest noch das Qelbe. 

Du lassest einladen die Yerwandten, 

Um zu nehmen den Palmweinkrug ; 

Was berühmt ist, was erschallt, 

Was da^ ganze Land hort. 

Siehe die anderen haben ^als Qoiu^* Esoni*® 

Aber siehe da deinen Ooln! 

Es ist die Spitze des Sleines^ der die Erde tragt. 

Der zngleich mit da war, als die Erde geschmiedet wurde. 

Ein Talisman für ans, wenn die Welt vergeht, 

Nach den nenn Geschlechtern. 

Es giebt keinen andem , der es aaf bewahrt. 

Keinen so erhabenen Hauptling; 

Da bist der Bewahrer des Buches. 

Des Begisters der Geschlechter , 

Des Inhalts der silbemen Truhe, 

Nach den neun Geschlechtern. 

Da schmiedest noch Gold, 

Siehe da, erhabener Hauptling! 

Siehe du schmiedest das Gelbe. 

Als Schirm and Schatz; 

Gehe an den ganzen Flussl *> 



kLEINE NIASSISCHE CHUESTOiiATHlE. 401 

b, Ausfükrung. 

Was ist gleich dem erhabenen Hauptlinge, 

Was ist gleich dem Tuha, dem geachteten? 

Wir setzen als sein Gegenbild , 

Wir setzen als sein Gleichgewicht 

Den Gozo, •' der den Auftrag entgegennimmt , 

Den Gözö^ der den Braatpreis erhalt, 

lm Süden^* in Mazingö, tausend Stück. 

lm Süden^ in Mazingö" , tausend aaf einmal. 

Und es dachte nach mit Sinnen^ 

Es dachte nach mit Bewegung, 

lm Süden der Uözö , der den Braatpreis erhalt , 

lm Süden der Gözo, der die Gabe empfangt. 

Wer war die Frau, die andere HalfteP 

Wer war die Frau, das zweite Ich? 

Mutter Mangolömbu langi, 

Matter Mangolömbu luo. 

Wer waren denn die Söhne? 

Wer waren die mannlichen Sprösslinge? 

Simanra mbelembele laugi , 

Simaura mbelembele loeo. 

Und wer war ferner noch sein Sohu? 

Und wer war ferner noch manulicher Spross? 

Der eine hiess Tjauru balazi zi hönö , 

Der eine hiess Lauru balazi zato. * * 

Das waren somit seine Söhne , 

Das waren somit die mannlichen Sprösslinge 

Des Gözo, der den Brautpreis erhalt, 

Des Gözö^ der die Gabe empfangt. 

Und er berieth sich, er besprach sich. 

Er berieth sich, er verhandelte 

Mit der Frau , der anderen Halfte , 

Mit der Frau dem zweiten Ich. 

Sie gaben sich aus Ackerbauen, 

Sie gaben sich aus Cultiviren des Thales, 

Sie fütterten Schweine in Kafigen, 

Sie fütterten Schweine im Stall. 

Und sie verkaufken sie fiir Haresö**-Gold, 

Sie verkanften sie für Mehl-Gold. 



402 KLEINK NtASSlSCHE CHRESTOKATHIË. 

Ihre Schweine in den Kafigen , 

[hre Schweine in dem Stall. 

Und nun war zusammen das Hareso-Gold, 

Und nun war zusammen das Mehl-Gold. 

Und sie beriethen , sie besprachen sich , 

Und sie beriethen, sie verhandelten; 

Es war auch die Meinung der Söhne, 

Es war auch die Meinung der mannlichen Sprosslinge: 

//So lassel uns beschliessen, 

So lasset uns bestimmen ; 

Lasset uns laden die erhabenen Hauptlinge, 

Lasset uns laden die Toeha, die geachteten.// 

Und welche erhabenen Haupllinge lud man? 

Und welche geachteten Tuha, rief man? 

Wen anderes als Samagöwaulu adu? 

Wen anderes als Samagöwaulu luo? 

Den Haupt-Iing von Mazingö, von den Tausenden, 

Den Hauptling von Mazingö, von der Menge. 

Den Toeha mangawöla mbawa, 

Den Toeha mangawöla luo, 

Und Hösi, talu golajama, 

Den Hösi, talu zebolo. 

Alles Hauptlinge von Mazingö, von den Tausenden 

Alles Hauptlinge von Mazingö, ^on der Menge. 

Den Kabua wa^u von den Jjcuten im Südeu, 

Den Kabua wa'u von Laliemo. •• 

Den Lafabua sadumba jawa , 

Den Lafabua sadumba luo. 

Den Hedu mangaraza langi, 

Den Hedu mangaraza luo. 

Der eine war Söchia mangaraza wangetu^ 

Der eine war Söchia mangaraza wucho. '^ 

Der eine Ijafauadu von den Leuten im Süden, 

Der eine T^ifauadu von Lahemo. 

Der eine Walili söchi mangaraza. 

Der eine Walili söchi maiigehao. 

Der eine Latandra tödö mölö, 

Der eine Latandra tödö luo.. 

Ein anderer Wöli ba gambölö langi, 

Ein anderer Wöli ba gambölö luo. 



KLEINC; NXASSISCHE CUEESTOM ATHIE. 403 

Der eiue unser Yater Sumbari Zumbaö, 

Der eiiie unser Vater Dohoede ga'o. 

Alles Hauptlinge vou Mazingö, von den Tausendeu, 

Alles Hauptlinge von Mazingö . von dei Menge. 

Es erhob sich Gözö^ der den Brautpreis erhalt, 

Es erhob sich Gözo^ der die Gabe empfangt. 

Er hielt eine Bede , als die Sache zustande kam , 

Er hielt eine Bede, als die Zeit da war: 

//O, ihr Hauptlinge von Mazingö^ von den Tausendenl 

O, ihr Hauptlinge von Mazingö, von der Menge. 

Ich lasse schmieden die Eüsse von Ohrbumineln , 

Ich lasse schmieden den Fuss vom Stirnband. 

Er kjchmiedete Bai *' mit vier Absatzen, 

Er schmiedete Bai mit vier Blüthen. 

Er schmiedete einen gedrehteu Halsring, 

Er schmiedete eine Bmstschlange. 

Er schmiedete als Schmuck eine Krone von Gold, 

Er schmiedete als Schmuck eine Krone von Mehl. 

Dram kommen zusammen die Leute von Mazingö , die Tausende , 

Drum kommen zusammen die Leute von Mazingö, die Menge. 

Alle versammeln sie sich, alle kommen sie, 

Alle versammeln sie sich , alle sind sie da. 

Sowohl die Kinder, als auch die Alten, 

Sowohl die Alten^ als auch die Kinder. 

Alle sind &oh und alle lachen. 

Alle sind froh und freuen sich. 

Die Leute von Mazingö, die Tausende, 

Die Leute von Mazingö , die Menge. 

Er fütterte die Hühner*® fiir die Tausende, 

Er fütterte die Hühner fiir die Menge. 

Weil er schlachtete seine Schweiue aus den Küfigen, 

Weil er schlachtete seine Schweine aus dem Stall. 

Das war die Grundlage der Versammlung der Dorfleute, 

Das war die Grundlage der Versammlung der Menge. 

Drum schöpft man mit den fessen den ausgekauten Betel , ' ^ 

Drum schöpft man mit den Füssen den ausgekauten Sirih. 

Das i<«t ein Bild des erhabenen Hauptlings. 

Das ist ein Bild des Tuha, des geachteten. 



VIII. 



BEGRIFFSBESTIMMUNGBN UBER ZEIT, ENIFERNUNG, 

ü 8 W, 



I. JAHR UND MOfiATE. 

Ein Jahr heisst in der Sprache der Niasser /ydöfi^^. Diei^es Wort 
bedeutei eigentlich ^Stern^r^ and wie es gekommen ist, dass es für 
den Begriff* >yJahr/r, /yein Jahr// angewandt wird, möchte wohl schwer 
zu sagen sein. Vielleicht so, dass man auf einen gewissen Stern 
geachtet hat , der sich nach Ablauf eines Jahres wieder an derselben 
Stelle zeigt. 

Eigentlich wird der Begriit' nar im Singular angewandt and fur 
den Plaral gebraucht man gewöhnlich das Wort //fache// = Rieis, 
mendrua facbe = zweimal Beis, medölu fache = dreimal Beis a. s. w. 
womit dann natürlich die Beisernte bezeichnet wird , dass also jedes- 
mal mit dieser Ernte wieder ein Jahr abgelaufen ist. Die Bezeich- 
nang flLr einen grosseren Zeitraam ist vgöibf/, sagotö niha (sa = ein) = 
ein Menschenalter ; sagotö tanö -=■ eine Weltzeit , diese Weltzeit. Ira 
Grande bezeichnet ^götö/r einen ^Abschnitt//, wie wirdem Wortedenn 
weiter anten aach noch bei den Entfemangen begegnen werden. Das 
Jahr wird dann soweit auch in zwölf Mouate eingetheilt , indem man 
namlich nach Mond-Monaten rechnet. Für die einzelnen Monat-e 
hat man dagegen keine besonderen N^amen, dieselben werden nar 
in etwa bestimmt nach den Arbeiten^ die im Felde u. s. w. vor- 
genommen werden, obwohl dies keineswegs genaa zutrifft and sich 
z. B. Pflanz- resp. Saat- and Emtezeit vielfach verschieben. Am 
richtigsten sollte es , aach schon in bezag aaf die Regenzeit , etwa 
folgendermassen sein: (Der Name fur Monat ist ffhB,^hff was aach 
zagleich 4rMond>r bedeatet. 

Bawa wanaba Monat des Abhaaens, namlich 

des Grases and Gestrüpps^ wo man 
ein Beisfeld za machen gedenkt^ 
etwa unser December. 



KLEINS NIAS818CU£ OH&SSTOMATHlfi. 



405 



Ba'^a wolowi and / Monat des Abhackens der Stop- 

Bawa wolobö i peln des Grases uiid Monat des 

Umhauens der noch stehenge- 
bliebenen Baume, etwa Januar. 

Bawa wanaru saliulö Pflanzmonat fiir den Frühreis , 

etwa Pebruar. 

Bawa wanaru sebolo Pflanzmonat fiir die grosseren 

Felder, etwa Marz. 

Bawa wogete höwa and / Monat fur das Brechen des Spi- 

Bawa wanese | nats^ den man hie and da im Feld, 

besonders in die Ascheuhaafen des 
verbrannten Grases and Holzes 
aass&t ond Monat des Jatens , 
etwa April. 

Bawa wanaba bala wache and t Monat des Abschueidens der (za 

Bawa wangai rigi \ üppigen) Keisblatter und Monat 

( der Maisemte, etwa Mai. 

Bawa wewó Monate des Vögelscheachens 

(namlich vom Hervorbrechen der 
Ahre bis zar Ernte) , etwa Jani 
and Juli. 

Bawa wamasi sahalö Monat der Frühernte, etwa 

Aagast. 

Bawa wamasi sebolo Monat der Ernte fiir die gros- 
seren Felder, etwa September. 

Bawa wanagi Monat des Mahnens, wo man 

dann nach der Ernte das, was 
man etwa noch aasstehen hat, 
an Beis oder Geld, einfordert, 
etwa October. 

Bawa wamaigi nowi Monat des Sachens nach einem 

neuen Eeisfeld, d. h. wo man 
sich nach einem geeigneten Stück 
. Ijandes fiir das nachstjahrige Bicis- 
feld amsieht, etwa November. 



Diese Bezeichnangen liessen sich hie and da vielleicht noch ver- 
mehren , z B. spricht man aach noch von fanuna , d. h. dem 
Verbrennen des abgehackten Grases und Gestrüpps, aber schon die 
angegebenen Beschaftigungen füUen, wie ersichtlich, nicht immer 



406 



KLEINS NUSSISCHE CHREBTOMATUIS. 



einen ganzen Monat aas and treffen aach , wie bereits erwfthnt , nicht 
genaa za. 

Fttr die einzelnen Monatstage hat man nan hinwiederam bestimmte 
Namen. Die Bezeichnung fttr ^Neamond>!' ist //tesa''a.^ Das Wort 
//sa'a/y bedeutet /^NageU (am Finger oder Zehe) and die Vorailbe stitff 
bezeichnet das Passivam, also etwa: ffzu einem Nagel geformt^r, 
weil der Mond dann das Aassehen eines Nagelrandes hat. Der VoU- 
mond dagegen wird mit dem Ausdracke ffixjXxf bezeichnet, dessen 
Ursprang mir aber nicht bekannt ist. Fttr die Phasen des abnehmenden 
Mondes hat man dann, wie wir sogleich sehen werden, noch allerlei 
seltsame Ausdrttcke. Die Namen der Tage sind im einzelnen folgen de: 



1. 


Tesa'alöfaorooderSambaa ( ansichtbarer 


Neamond , oder ein 




desa^a 


j Neamond. 




2. 


Dombaa desa'a . . 


. . zwei Neamonde. 


8. 


Medölu n . . 


. . dreimal Neamond. 


4. 


Mendrofa ff . . 


. viermal 


ir 


5. 


Melima ff . . 


. . fanfmal 


ff 


6. 


Meonö ff . . 


. sechsmal 


ié 


7. 


Mewitu ff ... 


. siebenmal 


» 


8. 


Mewala ff . . 


. . achtmal 


ff 


9. 


Meziwa ff . . , 


. neanmal 


ff 


10. 


Mewala fr ... 


. zehnmal 


ff 


11. 


Mewelezara ff ... 


. . elfmal 


ff 


12. 


Mewelendrua v . . , 


. zwölfmal 


ff 


13. 


Meweledöla ff , 


dreizehnmal 


ff 


14 


Meweleöfa ff . . 


. . vierzehnmal 


ff 


15. 


Tali 


. . VoUmond 


ff 


16. 


8i lamö'ö .... 


. . der beschattende. 


17. 


Borö gofajaö . . 


. . Anfang der 


gez&hlten. 


18. 


Mendraa /r . . . . 


. . zweimal gezahlt. 


19. 


Medöla ff 


. . dreimal 


ff 


20. 


Mendrofe^r .... 


. . viermal 


ff 


21. 


Fasöndra sicho. . . 


• • 




22. 


Sicho 


• 
• • 




23. 


Otalaa si fofona . . 


. . erster Zwischeuraam. 


24. 


ff safdria 


. . letzter 


ff 


25. 


Börö muga . . . . , 


, . Begiun der 


muga (kleiner Fisch- 






chen, die sich in diesen Tagen 






in den Flüssen zeigen sollen). 



KLEINE NIASSISCUE GIIRKSTOMaTIHE. 



407 



26. 
27. 
28. 
29. 
80. 



Angaechula . . 
Borö udri wacha 
Talu ndri wacha 
Ahachöwa . . 
Fasnlöna . . . 



Uniergang. 



Verschleiss , Verbraucli 
Ubergang, Wechsel. 



Wie schon erwahnt, giebt es hier beim abnehmenden Mond allerlei 
wuiiderliche Ausdrücke und die Bezeichnungen fiir den 21. 22. 27. 
und 28. sind mir überhaupt dnnkel und unübersetzbar. Würde man 
sich bei den Leuten selbsi darnach erkundigen^ dann würde man 
womöglich die Antwort erhalten: ^Ja, das lieisst nun einmal so//^ 
und würde kaum weiter kommen; wenigstens bei manchen Dingen 
solcher Art ist es so. 



2. TAGSSZEITEN. 

Die Tageszeiten werden theils nach der Sonne and theils auch 
nach den verschiedenen Beschaftigungen der Lente und nach son- 
stigen Anhaltspunkten bestimmt. Beginnen wir mit der Mitternacht : 

Talu mbongi Mitte der Nacht, 12 Ulir. 

Aefa dalu mbongi eben nach Mitternacht, 1 Uhr. 

Saraö lö moluo ein Drittel noch nicht Tag , etwa 

2 Uhr. 

Miwo manu si fofoua. die ersten Hahne krahen, etwa 

3 oder 4 Uhr. 

Miwo manu fadoro die Ilahne krahen in einem fort, 

vielleicht gegen 5 Uhr. 

Afusi wali Die Fali sind weiss (ein mir 

nicht gauz verstündlicher Ausdruck ; 
Fali kenne ich nur als fliegende 
Ameisen und verstehe nicht, warnm 
die dann weiss sein sollen^ es müsste 
denu sein, dass der erste Tages- 
schimmer, der mit diesem Aus- 
drücke bezeichnet wird , sie in etwa 
weiss erscheiuen liesse), etwa kurz 
nach 5, gegen \6 Uhr. 

Tobaha fa'amolua Der Tag bricht an^ ungefahr um 

iö Uhr. 

Moluo es ist heil, gegen 6 Uhr. 



408 KLEINS NIASSlbCHE CURESTOIlATHIB. 

Manada ora man stellt die Leitem hinanter 

(da man diese des Nachts hinanf- 
zieht; man steigt namlich anf 
Leitern von anten her dnrch den 
Haasftur in dieauf hohen Stftndem 
steheuden Hauser); aach ungefiLhr 
urn dieselbe Zeit, bei dem einen 
uatürlich etwas früher, bei dem 
andem etwas spater. 

Tamba luo die Sonne geht auf , um 6 Uhr. 

Molau go mbawi man füttert die Schweine, etwa 

von 6 — 7 Uhr. 

Awai wolaa go mbawi .... das Schweinefüttem ist vorbei , 

etwa von 7 — 8 Uhr. 

Manga uiha die Leute essen (die erste Mahl- 

zeit , deun es giebt deren nar zwei 
am Tage, die eine des Abends) 
etwa um 8 oder |9 Uhr. 

Awai manga das Essen ist vorbei, gegen 9 Uhr. 

Te'anö niha ba nowi .... die Leute geheu auf den Acker , 

an die Arbeit, etwa 9 — ^10 Uhr. 

Sambalö lö laiuo. . . . , . eiu Slück noch nicht Mittag, 

um 11 Uhr. 

Lalno es ist Mittag, 12 LHir. 

Aso'a jou c^eneigt nach Nordeu (oder eigent- 

lich wohl doch nach Westen) , etwa 
1—2 Uhr. 

Alawu alawa hoch-alawu (dies letztere Wort 

ist für mich , wenigsten hier an- 

ttbersetzbar), etwa gehen 3 Uhr. 

Alawu aröu , oder i . . j.. i-i j 

- , , I fern-alawu, oder tief-aiawu , oder 

, , °. ' lAbend-alawn, etwa Retren 4 Uhr. 

Alawu bóngi ( ° ° 

Möi zamölö soja der Palmenschneider (zur Ge- 

winnung des Palmweins) der viele 
Baume zu schneiden hat , geht aas, 
gegen 5 Uhr. 

Molau go mbawi , owi .... man füttert die Schweine , am 

Abend, auch angefahr um 5 Uhr, 
oder etwas spater. 



KLEINE NIAS8IS0HE CHRESTOMATHIE. 409 

So zi milo die Arbeitenden kehren aasdem 

Felde zorück, aoch urn dieselbe Zeit. 
Möi zaïnölö si düa geu. . . . der Palmenschneider, der uur 

zwei Baame hat, geht aas, etwa 

urn \6 Uhr. 
Möi ziondri inan geht zam Baden, urn dieselbe 

Zeit. 
Totane waniha Das Oei bleibt stehen (ein dunk- 

Ier Aasdrack), kurz vor 6 Uhr. 
Morin lao die Sonnenstrahlen zittem, urn 

dieselbe Zeit. 

Aechn lao die Sonne geht unter , am 6 Uhr. 

Mahombo lofo die Jolianniskaferchen fliegen, 

g^egen |7 Uhr. 

Fatata achömi es ist gaaz dankel^ gegen 7 Uhr. 

Mondröni ora man zieht die Leitern heraaf , 

vielleicht kurz nach 7 Uhr. 
Mame'e bawa go niha .... man setzt das Essen auf das 

Feuer, etwa am dieselbe Zeit. 
Manga niha ...:... die Iieate essen, g^en 8 Uhr. 
Awai manga niha das Essen der Leute ist vorftber , 

etwra urn |9 Uhr. 
Asoso go mbawi das Schweinefntter (für den 

anderen Morgen) ist gar ; dies wird 

n&mlich am Abend noch gekocht^ 
. gegen 9 Uhr 
Mörö niha die Leute gehen schlafen , etwa 

um dieselbe Zeit, oder etwas spater. 
Mörö niha sar& die letzten Lente legen sich 

schlafen, gegen 10 Uhr. 
Samuza te^arö man legt sich zam erstenmale 

aufs andere Ohr, um 11 Uhr viel- 
leicht. 

Auch diese Bezeichnungen liessen sich unschwer noch um die 
eine oder andere vermehren. Dass auch sie nicht ganz genau zutreffen 
und dass der Gang der Dinge nicht in allen Plausern genau derselbe 
ist, branche ich wohl kaum noch zu erwahnen, aber im grossen 
und ganzen wird man ja einen Uberblick bekommen und sehen, wie 
sich die lieute, in Ermangelung von Uhren, za helfen wissen. 



^•lO KLEINS NUSSISCHE CHKE8TOMATHIB. 

3. ZEITDAUER. 

1. Mamö'i hörö wa'ara .... eiu Augenblick. 
•2. Tobali nafo ba mbawa . . solange , bis der Sirih im Mande 

umgeweudet wird, vielleicht einige 

Minuten. 

3. Aboto nafo bis der Sirih zerkaut ist, wohl 

etwa 5 Minuten. 

4. Alölö nafo bis der Sirih ausgekant iat , viel- 

leicht eine Yiertelstande. 

5. Dua rozi alölö afo. ... bis zwei Priimchen Sirih aasge- 

kaut sind, etwa | Stunde. 

6. Asoso wache si samba kata . bis ein kata (ein kleines Maass) 

£<eis gar gekocht ist , vielleicht 
15—20 Minuten. 

7. ^ u 19 M hinaoja. bis ein hinaoja (doppelt soviel 

wie das vorige) Reis gar ist , etwas 
langer, wie das vorige. 

8. ^ ff ft » sadamba. bis ein turaba (wieder das dop- 

pelte des vorigen) Beis gar ist, 
wieder etwas langer. 

9. Asoso wache si dua dumba . bis zwei tumba (wieder das 

doppelte) Brcis gar sind, vielleicht 
40 Minuten. 

10. ff ff ff samba jou . bis ein jou (wieder das doppelte) 

Reis gar ist, | — 1 Stunde. 

11. Asoso go mbawi .... bis Schweinefutter gar gekocht 

ist, vielleicht 1^ — 2 Stunden. 

12. // ff ff bio. bis bio (ein Knollengew&chs) fiir 

die Schweine gar gekocht sind, etwas 
langer wie das vorige.. 

13. Matonga luo ein halber Tag. 

14. Ma'öma'öchö ein ganzer Tag. 

Bei diesen Zeitangaben halt es besonders schwer , sie einigermassen 
genau fe^^tzustellen , im allgemeinen aber wird diese meine Angabe, 
wie ich denke, ungefahr stimmeu. Wie in so manchen Dingen, so 
geht es auch hier den Leuten , wie den Kindern , die von der Zeit 
wenig Begriff haben , und es ist dies umsomehr der Pall , weil die 
Zeit noch so wenig Werth fiir sie hat und sie das Sprichwort fftim^ 
is moneijii' noch nicht kennen. 



&LR1NE NIASSISOHË OHRESTOMATHIS. 411 

4. ENTVEBNUNG. 

1. Sagöto benua ein Stück Brachfeld weit, viel- 

leicht einige hundert Meter. 

2. Sagöto bolocha ein für die Treibjagd abgestecktes 

Revier breit , vielleicht 500 Meter. 

3. Terongo li zi^ao soweit als man die Stimme eines 

Rufenden horen kann. 
4 Dua ndro]iu fa^uisa . . zwei Entfemangen auf die man 

sich zurufen kann. 
b Sambadu fofanö .... soweit als man in einen Athem , 

d. h. ohne zu verschnaufen , resp. 

ein wenig auszuruhen, gehen kann , 

vielleicht bis zwei Kilometer. 

6. Terongo li datu .... soweit als man den Ton der tutu 

(einer kleinen Trommel) horen kann, 
3—4 Kilmtr. 

7. Terongo li garamba . . , soweit als man den Ton der 

aramba (der grossen Bronce-Trom- 
mel) horen kann , etwa eine Stunde , 
oder auch noch weiter. 
9. Techaraö go mahemolu mbanua. was man vor der Frühmahl- 

zeit erreichen kann , 2 Stunden , 
oder etwas mehr. 
9. Matonga luo fofuno . . einen halben Tag Qehens. 

10. Ma'öma'öchö fofanö , . . einen ganzen Tag Gehens. 

5. ALTEJELSANGABE VON EINElC RINDE BtS ZUM SBWAOHSEVSEIN. 

1. Awena tumbn soeben geboren. 

2. Malidöngö es schlagt die Augen auf, sieht 

sich um. 

3. MaMki es lacht. 

4. Tujufo alogo der Körper ist so fest , das man 

es nnter die Arme fassen darf, 
wenn man es aufheben will. 

5. Musindro ba gaheta . es stellt sich anf, auf dem Schoosse. 

6. Mamalöga es legt sich auf den Bauch , rollt 

sich um. 

7. Mudadao es sitzt. 



4l2 KLEINS NIASSISCHB CHRESTOMATRiË. 

8. Manana es kriecht. 

9. Ihene newe es kaun an der Wand (oder etwa 

an eiDer Bank) entlanggehen. 

10. Mamekameka es fangt an Schritte zu machen. 

11. Mowaöwao es lauft. 

12. Milo baora es geht die Leiter hinanter. 

13. Möi baewali es geht aof den Hof. 

14. Abölö baewali es kann ordentlich laafen auf 

dem Hofe. 

15. Möi ba uowi es geht mit auf den Acker. 

Von hier an gehen nuii die Angaben fiir Knaben und Madchen 
anseinander, von einem Knaben heisst es weiter: 

16. Arö zoinbö das Lendentuch sitzt fest, er 

kanu ein Jjendeutuch tragen, wir 
würden etwa sagen: /rer bekommt 
eine Hose.^ 

17. Manoi ba wino er klettert auf die Areka-Palrae. 

18. Manoi baohi er klettert auf die Kokos-Falme. 

19. Itorö gotalaa mbanua . . er geht (allein) von eiuen Dorf 

zum andern. 

20. Aro gari er kann ein Schwert tragen. 

21. Mo^ahonoa ira matua ... er ist ein voller Mann. 

Von einem M&dchen dagegen: 

16. Ar6 goto das Böckchen sitzt fest , sie tragt 

ein Böckchen. 

17. Sara i'ohe asoa sie tragt einen Wasserbambu (ein 

Gefass von Bambu zam Wasser- 
holen.) 

18. Fa dua i^ohe asoa .... sie tragt etwa zwei Wasserbambu. 

19. Molu'i döwa sie trfigt den Sirihbeutel^ (wenn 

man z. B. irgendwo hingeht , dann 
wird ihr derselbe zum Tragen ge- 
geben). 

20. Molu'i daga sie tragt den Tragkorb (mit dem 

die Prauen allerlei aus den Felde 
holen). 

21. Awai halöwö jomo. . . sie kann (allein) die Haosarbeit 

besorgen. 



tLEINÈ NIASSISOHE CHRKSlOMAtHlf:. 4l^ 

22. Ar6 fangahalo sie kann ordentlich im Felde 

arbeiten. 

23. Obu'u fosa die Brüste beginnen sich zu 

bilden. 

24. Afosu die Brüate sind ansgebildet. 

25. Owalaso sie ist heirathsfahig. 

26. Mo^ahonoa fa'ebua .... sic ist völlig erwachsen. 

27. Paduhö osi der Körper ist fest. 

28. A'ewa sie ist eine alte Jungfer. 

In dieser Weise erhftlt man meistens Auskunft, wenn man nach 
dem Alter eines Kindes, oder einer noch jugendlichen Person fragt. 
Daneben wird das Alter freilich auch nach Monaten und in den 
ersten Jahren vielleicht auch nach diesen angegeben. Indessen be- 
ginnt man darin bald unsicher zu werden, bis dann, vielleicht 
gegen 4 oder 5 Jahre hin, das Geburtsjahr ganz in Vergessenheit 
gerath , auch schon dadurch , dass man ja keine eigentliche Zfthlung 
der Jahre ^ resp. Zeitrechnung kennt. Als Anhaltspunkte , nach 
denen [man das Alter noch in etwa berechnet, gelten die grossen 
Erdbeben, von denen das eine 1843 und das andere 1861 statt- 
fand, so dass man sagt: ^Er war beim ersten Erdbeben so alt and 
beim zweiten 8o 2Mf y aber auch diese Angaben sind nur in den 
wenigsten Eallen genau und auf das jüngere Geschlecht flberhaupt 
nicht mehr anwendbar. 



IX. 



DREISSIG SPEICHWÜRTER. 



1. 

Halo latunu dawo hawali^ 

Hulö laleu dawo zara gigi, 

Zi sagola hiia fona nangi. 

Ba he woi, me la'ago zamorimöri .' 

Adeha mbaewa, fabaja togi, 

Moloi wofo, fabaja azuni, 

Anönö narö gara siliwi, 

Afiisi hogu gea uro fusi, 

Osau dalu mbauua görigöri, 

A'oi muroga zocha ba hili, 

Me la'ago zamorimori. 

D. h. Es ist gleich als ob man das Feit eine^ Hawali' verbrennte 
Gleich als ob man ansteckte das Fett eines ganzen Gigi , ' 
Was man ein ganzes Stttck dem Winde entgegen riecht. 
Und was geschah, als man roch den Wohlgerach? 
Da kamen die Aale hervor, mitsammt ihren Ijöchern, 
Da flohen die Vogel, mitsammt ihen Nestem, 
Da wimmelte es anter den Felsen von Spatzen , 
Da waren die Baame weiss von weissen Krebsen, 
Der Himmel wurde verdunkelt von Görigöri * 
Es sprangen alle Wtldschweine auf den Bergen 
Als sie rochen diesen Wohlgeruch. ♦ 

2. 

Niwa^ö zolau si böhaboha-u : 
/i^IIadia horöga, zalazalagu? 
Ba lö salau ndraono ni^olajagu, 
Ba lö sadnwa wache ba zölu , 
Ba lö ni^agn ate nitunu, 



KLEINl! NIASsilSCHE CHRESTOMATHIE 415 

Ba lo nfagu bo saechu bawu, 
Ba lö nibadagu o nonou susu; 
Ba hadia horoga zalazalagu? 
Ba böi bozido li , bozido eu , 
Ba a sa gou , na lö labe^e ögu , 
Da'u^ago ngai , da'utaboi nasu. » 

D. h. Es ist wie der Böhaboha-u-Sanger * sagt: 

^i'Was is mein Verbrechen, was ist mein Vergeheii? 
Da doch dein Kind nicht gefallen ist^ wasich aufzapassen hatte, 
Und nicht ist verschüttet der Reis aus dem Behalter, 
Und nicht habe ich gegessen in der Flamme gebratene Leber , 
Und nicht habe ich gegessen in die Asche gefallene Lunge, 
Und nicht habe ich deinem Kiude die Milch aufgetrunken , 
Was ist denn raein Verbrechen, was ist mein Vergeheu? 
Drum schlage mich nicht mit Worten, schlage mich rait dem 

Stocke , 
Und iss du dein Essen, wenn man mir nichts giebt, 
Ich will zur Seite stehen und die Hunde wegjagen.// • 

3. 

Hulö malu Dahonago, 
8ambua ihalo ba isaitagö; 
Hulö malu Dafbfogö, 
Sambua ihalö, ba iföfögö. 

D. h. Es geht damit, wie wenn Tahönagö auf die Jagd ging, 

Wenn er ein Stück Wild erlegt hatte, dann hing er es an 

den Haken ; 
Es geht damit, wie wenn Tafofogö jagte, 
Wem» er ein Stück erlegt hafcte , dann legte er es besonders. 

4. 

Böi folau u'ö ba go'o, böi hawui manö. 

D. h. Mache es nicht, wie wenn man ein Vogelnetz ins Gras 
wirft, überschütte nicht die ganze Sache. 

5. 

Böi gochöi danga, na lÖ bago. 

D h. Kneif deine Hand nicht zu, wenn du keinen Taback darin 
hast.^ 

6e Volgr. Vn. 27 



416 KL£INE NUSSTSCHE CHRlSSTOMATHtE. 

6. 

Böi fabu'u aja ndraono larewe. 
D. h. Yersprich eiiieu Kinde nicht als Spiel zeug eine Heuschrecke.* 

7. 

Siwa dögi harimao adu^ ha sambua wondruhö. 

D. h. Wenn der Tiger auch neun • Löcher hat, so werdea doch 
alle auf dieselbe Weise zugeraacht. 

S. 

Faechu tarewe nidanö, hogu geu tarewe iiangi. 

D. h. Es ist wie eiue Krüinmung im Flusse, durch die das Wasser, 
uiid wie ein Baumwipfel, durch den der Wind aufgehalten 
wird. 

9. 

Holö zolojo ba zi bongi , ua abila uibagi ba zi bongi , ba laVulö'ö 
mbagi ba zi molao mbanua. 

D. h. Wie ein Schifi'er in der Nacht, wenn der Bug schief steht 
in der Nacht, dann richtet man ihn wieder genade, wenn 
es Tag wird. 

10. 

Tema famaigi la'iza barö wönö, tema fanaere ndra'ugö wamaigi. 

D. h. jMache es, wie wenn man Gurken sucht unter dttrren Reisern 
(oder unter dttrren Grase im Felde) bttcke dich and siehe 
es vou der Seite an. 

11. 

Tema fehombo mbögi mbanua, tema falili mbute mbulu. 

D. h. Mache es, wie wènn die fliegenden Hunde üiegen, umkreise 
die Spitzen der Blatter (der Zweige). 

12. 
Eesu mbawi, ba ono goholu, ba liesu niha, ba taroma li. 



KLEINE NIASSISCHE CHRESTOMATHIE. 



4lt 



D. h. Zura Strick fÜr ein Schwein dient der B:\st von Oholu 
(eine Holzsorte), und zum Strick flir einen Menschen dienen 
Worte. 

Vó. 

Böi lau ba mbawau nidanö, lö ö'ila ötema li nawöu. 

IX h. Schutte dir kein Wasser in den Mund, soiist kannst du 
deinem Genossen keine Antwort geben. 

14. 

Böi susukö walawa faudumö, olowingo ndra^ugö. 

D. h. Porre nicht im Rauchfang gerade über dir, sonst fallt dir 
was in die Augen. 

15. 

Teraa fofanÖ ba zi bongi, tema fadou nuwu lahe. 

D, h. Mache es, wie wenn man bei Nacht geht, setze den einen 
Fuss genau vor den anderen. 

16. 

Tema famohagö töla ganöwö, tema fatangi'ö. 

D. h. Mache es, wie wenn man die Knocheu eines üanöwö (ein 
grosser Vogel) zerbeisst, beisse die Zahne test auf einander. 

17. 

Hulö wa'abe'e dolutolu gawoni, abe'e narö, ba ombuju gero. 

D. h. Es ist wie die Harte eines Awöni-Kafers ; unten ist er hart, 
und auf der Oberseite weich. 



18. 

Hulö fagohi zawi, ha sara fagohi, a'oi fagohi zoja sibai.l 

D. h. Est ist, wie wenn die Kühe laufeu, wenn die eine lauft, 
so lauft die ganze Menge. 



41 S KtSINE NIASSISdHS ORUBflTTOlCATRlEr. 

19. 

Nifateleaa Ndraono Hona, ni^oroma'o töto'a. 

D. h. Man muss es machen^ wie wenn die Iraono Huna >® fech- 
teii, man muss die Brast zeigen. 

20. 

Boi tabataba haga mbawa. 
D. h. Schneide nicht das Mondlicht in Stttcke. ^ ^ . 

21. 

Boi tunn zobou furi nawou. 
D. h. Brate kein faules Fleisch hinter dem Rttcken deines Genossen. 

22. 

Hulö laelae gahulua, tebalubalu lae zi ofona ba lae zafniïa. 

D. h. Es ist damity wie mit den Blattern, von denen man das 
erjagte Wildpret gegessen hat **, die ersten Blatter werden 
darch die letzteren verdeckt. 

23. 

Hulo labozi datu^ aefa mbözibözi, ba döhö göi li. 

D. h. Ës geht damit, wie wenn man die Trommel schlagt, sowie 
man den Schagel entfernt, ist auch der Ton dahin. 

24. 

Nifemangamanga döwu ndrawa, ami zandroto. 

D. h. £s geht damit, wie wenn man malaiisches Zuckerrohr isst, 
was mit jeden Oliede sflsser wird. 

25. 

Abölö duhe, moroi ba nangi. 
D. h. Der Baumstnmpf ist sterker als der Wind. 



KLEINS NIASSISCH£ OHBBSTOMATHIE. 419 

26. 

Ono gen iendroma ndroa zöcha. 
D. h. Ës ist eiu Holzchen^ an das das WildschweiD seiu Lager anlehnt. ' ' 

27. 

La'ala^a acho itorö dauia bawa mbalatu. 

D. h. Wo der Strich mit der Kohle gemacht worden ist, da ist 
nachher der Weg fiir das Messer. 

28. 

Boi badu düo ba wehasahasu. 

P. h. Trinke keinen Palmwein , wenn du ausser Athem bist (etwa 
von starkem Laufen). 

29. 

Ni'o'i'o wörogi mbola, niftili furi. 

D. h. Mau muss es damit machea^ wie mit dem Schwanz (Jem 
Stiel) eines Sackmessers , man mass es wieder nach vorne 
herambiegen. 

30. 

Ha]ö zi manga mbu mao dodönia. 
D. h. Seiu Herz ist wie das eines ,.der Katzenhaare gegessen hat. ' ^ 



WÖRTEBVERZEICHNTSS. 



A'a, si a'a. subst. der, die, das 

altere; der, die, das erste, haupt- 

sachlichste. 
a, mang-, v. a. essen; a., conj, und. 

fa'agö, raam-, v. a. essen lassen, 
abao, adj. gesch wollen, 
abasö, adj. nass. 
abe'e, adj. hart, fest, stark. 
abe'e'ö, mang-, v. a. hart machen ; 

fangawe'e, subst. Hartung. 
abila, adj. krumm. 
abu, adj. harig: abu dodo , betrübt. 
abölöbölö, adj. stark, schlimm, heftig. 
abönö, adj. genügend. 
aboto, V. n. zerbrechen , aboto ba 

dodo, verstehen. 
adeha, v. n. losgehen, herausgehen 

(z.B. Nagel), 
adogodogo, adj. kurz. 
adölö, adj. gerade. 
adu,(n), subst. Götze; allgemeiner 

Name für alle Götzen. 
adudu, V. n. zusammenfallen , aus- 

einander fallen; adudula, (g), subst. 

Trümmer. 
adugö, mang-, v. a. verk lagen, 
adulo, (g), subst. Ei. 
aduwa, v. n. verschüttet werden, 
ae! V. def. komm, geh\ 
ae'e, v. def. gehe! 
aefa, v. n. f rei werden, ab sein; 
aefa da'ö, darnach. 
aechu, v. n. falleu, untergehen , 

verloren gehen , ankommen , zu- 

rechtkommen; angaechula, (g), 

subst. Uutergang. 



aelo, adj. glibberig, glatt, z.B. vom 

Wege bei Regenwetter. 
aine! v. def. komm! 
aetu, V. n. abreissen ; aetu noso, 

sterben, 
aetula, (g), subst. Ende. 
afasi. (g), subst. Kapok, Baumwolle; 

sowohl Name des Baumes,resp. 

der Staude, als auch der Frucht. 
afeto, adj. bitter, 
afi, (g), subst. Flügel. 
afo, (n), subst. Sirih. 
afoa, (g), subst. eine Holzsorte. 
afore, (g) subst. ein Maass zum 

Messen eines Schweines. 
afuo, adj. mager, 
afusi, adj. weiss. 

agehageha, v. n. wackeln, sich be- 
wegen, 
ago, mang-, v. a. riechen, be- 

riechen. 
ago, mang-y s. iagö. 
acha, oder alacha, adv. es kaun 

geschehen, dass. 
ache, (n), subst. Zuckerpalme. 
achi, (n), subst. jüngerer Bruder 
• oder Schwester; si achi, der, 

die, das jüngere. 
acho. (n), subst. Kohle (todte). 
achömi, adj. finster, dunkel. 
achömö, v. n. fiebern; fa'achömö , 

subst. Fieber. 
achötÖ, adj. spröde , bröckelig. 
achozi, V. n. verbrennen, an- 

brennen. 
ahachö, v. n. verschleissen ; aha- 



KLEINE NIASSISGUE OH&BSiX>lCATHIE. 



421 



chöwa, (g), subst. Verschleiss, 

Aufwand ; 
ahacho dodo = Mitleid haben. 
abali, adj. einen besonderen Geruch 

von sich gebeu , (z.B. ein frischer 

Fisch). 
ahatö, adj. nahe. 
ahe, (g), subst. Fuss, Bein. 
ahe mbanua, (g), subst. Horizont, 
aheta^ (g), Schooss, 
abölihöli dodo, v. n. sich verwun- 

dern. 
ahöndro, v, n. sinken. 
ahono, adj. rnhig, still: ab sein. 
ahonoa, (g), snbst. Fazit, £nde; 

mo'ahonoa, v.n. fertig sein. 
ahori, adj. alle, alles; auf sein. 
ahouhou^ adj. langsam. 
ahowu , adj. gesegnet. 
ahulö, adj. früh. 
ahulu , V. n. einen Fang thun , etwas 

fangen oder erlegen auf der Jagd 

oder beim Fischfange ; auch bild- 

lich gebraucht, ahulua, (g), subst. 

das Erjagte, Wildpret. 
ahurO; adj. beinahe reif. 
aja, (n), subst. Schmuck-Gegeu 

stand, auch Kinderspielzeug. 
aka, ^i), subst. Ueberlegung. 
ala, v.n. Schaden haben. 
alabua, (g), das, worauf etwas 

hinauskommt. 
alabua dodo = Neiguiig. 
alacha, s. acha. 
alacha, adj, verboten, etwas, was 

man nicht sagen , oder nicht thun 

darf. 
alau. v.n. fallen, stürzen. 
alawa, udj. hoch; salawa^ subst. 

Hauptling, Adeliger. 



alawe, adj. weiblich; aiawc, (g), subst. 
Frau, Frauenzitnraer; iraalawe;id. 

alawu, adv. urn 8 Uhr Nachmitttags. 

alele, v.n. sterben, verlöschen. 

aleu, v.n. verwelken. 

ali, mang-, v.a. ersetzen, über- 
setzen, in eine andere Sprache. 

faiigali , subst. Ersatz^ Ersatzmann. 

alïfa, (g), subst. Tausendfuss. 

alimagö, adv. es ist schade dar um. 

alimbu^anö, adj. schwindelig. 

alio, adj. schnell; aliogö , mang-, 
v.n. etwas schnell ausfuhren. 

alitö , (g) , subst. Feuer. 

alizuzu, (g), subst. Scheitel. 

alogo, (g), subst. Achselhöhle. 

alölö, v.n. ausgekaut (v. Sirih). 

alömö, v.n. versinken. 

alo'o, adj. flach; — , adv. rund. 

alua, v.n. zustande kommen. 

alucha, (g), subst. kurzes Buder. 

alui^ mang-, v.a. suchen. 

ama, (n), subst. Vater. 

amaedola, (g), subst. Gleichniss. 

amatela, (g), subst. todter Körper. 

ambala, (g), subst. Decke. 

ambo, v.n. fehlen an etwas, zu 
klein, zu gering; — , adv. weiui- 
ger als, amböta, (g), das Fehlende, 
auch Name eines bestimmten 
Götzen. 

amorimöri , adj. wohlriechend. 

amnlomulö dodo, v.n. übel sein 
(zum Erbrechen). 

an& oder anand, adj. zahe. 

ana'a , (g) , subst. Gold , Geld , Ver- 
mogen. 

ana'afce , (g) , subst. geronnenes Blut. 

andré, pron. dieser, diese, dieses; — , 
adv. hier. 



422 



RLBINë niassische chrestomatuub. 



andrö, pron. der, die, das;jener, 

jene , jenes ; — , adv. darum; dort. 
andrö, matig-, v.a. bitten, erbit- 

ten , beten, 
angango, (g), subst. Stirn. 
angaröfi, m— , v.a. zum Zeugen 

anrufen. 
angi, (n), subst., Wind. 
anö, Stamm ungebrauchlich; ta'anÖ , 

mam-, v. a. zuzammenfügen , 

fertig machen ; te'anö , v.n. ge- 

rüstet sein, fertig sein. 
auönö, adj. überschwemmt werden 
anono, v.n. nachlassen. 
a'oi, adj. alle, alles; alle sein. 
aöudrö , v.n. sich biegen. 
aró, V. n. u. adj. lange ausbleiben, 

lange, 
arachd, adv. beinahe, nahezu. 
aramba, (g) , subst. Metalltrommel. 
arara, adj. wahr; sarara, adv. in 

Wahrheit. 
arö, adj. fest. bestimmt; mangaró- 

[ngaró], schwer, fest sein, sich 

bewaffnen , befestigen. 
arö, (n), subst. Unterseite. 
arö'ö, mang- v.r. sich umiegen. 
samoeza te'arö, Zeitbestimmung, 10 

oder 11 Uhr abends. 
aröu, adj. feru. 
aruru, v n. abrutachen , herunter- 

rutschen. 
asese, adv. oft, haufig. 
asi, (n), subst. Meer. 
asio , (n), subst. Salz; asioni , mang-, 

v.a. einsalzen. 
aso'a, v.n. umfallen, geneigt. 
asoa, (n), subst. Wasserbambu , Ge- 

fass von Bambu zum Wasser- 
tragen. 



asu, (n), subst. Huud. 

asoso, adj. gar, reif. 

asosola, subst. Gares. 

atap pron. wer anders, als; (ata 

Lafabua, wer anderb als Lafabua) 
atachi . adj. wasserig (Knollenge- 

wachse). 
ata'u, v.n. sich fiirchten. 
ata'ufi, mang-, v.a. fiirchten. 
ate, (g), subst. Leber. 
ato, adj. viele (viele Menschen). 
atö, adv. nur noch, uur, doch, 

dann. 
atö na, es sei denn, dass. 
atöla, adj. eine OiTuung haben, 

offen. 

« 

atongarö, (g), subst. | Klafter (laag). 

atoru, v.n. abfallen, herunterfallen. 

atua; v.n, alt werden, sterben; 
atua danö, das Ende der Welt 
tritt ein; satua, altere Leute. 

atua, (g), subst. Wald. 

atuatua, adj. weise. 

atulö, adj. gerade, gerecht; 

a^atulö, mang-, v.a. gerade ma- 
chen; in Bichtigkeit bringen. 

^U) (g)) subst. Ball, Spiellball. 

auli, adv. schon oft , immer wieder. 

a'usö, adj. gelb. 

awai, adj. vorbei, fertig, vorüber; — , 
adv. gerade so wie. 

awe, (g), &ubst. Grossmutter. 

awena, adv. jetzt erst, dann, jetzt. 

awö, (n), subst. Genosse, mit. 

awu , (n) , subst. Asche , Herd , 
Küche. 

awöla, adj. doppelt (uur von Zwil- 
lingen, aber auch bei Friichten). 

awöui , (g) , subst. eine Holzsorte. 

azuni, (g), subst. Nest. 



KLEINE NIASSISCHë CHRESTOMATHIE. 



423 



Ba, conj. und, aber, so, dann; — , 

prapos. in, an , aaf, gegen. 
ba'a. subst. Brannen. 
ba'a, subst. Blasé; moba'a, v. n. 

Blaseu bekommen. auf dem Feaer, 

vor dem Kochen. 
ba^aba^a] subst. Damm , Barrière , 

ba^ago, mom-, v.a. versperren, 
babaja, mombambaja, v.a. anrüh- 

ren, angreifen. 
badu, subst. Athem. 
badu, mam-, v.a. trinken. 
ba'e, subst. Affe. 
baero, prapos. u. adv. ausserhalb, 

aussen, draussen. 
baewa, subst. Aal. 
bagi, subst. Hals; Kiel ; bagi nora , 

oberes Ende der Leiter. 
bago, subst. Taback. 
bago, subst. Schlagel. 
bago, mam-^v.a. schlagen, schmieden. 
bacha (ba), adv. u. prapos. drinnen , 

inwendig, innerhalb. 
baho, subst. Haufe, Masse; Ab- 

grund^ Tiefe. 
balaki , subst. Gold. 
balatU; subst. Messer. 
balazi , subst. das , worauf es (etwas) 

ankommt, Bichtschnur. 
balazo , subst. Lebensuuterhalt , 

Unkosten. 
balia'o, mam-, v.a. verdrehen. 
bali^ö , mam- , v.a. um wenden , 

veraudern, zu etwas machen. 
balicha j sambal icha . subst. eine 

Ataplange. 
balö , subst. Ende, Sorte, Art. (im 

Plural auch ngawalö). 
balubalu, subst. Bedeckung, Decke. 
balugu, subst. Hanptlingstitel. 



bana, subst. Nahgarn. 

banua, subst. Luft, Lufthimmel; 

Dorf, Dorfleute ; ono wobauua (n), 

u. ono mbanua (n), Dorfleute; 

mahemolu mbanua , morgens , 

morgen früh. 
ba'o, subst. Schweinestall. 
barahao, subst. Dorf. 
barasi, subst. eine Sorte Gold. 
bari, subst. ein hölzerner Behalter, 

fïir Kleider, Gold u. s. w. 
bard, prap. unter, innerhalb. 
base's, mom-, v.a. warten (auf etwas). 
basi, mam-, v.a. ernten, 
bdto, subst. Hausflur. 
ba'u, subst. Stein. 
Ba'uwa danö, nom. propr. 
bawa, subst. Angesicht, Muud, 

Offnung, Schneide. 
bawa, subst. Mond, Monat; Zwiebel. 
bawandruhö, subst. Thüröffnung. 
bawi, subst. Schwein. 
bawu , contrah. aus ba und awu w. s. 
be'e, mam-, v.a. geben, bezahlen. 
bechu, subst. Geist eines Verstor- 
benen , auch böser Geist, Teufel. 
bela, subst. eine Geisterart; Freund. 
bela gafi, subst. Flügelknochen. 
belebele, subst. Schutzwchr. 
belu, subst. ein Thier, Zibethkatze. 
bene, subst. Blüthenknospe. 
benua, subst. Brachfeld. 
berua, subst. eine Holzart. 
Beso, nom. propr. (beriihmter 

Priester), 
beto , subst. Bauch , Bauchstück 

vom Schwein (auch fobeto); Bippe 

(v.a. Blatt). 
bewe, subst. Lippe, Band. 
biduja, subst. eine Holzsorte. 



iu 



KL£IN£ NIASSISGU£ OHKBSTOMATUIE. 



bihara , subst. eine Götzenart ; Name 

eines bcstitnmten Qötzen. 
biuögö, mam-, v. a. braten, (in ein 

Blatt eingewickelt). 
bo, subst. Lunge; bo galito , 

Funke , glühende Kohle. 
bögi, subst. Fledermaus. 
bogö, mam-, v. a. rosten (auf 

Kohlen). 
boha, subst. Backenzahn. 
bohagö, mam-, v. a. zerbeisseu , 

mit den Backenzahn en. 
böhaböha-u , subst. eine Gesangart. 
bohö, subst. Hirsch. 
böhöi , mam-, v. a. loslassen, 

abiassen von etv^as. 
böhöli, mam-, v. a. s. böhöi. 
bohou, adj. neu; bohouni, mam-, 

V. a. erneuern. 
böi, adv. nicht, (verbietend). 
bola, subst. Beutel. 
Böla, nom. propr. 
Böla sadaölö langi [oder sadaölö 

luo] , nom. propr, 
böh*, subst. Preis. 
boli , subst. eine Holzsorte. 
bolo, subst. Breite. 
bölödi und famölödia , subst. Fang- 

spiess (mit Feder). 
bolocha, subst. Jagdrevier. 
bongi, subst. Nacht. — , v. n. Nacht 

werden , — sein. 
bönö, mam-, v. a. eine Stelle ab- 

dammen!: u. ausschöpfen (beim 

Fischen) ; bönöcha , subst. eine 

eolche Stelle, 
bö'ö und tdnö bö'ö, pron. und adj. 

ein anderer, eine andere, ein an- 

deres ; fremd. 
bö'ua, interj. warte ein mal! halt! 



contrahirt aus böi u. ua, w. s. 
bö'Ötö, subst. Fruchtstenerel. 
böra, subst. Beis (gestam pfter). 
börö. subst. Stamm, Grund, Ur- 

sache , Beginn ; börö zebua , sehr 

gross , böröta , subst. Anfang ; 

börötaigö und börögö, mam-, v. a. 

anfangen , beginnen, 
börö , mam- , v. a. stampfen , mit 

dem Fusse; ibörö zalo, er stampft 

den Boden mit dem Fusse. 
boroë, subst. Leguan. 
boto, subst. Körper, sowohl der 

menschliche Körper, als auch z.B. 

ein Holzkörper, Baumstamm; 

lö — , nichtig. 
boto lala, subst. Hauptweg. 
bötua, subst. Kalk. 
bowo, subst. Blüthe. 
böwö , subst. Brautpreis ; Sitte , 

Verhalten, 
bowoa, subst. Topf. 
bowolawa, subst. Schlingpflanze. 
bözibözi, subst. Peitsche ; bözi, manti-, 

v.a. schlagen; famözia. subst. ein 

Instrument zum Schlagen. 
bu, subst. Haar, Feder. 
bua, subst. Frucht. 
buaja, subst. Krokodil!, 
bulu, subst. Blatt; bulu wali'era, 

subst. Wagschale. 
bulö'ö, mam-, v.a. von seinem Platze 

wegnehmen, verandern; tebulö, 

V. n. seinen Platz verandern; meist 

negativ : lö tebulödo jomo , ich 

bleibe im Hause. 
bunu, mam-, v. a. tödten, aus- 

löschen. 
bu'u, subst. Knoten, Gelenk, Knie; 

obu'u, adj, dick, hervortretend. 



KLEINE NIASSISGHË CHRESTOMATHIE. 



425 



bu'abn'u, subst. Auswuchs, Knie. 
burabura, subst. ein Blasrohr^ zam 

Feaer anblasen. 
burusa, subst. eine Lanzenart. 

Dada^ mau-^ v.a. herniederlassea, 

hangen lassen, 
dadao, subst. Sessel, Stuhl. mudadao, 

V. n. sitzen , sich setzen ; fedadao , 

mam-, v. a. hinsetzen. 
da'é, pron. dieser, diese, dieses; 
ba da'é, adv. hier. 
Daeli, nom. propr. 
daga, subst. Tragkorb. 
dahödahö , subst. Bathsel ; Loos ; 
fadahödahö, v.n. rathen; losen. 
dajadaja, subst. Unterlage (auch fig.); 

fadajadaja, v.n. eben sein. 
daludaln, subst. Arzenei, Zauber- 

mittel. 
dania, adv. nachher, gleich. 
dao , subst. Halbstein , steinartig 

feste Erde. 
da'ö, pron. der, die, das; jener, 

jene, jenes; ba da'ö, adv. dort. 
darua, num. zwei (Menschen). 
daso, subst. Thai, Ebene, 
dawa, subst. Auslander. 
degen i, mondr-, v a. abdingen (c.acc). 
di, subst. Fliege, Mücke. 
diala, subst. ein Wurfnetz; fadiala, 

V. n. ein solches Netz werfen. 

diho, subst. eine Holzsorte. 

dima, subst. Citrone, Apfelsine. 

dima kafalö , subst eine Apfel- 

sinenart. 
diwo, subst. Fleisch , Zukost beim 

Beis. 

do, subst. Blut. 

dodou, subst. eine Pflanzenart. 



Buruti, noui. propr. 
busa, mam-, v.a. abschalen. 
bute, subst. Spitze (eines Blattes z. B.). 
buwu, subst. Pischreuse. 

döfi, subst. u. adv. Stern, dann Jahr, 

ein Jahr lang^ vielleicht nach 

einem Stem , der dann , nach 

einem Jahre, wieder an derselben 

Stelle steht. 
döhö, v.n. auf horen, gesund werden. 
Dohudegao, nom. propr. 
doi, subst. Dom. 
dombua, num. zwei. 
dönadöna, mu-, v. a. hoffen, er- 

warten (e. ace.), 
donga, subst. Gatte, Gattin. 
döni, mondr-, v.a. ziehen, abzieheu. 
dou , mondr- , v.a. pieken , beissen ; 

fadou, v.n. beissen, sich beissen; 

aneinander hangen bleiben, 
dou'ö, mondr-, v.a. vergrössern, 

vermehren; tedou, v.n. zunehmen. 
dou, subst. Lager, Nest (vom 

Wildschwein). 
dua , num. zwei ; fadua , etwa zwei ; 

mendrua, zweimal. 
dudu, man-, v.a. loslassen, aus 

dem Stall, oder von der Kette ; 
adudu, v.n. zusammenfailen. 
dudugö, man-, v.a. zusammen- 

schlagen, zerstören , auflösen. 
duhö, mondr-, v. a. verschliessen , 

schliessen, zumachen. 
duhu, adj. wahr. 
dulu, subst. Woge. 
dulu, subst. Pinsel, Wischer. 
dumaduma, subst Vorbild, Abbild. 
durumudi, subst. Steuermann. 
du'u, subst. Gras. 



426 



KLBINE NIASSCSGUK OHRBSTÜMATHUB. 



Ebolo^ adj. breit; bologö, mam-, 

v.a. ausbreiten. 
ebua, adj. gross. 
edogo, maiig-, v.a. auffangen (mit 

eiaem Geiass); hinhalten zum 

Aufiangen (ein Gefass). 
edöna, v.n. wollen, willig sein. 
edu'ö, (g) u. (n.), subst. Genist uu- 
ter dem Hause, warauf die Leiter 

steht. 
e'esi, raang-, v. a. Todtenklage 

halten (über Jemanden), auch 
esi'esi, mang-. 
ehao, adj. reinlicli, exact, 
ehao , mang- , v. a. schmücken , 

reiuigen; mangehao, v.n. sich 

schmücken. 
eheha, (g), subst. Geist; derinne- 

wohnende Geist , das begeistende. 

ehowu , mang- , v.a. das Herzblatt 
herausnehmen. 

elungn, v.n. irreu , sich verirren. 

felungu, v.a. mam-, irre führen, 

verführen. 
emali, (n), subst. Feind, Kopf- 

schneller. 
ena^ö , adv. u. conj. damit, aufdass ; 

wenu doch. 
enau, adj. lang. 
ene , (n), subst. Sand , baene , auf 

dem Strande. 
eno'o, (g), subst. Gosse, unter der 

Dachtraufe. 

Fa, adv. etwa; — , conj. dass, 

damit, aufdass. 
fabaja, v.n. mit etwas zusammen- 

sein; — , prapos. mitsamt, zu- 

sammen mit. 
fabaln, v.n. bedeckt werden; pi. 



e^6 , (g) , subst. eine Schmarotzer- 
pflanze. 

era'era, (g), subst. Gédanke, Sinn; 

era'era tödo, mang-, va. über 
etwas nachdenken ; mangerangera, 
v.n. nachdenken. 

erai, mang-^ v.a. zahlen, rechnen. 

ere, (g), subst. Priester; faVere, 
subst. Priesterthum. 

erege dodo , adj. müde , ermüdet. 

ero, (g), subst. Aussenseite; — , adv. 
jedesmal. 

esuanö, (g), subst. Vorwurf. 

esolo, adj. dick , fett, beleibt. 

esöni, (g), subst. eine Holzsorte. 

ete'ete, (g), subst. Schaum (beim 
Kochen von Speisen). 

etuna, (g), subst. Fiutze. 

etu'Ö , mang-, v.a. abreissen , durch- 
reissen ; fangetu , subst. Braut- 
preis. 

eu, (g), subst. Holz: dieser Aus- 
drnck wird mit sa verbunden 
bei manchen Dingen fiir ^vein 
Stück^ gebraucht; sagen [bawi] 
:= ein [Schwein]; nga'eu, (eigent- 
lich Plural) = Gestalt; sagen 
ja^o =: mein ganzer Körper. 

ewa, mol-, v.a. abhauen, abhacken. 

ewali, (n)^ subst. Dorfstrasse. 

ewd , (n) , Seite (am Hause). 

ewe, (g), subst. Abdach , Schutzdach. 

ezai, adv. , so gross als. 

sich gegenseitig bedecken. 
fabea, mam-, v.a. tragen (an der 

Stange). 
fabu'n [li] , mam- , v.a. verspre- 

chen. 
fadajadaja, v.n. eben seiu, 



KiiEINE NIASSiSÖHfi OHRESTOlCTHiE. 



427 



fadoro, v.n. in einem durchgehen , 

ununterbrochen. 
&duchai, mam-, v.a. vermengen. 

verderben. 
&edo, v.n. neben einander stehen. 
faedo, mam-^ v.a. neben einander 

stellen, 
faedona , subst. Abbild ; amaedola , 

(g). id. 
famae — famadumana , snbst. com- 

pos. Abbild ; famae-famatulo . 

subst. Gegeubild und Abwagung. 

Es sind dies poëtische combinirte 

Pormen , ans famaedo und &ma- 

dumana, die an<retahr das Gleiche 

besagen besagen, resp. aus famaedo 

= Abbild und famatulo =: das 

Abwiegen, die Abwagung gegen 

einander. 

faefa, v.n. sich abtrennen, sich 
trennen. 

faechu, subst. Halbinsel im Fluss. 

fa'ele'6, mam-, v.a. zeigen, kund- 
geben. 

&eta, v.n. durch Zauberei etwas 
suchen^ klarstellen ; faetasa, subst. 
davon. 

fa^ewuawua , v. ii. von gleicher 
Grosse sein; fa^ewuata, adj. von 
gleicher Grosse. 

fafa, subst. Brett. 

£igia, v.n. spassen, Spass machen. 

fagobi, v.n. aneinanderstossen. 

Fagulo^ nom. propr. ein Dorf. 

fiigolögölö, v.n. gleich sein; ma- 
magölö, v.n. verhandeln, sich 
über eine Sache eins werden ; od. 
osara'o li > mang-. 

fiichai, v.n. sich einhaken. 

fisM^hai, mam-, v.a. aushecken, 



crdichten ; lo fachai , es kommt 

nicht zurecht, es gelingt nicht, 
fachamö, v.n. reichen (was die 

Zeit betrifit) ; zusammenkommen. 
fache , subst. Beis ; mendrua fache, 

medolu fache u.s.w. = zwei Jahre, 

drei Jahre, u.8.w 
fachilichili , v.n ahnlich sein. 
fahandro, v.n. sich mit Lanzen 

werfen. 
faho, subst. Meissel. 
fahona, v.n. in Pülle vorhanden sein. 
fahuhu, v.n. den Ruf df\m»\ aus- 

stossen. 
fahuwu, v.n. befreundet sein. 
iaigi, mam-, v.a. sehen ^ ansehen, 

nachsehen. 
failo, mam-, v.a. hcmiederlassen. 

ifailo mbanio = er lasst die 

Kokosnuss vom Baum herunter. 
faiwa , v.n. sich verbinden durch 

Heirath mit einem andemStamme. 
faja, subst. Lüge, Sch windel, 
fajagu, ist es nicht wahr? 
fajo, subst. Regenschirm. 
fakaewe, v.n. verwickelt sein. 
falali, mam-, v.a. leihen. 
falalilali, mamalamalali , v.a. ab- 

wechseln, mit etwas. 
falalini, mam-, v.a. wechseln, ver- 

wechseln ; lafalalini nucha ■= 

sie wechseln die Kleider. 
Falaraagö, nom. prop. 
faledo, mam-, v.a. an die Oberfla- 

che bringen. 
fali'era , subst. Wage , bulu wali'era; 

subst. Wagschale. 
Falili , nom. propr. 
falili , mam- , v.a. um etwas herum 

gehen ; lafalili mbanoea z= sie 



4-28 



KLEIHE NIASSISCHK CHRESTOMATrtIÈ. 



gehen urn das Dorf heruin. 
falöcha, mam-, v.a. iimiüliren. 
falo'o, mam-, v.a. stumpfschnei- 

den , abschneiden , z. B. das Ende 

eines Stock es. 
falölöwa, subst. Nahnadel. 
falöwa, subst Hochzeit; Fest. 
falua, mam-, v.a. zustande, zu- 

eiide bringeii; jemaiiden zum 

Priester ausbilden 
falucha, v.n. antreffen, mit jemandem 

ziisammen treffen, 
famachö, subst. ein sehr schweres 

Uebel. 
fameso, subst. Priesterthum. 
fana , subst. Gewehr ; fana , mam- , 

v.a. schiessen, tofana, v.n. weg- 

spritzen. 
fandru, subst. Lamjpe. 
fangahaö , mam-, v. a füttern 

(Hühner). 
fangörö, mam-, v. hin u. her- 

fiihren; ifangorö linia = er spricht 

bald so und bald so. 
fanöna, mam-, v.a. ansammeln. 
fao, v.n. zusammensein ; faoma, 

v.n. gleich sein, beide, beides; 

— , mam-, v.a. gleichmachen. 
faöhö, subst. eine kleine Bienenart. 
Paoro, nom. propr. 
faoro, v. n. sichtbar; faoro, mam-, 

V. a. zeigen. 
faosa, mam-, v.a. vertheilen. 
farara, v n. gleich lange machen; 
farara wemörö z= gleich lange schla- 

fen. 
farecha, v.n. sich reiben; — , mam-, 

v.a. reiben (etwas an etwas). 
faröcha, subst. Hammer, Ambos. 
&roina, v.n. springen. 



fasöndra, v.n. kampfen, fechten. 
fasoso, v.n. streiten (mit Worten). 
lasui, v.n. rings herum sein. — , 

mam-, v.a. umgeben, heruna- 

gehen. 
Fatahö, nom. propr. 
fatahö, v.n. sich gegenüberstehen. 
fatali , mam- , v.a. um einander 

drehen; nifatali = Goldsmnck, 

Halsring aus Golddraht gedreht. 
fataro, mam-, v.a. einsetzen, hia- 

setzen. 
fatangi, mam-, (mboha), v.a. die 

Zahne auf einander beissen ; auch 

refl. 

fateboe , v.n. jagen, mit der Lanze. 

fatele, v.n. fechten. 

fato, subst. Axt, Beil. 

fatö, mam-, v.a. zerbrechen, be- 
stim men. 

fatöfa, v.n. dicht aneinander, zu- 
sammengefiigt sein. 

fatöfa, mam-, va zusammenfïigen. 

fatoutou, mam-, v.a. über jemand 
sprechen; — tödö, mam-, v.a. 
über etwas nachdenken , erwagen. 

fatutu , v.n. ununterbrochen. 

fatutue , mam- , v.a. auf den Kopf 
stellen. 

faudu , V. n. u. prap. sich gegen- 
überstehen, gegenüber ; — , mam-, 
v.n. gegeneinanderüberstellen. 

faudugö, mam-, v.a. auf etwas zielen; 

famaudu, subst. das was gerade 
gegenüber liegt oder steht. 

faulu , mam-, v.a etwas gründlich 
machen. 

fawöhöi, v.n. loslassen, ablassen. 

fawöhöi dodo, subst. Herzgrube. 

fawude, v. n. Spass machen. 



KLEINE NIASSISCHK CHRESTüMAÏltlE. 



429 



fazochi ^ mam-, v. a. machen, 

in Ordnung briiipen . a[a]zöclii , 

mang-, v a. zurechtmachen 
fefu, pron. alle. alles, 
felafela dodo, subst. Herzgrube. 
felai, mam-, v.a. lecken, belecken. 
feledölu , imm. dreizehn ; mewele- 

dölii, dreizehmal. 
felendrua , num. zwol f, mewele- 

ndraa, zwölfmal. 
feleöfa , num. vierzehn , meweleofa , 

vieizehnmal. 
felezara, num. elf; mewelezara,elfmal. 
fera'Ö, mam-, v.a. zusammen- 

drücken , zerdrücken , auspressen. 
fesu , subst. Fessel , Strick. — , 

mam-, v. a. anbinden. 
feti^ subst. Kiste, 
feto, subst. eine Palmenart. 
fidi, mam-, v. a. Sirih zum Kauen 

zurechtmachen. 
figa, subst. Teller, 
fino, subst. Arekapalme. 
fino belu , eine besondere Sorte von 

der obigen. 
fino bowo , eine besondere Sorte von 

der obigen. 
fino kawa. eine besondere Sorte 

von der obieren. 
firö, subst. Silber. 
fitu, num. sieben; mewitu, siebenmal. 
foda, subst. Schwert. 
fofo, subst. Vogel, 
fofo, subst. von demselben StoiF; 

si fofo = das andere Bnde. 
fochö, subst. Krankheit; mofi5cho, 



v. n. krank sein. 
folö, mam-, v. a. anschneiden , 

zur Gewinnung des Palmweins; 

verschtieiden. 
foloi, mam-, v. a. laufen lassen, 
fofona, adj. erst. 
tona , prap. vor, früher; me f5ua , 

früher; ofona , adj. erst; ofonai''ö, 

mang-, v. a. zuerst thun, zuerst 

nelimen, 
fondrege, subst. das Ausserste. 
fondrongo, mam-, v.a. zuhören, 

auf etwas horen, 
föno, subst. Holzhaufen, Reiser- 

haufen (besonders im Wasser 

WO es sich anstaut). 
forögi, subst. eine Messerart. 
fosela , mam- , v . a. satteln. 
fosi, subst. eine Holzsorte. 
fou, subst. eine Qeschwürart. 
fosu, subst. Brust, bei Madchen). 
fufu, mam-, v. a. zerkleinern , 

kleinstampfen , kaputmachen. 
fucho, subst. Brautpreis. 
fulawa , subst. (ierüst überm Herde. 
fuli, mam-, v.a. zurückgeben, — 

v.r. zurückkehren. 
fulu , num. zehn ; mewulu, zehnmal. 
fune, subst. Turteltaube. 
furi, prap. u. adv. hinter, spater; na 

foeri, spater ; afuria; — , adj. letzt. 
fusi , s. afusi. 
fusö, subst. Nabel, 
fusöla, Beilstiel. 
Futi, nom. propr. 
Futi-Mao, nom. prop. 



Ga'a, subt. alterer Bruder oder 

Schwester. 
gabera , subst. die Linke ; ba gabera , 



adv. links, zur Linken, 
gae, subst. Pisang, Banane. 
gaga, subst. Krahe, Sabe. 



43Ó 



Kleine niassische cuRSSToiCATitiE. 



gai , subst. Angel ; gaini , mo-, v. a. 

angeln; fagai , v. n. id. 
gala^ snbst Holzschüssel. 
galasi, subst. Trinkglas. 
gamagama , subst. Sachen. Geratbe. 
gambölo, subst. die Kecbte: ba 

gambolo, adv. rechts^ zurRechteu. 
ganowo, subst. ein Vogel, 
ganuhi , subst. Untersatz für eiueTi 

Topf auf dem Herde. 
gari, subst. Schwert. 
gaso, subst. Dachsparren. 
gawu^ subst. Sand. 
gelagela, subst. Ohrbummel. 
gema, subst. Ausfuhning; Ueber- 

tragung. 
gigi , subst. ein kleines Würmchen. 
gofu, adv. wer, was, wo auch 

immer (je nach der Verbindung). 
gogo, snbst. After, Hinterer. 
gogowaja, subst. Nasborn vogel, 
gocbö, subst. Faust, sagochö r= 

eine Handvoll; 
gochoi (danga), mo-, v. a. ballen 

(die Paust). 



gobi , molobi , v. a. jagen, erstreben. 

gohiö^ subst. das Erjagte, Erstrebte. 

goi, conj. auch. 

gola , subst. Strich Landes^ (sagola). 

golu, subst. eine Götzenart, Name 
eines bestimmten Götzen. 

gona, subst. Ananas. 

gona, V. n. treffen, getroffen werden, 
passen. 

göndra, snbst, eine grosse Feil- 
trommel. 

gori, subst. Dolch. 

görigöri[a], subst. ein Vogel. 

goto , subst. BAum , ein Zeitraam, 
sagotö niha = ein Menscbenalter. 

go we, subst. Fels, Stein. 

Gözö, nom. propr. 

guba'i^ subst. mein Kind, mein 
Lieber, mein Liebling. 

gule, subst. Gtemüse. 

gule'ö, mo-, V. a. schmieren. 

gulo, subst. Zucker. 

guna , subst. Nutzen ; moguna , v.n. 
nutzen , oguna'ö , mang-, v. a. be- 
nutzen, foguna'o, mam-, v.a. id. 



[Oha]cha'a, mogaga^a, v. a. kratzen. 
chaichai^ subst. ein Haken; chai, 

mog-, v.a. haken; anschneiden^ 

abschneiden , wie mit einer Sichel. 
chamö , mog- , v . a. erreichen ; fa- 

chamö, v.n. erreichen, zusam- 

mentreffen. 
chamöto, subst. das, was erreicht 



wird, 
chö, prap, für, aii, von, zu. 
chöchö, mog-, v.a. zerkleinern. 
choi, mog-, V. a. mit Strichen 

versehen. 
choli, mog-, v.a. zerschneiden , in 

Streifen scbneiden , der Lange 

nach. 



Ha, pron. u. adv. wer, weasen; nur, 

einzig; ha nih^? wer? 
hadia, pron. was. 
hadoli, subst. eine Art Aal. 
haehae, subst. VerzÖgerung; mu- 



haehae, v. n. schnaufen; haehae, 
manga-, v. a. leise hin und her- 
bewegen, 
haga, b'ubst. Licht; mohaga, v. n. 
heil sein ; muhaga , v.n. lenchten ; 



KLEtNfi NIASSISCHK CHRESTOllATHIB. 



431 



mehaga, v.n. die Augen aafsper- 
ren; hagaini, rao-, v. a. er- 
leuchten. 

hachö'ö, manga-, v.a. verbraucheu. 

hahao, manga-, v. a. speisen. 

haja, subst. Kalig für ein Mast- 
schwein. 

Hakeke, nom. propr. 

hala, subst. Blattstiel. 

halama, subst. einzelnes Hans im 
Felde. 

halo , mu-(?), v. a. holen, nehmen , 
bearbeiteu (vom Pelde); manga- 
halo = den Acker bauen ; feha- 
löwa, subst. Wildpret; halöwö, 
subfit. Arbeit, Beschaftigung; mo- 
halöwö, V. n. arbeiten ; faehalo, 
V. n. bearbeitet sein ; fahalö, v. n. 
sich zusammenfügen, zusammen- 
kommen; fahalö, mam-, v.a. 
zusammensetzen . 

halocha , jahalocha ! interj. eine 
Art Fluch n dass dich doch ft \ 

halu, subst. Beisstampfer. 

hambo, subst. Giebelende des Hauses. 

harao, subst. Mehl, fig. für Gold. 

hana, adv. warum? es kann ge 
schehen. 

handro, manga-, v. a mit der 
Jjanze werfen ; fahandro^ v. n. 
sich werfen mit der Lanze; zu- 
sammenfliessen. 

hahandro , manga-, v. a. stam- 
pfen , zerkleinern; tehandrö dodo , 
fig. geschlagen werden. 

hanuhanu , subst. Athem ; mohanu- 
hanu, v. n. athmen. 

haogö, mange-, v. a. reinigen, 
etwas gmndlich machen. ma- 
ngehao, v.n. sich schmückcn. 
6« Volgr, Vn. 



harefa, subst. Gedenkstein. 
haresö, subst. eine Gt)ldsorte. 
harimao, subst. Tiger. 
harita, subst. Bohne. 
haruharu , subst. Schulterbiatt. 
harumanil jnterj. es ist doch co- 

lossal ' 
hasuhasu, subst. Schnaufen; z.B. 

nach harter Anstrengung; mu- 

hasuhasu, v.n. schuauben. 
hato, adv. nur noch. 
hawali , subst. eine Fischart. 
ha wa'aró? adv. wie lange? 
hawui, manga-, v.a. überschüt- 

ten; tehawu, v. n. dberschttt- 

tet werden; tehawu ene -= mit 

Sand überschüttet werden, 
he , adv, und conj. woPwiePweun 

auch. 
he, jnterj. ja? 

he — he = sowohl — als auch. 
he — he = sei es — sei es. 
Hedu , nom. propr. 
hede[hede], subst. Bede, muhede, 

V. n. reden, fahede, mam^, v.a. 

Bescheid sagen (c. acx;. jem.) 
hege , subst. abgestossene Töne ; 

muhegehege, v.n. kurze Töne 

ausstossen. 
helanö, sub^t. ein Titel (Majestat). 
hele , subst. Wasserstrahl , Sturzbad. 
helehele^ subst. die Halfte eines 

gespalteneii Bambu, die man 

Z.B als Eierbehalter bentttzt. 
Hendrahendra, nom. propr. 
hene, mange-, v.a. (c. ace.) an 

etwas entlang gehen. 
hese[hese] tödö , mange-, v. a. vor- 

sichtig , langsam etwas thun , 

erwagen, bedenken. 

28 



482 



KLEINE N1AS8I8CHE CHRESTOMATHIE. 



here'e, sabst. eine Lanzenart. 
heta, matige-, v. a. entferneTi , 

wegnehmeii. 
he wöi? s. he wisa? 
heza? adv. wo? 

heziwala, subst. eine Kokosnussart. 
hezo adv. wo ist es? wo. 
hezojo, subst. eiue Kokosnussart. 
Hia, Tiom. propr. 

hie[hie] , subst. Band , woran et was 
hangt; fahie v.n. aiieinanderhangen. 
hili, subst. Berg. 
hihihili, subst. Hügel. 
Hilizia , nom. propr. ein Berg und 

ein Dorf. 
hiu, subst. Haifiscli. 
hita, subst. ein Goldgewicht im 

Werthe von 8 Deut. 
ho, s. no. 

hoa, subst. ein Vogel, 
hofi, mango-, v.a. fllr jemaud ein 

Opfer bringen. 
högö, subst. Haupt, Kopf, 
hogu, subst. Wipfel, Spitze; lö 

hogu = kein Glück. 
hoho, subsi. Geschenk (bei Festen), 
hohon, subst. Strom, Strömnng. 
holu, subst. das, worauf man 

schwört; moi ba hölu, v. n. 

schwören; fahölu v.n. id. 
hombo, subst. Flug; muhombo, 

V. n. fliegen 
hona, mango-, v. a. anhaufen. 
hönagö, mango-, v. a. etwas im 

Voraus thun. 
höngö, subst. Gerausch, Sausen, 

Gerucht; muhöngo, v. n. Ge- 
rausch machen, erschallen, gehort 

werden; tehöngö, v. n. ruchbar 

werden. 



höuo, num. tausend. 

horö, snbst. Sünde, Verbrechen. 

höro, subst. Auge. 

horö zombö, subst. Spitze des 

Tiendeutuchs. 
Hösö , nom. propr. 
höwa, subst. Spinat. 
howuhowu, subst. Segen, fahowu'ö, 

mam-, v. a. segnen. 
hua, subst. Geruch, Duft,mohua, 

v.n. riechend , wohlriechend. 
hua, subst. (sahua) = ein Wang. 
hua tali = | fl. 

huhuo, subst. Bede, (Jnterhandluug. 
huhuo'ö, mo- , v. a. besprecheu, 

ttber etwas verhandeln ; fahuhuo, 
v. n. reden, sich unterreden, 

verhandeln. 
huku, subst. Gericht, Sitte. 
huku mangu-, v. a. richten, ent- 

scheiden, 
hulajo, subst. eine Lanzenart. 
hulajo, snbst. Verzierung; ohulajo, 

mang-, v.a. verzieren, auszac- 

ken. 
hulö, adv. gleichwie. 
hulö, mangu , v. n. zuvorkommen; 

fahulö, mam-, v.a. erhascheu, 

mit Hast darauf losgehen. 
hula , subst. Btlcken. 
hunahana, subst. Schuppe. 
hundragö , mangu- , v. a. auf etwas 

treten , niedertreten. 
huno, subst. ein Pfad im hohen Grase. 
hunö, subst. Kern. 
huru, subst. Lockspeise; fahuru, 

mam-, v a. jemand. mit etwas 

tauschcn , (c. ace. rei), 
huruhuru, subst. Faser. 



Kleine niassisghk chkbütomathib. 



isi 



I'a, (g) subst. Fisch. 

iada'^ und iada'é, adv. jetzt. 

iagö , mang- , v. a. (c. ace.) bleiben 

(irgendwo); uMagö nomo = ich 

bleibe im Hause 
idanö^ (n), subsfc. Wasser, 
ide'ide, adj. klein, 
ifi, mang-, v. a. (c. acc.)traumen (von 

etwas); inangifi, v. n. traumen. 
igi'igi'ö, ma-, v. a. anslachen ; 

ma'iki , v.n. lachen, ma'igi'igi, id. 
ila'ila, (g), sabst. Zeichen. 
ila, mang-, v. a. wissen, kennen, 

können ; lö ta'ila = es ist (noch) 

uugewiss. 



ina, (n), subst. Mtitter, Tante. 

inötö, (g), subst. Zeitpunkt, das 
gewöhnliche Maass. 

i'o, (g), subst. Schwanz. 

irö'ö, mang-, v. a. aufbewahren. 

irugi, prap. und adv. bis. 

isö, (ii), subst. Leckerei, besonders 
Prüchte. 

itaria , v.n. bisweilen dasein,oder 
geschehen. 

iwa, (n), subst. Stamm, Volks- 
stam m, Stammgenosse. 

iwiwö , (g) , subst. Kierae. 

Twowalacha, nom. propr. 



Ja^aga, pron. wir. (exclusive). 

ja'ami, v ihr. 

ja'é, adv. jetzt. 

ja'e, adv. hier. 

ja'ia, pron. er, sie, es; der, die, 

das. 
ja'ira , v sie. 
ja'ita, // wir. (inclusive). 
ja'o , f ich. 

Kabogo, nom. propr. 

Kabua wa'u, ff f 
Kadarö , ff f 

kade, subst. Bazar, Markt, 
kafalo, subst. dima kafalo, eine 

Apfelsinenart. 
kana, mo-, v. a. (c. ace.) auf etwas 

überspritzen. 
kandra, subst. Stall. 
kaoni, mog-, v. a. rufen, einladen; 

fakaoni'ö, mam-, v.a. rufen lassen, 
kara, subst. Stein. 
kawa, subst. üraht; Zug. (z. B. v. 

Fischen). 



ja'ügo, ff du. 

jawa, prap. und adv. auf, Uber; 

oben, hinauf. 
jefo, prap. und adv. jenseits. 
jomo, adv. zu Hause, im Hause, 

ins Haus, im Dorfe, ins Dorf. 
«Tosua, nom. propr. 
jou, adv. im Norden, nördlich. 



kawakawa, subst. Schmetterling. 

Kawofo, nom. propr. 

kawono, bu'u kawono, subst. 

Knöchel. 
kofi, subst. Kaffee. 
koki , subst. Koch. 
koko, subst. Schlag (als Gerausch) ; 

mukoko, V. u. Gerausch machen, 

(als Schlag, oder Stoss). 
korini, mog-, v.a. kratzen, mo- 

gori, V. n. kratzen. 
kudo, subst. Pferd. 
kuudri, subst. Krug. 



434 



KLEINR KIASSISÓHE CHRESTOlÉATltll!. 



La'aja, subst. eine Pischart. 
la'apa'a], subst. Zeichüung. 
labu, V. def. mach dich auf ; ilabu- 

angi ^ der Wind bricht los. 
lada, subst. Pfefier (span.), 
lada hita, schwarzer Pfeft'er. 
lae[lae], subst. Blatt, z. B. als 

Teller gebraucht. 
la'edo, subst. eine Fischart. 
Laeha, nom. propr. 
Laenga, » » 

Laerise , »* f 

Laete sa'a, » » 
Tjaete salo, n » 
Lafabua, » » 
Lafau adu, // ft 

Lafau luo, /^ ff 
lagasi, subst. eine Fischart. 
laeha, subst. Wittwe, Schwager, 

Schwiigerin. 
lachömi , subst. Glanz, Herrlichkeit. 
Lahari, nom. propr. 
laharö, subst. Qoldgewicht. 
lahe, subst. Spur, Fussspur. 
l4ahemo, nom. propr. ein Dorf. 
lahia, subst. Jngwer. 
lahina^ s. afo. 
Lahömi, nom. propr. ein Fluss 

und eine Landschaft. 
Lahuwa, nom. propr. 
lai , subst. Aehre ; lö lai , prap. 

ohne; — , adv. es hat nichts zu 

bedeu ten. 
Wimba'[imba] , subst. Eber. 
La'indrö lai, nom. propr. 
la'izu, subst. Gurke. 
lala, subst Weg. 
lalai, subst. Spitze eines Baumes. 
lali , subst. Kante , hervorstehende 

Baumwurzel. 



Lalu, nom. propr. 

laluo, subst. Mittag; — , adv. mit- 

tags. 
lambae, subst. Talisman ; folambai , 

mam- v.a. mit einem Talisman 

versehen. 
lambo, subst. Fest. 
lamuhn, subst. Eule. 
landröta, subst. eine Pilzart. 
langi, subst. Lufthimmel. 
langu, sub.st. Gift. 
Langulangu, nom. propr. 
laoja, subst. Messing; — , eine 

Heuschreckenaiii. 
Laoli , nom. propr. 
la'ore , subst. eine Holzsorte. 
laosi, subst. ein kl. Zwerghirsch. 
larewe [foa] , subst. Heuschrecke. 
Larise, nom. propr. 
Lasahua, ft u 
laso[laso] , subst. Halt , Pfahl an 

dem man z B. etwas aufsehichtet. 
Latandra todö mölö, nom. propr. 
latano, adj. mannlich. 
lato, subst. eine Art Nessel. 
lau, adv. ja, es ist gut. 
lau, mo-, v.a. einschtttten, schla- 

gen mit etwas , machen , sich 

daran machen, molau, v. n. 

gerathen ; ilau angi , der Wind 

weht. 
la'uri, subst. Lelim. 
lauru, subst. Kommaass (kulak). 
lawa, mo-, (c. ace.) sich gegen 

jemandeu auflehnen , ttbermögen. 
lawalawa , subst. Front des Hauses. 

(die mit Latten versehene Vorder- 

seite). 
Lawaöndröma huru ba'u, nom. propr. 
lawölawö, subst. Schutz. Beschtttzer. 



KLEINE NIASSISOIfE CHRESTOMATHIE. 



435 



lawölö, sabst. eine Uötzenart. Name 

eines bestimuitea Götzeu. 
lazi , subsfc. Riegel ; — , mo- , v. a. 

riegeln, pressen; falazi, mam-, 

V. a. einklemmen. 
Ie, subst. Freund. 
ledawa , subst. ein holzartiger Stoft', 

vom Riesenfarn. 
ledo, muledo, v. n. aaftauchen, 

an die überflache kommen ; 

faledo, mam-, v r. id. 
lela, subst. Zunge. 
leu , mo- , V. a. warmen , trocknen 

am Peuer, moleu, v. n. sich 

warmen, 
lewelewe, subst. Beiname der Priester, 
li , subst. Stimme , Ton , Sohall , 

Wort, raolï, V. n. tonen; foli, 

mam-, v. a. tonen lassen, spie- 

len (ein Instrument). 
Hgiligi, mo-, v. a. besehen. 
lima, num. fttnf. 
limi, subst. Reiskörner mit der 

Schale, im gestampften Reis. 
limo, mo-, v. a. betrügen; telimo, 

subst. Betrug; falimo, v.n. be- 
trügen; falimosa, subst. Betrug, 
liwaliwa, subs^ Bewegung; Triller 

der Frauen ; maliwaliwa, v.n., 

sich bewegen, 
liza, subst. Niss, junge Laus. 
löfö, lofolöfo, subst. Glühwürmchen. 
löchö, subst. heiteres Wetter. 
löhölöhö , subst. Nachtschmetter- 

ling. 



lojo, subst. Segel; molojo, v. n. 

segeln, schiffen. 
lölö, subst. Traber; Windel. 
Tiolöana'a, nom. prop. ein Dorf. 
Tjölömatua , nom. propr. 
Lölöalawe , m n 
Tjölomboli, ^ » , ein Dorf. 
lömbu, subst. künstlich herge- 

stellter Goldglanz; das Material 

dazu. 
lömbu, mo-, v.a. Gold mit Glanz 

versehen. 
lömö, mo-, V. a. versenken (im 

Wasser); alömö, v.n. versinken, 

ertrinken. 
lönga, subst. eine Pflanze. 
lö'[ö], adv. nicht, nein, kein. 
lotu, subst. das Trübe, Trübheit. 
rx}walangi, subst. Gott. Name des 

höchsten Gottes. 
luaha, subst. Ausfluss, Mündung. 
lualua, subst. Ausgang, Resultat. 
lu'i, mo-, v.a. tragen (auf dem 

Rücken). 
lulu, subst. Ende. 
lulu, mo-, v.a. schlaff machen, 

iiachlassen ; lului , mo , v a. 

helfen (c. ace); alulu, v. n. nach- 

1 assen, schlaff' werden., 
himö. subst. Schatten, 
luo , subst. Sonne ; moluo , v. n. 

Tag werdeo , si moluo, subst. Tag. 
Luomewöna, nom. prop. 
Luorumuru , » t 
Luo-Zaho , // » 



Ma^ae, subst. eine Holzart. 
roa'asambua, adj. der,die,dasGanze. 
madulai, subst. Spitze von einem 
Baume. 



Madulai , nom. propr. 
maele , v. n. flussabwftrts gehen. 
maenada, subst. Kleidung. 
mafua, v.n. Tjebensunterhalt suchen. 



436 



KLKINI NIASSISOHE CHRESTOMATHIE. 



machelo , subst. Bruder , Schwester , 

firuderscliaft. 
magiao, subst. eiae Yogelart. 
mahara, si inahara alitö, subst. 

eine Holzsorte. 
mahemolu^ adv. morgen; — mbanua, 

morgen früh. 
ma'ifii, pron. ein wenig. 
maMki, v. n. lachen, 
mako, subst. Tasse, Becher, 

Schüssel. 
roalidöngö^ v n. die Augen auf- 

schingen (von ein. Kinde). 
malu, V. n. jagen ^ auf die Jagd 

gehen , mit Lanzen. 
mamalögu^ v. n. sich auf den Bauch 

legen, 
mamarikio, v. n. herausspritzen. 
mamekameka^ v.n. Schritte macheu. 
maroiti, v. n. hervorspritzen , her- 

vorsprudeln. 
mamoka, v.n. platzea, explodiren. 
manahö, v. n. tanzen. 
manalichi, v. n. tanzen. 
manana, v. n. kriechen. 
manaowo, v. n. gesenkt sein. 
manarawu, v. n. Palm wei n fabri- 

ciren. 
manari, v.n. tanzen (von Frauen) ; 

fanari , raam-, v. a. tanzen lassen, 
manawa danö , subst. eine Holzsorte. 
manawanawa, v. n. hftngen, herab- 

hftngen. 
mand radio , si mandraölo , subst. 

eine Ilolzart. 
Maudrehe , nom. propr 
mané, adj. so beschafien. 
mané, mo-, (?), v. a. so sagen, 
mangai, v. a. s. halo, mu-. 
mangaraza^ subst. ein Titel. 



Mangawöla rabawa, nom. propr. 
mangea dodo, v. n. nachdenken. 
Mangemohi, nom. propr. 
mangesa dodo, v.n. Beae haben. 
mangö[höngö]hösi, v.n. mit Kraft 

auftreten. 
Mangolömbu langi , nom. propr. 
Mangolombu luo, ^ » 

mangulu, v. n. sich hUuten; 

schmelzen (z. B. Salz). 
manö , adj. so beschafien , adv. nur. 
manö, mo-(?), so sagen, 
manöchö, v. kopfschnellen. 
manu, subst Huhn. 
manöi, v. n. klettern. 
mao, subst. Katze. 
maö, adv. wohl? wird es wohl so sein? 
ma'öchö and ré, adv. heute. 
ma'öma'öcho, adv. den ganzen Tag. 
maoso, V. u. aufstehen, sicherheben. 
Maru , nom. propr. ein Yolksstamm. 
MasÖla, nom. prop. ein Berg. 
masomaso, subst. üpfergabe. 
mate , v.n. sterben , erlöschen; ama- 

tela, (g), subst. todter Körper. 
mato, adv. etwa. 
matua, adj. mannlich; — , subst. 

Schwiegervater. Schwiegcrmutter. 
maulu , V n. ausgezeichnet ; fertig. 
mauwu, V. n. zahm sein; fauwu, 

mam-, v.a. zahm machen, zHhmen. 
Mazingö , nom. propr. eine Land- 
schaft, 
mazauwu , subst. grosse Libelle. 
mbawambawa, subst. Flecken. 
mbe, s. labe'e (be'e). 
mbelembele, subst. Schutzwehr. 
mbumbu^ subst. Firste. 
me, conj. als, weil , denn; me uga, 

ha me uga? adv. wie oft? 



KLEINE NIAS8ISCHE CHKES'L'OMATHIE. 



437 



medölu, adv. dre.imal. 

me'ê und megê'egê, v.n. weinei). 

inege, adv. soeben; no mege u. niege 

no = voii soeben. 
melima, adv. fllnfina}. 
menewiy adv. gestern. 
mendró, v.u, blaten, 
mendrua, adv. zweimal. 
mewö , v. n. Yögei scheuchen. 
milo, v.n. Iiinantergehen. 
misa, adv. dorthin, in der Uin- 

gegend. 
miwo, V n. krahen. 
mofanö, v. n. weggehen. 
mohege, v.n. dick , fett sein. 
möi, v .n. gehen , kommen ; — , priip. 

mit, mitsammt; fa'amoi, mam-, 

V. a. gehen lassen; machen. 
molahe, v. n. eine Spnr hinterlasseii. 
molahöi, v.n. eiu Feld machen. 
molahnhu, v.n. eben erwachsen sein. 
molaja, v. n. tanzen (mit.Gesang) 

springen, 
moloi , V. n. weglaufen , wegfliegen. 

wegschwimmen. 
molombase, v.n. ruhen, sich aus- 

ruhen. 
mola'alu'a, v.n. naschen. 
momböi, v. n. Beis kochen; machen, 

schaffen: momböi niha = Men- 

schen machen. 



mondri , v. n. sich baden, 
mondruge, v.n. Keis kochen. 
mono, subst. eine Rotanart. 
mörö, V. n. schlafen. 
moroi, v.n. von etwas herkom- 
men; — , prap. von; — , adv. 

lieber als. 
motabina , v. n. schwanger sein. 
moto, adv. ja, wenigstens, urn 

desto eher. 
mowöi , V. n. tröpfeln , tropfen. 
mozingozingo , v.n. sich schnaazen. 
mu^ao, V. n. schreien, jemandem 

zurufen. 
mudanö, v. n. starker werden, 
mujumuju, subst. Drehang, Krttm- 

mang; — weto, subst. Herz- 

blatt der i^etopalme. 
mukau , v.n. bellen, 
mukoko , V. n. einen Ton von sich 

geben , von einem Schlage oder 

Stosse. 
mu'otö'ötö, V. n. klopfen (vom 

Schmerz). 
muroga, v.n. springen, 
mururu, v. n. rauschen. 
musindro, v.n. stehen; fasindro, 

mam- , v. a. aufstellen. 
musomuso, u. omuso dodo, v.n. 

sich f reuen, 
muzarizari, v. n. starker werden. 



Na, adv. noch (dazu); — , conj. 

wenn, ob, oder. 
nae'ösö, subst. Kokosnttsse , die zura 

Auskeimen aufgehangt werden 

können. 
naere[naere] , subst. der Abhang. 

das Schragsein; manaere, v. n. 

schrag sein^ abh&ngend sein. 



nafa, subst. Beet. 
nago, subst. Beh. 
naha, subst. Ort, Platz, Qefass, 

Wohnung. 
nahia, subst. Ort, Platz, Gefass, 

Wohnung; Nutzen; monahia, v.n. 

nutzen, 
nakoda, subst. Schifisführer. 



438 



KLEINE NIASSISCHE CHRESTOMATHIS. 



namo, sabsL Thaa. 
nangea, adj. wiirdig, werth. 
Nata balugu Luomewöna, nom.propr. 
Nata baluga Luo Zaho, n f 
Nata ba'uwa danö Hia, ^ ff 
Nata simahamaha Rao , uom. propr. 
Nawaöndru, nom. propr. 
nazese, snbst. ein Vogel, 
ndria, subst. Feuer. 
ndrohu, sabst. cin bestimmtes liün- 

geiimaass ; ndrohundrohu , ad v . 

sovie.1 als. 
ndrotondroto, sabst. Glied; sa- 

ndroto = ein Glied. 
ndrundruroö, adj. verdunkelt. 
ne'aösö, s. iiae^ösÖ. 
netenete, s. edu'ö. 
nganga, mo-, v. a. kauea. 
ugaroto, subst, eiu Goldschmuck. 
Ngasara Luo, nom. propr. 

O, (g), subst. Speise, Essen, 
obö, mol-, V. a. umhauen, föUen. 
obou, V. n. verfaulen. 
odo'ö, adj. mehlig (von Knollen- 

gew&chsen). 
o'erea, (g), subst Pleisch, das 

der Priester mit nach Hause 

nimmt. 
öfa, num. vier; raendröfa, viermal. 
ofetu, V. II. knallen, knacken. 
ogömigömi, adj. dunkel , finster. 
ohe, mol-, v. a. bringen, tragen, 
ohi, (n), subst. Kokospalme. 
oho, (n), subst. Zugwind. 
oholu^ (g), subst eine Holzart. 
ochoi'Ö, mol-, v. a. sonnen; mo- 

lochoi, V. n. sich sonnen. 
oi, s. a'oi. 
oja , pron. viel , viele. 



Ngasara Wongi, nom. propr. 

ngenge, subst. Ranke. 

ngöfi , subst. Ufer. 

niha, subst. Mensch, Niasser; Braut; 
soniha = Br&utigam. 

Nifabea, nom. propr. 

noa, (uo), adv. schon, bereits, da- 
mals, von damals. 

nöfu . subst. eine Eischart. 

nönöi , mo-, v. a. überfluthen. 

nönöiiönö , subst. Vermehrung , 
Anfüllung. 

noro , subst. Last. 

noso, subst. Athem, Seele^ Leben. 

nowi, subst. Keisfeld. 

numana, adj. arm, gering. 

nuza , subst. Insel , Platz ; sonuza , 
subst. Bewohner. 

Nuza, nom. propr. 



ojo, adj.. roth ; ojoni , mang-, v. a. 

rotli machen. 
Ojó, (n), uom. propr. Pluss und 

Landschaft, 
olajama , (g)^ subst. Dorfstrasse , 

Hof. 
olalu, (g), subst. eine Holzsorte. 
öli, (g), subst. Hecke, Zaun; öli, 

mang-, v. a. einzSlumen. 
öli, mow-, V. a. kaufen. 
ölö, (g), subst. Kraftaufwand (fiir 

etwas); fo'ölö'ölö, Kraftaufwand 

(fiir etwas); Schöpfung (pass.) 
olofo, v.n hungern, hungrig sein. 
olohi, lö oiohi. adv. mit Grewalt 

(etwas wollen) , lö olohi raöi ia = 

er will mit Gewalt gehen. 
ölömbu, (g), subst. Knftuel. 
olotu, adj. trüb. 



KLKINJB NIASSISGHE GHRBSTOMATHIB. 



489 



olowingo, (g), subst. etwas was 

ins Auge gerHth; — , v.n. etwas 

iiis Auge bekoinmeü. 
omasi , v. n. Wohlgefallen an etwas 

haben ^ lieben. 
ombacha'ö , mang-, v. a. berichten , 

mittheilen. 
ombuju, adj. weich. 
Orabölata, nom. propr. ein Dorf. 
omo , (n) , subst. Haus ; fo'omo , 

subst. Gatte, Gattiu. 
ömö, (g), subst. Schuld. 
omulö[inuIö] dodo, adj. übel zum 

Erbrechcn ; omulömulö dödögu 

ba mbago ■=■ es ist mir iibel 

vom Taback. 
ondrasr, mang-, v. a. za etwas 

oder zu jemaud. hinzugehen ; 

u^ondrasi zalawa, ich gehe zum 

Ilftuptling. 
OQO , (n) , subst. Kind , Sprössling. 
ono geu, subst. Hölzchen. 
ono höro, (n), subst. Pupille. 
öno^ nntn. sechs; meönö, sechsinal. 
otiogoi , (n) , subst. eine Fischart. 
o'ö, mol-, V. a. folgen , befolgen. 
ö'ötÖ, mang-, v. a. zerhacken; 

ötö, mang-, v. a. abhacken. 
ora, (n), subst. Lei ter, Treppe. 
ori, (n) subst. Bezirks verband, 
oroi^ö^ mang-, v.a. sagen lassen, 

bestellen, befehlen; oroisa, (g), 

Befehl. 
oroma^ adj. sichtbar. 
oro'ö , mang- , v. a. hinreichen , 

anbieten, darreichen. 
öpa, pron. einige, einiges; ein 

Theil. 
osali , (g), subst. Rath haus, Tempel 

Kirche, 



osau, adj. nebelig. 

osara'ö li , mang-^ v.a. sich einig 

werden; la'osara'ö li ba wofanö = 

sie werden sich einig in bezag 

auf das Weggeheii. 
ösi , (n) , subt. Inhalt , Körper ; 

ösi dal inga mbatö, subst. Uaus- 

genosse. 
osi, mol-, v.a. abwischen , u'osi 

meza = ich wische den Tisch ab. 
osi^i , mang- , v.a. auf etwas 

entlang gehen, verfolgen (eine 

Sache); u'osisi lala =r ich ver- 

folge den Weg. 
osö'osö, (g), subst. Nagel, 
osö, mol-, V. a. nageln, an- 

nageln . 
osu, (n), subst. Rippen ; töla nosu =: 

die Bippe. 
otalua, (g), subst. Zwischenzeit , 

Zwischenraum. 
otarai, mang-, v. a. von etwas 

herkommen ; u^otarai mbanua = 

ich komme aus dem Dorfe. 
otaraö , (g) , subst. ürsprung , Her- 

kunft. 
otarö , (g) subst. Nordwind. 
<^*i > (g) » eine beaondere Art Kopf- 

tuch. 
ötö, mang-, v. a. überschreiten 

(einen Fluss). fa'ötö, mam-^ 

V. a. hinüberbringen. 
ötö mbongi , mang-, v.a. einen 

Tag festsetzen. 
oto'oto, (g), subst. Zwischenwand. 
otou, (g), subst. eine Krebsart. 
otu, num. hundert. 
otufo, adj. trocken. 
otu'otu, (g), subst. Schaam, 
owalu, mang-, v.a. heirathen (v. 



440 



KLEINE NIASSISCUE CH1UE9T0MATHIK. 



Manne); owalusö, adj. heiraths- 

fahig (v. Madchen). 
owasa, (g), subst. Pest. 
owï, v.n. Abeiid sein, Abeud werden; 
me owï = gestern Abend. 
owi, mol-, jv. a. abhacken (Gras). 
owo, (n), subst. Segelschifi. 
owöhö, V. n. irre, verrückl sein; 

Eai , mo- , v. a. etwas schon ge- 

than oder gesehen haben. 
rai , subst. Goldschmuck , in Eorm 

eines Palmbftumchens , morai , 

V. n. einen solchen Schmuck 

tragen, 
raja, adv. im Süden, südlich; 

eigen tl ich nach der Quelle eines 

riusses hin. 
ranigö, mo-, v. a. zusaramen- 

schmelzen. 
ra'u, mond-, v. a. greifen. 
razö, subst. Hauptling. 
Kazö Mao, nom. propr. 
rawarawa^ subst. eine geflochtene 

Schachtel. ' 

Sa adv. u. conj. dort, freilich , 

ja; denn, doch. 
sa'a , subst. Nagel (am Finger oder 

Zehe). 
sa'ae, adv. fernerhin ; schon, bereits. 
saembu, subst. Kopftuch. 
Saerumböwö, nom. propr 
saga, subst. Gewichtstück. 
sago, subst. Dach. 
sagöla, subst. einTheil einer Prucht, 
die aus mehreren Schichten besteht. 
sagörö, num. ein Stück. 
saigö, man-, v. a. übrig lassen; 

tosai, v. n. übrig sein. 



fowöhö , mam* , v. a. irre leiten , 

verführen. 
owöra, adj. ungar (vom Beis). 
owua dodo, v. n. froh sein, sich 

freuen. 
owulo, adj. rund; — , v. n. sich 

versammeln. 
ozara, adj. einmüihig. 

regerege, subst. das, bis wohin etwas 

geht; erege dodo, adj. müde; 

forege, mam-, v. a. lorciren; 

irege, adv. bis; ndrege, adv. bis. 
rigi[rigi], subst. Mais. 
röi, mond-, v. a. verlassen, zu- 

rücklassen. 
rongo, mu-(?) v. a. horen; fondro- 

ndrongo, mam-, v. a. horen (auf 

etwas). 
rozi, subst. Faser; dua rozi, tölu 

rozi, u.s.w. zwei Stück, drei 

Stück U.S.W. 
rufia, subst. Gulden, 
rugi, mond-, v. a. zu etwas hin- 

gelangen ; irugi = es reicht ; bis. 

saita, subst. ein Haken (Kleider- 

halter). 
saka, man-, v. a. abschneiden. 
sagalawa, u. sakalawa, s. alawa. 
sala, subst. Pehler, Verbrechen; 

fasala, v. n. sich vergehen ; schief 

laufen. 
salo, subst. Hausflur. 
Samagöwaulu, nom. prop. 
samba, num. ein (voll). 
sambajambaja , subst. ein Ballen. 

(mit der Hand zusammen geballt). 
sambua, num. einer, eine, eines, 
samuza, adv. einmal; [ha]samuza, 



KLEINE NIASSISCHE CHRESTOMATHIE. 



441 



[ha] ma'öchö, adv. eines Tages. 
samösa, nam. einer (bei Menschen). 
sandrela, subst. Fenster. 
sandroro , subst. Kapitel, Abschnitfc , 

eine Reihe. 
sara^ nam. einer ^ eine^ eines. 
sara[sara] dodo, adj. besorgt sein. 
sarao, subst. Spiegel, 
saraö, subst. ein Drittel. 
sasa^ subst. eine Planze (Pandamus), 
sasai^ (saisai), man-, v.a. wasschen. 
satna, subst. ^orsteher, Uitere Leute, 
sawa, subst'. Riesenschlange. 
sawa, man-, v.a. (c. ace.) irgend- 

wohingehen ; nsawa nomo = ich 

gehe ins Haus. 
sawi, subst. Kuh. 
sawö, man-, v. a. übersch reiten , 

übert reten, 
sawu, subst. ftussere Schale der 

Kokosnuss. 
selefe, subst. vierkantige Flasche. 
sese, man-, v. a. reinigen (Unkraut). 
si, pron. welcher , welche , welches. 
Siadulo, nom. propr. 
si'ai, adv. sehr, heftig, ungemein ; 

eben, erst. 
si^aiko, adv. sehr, heftig, ungemein; 

eben , erst. 
sibai, adv. sehr, heftig, ungemein; 

eben , erst. 
Si Boha, nom. propr. 
Si Bohai, '/ 
Sibowogae , // 
si'e, subst. Sack. 
sigelo, subst. Sau, Kuh. 
sichösicho, subst. Kosename. 
Sihai , nom. propr. 
Silagö'*ömaomao , nom. propr. 
Sila^o, // // . 



// 



// 



siiatao, subst. Hahn. 

Silawö, nom. propr. 

Silewe , // f 

siliwi , subst Reisvogel ; — nali , 

eine dunkle Art davon. 
simagaewa , subst. eine Krebsart. 
Simahamaha, nom. propr. 
Simaura, nom. propr. 
simbo, subst. Rauch. 
sina, subst. Chinese; Dawa-Sina, id. 
sinali , subst. Tau , Bindfaden. 
sinata , subst. erhöhte Seite des 

Hausflurs. 
sinata mbawa, Mand. 
singa, subst. Kante, 
singa, mo-, v.a. Elechtmaterial 

übers Messerziehen , um es weich 

zu machen. 
sino, sobst. Sonne, Sonnenschein. 
si''o, subst. Spazierstock. 
sirajaraja, subst. eine Grasart. 
Sirao, nom. propr. 
sisi, börö sisi, subst. Perse. 
Sitawuo, nom. propr. 
Sitoli, Ono-Zitoli, nom. propr. 

ein Dorf. 
Sitorosi , nom. propr 
si'u, samba si^ adv. ^ Arm lang; 

talinga zi'u = Ellenbogen. 
siwa , num. neun 
siwala, heziwala, subst. eine Sorte 

grauer Kokosnüsse. 
Siwari, nom. propr. 
Siwu'^e ff f 
so, v. n. da sein, anweseud sein; 
sosó dodo = besorgt seinumjemand. 
so'aja, subst. Herr, Besitzer. 
Sobadöi , nom. propr. 
sofu , man-, v a. fragen (c. ace.) 

nach etwaö. 



442 



KLEIN£ NIASSISCU.£ CHRESTOMATHIE. 



Soliege, nom. propr. 

söcha, subst. Wildschweiu. 

söchi^ adj. gut, schöii. 

Söcliia, nom. propr. 

sole , subst. die innere harte Schale 

ei lier Kokosnuss (oder auch son- 

stiger Nüsse). 
sölu, subst. ein Stück Bambu (als 

Behalter fiir Eier uiid dergl.) 
sörnasöina, subst. Schuhbluine. 
soinbö, subst. Leiidentuch. 
sömö, mail-, v. a. aufreihen. 
sörömi, subst. Spiegel, 
sotora [matua], subst ein Kleider- 

stofi. 
sou, man-, v. a. schöpfen. 
So'uligöna, nom. propr. 
sowato, subst. Einheimischer. 
su'a[8u'a], subst. Maass. 
su''a, man-, v. a. messen, 
sugi, man-, v. a. mahnen. 

Ta'asï, adv. wir wollen schen; 

ta'asï na sumindro = wir wollen 

seheu, ob er stehe. 
taba, man-, v. a. abschneiden. 
tabotabo, subst. Scheuche. 
taboi, man-, v. a. wegjagen, 
tabu, V. def. folge uach! komm! 
tae, V. def. komm mit! tae waigi 

= komm mit , um zu se hen. 
tae[tae] , subst. Gewebe am Blatt- 

stiel (der Palme , z. B.) 
tafi, subst. Seihe; — , man-, v.a. 

seihen, filtriren. 
Tafotafo, nom. propr. 
tagö, man-, v. a. stehlen. 
tagutagu, subst. Naht. 
tagu , man- v a. nahen. 
tahö, subst. Ehrbeweis; — , man-, 



[su]suko, man-^ v. a. porren, an- 

porren; isuko gazuni geto =z= 

er porrt ein Wespennest, 
sui, man-, v. a. um et was her- 

umgehen, (c. ace.), 
sule, subst. Stumpf (v. schrag 

abgehauenem Holze). 
sulu, subst. Packel; Auge. 
sulöni , man- , v.a. vergelten , 

isulöni horö, er vergilt das Ver- 
. brechen; fazulözulö, v. n. an 

einander vorbeigehen oder laufen, 

auf und abgehen. 
sumauge, subst. Ehrbeweis. 
suno, man-, v. a. lobeu, preisen. 
sura^ subst. Buch , Brief, Schrift, 
sura, man-, v.a. schreiben; sura 

dodo, man-, v.a. verrückttnachen. 
susu, subst. Milch. 
susuli, man-^ v. a. Pische fangen 

(mit den Handen). 

V. a. rathen. 
Tahönagö, nom. propr. 
ta'io, subst. Arm. 
ta'ita'i, mo-(?) v.a. beeilen, eilig 

etwas thun ; ta'ita'i halo = mach 

schnell , hole es ; (In der Nega- 

tion : da'ida'i). 
taja, v.n. verloren gehen; gestohlen 

werden, 
talango, subst. Wanze. 
tali und dali , subst. Bichtschnur. 
tali , man-, v.a drehen (zu einer 

Leine). 
talifuso , subst. Bruder^ Schwester. 
talinga, subst Ohr, [fojtalinga 

mbatö , subst. Ecke des Hausflurs. 
talö, subst. Kaladium (Knolleu- 

frucht). 



ICtieiNÏ K[ASSCSOHÉ CHRESTOlf ATIHE. 



443 



talu, snbst. Banch, Mitte; talo 

mbanua, subst. Tiufb ; [fo]talu 

zalo, Hausflur. 
[si]tambai r= [sijtambali , subst. 

die eine Seite; fatambai, mam-, 

V. a. beide Seiten einnehmen; 

fatambai, adv. au beiden Seiten. 
tambu, subst. Dreck: fadambu- 

dambu, v. n. sich dreckig machen. 
tamo, subst. Heuschrecke: tamo 

mböhö, eine besondere Art. 
tamo, subst. eine Hoizsorte. 
tandra , snbst. Zeichen , llandgeld. 
tandrösa, subst. Unterlage (Hack- 

brett z. B.) 
tanga , .subst. Hand ; — , adv. halb. 
tanö, subst. Erde, Tjand, Boden 
tanöj man-, va. pflanzen. 
tanomö, subst. Same, Setzling. 
Oaö , Partikel , tdnö owi = gegen 

Abend ; i&no tou = am untern 

Theile, nach unten zu. 
taogö, man-, v. a. aushalten , er- 
tragen , erdulden. 
tarai , man-, v. a, einen Fusstritt 

geben. 
tarasö, subst. hölzerner Spateii. 
tarawa, subst. Geflecht, Spitze; 

otarawa , mang- , v. a. flechten 
tarewe, subst. Leine, um etwas 

darauf zu hftngen. 
tarewegö, man-, v. a. aiifhftngen. 
taru''ö , man- , v a. einpflanzen , 

einstecken 
taroma ]i, subst Wort. 
taro'oi , man-, v. a. sich fest an 

eine Arbeit machen, sich daran 

halten; mutaro, v. n. fest und 

nnbeweglich sein. 
tarösi, man-^ v. a. znspitzen. 



tatawi, man-, v. a. zerschneiden , 

(ein ï^eschlachtetes Thier). 
ta'u, man-, v. a. schöpfen; ana'ua, 

(g), subst. Schöpfstelle. 
ta^unö, adj schmutzig. 
tawi, man-, v. a. auf hangen; fa- 

tawi, v. n. aneinanderhllngen. 
tawö, subst. Fett. 
tawöla, subst. Schrein. 
tawuo [sini]', subst. Betel, 
te, adv. vielleicht. 
te'ai , v. n. und adv. ea kann nicht, 

es ist unmöglich. 
tebai , v. n. und adv. es kann nicht, 

es ist unmöglich. 
tebu, man-, v. a. werfen; fatebu, 

v. n. jagen mit der Lanze 

(einzelne); fatebusa, subst. Jagd- 

lanze. 
tebua, V. n. unsicher sein. 
tegilo, V. n. umrollen, umgesetzt, 

verandert werden, 
tehe , man- , v. a. zustimmen , er- 

lauben. 
tekiko , V, n. verderben, sterben, 
telalai , v. n. beklagt werden als 

Todter; — , subst. Todtenklage. 
telögu, V. n. umgestülpt werden, 

sich umstülpen. 
tema, man-, v. a. annehmen , 

empfangen , sich daran machen. 

tema li , man-, v. a. antworten; 

anema^ö, m-, v. a. soforfc etwas 

thun oder zu etwas übergehen. 
tenagö, man-, v a. aufbewahren, 

zurücklegen. 
tendre, man-, v. a. (c. ace.) gegen 

etwas anstossen (mit dem Fusse). 
tendro'ö, man-, v. a. gegen etwas 

anstellen. 



4U 



KLEIN F. NTASSISOHE CHRKSTOMATHIÈ. 



teiulroma, subst. das, wogegen man 

etwas anstellt. 
tenqa, adv. nicht, nein. 
te'oli, v.n. aneiDaudergereiht sein. 
tefigawa, v.n. aufgestellt werden, 

sich aufstellen (Tasse z. B.). 
tesa'a , subst. Neumond. 
tesao, V n. auf kommen^ entstehen, 

heraofkommen. 
tete, subst. Oberseite. 
Teteholi ana^a , nora. propr. eine 

Stadt droben. 
teu, sabst. Regen; moteu, v. 

imp. es regnet. 
te'u, subst. Ratte; te'u ndröfi , 

subst. Maus. 
tibo'ö , man- , v. a. wegwcrfen , ver- 
bannen, 
tifa, man-, v. a. antippen. 
tilitili, subst. Schlag; tili, man-, 

V. a. einen Schlag versetzen, 
tindra man-, v. a. stampfeu mit 

den Füasen. 
to, adv. noch dazu , nur noch. 
tödö, subst. Herz, Sinn, Gedanke; 

ba dodögu r= ich denke. 
to'ese, V. n. weitergeschoben werden, 

sich weiter schieben. 
togi, subst. Loch ; — , man-, 

V. a. mit einem Loch versehen , 

durchlöchern. 
toho, subst. Lanze; manoho.v.n. 

eine Lanze tragen, 
tohutohu, subst. Ansatz, Verlftn- 

gerung; tohu, man-, v. a. ver- 

langern. 
tohugö, man-, v. a. fortsetzen; 

fatohu, V. n. sich fort setzen; 

fatohu, mam-, v. a. aneinauder 

setzen. 



tohude, V. n. mehr, grösser sein, 

mehr haben. ! 
Tohude gao, nom. propr. 
töi , subst. Name. 
to'ia, subst. Specht, 
tojo, subst. Boden (v. einemFassz.B.). 
tojo nora , das , worauf die Tjeiter 

steht. 
töla, subst. Knoclien, Stamm, 

Stengel, 
tola , V. n. und adv. es kann, es darf ; 

tola möido = ich darf gehen. 
töla^ö , mam- , v. a. öftnen , durch- 

stechen; fatöla, mam-, v. a. oflen 

machen. 
tölötolö, subst. Schlund, Kehle. 
tölö, man-, v. a. schlucken. 
tolutolu, subst. eine Kaferart. 
tölu, num. drei. 
tome, subst. Gast. 
tord, adv. mehr als, zuviel. 
torö, man- , v. a. an etwas vorbei- 

oder über etwas hingehen; fatörö, 

mam-, v. a. irgend woher führen 

oder gehen lassen, regieren; 

manörö, v. n. spazieren gehen ; 

manörönörö, v.n. hin und her 

gehen; itorö todö = sich erin- 

nern; itorö ligu z= mein Wort 

geht in Erfüllung. 
töröi, man-, v. a. durchgehen, 

durchreisen. 
toröi, V. n. zurückbleiben, übrig 

bleiben, 
torosi, subst Glocke. 
toto, subst. Brust; totö'a, id. 
totoa, subst. Lanzenschaft. 
tou, prftp. und.adv.unterhalb; unten. 
tou'ö, man-, v. a. hinlegen; — 

ton, niederlegen. 



KLieiNE NTASSISCHE CHRESTOHATHIl^. 



445 



töwa , subst Sackchei] , Beutel. 
tÖwu, subst. Zuckerrohr. 
tua, subst. Grossvater, Herr. 
tu'^asa, subst. Dachfenster. 
tufa, subst. Netz (Schmetterlings- 

netz) ; 
tufa^ man-, v.a. fangen , mi t einein 

solchen Netz ; beschuldigen ; — 

tanga , die Hand auf etwas legen, 
tufo, subst. Matte, tufoi, man-, 

v.a. belegen, unterlegen 
tugala, subst. eine Pflanze. 
tugela, subst. das, worauf sich ein 

Vogel setzt. 
tugelai, man-, v.a sich auf etwas 

setzen: manuge, v. n. sich setzen, 
tuge'o, man-, v.a. kochen (Reis). 
iuha, subst. Herr. 
Tuha, nom. propr. 
tuha terongo, subst. ein Titel, 
tuhe, subst. Stamm, Stumpf 
tuho, subst. Kern ; eine Holzsorte. 
tuJQ, man-, v.a. erfassen ; tutuju , 

man-, v.a. auflesen; auswilhlen. 
tuka, subst. Meister, Künstler. 
tuli, subst. Vollmond. 
tulo, man-, v.a. wiegen; fatulo,! 



mam-, v.a. gegen einander ab- 

wiegen. 
tumba, subst. ein Maass, (| kulak), 
tumbu, v. n. geboren werden, ent- 

stehen , aufgehen , heraufkommen. 
tunae, subst. Gattin. 
tundro, man-, v.a. mit Blattern 

verzieren. (Götzen). 
tunö, man-, v.a. erzfihlen. 
tunu, man-, v.a. anstecken, ver- 

brennen. 
tuo , subst. Stachel ; tuo , man- , 

V. a. stechen. 
tuo, subst. Pal m wei u. 
tura'o, man-, v.a. ausspeien. 
turia, subst. Gerucht; teturia, v.n. 

ruchbar werden , berühmt werden, 
turu und tuturu, subst. Finger; 

tuturu, mam-, v.a. zeigen. 
turaturu, subst. Pruchtstengel der 

Palmen, 
tutu , subst. eine Trommel, 
tutu, man-, v.a stampfeu; ma- 

nutu dodo = das Herz klopft. 
tuwutuwu, subst. Stütze, Dach- 
fenster. 



uga, ha uga, pron. wie viele? 
uï, int. ein Zuruf; fa'uï, v.n. 

sich zunifen (mit diesem Ruf). 
uli, (g), subst. Haut, Schale. 
ulitö, (g), subst. ungestampfter 

Reis. 
ulo, (g), subst. Schlange. 
ulu , (n) , subst. Ursprung eines 

Flusses; banlu, am Oberlauf; 

draussen (ausser der Schlafstube , 

im Wohnraum). 
uluwi, (g), subst. Zwergpalme. 



umano, (n), subst. Gesang, Ge- 
dicht. 

umönö, (n), subst. Scliwiegersohn, 
Schwiegertochter. 

undre, (g), subst. Geibwurzel. 

undru, (g), subst. eine Melonenart. 

u'ö , (g) , Netz ; — galawa , Spin- 
newebe. 

urachi, (g), subst. Wohlriechendes. 

uri, mang-, v.a. füttern , un- 
terhalten. 

uro, (g)^ subst. Flusskrebs. 



4^è 



KLETXÈ NrASSrSClfFi fJHRBÖToMATHlli. 



urü'uru, (g), subst. Schutz, Be- 

schützer , Abglanz. 
uta, (g), subst. Ausgespieenes. 

rnuta, v.n. speieii, sich erbre- 

chen. 



uto, (fif), subst. Mark; — bögo, 

Gehirn. 
utu, (g), subst. Laus. 
uwu, (u), subst. Spitze; Ver- 

wandte von Mutters Seite. 



Wa, couj. dass; wa, id. aleo, somit, 

denn ; — , adv. ja. 
wai, mo-, v. a. meineu; irgend 

wofür benutzen. 
Walili, nom. propr. 
walo, subsf. Versammlung. 
walu j num. acht. 
wa'ö, manguma'ö, v. a. sagen, 

mittheilen. 



wenguwengu, subst, Thrane; mo- 

wenguwengu, v. n. weinen. 
wisa, mo-(?) v. a. so handeln, so 

behandeln; he wisa? pron. wie? 

wie beschaffen? 
Wöli, nom. propr. 
wöwöi, momböi, v. a, machen, 

herstellen , schaften. 



Zalazala, s. sala. 
zaeiezaere, subst. Blitz. 
zingozingo, subst. Nasenschleim. 
zui, adv. u. conj. wieder; auch ; 
dennoch. 



Zumbari zumbao, nom. propr. 
zurnoi, adv. es wird ja wohl nicht 

so sein ; kaum. 
zuzu, subst. Qipfel, Spitze (eines 

Berges). 



ANMEtlKUNQEN ZÜ: 

N^ VI. 

Einderlieder. 



1. Dorfhamen, der zweite und dritte jedoch nar Yariation. 

2. Wohl Beet im Beisfelde, Dialect von Süd-Nias. 

5. Vogelname. 

4. Sin Volkastamni. 
b. ff ff 

6. Vogelname. 

7. Laioblfttter brennen fthnlich wie Nesseln. 

8. Beigname. 
9.:-Variation des Vorigen. 

10. Ein Franenname. 

11. Eiue' Holzarte. 

4*. 

ia. ff ff 

13. ff ff 

14. Eine Pflanze. 

15. Eine Krebsart. 

16. Als^Gefass. 

17. Franenname. 

18. Name eines Mannes. 

19. Eine Fischart. 

20. Eine Pflanze mit breiten Blftttem. 

21. ff ff ff ff ff 

22. Eine' Holzarfc. 
28. ff ff 

24. Eine bestimmte Art von Domen. 

25. Name eines Mannes. 

26. Dorfnamen. 

27. Namen eines Ahnen. 

28. Eigennamen. 

29. Eine Fischart. 

30. Ein Vogelname. 

31. Eine Holzsorte. 



6« Volcr. Vn. 29 



448 ANMEUKUNOC?^. 

N^ vn. 

Gesange. 

1. Diese Gesftnge werden eigentlich nicht gesungen, sondern nar 
recitirt von einem Vors&nger, wobei der Ghor, der dazu einen 
Beigentanz aufiührt , dann mit dem letzten Worte , resp. der letzten 
Silbe, oder dem letzten Laute einflUlt. 

2. Die Erde, oder vielmehr die Tnsel Nias, ist nftmlich nach der 
Uberliefemng geschmiedet worden, aas einem ganz geringen 
Stofie. 

3. ffTuhhf/ mnss wohl ein Ahne gewesen sein, dessen Name dann 
immer and überall wiederkehrt; oft scheint es anch, als ob 
dieser Name nar ein Titel sei. 

4. Einer der Ahnen der Niasser. 

5. Die Lange wird wohl nar genannt^ am eine Yariation hinein- 
zabringen, nachdem eben vorher das Herz genannt ist. 

6. Ein Flass im Westen der Insel. 

7. Ein anderer Flass im Westen. 

8. Durch die Achselhöhlen , hinter den Vorderbeinen , werden die 
Schweine überhaapt gemessen , am ihre Dicke and den Preis za 
bestimmen. 

9. Variation für f/QoMv , da sie das Gold von den Ghinesen 
erstehen, wo es angefahr aassieht wie Eiseufeilspane. 

10. Variation fur ^Mand^. 

11. Ein Hauptling aas frQherer Zeit. 

12. Variation des vorhergehenden Namens, wie dies im Verlauf 
immer wieder vorkommt. 

13. Die junge Fraa^ die ja bekanntlich gekauft wird. 

14. Die Ahnengötzen, die oft einer grosseren Familie, einem 
ganzen Bezirke, geboren, stehen hoch aaf dem Balken. 

15. Benennang fur besondere Kleiderstoffe. 
\6. 8. Anmerk. 9. 

17. Dorfhame. 

18. Dies ist die Arbeit der Fraaen^ besonders wenn Gaste kommen. 

19. Ein Titel (Taha terongo). 

20. Dieser Böla sadaölö langi wird nun ais Beispiel eines tuchtigen 
and reichen Mannes angefiihrt, mit alle dem was er geleistet 
hat , and nar diesem ist der hier besungene , der Schwiegervater 
der jangen Fraa, gleich. 



AiïlfBRKUNGBN. 



44d 



21. Zum Masten werden die Schweine viel&ch in einen ganz kleinen 
Kafig gesperrt. 

22. Besondere Art der Arekak-Palme. 

23. Wieder nur Variation. 

24. Besondere Arten der Kokos-Palme. 

25. Hierztt muss der Fnichtstengel der Palme angeschnitten und 
nach und nach abgestumpft werden. 

26. Wieder besondere Bezeichnung der Kokos. 

27. S. Anmerk. ö. 

28. Ein nach allen Seiten offenes GebSude im Dorfe , nnter deui viel- 
fach auch die H&uptlinge und Hauptlingsfrauen begraben werden. 

29. Betel, Arekafmcht, Kalk u. s. w. giebt zusammen den soge- 
nannten Sirih, der gekant wird^ und den man stets in einen 
Bentel mit sich herumtrftgt. 

30. Der eigentliche Urahne der Niasser, der noch droben war, in 
einer Welt über dieser Erde und der seine Söhne auf die Tnsel 
Nias herniedergelassen hat. 

31. Dieser Gesang wird namlich beim Begrabnisse eines H&uptlings 
vorgetragen. 

32. Ein Sohn vou Sirao, der aber droben geblieben und nun eine 
Art Halbgott ist. 

33. Berg- und zugleich Dorfname. 

34. Die Götzen werden mit grünen Palmblfifctern verziert und ge- 
schmiickt. 

35. Eine Holzart. 

36. Dies soli wohl heissen, dass man neun andere haben müsse, 
um diesen einen zu ersetzen. 

37. Der Athem, oder die Seele, reisst ab, wie ein Paden. 

38. Eine Holzart, von der man eine sehr harte und feste Holzkohle 
gewinnt. 

39. Namlich dem ist es gerad^ so ergangen wie dem jezt Verstor- 
benen, den man jetzt beklagt. Und nun wird im folgenden 
dieser Stammvater Sirao und seine Thaten , wie schliesslich auch 
sein Sterben besungen. 

40. Das Dorf des Sirao, in der oberen Welt. 

41. Diese beiden Benennungen gelten für ein und dieselbe Person. 

42. Wie bei der Vorigen — Also Sirao hatte mehrere Prauen. 

43. Wohl jedesmal nur Variation des vorhergeh enden Namens , dann 
scheint aber einer zu fehlen und es ware am Ende doch möglich , 
dass Balugu Luomewöna und Balugu Luo Zaho doch verschieden 



45 Ó ANMERKUNOEff. 

waren. Die Sache ist überhaupt, wie mir scheint, schwer klar- 
zustellen und es hangt auch nicht allzu viel davon ab; genug 
dass verschiedenQ von diesen Söhnen des Sirao auf Nias her- 
niedergelassen wurden und das von ihnen das Volk abstammt 
nach der Tradition. 

44. Der aber dann doch herniedergelassen wurde und zwar in die 
Mitte der Insel. 

45. Dieser Ausdruck ist mir unverstandlich. 

46. Eine besondere Art Gold, von bestimmten Werthe. 

47. Namlich von alle dem Blut und den Abfall von Fleisch, da die 
Schlachtarbeiten draussen auf dem Hofe vorgenommen werden. 

48. Er hatte kein Wetter gescheut, um nur was zu erwerben. 

49. Naralich indem er ihnen Feste und tuchtig zu essen giebt. 

50. Ein Schmuck, der auf den Kopf gesteckt wird , in Form kleiner 
Palmbaumchen , an deuen dann die Blatfcer von dünnem Gold- 
blech sind. 

51. Gedrehte Ringe von Golddraht , die um den Hals getragen werden. 

52. Vielleicht hatte er eine Art Sonnenstich bekommen. 
58. Siehe weiter unten. 

54. Eine grosse Truhe^ die im Hause steht, benutzen sie vielfach 
als Schlafylatz. 

55. ffTahoff ist eine Holzart, aus der also die Truhe gemacht war. 

56. Siehe weiter unten. 

57. //Stammvater Gottesi/ soll doch wohl uur heissen ffAer oberste 
Gott'/ oder etwa xrder Gott der Götter.// 

58. Auch wohl nichts weiter als eine Variation des Gottesnamens. — 
Es wird nun hier im folgenden die Schöpfung des allerersten 
Menschen erzahlt, der dann, wie sich weiter ergiebt ja wieder 
gestorben ist , und aus dessen Munde der Baum , genannt Feuer- 
Mahara, hervorwuchs mit sammt der Feuer-Feto, um so die 
Genesis der Krankheitsursachen klarzulegen. Es sind namlich 
die Friichte dieser Baume und die Blattstielhülle des letzteren , 
die als //Flammenhulu// herunterfiillt , die die Kraukheiten , oder 
wenigstens bestimmte Krankheiten , erzeugen und wodurch dann 
auch Sirao das Leben verloren hat. Ich mache hier besonders 
darauf aufmerksam, das die Schöpfung des ersten Menschen 
hier so erzahlt wird, dass sie uur um ein geringes von der 
entsprechenden Erzahlung in der Bibel abweicht , was doch sehr 
bedeutungsvoU ist. 

59. Also zu einer menschlicheu Figur. 



ANMEBKUNOSN. 451 

60. Man hat uamlich Oevrichtstückchen iu Form eines kleinen 

« 

Ilühnchens. 

61. Der irdenen Figur nftmlich, 

62. Die Biesenfarn (Baumfarn) bekommen feste Stanime, die zu 
Hutten verwandt, in die Erde gegraben , nur sehr laugsam faulen 
und eigentlich dauerhafter sind als Holz. 

63. Ein festes Holz. 

64. Ba'u =z Stein; also auch Stein-Feto. Feto ist eine Palmenart. 

65. Wieder nur Variation von '/Herzgrube.iy 

66. Auch ein Baum , aus dessen Fruchtkolbeu dann der nachste 
Stammvater der Menschen, von dem die jetzige Menschheit 
abstammt, hervorgegangen sein soll. 

67. Die Hülle , die die Stiele (den Grund) der Palmblatter umschliesst , 
gleicht in etwa grobem Sackleineu und wenn nun ein solcher 
Fetzen herunterfallt , so kann man diesen von weitem recht 
wohl fiir ein Huhn halten. 

68. Namen verschiedener Götzen, denen behufs Heilung der Kran